Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-200730800-VI nr. 116

30 800 VI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2007

nr. 116
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 12 juli 2007

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 5 juni 2007 overleg gevoerd met minister Hirsch Ballin van Justitie over:

– de brief van de minister van Justitie d.d. 11 december 2006 inzake het WODC-onderzoek Evaluatie plan van aanpak opsporing en vervolging oorlogsmisdrijven (30 800-VI, nr. 31);

– het verslag van een schriftelijk overleg over deze brief (30 800-VI, nr. 78).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Teeven (VVD) complimenteert de minister met de wijze waarop de laatste jaren de opsporing en vervolging van oorlogsmisdrijven is aangepakt. Doordat er te weinig mensen bezig waren met rechercheonderzoek zijn er tot en met 2000 geen strafzaken aangebracht. Naar aanleiding van de motie-Teeven c.s. (30 800-VI, nr. 47) schrijft de minister dat de politie meer behoefte heeft aan een bepaalde soort van deskundigheid dan aan extra technische recherchecapaciteit. Echter, het Gerechtshof van Den Haag heeft op 19 maart 2007 de voorlopige hechtenis van Guus K. geschorst vanwege onvoldoende voortgang in de strafzaak doordat het opsporingsonderzoek nog lang niet is afgerond. En dat terwijl Nederland in deze kwestie een voorbeeldfunctie heeft. De heer Teeven denkt dat er zeker in dit geval meer behoefte is aan recherchecapaciteit. Het team deskundigen op het terrein van internationale oorlogsmisdaden is in de periode tot 2002/2003 gevormd. Hoeveel rechercheurs hebben er in de hogerberoepfase gewerkt aan de zaak-Guus K.?

Het Rwandatribunaal heeft twee verdachten ter vervolging overgedragen aan Nederland, dat vooroploopt in de bestrijding van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Biedt de Uitvoeringswet genocideverdrag voldoende rechtsbasis om deze twee verdachten in Nederland te vervolgen? In artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht is sprake van de overdracht door een vreemde staat. Kan onder «een vreemde staat» ook worden begrepen een tribunaal? Zo ja, dan creëert dit rechtsmacht voor Nederland. Zo nee, dan zullen minister en Kamer daarvoor op korte termijn een oplossing moeten vinden, want het is ongetwijfeld wel de bedoeling van de wetgever geweest. In Noorwegen bleek rechtsmacht in een soortgelijke zaak te ontbreken. Als dat hier ook het geval is, slaat Nederland een flater met een rechtszaak.

Het generaal pardon is een gegeven; helaas, aldus de heer Teeven. Onder het generaal pardon vallen in ieder geval niet mensen die ervan worden verdacht in het land van herkomst betrokken te zijn geweest bij oorlogsmisdrijven en/of misdrijven tegen de menselijkheid en die derhalve een 1F-status krijgen. Vindt de minister dat gezinsleden van dergelijke mensen het recht moet worden ontzegd in Nederland te blijven? Vaak gaat het om jonge kinderen die niets met de verdenking te maken hebben. Het zou zuur zijn als die ook een 1F-status kregen, maar eventuele betrokkenheid moet grondig worden onderzocht. Acht de minister het noodzakelijk dat de 1F-unit bij de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) kwalitatief en personeel wordt versterkt, mede om dat onderzoek goed te kunnen uitvoeren? Het kan overigens niet de bedoeling zijn dat oorlogsmisdadigers en mensenrechtenschenders een verblijfsvergunning krijgen, ook niet via gezinsleden die een verblijfsvergunning hebben verkregen.

Opsporing van oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen moet vaak geschieden in landen waarin politie en justitie niet van dezelfde statuur zijn als in Nederland en niet dezelfde richtlijnen in acht nemen. Det leidt ertoe dat op Nederlandse ambassades, soms in landen die mensenrechten niet echt respecteren, getuigen worden gehoord en onderzoekshandelingen worden verricht. Is de minister voornemens met zijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken af te spreken dat de algemene beleidslijn is dat Nederland een voorbeeldfunctie heeft bij de vervolging van dit soort zaken en dat Nederlandse ambassades daadwerkelijk actief dit soort opsporingshandelingen moeten ondersteunen, los van wat het buitenlandse beleid van Nederland op dat punt inhoudt?

