Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032123-A nr. 113

32 123 A Vaststelling van de begrotingsstaat van het Infrastructuurfonds voor het jaar 2010

Nr. 113 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 juni 2010

Inleiding

Met deze brief informeer ik u, mede namens de minister van VROM, over de uitkomsten van de bestuurlijke overleggen MIRT. Deze zijn op 17, 19 en 20 mei 2010 gevoerd met alle landsdelen. Hierbij waren ook de ministeries voor WWI, LNV en EZ hoogambtelijk vertegenwoordigd.

De regionale delegaties vertegenwoordigden de portefeuilles verkeer en vervoer, ruimtelijke ordening, water en verstedelijking.

Tijdens deze bestuurlijke overlegronde is vooral de voortgang besproken van afspraken uit het najaarsoverleg MIRT van 2009 en is teruggeblikt op drie jaar MIRT. Nieuw in deze ronde was dat de Gebiedsagenda’s, die tijdens het najaarsoverleg 2009 zijn vastgesteld, structurerend zijn geweest voor de vorm van de agenda. Deze kende veel meer dan voorheen een opzet vanuit een integrale gebiedsaanpak, waarbij per gebied de daar spelende opgaven c.q. projecten zijn besproken.

Vooruitlopend op de wijziging van de Tracéwet begint in een groot aantal projecten de Sneller&Beter werkwijze zichtbaar te worden in de besluiten die worden genomen. Zo is voor de A58 en A67 een besluit genomen over de scope en mogelijkheden van financiering in de geest van het advies van de Commissie Elverding en is voor de N35 (Zwolle–Wijthmen) een voorkeursbeslissing genomen. Deze laatste heb ik u reeds toegezonden (kamerstuk 32 123 A, nr. 106).

Opbouw

In deze brief volgen de algemene noties en bespreekpunten. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan de terugblik «van MIT naar MIRT», de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse, de stand van zaken van de werkgroep «Onorthodoxe maatregelen» en de verkenning Randstad Sleutelprojecten.

In bijlage 1 vindt u de specifieke uitwerking in afspraken per landsdeel, zoals afgestemd met de betrokken decentrale overheden.1 In bijlage 2 treft u een nadere toelichting op het MIRT-onderzoek.1 In bijlage 3 treft u een toelichting op de voorkeursalternatieven voor respectievelijk A6/A7 Knooppunt Joure en N31 Harlingen.1 In bijlage 4 treft u een nader overzicht van de ramingen van de planstudie Bereikbaarheid A12/A15.1

Terugblik op de afgelopen kabinetsperiode: «van MIT naar MIRT»

In het coalitieakkoord is de overgang ingezet van het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT) naar het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport (MIRT). Hiermee is een aanvang gemaakt met het omvormen van een sectoraal programma gericht op infrastructuur en mobiliteit naar een integraal programma, waarbij ruimte, natuur, water, verstedelijking en mobiliteit in samenhang worden beschouwd.

Tijdens deze bestuurlijk overlegronde is stilgestaan bij hetgeen in de afgelopen periode is bereikt. Dit betrof zowel de algemene stappen die zijn gezet (spelregelkader, gebiedsagenda’s, etc.), als ook hetgeen in de landsdelen concreet is gerealiseerd.

De algehele conclusie is dat de ervaringen met het MIRT positief zijn. De integrale benadering wordt als constructief en nuttig ervaren en het halfjaarlijks bestuurlijk overleg MIRT als overlegvorm zeer waardevol. De gebiedsagenda’s vervullen inmiddels een belangrijke rol in de visie op de ontwikkelingsrichting van de landsdelen en de daaruit voortvloeiende (ruimtelijke) opgaven. Wel wordt de zorg uitgesproken dat de beschikbare middelen om de ambities uit de gebiedsagenda’s uit te voeren beperkt zijn en dat niet voor alle doelen (zoals verstedelijking) rijksmiddelen beschikbaar zijn.

Van de kant van de landsdelen wordt het belang van selectiviteit en concreetheid benadrukt. Tevens moet worden opgepast dat integraliteit niet leidt tot te complexe en abstracte opgaven, maar dat het gaat om een beargumenteerde «samenhang». Het inzichtelijk maken van mogelijke synergiewinsten van de integrale aanpak speelt hierbij een belangrijke rol. Het rijk is met de landsdelen van mening dat zaken die sectoraal zijn ook sectoraal moeten worden opgepakt. Een belangrijk punt is tevens de verbeterde samenwerking tussen het rijk en de regio. De «R» uit het MIRT staat in die zin ook voor «regio» en «relatie».