Hoe zijn de uitlatingen van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking in de Volkskrant van 12 mei 2007 over de vervolging van de participanten van het Leger van de Heer in Oeganda te rijmen met de door de minister van Justitie als eerste prioriteit aangeduide voorbeeldfunctie van Nederland?

De heer Çörüz (CDA) stelt vast dat het Nederlandse asielrecht is bedoeld om personen die vluchten voor onrecht en vervolging een plaats in Nederland te geven en niet om (vermeende) oorlogsmisdadigers of misdadigers een veilige haven te bieden. De door hem genoemde percentages en getallen uit onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut geven hem aanleiding tot de opmerking dat het vooroplopen door Nederland kennelijk betrekking heeft op het opplussen van (juridische) deskundigheid, netwerkvorming en informatiebeheer, maar helaas niet op het daadwerkelijk aanpakken en vervolgen van het aantal alhier aanwezige en veelal onuitzetbare oorlogsmisdadigers. Waarvoor zal de in de motie-Teeven c.s. gevraagde capaciteitsuitbreiding specifiek worden ingezet?

Gezinsleden van 1F’ers kunnen zelfstandig een verblijfsvergunning aanvragen. Hoe vaak is dat tot nu toe gebeurd? De aanbevelingen die de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ) een aantal jaren geleden heeft gedaan, zijn niet overgenomen. De heer Çörüz vraagt derhalve om een notitie over deze materie. Zijns inziens behoort de terugkeer van gezinsleden van oorlogsmisdadigers een optie te zijn en te blijven, omdat (vermeende) oorlogsmisdadigers, die terecht van het generaal pardon zijn uitgesloten, niet mogen profiteren van een verblijfsvergunning van gezinsleden. Is er inmiddels informatie over hoe in andere Europese landen wordt omgegaan met 1F’ers en hun gezinsleden?

In verband met artikel 3 EVRM kunnen veel 1F’ers niet worden uitgezet. Doordat zij geen status hebben, kunnen zij geen gebruikmaken van de voorzieningen voor asielzoekers. Wanneer kan wel worden uitgezet? Hoeveel 1F’ers zijn er de laatste jaren uitgezet?

De heer Spekman (PvdA) acht het cruciaal dat Nederland oorlogsmisdadigers opspoort en vervolgt en dat in geval van vervolging de betrokkenen in Nederland worden veroordeeld en vastgezet, en na het uitzitten van hun straf worden uitgezet. Voorts is van belang hoe Nederland omgaat met eventuele familieleden en gezinsleden van 1F’ers. Hij ondersteunt het verzoek van de heer Çörüz om een notitie, omdat er een oplossing nodig is voor het geschetste dilemma.

Gegeven de uitspraak van de Raad van State van 4 april 2003 pleit de heer Spekman ervoor, dat vreemdelingen er standaard van op de hoogte worden gesteld als het OM besluit niet te vervolgen. De groep onuitzetbaren wordt in Nederland steeds groter, mede door de kloof tussen bestuursrecht en strafrecht. In België is dat kennelijk anders.

Amnesty International heeft zorgen uitgesproken over de gevolgen van ongewenstverklaring en de rechtspositie van ongewenstverklaarden, maar hoeveel ongewenstverklaarden bevinden zich nog in Nederland en hoevelen van hen zijn uitzetbaar? Voor hoeveel ongewenstverklaarden geldt dat uitzetting schending van artikel 3 EVRM betekent? Die groep verkeert in een uitzichtloze situatie, wordt steeds groter en neemt celcapaciteit in. Het is nodig om een uitweg te bedenken. Is de minister bereid een visie te ontwikkelen op de ongewenstverklaring?

Afghanen die hebben gewerkt voor de KhAD/WAD wordt in Nederland standaard 1F tegengeworpen, terwijl dat elders niet gebeurt. In hoeverre is er in Europa sprake van afstemming op dit terrein?

Mevrouw Van Velzen (SP) kan de argumentatie van de minister dat extra capaciteit bij het KLPD en het OM niet nodig is, niet volgen. Het tussenarrest in de zaak-Guus K. duidt op gebrek aan capaciteit. Ook is er duidelijk een gebrek aan opsporingscapaciteit in het geval van asielzoekers van wie wordt vermoed dat zij medeplichtig zijn aan oorlogsmisdaden of mensenrechtenschendingen. Dat 1F’ers nauwelijks worden vervolgd, laat staan worden gestraft, moet toch ook iets te maken hebben met capaciteitsproblemen. Doordat de administratie niet op orde is, kan de minister vragen over inbewaringstelling en dergelijke van 1F’ers niet beantwoorden. Zolang er geen zicht op de situatie is, is er sprake van een capaciteitsprobleem. De minister behoort de motie-Teeven gewoon uit te voeren.

Wordt iemand de 1F-status tegengeworpen, dan is het de verantwoordelijkheid van de Staat om tot vervolging over te gaan. Ook al is het rechtsprincipe in Nederland dat iemand onschuldig is totdat het tegendeel is bewezen, toch houdt iemand die een 1F-status is tegengeworpen dat stempel. In reactie op de opmerking dat het risico bij betrokkene ligt, indien deze weigert informatie aan de Staat te verstrekken, zegt mevrouw Van Velzen dat men altijd het recht heeft om te zwijgen. Ambtsberichten leiden ertoe dat groepen mensen als verdacht worden aangemerkt, zonder dat zij strafrechtelijk worden vervolgd. Dit geldt inderdaad met name voor diegenen die in Afghanistan voor de inlichtingendienst hebben gewerkt. Zij stelt voor, de overheid te verplichten om binnen vier jaar nadat de situatie in een staat is gestabiliseerd, hard te maken dat verdachten zich daadwerkelijk schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdrijven of mensenrechtenschendingen. Het is dan immers mogelijk om onderzoek in gang te zetten.

Het is haars inziens onacceptabel dat gezinsleden van personen die de 1F-status opgelegd of tegengeworpen hebben gekregen per definitie niet in aanmerking komen voor de generaalpardonregeling. Om hoeveel gezinsleden gaat het? Wil de minister dit element van de regeling heroverwegen?

In stuk nr. 31 suggereert ’s ministers voorganger dat het de verdienste is geweest van de regering, dat de heer Van Anraat is veroordeeld. Het tegendeel is waar, aldus mevrouw Van Velzen. Het is aan haar eigen hardnekkigheid te danken dat het uiteindelijk tot een rechtszaak tegen de heer Van Anraat is gekomen. Ook andere individuen en bedrijven hebben chemicaliën aan Saddam Hoessein geleverd voor de productie van gifgas. Bij Koninklijk Besluit is destijds de levering van bepaalde chemicaliën verboden. Is de minister bereid, een oriënterend onderzoek te starten naar de bedrijven die dit verbod hebben overtreden of zulke chemicaliën hebben geleverd voordat het Koninklijk besluit van kracht was dan wel chemicaliën hebben geleverd die niet op de lijst stonden, maar er wel op hadden moeten staan? Mevrouw Van Velzen noemt met name Melchemie en KBS Holland, bedrijven die voorkomen in het rapport Full Final and Complete Disclosure (FFCD). Wil de minister het FFCD aan de Kamer toezenden, uiteraard zonder de passages over het maken van massavernietigingswapens?

Om te kunnen beoordelen of nadere vervolging van Melchemie voor de hand ligt, verzoekt mevrouw Van Velzen om inzage in het strafdossier uit 1986 in de zaak-Melchemie, uiteraard privacygevoelige documenten uitgezonderd.

Mevrouw Van Velzen vraagt voorts om toezending van de stukken die het VPRO-programma Argos met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur heeft verkregen over de export van chemicaliën in de jaren tachtig, het buitenlandse beleid van de Nederlandse overheid inzake Irak en het archief over Irak bij het ministerie van Economische Zaken.

Mevrouw Azough (GroenLinks) is het eens met de door de minister gewenste voortrekkersrol van Nederland. Het WODC-rapport schetst evenwel een minder positief beeld. Concrete informatie van de minister over de uitvoering van het beleid inzake 1F’ers is gewenst. De bewindsman lijkt actiever in dezen dan zijn ambtsvoorganger. Mevrouw Azough neemt aan dat het kabinet de mensenrechten centraal zal zetten in de relaties met andere landen op het punt van het bestrijden van oorlogsmisdrijven. Zij ondersteunt het verzoek van mevrouw Van Velzen om onderzoek naar Nederlandse bedrijven die mogelijk chemicaliën aan Irak hebben geleverd en om toezending van de stukken waarover Argos kon beschikken. Het is van belang dat de Nederlandse overheid zich kan vrijpleiten van enige schuld aan dergelijke leveringen.