Specifiek wordt geconstateerd dat het onderdeel natuur en landschap in de afgelopen 3 jaar nog onvoldoende tot zijn recht is gekomen in het MIRT. Afgesproken is dat rijk en regio de komende periode nagaan of en zo ja hoe de combinatie tussen het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en het MIRT verder ontwikkeld kan worden.

Rijk en regio zetten de constructieve en gebiedsgerichte samenwerking van de afgelopen jaren voort en zullen gezamenlijk invulling geven aan de verdere ontwikkeling van het MIRT.

Stand van zaken Gebiedsagenda’s

Nadat de gebiedsagenda’s tijdens de bestuurlijk overleggen MIRT in het najaar 2009 zijn vastgesteld, heeft op een aantal punten nadere invulling plaats gevonden. Dit is overeenkomstig hetgeen is gemeld in de brief aan uw Kamer van 30 november 2009.5 Dit heeft met name betrekking op de verdere invulling van de opgaven op de aspecten duurzaamheid, energie, klimaat, blauw en groen. De komende maanden zal de nadruk liggen op een duidelijke prioritering en fasering tussen de diverse opgaven in de respectievelijke gebiedsagenda’s. Daarnaast zullen de gebiedsagenda’s nadrukkelijk worden ingezet om de agenda’s van de bestuurlijke overleggen MIRT te bepalen.

Hierbij speelt ook het definiëren van de benodigde samenhang in de besluitvorming een rol, op basis van het adagium «sectoraal wat kan, integraal wat moet». In dit verband is de motie Koopmans/Roefs/Wiegman van belang.6 De regering wordt daarin opgedragen onderzoek te doen waar krimpregio’s en overdrukgebieden in elkaars nabijheid liggen en of infrastructurele knelpunten die verschillen in stand houden. De motie veronderstelt een directe relatie tussen nabijgelegen krimp- en overdrukgebieden en de tussengelegen infrastructuur (fysieke bereikbaarheid). Deze relatie is niet vastgesteld. Het kabinet meent dat de problematiek van krimp (en overdruk) een kwestie is van vele factoren die ook nog eens per gebied sterk kunnen verschillen. Dit wordt ook zichtbaar in het interbestuurlijk «Actieplan Bevolkingsdaling», dat uitgangspunt vormt voor het kabinetsbeleid op het gebied van krimp.

In het actieplan is afgesproken dat de uitwerking hiervan een plek zal krijgen in de gebiedsagenda’s. Dit garandeert een gebiedsgerichte aanpak en voorkomt dat zaken in isolatie worden bezien. Zo dient voorkomen te worden dat maatregelen ten aanzien van krimp/overdruk bijvoorbeeld de maatregelen in het kader van het bundelingsbeleid teniet doen.

De gebiedsagenda’s en de bestuurlijke overleggen zijn bij uitstek de plek waar aspecten van ruimtelijke ordening, bevolkingsgroei/daling, woningbouw en bereikbaarheid bij elkaar komen. Het rijk wil dan ook via deze kanalen bezien of een behoeft aan verbeterde verbindingen zich voordoet en zo ja, aan welke oplossingen dan gedacht kan worden.

In bijlage 1 treft u voorts een aantal regio specifieke punten betreffende de gebiedsagenda’s.

Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse

Tijdens de bestuurlijke overleggen zijn de tussenresultaten van de analyses van de Markt- en Capaciteitsanalyse (NMCA) met de landsdelen besproken. Ter voorbereiding op deze bestuurlijke overleggen zijn bijeenkomsten georganiseerd waarin met ambtelijke vertegenwoordigers van de landsdelen de tussenresultaten zijn besproken. Het eindresultaat van de NMCA zal besproken worden in het Nationale Mobiliteitsberaad (NMB) van 17 juni, alvorens deze aan uw Kamer wordt gezonden. Dit is in overeenstemming met de toezegging die hieromtrent door mij is gedaan tijdens het notaoverleg MIRT van 14 december 2009.