De cijfers en percentages over 1F’ers maken duidelijk dat de motie-Teeven c.s. onverkort dient te worden uitgevoerd.

Er is sprake van een sociaal en juridisch vacuüm wat de 1F’ers betreft. Sommigen zijn hier al langer dan tien jaar. Het is van belang dat er grondig en nauwkeurig onderzoek naar hen wordt gedaan om terecht verdachten eruit te halen. Dit onderwerp verdient op korte termijn een apart debat aan de hand van de gevraagde notitie, maar er is wel een link met het generaal pardon. Diegenen die ten onrechte de 1F-status tegengeworpen hebben gekregen, moeten onder het generaal pardon vallen.

De praktijk op Europees niveau leert dat er grote verschillen zijn in de criteria voor het tegenwerpen van de 1F-status en in de aantallen asielzoekers die deze tegengeworpen krijgen. Is inmiddels op Europees niveau enige uniformiteit van de criteria ophanden?

De heer Brinkman (PVV) stelt dat asielbeleid streng en rechtvaardig moet zijn. Het is verraad aan het internationale recht als mensen die oorlogsmisdrijven hebben gepleegd en naar Nederland komen, kunnen worden uitgezet noch bestraft. Het is noodzakelijk dat via wetswijziging wordt bereikt dat het onmogelijk is dat 1F’ers überhaupt in Nederland kunnen vertoeven met een ongewenstverklaring. Hij antwoordt ontkennend op de bij interruptie gestelde vraag, of hij Afghaanse communisten die hier wegens oorlogsmisdrijven in Afghanistan zijn veroordeeld, wil terugsturen naar Afghanistan, in de wetenschap dat zij daar zullen worden opgehangen. Hij bestrijdt dat alle 1F’ers die naar hun land van herkomst worden teruggestuurd daar ter dood zullen worden gebracht. Hij kent 1F’ers die kunnen worden teruggestuurd zonder dat dit gebeurt.

Wat is de reden van het hoge percentage sepots van 1F-zaken door het OM? Is dit een gevolg van gebrek aan formatie? Ook de heer Brinkman pleit voor onverkorte uitvoering van de motie-Teeven c.s. en dus voor uitbreiding van de formatie.

Antwoord van de minister

De minister sluit zich aan bij de waarderende woorden voor de vaak persoonlijke inzet van politie en OM bij de opsporing en vervolging van oorlogsmisdadigers. Mochten KLPD, nationale recherche en OM alsnog melden behoefte te hebben aan capaciteit, dan zal de minister de vinger aan de pols houden. Het OM deelt niet de opvatting van het Haagse Gerechtshof dat er een capaciteitsprobleem was in de zaak-K. Hoeveel rechercheurs in de hogerberoepfase aan deze zaak hebben gewerkt, is de bewindsman niet bekend. Naar aanleiding van de motie zijn het OM en de nationale recherche (KLPD) geraadpleegd. Het KLPD verwacht de opgehoogde doelstelling voor 2007 met de bestaande formatie te kunnen halen. Het landelijk parket heeft gemeld dat de capaciteit voldoende is voor het zaakaanbod, dat in pieksituaties kan worden geschoven en dat indien het zaakaanbod toeneemt, om meer capaciteit zal worden gevraagd. Een eventueel verzoek zal in ogenschouw worden genomen. De nationale recherche heeft gemeld behoefte te hebben aan drie wetenschappelijk geschoolde deskundigen. Als de Kamer desalniettemin de in de motie gewenste capaciteitsuitbreiding wenst, dan dient ze aan te geven of deze capaciteit in reserve moet blijven en intussen kan worden ingezet voor andere taken van recherche en OM. De begrotingen van Justitie en BZK worden niet hoger door een motie, tenzij er een dekkingsplan bij is. Wil men extra zaken laten behandelen, dan moet worden bepaald ten koste waarvan dit moet gebeuren. De ernst van misdrijven en de rol van Nederland in de internationale rechtsorde vergen dat politie en OM hun werk in dezen zo goed mogelijk doen en over de noodzakelijke capaciteit beschikken om tot het beste sluitstuk te komen van een 1F-constatering in vreemdelingrechtelijke zin.