De conclusie van de bespreking nu is dat de landsdelen in grote lijnen de gepresenteerde analyses en de hierop gebaseerde tussenresultaten herkennen. In het overleg met de regionale vertegenwoordigers wordt voor de afronding van de NMCA nog specifiek gekeken naar het gebruik van het Landelijk Model Systeem (LMS) in relatie tot regionale modellen. Eventuele verschillen tussen beide modellen worden in de analyse verwerkt.

In bijlage 1 treft u voorts een aantal regio specifieke punten betreffende de NMCA.

Stand van zaken Werkgroep onorthodoxe maatregelen

In het kader van de Verstedelijkingsafspraken 2010–2020 is in het bestuurlijk overleg de tussenstand van de MIRT-onderzoeken naar «onorthodoxe maatregelen» besproken.7

Het afgelopen half jaar is in samenwerking tussen regio en rijk voor vijf projecten in de Randstad onderzoek uitgevoerd naar (onorthodoxe) maatregelen waarmee de projecten eventueel (financieel) uitvoerbaar gemaakt kunnen worden. Het betreft de volgende projecten: NDSM-terrein in Amsterdam, Binckhorst in Den Haag, Kop van Feijenoord in Rotterdam, Merwedekanaalzone, deelgebied 4 en deelgebied 5 in Utrecht. Daarnaast wordt een onderzoek gestart bij een vijftal nieuwe projecten en is de stuurgroep Onorthodoxe maatregelen aan de slag gegaan met drie thematische onderwerpen: transformatie van kantoren naar woningen, bouwkosten en fiscale maatregelen.

De MIRT-onderzoeken naar onorthodoxe maatregelen zijn goed op gang en leveren voldoende perspectief om de onderzoeken door te zetten en af te ronden.

Op basis van de eerste bevindingen kan worden geconstateerd dat niet alle voorgestelde maatregelen direct zullen leiden tot financiële uitvoerbaarheid, maar de problematiek wel beter hanteerbaar wordt. In de komende fase worden de maatregelen aangescherpt en op hun (financiële) effecten doorgerekend.

Tijdens de bestuurlijk overleggen zijn de volgende afspraken gemaakt:

  • A) Pilotprojecten Randstad

    • Afspraak om in het BO najaar 2010 ten aanzien van de geselecteerde projecten voorstellen te doen om – al dan niet in de vorm van experimenten – bepaalde onderzochte maatregelen daadwerkelijk toe te passen en daarmee de (financiële) uitvoerbaarheid te verbeteren.

    • Afspraak om in dat licht te bezien of er maatregelen bij zijn die ook generiek toepasbaar zouden zijn.

  • B) Nieuwe pilotprojecten

    • Afspraak dat wordt ingestemd met de selectie en start van MIRT-onderzoek bij een vijftal nieuwe pilotprojecten, te weten: Overstad in Alkmaar, Maasterras in de Drechtsteden, Via Breda, Scheldekwartier in Vlissingen en krimp in Parkstad Limburg.

  • C) Thema’s

    • Er worden met betrekking tot het thema transformatie van leegstaande kantoren naar woningen pilots gestart met 4 tot 6 concrete kantoorgebouwen, aansluitend op de reeds bestaande initiatieven.

    • Voor zover fiscale maatregelen rechtstreeks beslag leggen op de rijksbegroting wordt dit thema in dit kader niet zelfstandig verder verkend.

    • Afspraak om over de thema’s Kantorentransformatie en Bouwkosten in het BO najaar 2010 te rapporteren.

MIRT-verkenning Randstad Sleutelprojecten

Er is een MIRT verkenning gestart naar de benodigde ruimtelijke rijksinzet op gebieden met bijzonder grote en integrale ruimtelijke opgaven in de komende decennia in het algemeen en een enkel sleutelproject in het bijzonder. Dit is de verkenning Randstad Sleutelprojecten voor na 2020. Hierbij worden zowel de regio’s binnen, als buiten de Randstad in beschouwing genomen.