Mocht bij de analyse door de minister en de staatssecretaris van de gevallen waarin sprake is van de 1F-status, maar niet is vervolgd, blijken dat er meer werk te doen is, dan is er voor de minister aanleiding om de capaciteitsvraag opnieuw aan de orde te stellen. Het heeft echter geen zin, de capaciteit van het OM uit te breiden om strafzaken voor te brengen die wegens het ontbreken van rechtsmacht in het zand zullen eindigen. Amnesty International onderkent dat er mensen zijn die een overheid niet kan of wil toelaten, terwijl er tegelijkertijd beletsels zijn voor het verwijderen van deze personen naar een ander land. Uitgangspunt van de Vreemdelingenwet 2006 is de eigen verantwoordelijkheid van degene die niet wordt toegelaten om te vertrekken.

In de ogen van de bewindsman is de door de heer Teeven gegeven uitleg van artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht een juiste. Wordt deze uitleg in de rechtspraak gehanteerd, dan doet zich het gevreesde probleem met het ontbreken van rechtsmacht niet voor. Bij de totstandkoming van de wetgeving op het gebied van terroristische misdrijven, foltering en dergelijke is door het toenmalige kabinet en de Kamer in toenmalige samenstelling gesteld dat feiten die zich hebben voorgedaan op het moment dat er geen rechtsmacht was, niet op die basis kunnen worden behandeld. De rechter zal moeten uitspreken of er sprake is van rechtsmacht bij overdracht door het Rwandatribunaal.

De bewindsman verwijst de vragen naar de positie van gezinsleden van 1F’ers in het kader van de pardonregeling naar de plenaire behandeling van de regeling donderdag aanstaande. De staatssecretaris heeft overigens in het schriftelijke overleg over de regeling gemeld dat de gezinnen van vreemdelingen aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen een vertrekplicht hebben en Nederland dienen te verlaten, waarbij ze worden ondersteund en gefaciliteerd.

Buitenlandse Zaken verleent steun bij opsporing in het buitenland. Natuurlijk moeten de ambassadeurs in landen waarin oorlogsmisdrijven zijn gepleegd meewerken aan de opsporing. Ook voorgaande ministers van Buitenlandse Zaken hebben zich daaraan gecommitteerd. De ervaring is dat de ambassades doen wat ze moeten doen. Mocht ooit blijken dat een ambassade dat niet doet, dan is dat voor de bewindsman reden om contact op te nemen met zijn collega van Buitenlandse Zaken. Hij zet uiteen welk standpunt de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking innemen inzake het vredesproces in Uganda en het onderzoek van het Internationaal Strafhof. Nederland matigt zich uiteraard geen oordeel aan over rechtsgangen in Uganda. Dat is aan het Internationaal Strafhof. De opvatting van beide bewindslieden komt overeen met die welke door hun voorgangers is weergegeven in stuk 25 098, nr. 43.

Getracht zal worden te inventariseren welke 1F’ers die niet konden worden berecht en evenmin konden worden verwijderd, nog in Nederland verblijven. Het ontbreken van de mogelijkheid van een strafprocedure betekent niet dat artikel 1F niet had moeten worden toegepast. Mochten er nog strafzaken mogelijk blijken, dan zal daartoe worden overgegaan en kan gebruik worden gemaakt van informatie uit de 1F-dossiers. De minister bestrijdt dat «niet berecht» betekent dat betrokkene «niet schuldig» is en daarom een tijdelijke status zou kunnen verkrijgen. Het kan heel goed zijn dat artikel 1F van toepassing is, maar dat Nederland niet in de positie verkeert om betrokkene te berechten, bijvoorbeeld in het geval van een rechtsmachtprobleem dat ook niet kan worden opgelost met de zojuist bepleite uitleg van artikel 4a. Het kan gaan om mensen van wie de Nederlandse overheid heeft vastgesteld dat zij niet kunnen worden toegelaten op basis van de zeer ernstige misdrijven die zij hebben gepleegd. Deze mensen kunnen dus geen aanspraak maken op het Vluchtelingenverdrag noch op de Vreemdelingenwet. De minister kan zich niet voorstellen dat men deze mensen toch maar wil toelaten als Nederland hen niet kan verwijderen en zij niet vertrekken, zoals de wet voorschrijft.

SCIFA heeft op verzoek van Nederland aan de EU-lidstaten een questionnaire voorgelegd over de toepassing van artikel 1F, inclusief verwijdering van 1F’ers naar het land van herkomst. Het is de bedoeling dat de antwoorden op 8 juni aanstaande binnen zijn.

In het Overzicht kwantitatieve gegevens afdoening 1F-zaken, dat als bijlage bij stuk nr. 31 is gevoegd, is de stand van medio december 2006 vermeld. Die wijkt nauwelijks af van de stand van eind december. Per jaar zijn er ongeveer 1000 gevallen van ongewenstverklaring, maar er is geen aparte registratie van samenloop met 1F-situaties.

In de waardering voor de zaak-Van A. betrekt de bewindsman graag mevrouw Van Velzen, want zij heeft met recht en reden de tanden in deze zaak gezet. Net als hun ambtsvoorgangers voelen de minister en staatssecretaris zich niet gerechtigd om over te gaan tot openbaarmaking van het FFCD-rapport. Uiteraard worden specifieke vragen over strafdossiers beantwoord, met inachtneming van de beperkingen die daarbij gelden, maar strafdossiers zijn geen openbare documenten en lenen zich niet voor een vorm van (bewerkte) publicatie. Naar verwachting zal het antwoord op de recente schriftelijke vragen van mevrouw Van Velzen over Nederland en de chemische wapens van Irak binnenkort kunnen zijn afgerond.

Over de kwestie van de WOB-verzoeken zal de Kamer nader bericht ontvangen.

Dat een 1F’er strafvervolging wacht in het land van herkomst is geen beletsel om tot verwijdering over te gaan. Dat is pas het geval als de aard van de strafvervolging relevant is in het kader van artikel 3 EVRM. In de toegezegde analyse zal ook worden bekeken of in individuele gevallen de situatie zodanig is gewijzigd dat de uitzetting niet langer wordt belemmerd.

Nadere gedachtewisseling

De heer Teeven (VVD) constateert dat minister en Kamer het erover eens zijn dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om onder de term «vreemde staat» in artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht ook tribunalen te verstaan. Wellicht is het verstandig om dit artikel zodanig aan te passen dat daarover geen enkel misverstand mogelijk is.

Kan de minister toezeggen dat de vaste commissie voor Justitie jaarlijks in december een kwantitatief overzicht krijgt van het aantal zaken dat het KLPD in het lopende jaar in behandeling heeft genomen, het aantal zaken dat in behandeling is en het aantal zaken dat is afgerond? Mochten de cijfers daartoe aanleiding geven, dan zal de mogelijk aanwezige ambtelijke weerstand tegen uitbreiding van de technische recherchecapaciteit moeten worden doorbroken.

De heer Teeven is verheugd over het antwoord van de bewindsman over de uitspraak van zijn collega voor Ontwikkelingssamenwerking.

De heer Çörüz (CDA) herhaalt, mede namens de heer Spekman, het verzoek om een notitie over de kwestie gezinsleden van 1F’ers. Hij wil de discussie over het generaal pardon niet belasten met deze kwestie, maar wenst er wel in den brede over te kunnen discussiëren.

Mevrouw Van Velzen (SP) ondersteunt het verzoek, met dien verstande dat zij de notitie voor het zomerreces wil ontvangen, opdat deze gezinsleden niet nog langer in onzekerheid blijven verkeren. Amnesty International en Human Rights Watch kunnen niet bevestigen dat er sprake is van een zodanige roulatie van functies bij de Afghaanse inlichtingendiensten dat er impliciet van uitgegaan mag worden dat officieren en anderen zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid. Vandaar dat mevrouw Van Velzen wenst dat wordt ingezet op vervolging en berechting van degenen aan wie 1F wordt tegengeworpen. Kunnen zij niet worden vervolgd, dan moet hun status worden heroverwogen. De ambtsberichten dienen te worden verbeterd. Zij herhaalt haar vraag hoeveel 1F’ers in bewaring zitten, hoeveel er zijn uitgezet en wat het resultaat is van de beroepszaken.

Mevrouw Van Velzen vraagt de minister om toe te zeggen dat hij in ieder geval de mogelijkheden zal bezien van een oriënterend onderzoek naar leveranties van chemicaliën aan Irak. Haars inziens zijn daarvoor voldoende aanknopingspunten, met name wat Melchemie en KBS betreft. Zij is bereid die aanknopingspunten aan de minister voor te leggen. Een vraag is bijvoorbeeld of bedrijven ermee bekend waren dat BASF al begin jaren tachtig geen chemicaliën naar Irak exporteerde en, zo ja, waarom ze het dan wél deden.