In de bestuurlijk overleggen heeft de regio aangegeven helderheid te willen krijgen over de criteria en instrumentarium voor de sleutelprojecten. Daartoe stelt het rijk momenteel een afwegingskader op. Dit is in concept gereed en wordt beoordeeld door de planbureaus (PBL en CPB). De regio heeft dit concept afwegingskader ook ontvangen. Het kabinet streeft ernaar het afwegingskader nog voor de zomer 2010 vast te stellen. Medio 2010 zal de minister van VROM uw Kamer informeren over het opgestelde afwegingskader en de weging van sleutelgebieden. Ook zal uw Kamer dan een overzicht ontvangen van de ruimtelijke opgaven voor de lange termijn in de verschillende potentiële «sleutelgebieden» alsmede een weging daarvan. 8 Vervolgens zal een aantal opties voor nieuwe sleutelprojecten geselecteerd worden waarbij onder meer een inschatting van kosten, baten, nationale betekenis en mogelijk bijpassende instrumenten wordt gemaakt. De regio zal hierover worden geïnformeerd en geconsulteerd. Wanneer het kabinet daadwerkelijk nieuwe sleutelprojecten wil benoemen, zal op basis daarvan in 2011 een keuze worden gemaakt door het kabinet.

Naast het afwegingskader is ook de mogelijke betekenis van een sleutelproject met de regio besproken. Een sleutelproject betekent niet automatisch dat er extra rijksgeld beschikbaar wordt gesteld, al is dat wel één van de opties. Randstad Urgent en de eerste generatie sleutelprojecten waren ook zonder extra rijksgeld succesvol. Het besluit hierover is aan het volgende kabinet. Vanuit de regio werd tijdens de bestuurlijke overleggen gesuggereerd de planbureaus (CBP en PBL) goed te informeren over regionale cofinanciering waar dat aan de orde is, zodat het CPB deze informatie kan meenemen in haar adviezen. De minister van VROM zal bij de planbureaus hiervoor aandacht vragen. Ook zijn in de bestuurlijk overleggen door verschillende regio’s suggesties gedaan voor projecten. Deze worden meegenomen in de verkenning. In de verkenning gaan we selectief te werk. Uiteindelijk zullen er slechts enkele projecten voorgedragen worden. Dit vergt prioritering. De regio heeft toegezegd daarbij te helpen door zelf selectief te zijn door onderlinge samenwerking en prioritering van ambities binnen regio’s.

Emmen

Conform de toezegging aan uw Kamer tijdens het AO Moties en toezeggingen van 31 maart, wordt u bij deze brief tevens geïnformeerd over de voortgang van het project Atalanta (centrumontwikkeling Emmen). Hiervoor verwijs ik naar de in het kader van het bestuurlijk overleg Noord-Nederland gemaakte afspraak inzake «MIRT-verkenning Gebiedsontwikkeling Centrumontwikkeling Emmen» (zie bijlage 1).

Quick scan Gedecentraliseerde spoorlijnen

Tijdens het bestuurlijk overleg MIRT van voorjaar 2009 is aangegeven dat de maatregelen uit het pakket Quick scan Gedecentraliseerde spoorlijnen nog moeten voldoen aan de FES-toets op pakketniveau. De FES-toets is inmiddels uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan heeft het kabinet € 44 mln vrij gemaakt uit het FES. Samen met de € 10 mln uit het amendement Cramer komt de totale rijksbijdrage op € 54 mln voor de afgesproken maatregelen.9

Tot slot

Met diverse regio’s zijn afspraken gemaakt en convenanten gesloten over projecten. De algemene lijn van het kabinet geldt dat er een voorbehoud wordt gemaakt voor de consequenties voortvloeiend uit besluitvorming van het nieuwe kabinet en de daarmee samenhangende (eventuele) gevolgen voor individuele projecten.

De overleggen die wij als rijk met de regionale bestuurders hebben gevoerd in de afgelopen jaren zijn allen plezierig en constructief verlopen en zoals hierboven geconstateerd, hebben we in gezamenlijke inspanning in alle landsdelen het nodige gerealiseerd.

Hoewel mijn bij het MIRT betrokken collega’s en ik niet onze beoogde bewindsperiode hebben vol gemaakt, hebben we, mede gezien de agenda van dit laatste overleg, een grote stap gezet in de integrale gebiedsgerichte benadering en werkwijze. Ik ben trots op het behaalde resultaat, wat met name in de Gebiedsagenda’s zichtbaar is geworden en heb er alle vertrouwen in dat deze werkwijze in de toekomst zal worden voortgezet.

De minister van Verkeer en Waterstaat,

C. M. P. S. Eurlings


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

XNoot
7

Voor een nadere toelichting over het zgn. MIRT-onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2.