Mevrouw Azough (GroenLinks) wil weten of de minister tevreden is over het aantal zaken waarin vervolging is ingezet tegen 1F’ers. Gebrek aan rechtsmacht zal niet altijd vervolging in de weg staan. Het noodzakelijke onderzoek zal vaak lastig zijn en veel tijd en formatie kosten.

Kan de Kamer de antwoorden op de questionnaire over de toepassing van artikel 1F zo snel mogelijk ontvangen? Zij spreekt de hoop uit dat de analyse ook zo snel mogelijk kan worden overgelegd. De waarheidsvinding moet centraal staan. Kan de mogelijkheid om dat via het bestuursrecht te bereiken bij de analyse worden betrokken?

De heer Brinkman (PVV) is teleurgesteld over het niet uitvoeren van de motie-Teeven. Hij ondersteunt het verzoek van de heer Teeven om jaarlijkse informatie. Het is verheugend dat zal worden onderzocht of de situatie in de landen van herkomst van niet-uitzetbare 1F’ers zodanig is gewijzigd dat uitzetting alsnog mogelijk is. Het verdient aanbeveling 1F’ers uit die landen te monitoren, zodat zij meteen kunnen worden uitgezet als dat mogelijk blijkt te zijn. De drie nieuwe beleidsmedewerkers zouden zich met die monitoring bezig kunnen houden.

De minister zegt een jaarlijks overzicht toe van zaken die het KLPD in behandeling neemt en afdoet. Het is goed als eenieder zich rekenschap geeft van de voortgang van de zaken. Hij is tevreden over de inspanningen en het engagement om tot vervolging alhier te komen, maar niet over elke serieuze 1F-zaak die redelijkerwijs, rekeninghoudend met bewijspositie en rechtsmacht, niet in Nederland of elders voor de rechter kon worden gebracht. Voor de 1F-constatering in vreemdelingrechtelijke zin kunnen voldoende redenen zijn, maar voor het strafproces kunnen deze onvoldoende zijn. Als de rechter de afwijzing van een asielverzoek op grond van artikel 1F terecht acht, is strafrechtelijke vervolging in het land van herkomst mogelijk, evenals strafrechtelijke vervolging door een internationaal tribunaal en in Nederland.

De belasting van de diensten ingevolge de behandeling van vreemdelingenzaken en de toepassing van de pardonregeling kan betekenen dat het enige tijd duurt voordat de inventarisatie gereed is van de afloop van 1F-toepassingen die niet hebben geleid tot verwijdering of berechting. Uiteraard zal al het werk moeten worden gedaan door de mensen die er zijn. Voor de behandeling van de begroting van Justitie zullen de analyse en de door de heer Çörüz gevraagde notitie bij de Kamer voorliggen. Uiteraard wordt de door de heer Brinkman genoemde mogelijkheid van oriënterende onderzoeken erbij betrokken. De drie nieuwe beleidsmedewerkers zullen de nationale recherche ondersteunen. Met de staatssecretaris van Justitie zal de minister bespreken hoe het best kan worden bezien welke ontwikkelingen er over een bepaalde periode zijn geweest ten aanzien van de mensen aan wie 1F is tegengeworpen. Daarbij zullen de ambtsberichten, een relevant element bij de beoordeling, en het bestuursrechtelijke element worden betrokken.

Met mevrouw Van Velzen zal de bewindsman op een ander moment bespreken welke zaken nader strafrechtelijk kunnen worden bezien. Hij zal trachten te bewerkstelligen dat haar schriftelijke vragen worden beantwoord in het licht van haar toelichting.

Van de antwoorden op de questionnaire van SCIFA zal een geaggregeerd overzicht aan de Kamer worden gezonden. De Nederlandse inbreng zal weinig nieuws bevatten.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van Beek (VVD), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Wolfsen (PvdA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Velzen (SP), Azough (GroenLinks), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Kalma (PvdA), De Roon (PVV), Verdonk (VVD), Pechtold (D66), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Weekers (VVD), Van der Vlies (SGP), Van Dijken (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Jager (CDA), Gill’ard (PvdA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Abel (SP), Halsema (GroenLinks), Blok (VVD), Van Miltenburg (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Fritsma (PVV), Zijlstra (VVD), Koşer Kaya (D66), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Van Gijlswijk (SP), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).