32 043 Toekomst pensioenstelsel

Nr. 149 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 1 februari 2013

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar aanleiding van de brief van 29 oktober 2012 houdende het eindverslag van de informateurs dhr. W.J. Bos en dhr. H.G.J. Kamp over hun informatiewerkzaamheden (Hoofdstuk II.: Sociale zekerheid en inkomensbeleid voor zover dit de uitwerking van de voornemens van de regering op het gebied van pensioenen betreft (Kamerstuk 33 410, nr. 15).

De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 31 januari 2013.

Vragen en antwoorden, voorzien van een inleiding, zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

Adjunct-griffier van de commissie, Lips

Inleiding

Hierbij zend ik u, mede namens de staatssecretaris van Financiën, de antwoorden op de vragen en opmerkingen van enkele fracties binnen de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze vragen hebben betrekking op de uitwerking van de voornemens van de regering op het gebied van pensioenen naar aanleiding van hoofdstuk II van het regeerakkoord.

In de brief van 23 januari 2013 (Kamerstuk 32 163, nr. 22) ben ik ingegaan op de contouren van de AOW overbruggingsregeling. Met die brief wordt ook antwoord gegeven op de vragen 18 – 20 van de PVV fractie en de vragen 51, 55, 56 en 57 van de CDA-fractie die zijn opgenomen in dit Verslag.

Het streven van het kabinet is erop gericht het wetsvoorstel dat betrekking heeft op de aanpassing van het Witteveenkader dit voorjaar bij de Tweede Kamer in te dienen. Het is op dit moment prematuur om al in te gaan op de vragen en opmerkingen in dit Verslag die op dit komende wetsvoorstel betrekking hebben (opgenomen onder de nummers 2, 3, 4, 13, 16, 17, 25, 26, 30–48, 58, 59–61). De betreffende vragen kunnen natuurlijk bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel opnieuw worden ingebracht. Vanzelfsprekend is de staatssecretaris van Financiën bereid dan inhoudelijk op de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen te reageren.

Vragen en antwoorden

Vraag 1.

Is de regering van plan om bij ingrijpende wetswijzigingen ook de generatie-effecten van de desbetreffende wetswijziging en het totaalpakket mee te nemen?

Antwoord

De kabinet heeft in verband met de voorgenomen herziening van het ftk een generatie-effectenanalyse laten uitvoeren (zie bijlage 3 bij Kamerstukken II 2011/128, 32 043, nr. 113). Het kabinet zal ook uitvoering geven aan de gewijzigde motie van 13 december 2012 van het lid Van Haersma Buma (Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 69), waarin is verzocht het CPB opdracht te geven voor 1 april 2013 een studie te doen naar de generatie-effecten van de verlaging van de opbouwpercentages en aan te geven welke pensioenen verschillende generaties kunnen en konden opbouwen.

Vraag 5.

Wat is de planning van de wetsvoorstellen aangaande de pensioenen?

Vraag 6.

Kan de regering een overzicht geven van de planning van de wetsvoorstellen en andere maatregelen uit het regeerakkoord, die de pensioenen betreffen?

Vraag 7.

Wordt, en zo ja, hoe, het veld betrokken bij de uitwerking van de maatregelen? Wanneer is de Kamer in dit kader aan zet?

Antwoord op de vragen 5, 6 en 7

Ik verwijs hiervoor ten eerste naar hetgeen is opgemerkt in de brief van 14 november 2012 (Kamerstukken II 2012/13, 32 043, nr 104)

Het veld zal waar dat nodig is worden betrokken bij de uitwerking van maatregelen in geplande wetsvoorstellen. Dat geldt met name voor het wetsvoorstel voor het nieuwe financieel toetsingskader. Er zal periodiek overleg met het veld, dat wil zeggen sociale partners en de pensioenfederatie, plaatsvinden over de uitwerking van het nieuwe financieel toetsingskader. De Tweede Kamer kan voor het zomerreces kennis nemen van dat wetsvoorstel als het voor internetconsultatie wordt uitgezet. Zodra het conceptwetsvoorstel openbaar is, kan een debat met de Tweede Kamer plaatsvinden.

Met betrekking tot het wetsontwerp dat uitvoering moet geven aan de aanpassing van het Witteveenkader wordt opgemerkt dat het streven van het kabinet erop is gericht het voorstel zo spoedig mogelijk aan uw Kamer aan te bieden. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat het kabinet beoogt de volledige parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel zodanig af te ronden dat pensioenuitvoerders voldoende gelegenheid hebben zich op de nieuwe regelgeving voor te bereiden.

Vraag 8.

De commissie Goudswaard concludeerde in 2010 dat er diverse oplossingen voorhanden waren om het pensioenstelsel schokbestendiger en toekomstbestendiger te maken. Deze commissie was van oordeel dat er nauwelijks nog rek zat in de premie, maar dat er gekeken zou moeten worden naar een beperking van de ambitie of in het anders omgaan met risico’s, of een combinatie van beide.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat er met de lopende discussie over het financiële toetsingskader en de maatregelen in het regeerakkoord een goede invulling is gegeven aan de adviezen van de commissie Goudswaard. Daarnaast spreekt de Kamer al een aantal jaren over het verhogen van de AOW-leeftijd. Om ook in de toekomst voldoende handen aan het bed en docenten voor de klas te houden, moeten we allemaal langer doorwerken.

De aangekondigde verlaging van de fiscaal gefacilieerde pensioenopbouw met 0,4% heeft tot gevolg dat werknemers in staat worden geacht in veertig jaar werken een pensioen te sparen ter hoogte van 70% van het gemiddeld verdiende loon. Veel mensen denken nog een pensioen te ontvangen ter hoogte van (minstens) 70% van het laatstverdiende loon.

Is de regering bereid om samen met het pensioenveld te kijken naar de communicatie over de hoogte van het te verwachten pensioen?

Antwoord

Verbetering van de communicatie over het te verwachten pensioen vormt een belangrijk onderdeel van het project pensioencommunicatie, dat onder leiding staat van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De pensioensector is nauw betrokken bij de uitvoering van dit project. Vanzelfsprekend behoort de hoogte van het bereikbaar ouderdomspensioen op een bepaalde leeftijd ook tot de onderwerpen waarover door pensioenuitvoerders richting deelnemers moet worden gecommuniceerd.

Vraag 9.

De verlaging van de pensioenambitie zou wat de leden van de PvdA-fractie betreft gepaard kunnen gaan met een verlaging van de pensioenpremie. Hoe denkt de regering hierover?

Antwoord

De Pensioenwet verplicht pensioenfondsen een feitelijke premie vast te stellen die tenminste kostendekkend is. Op het moment dat de fiscaal maximale pensioenambitie wettelijk wordt verlaagd, daalt de kostendekkende premie van de (verlaagde) opbouw. De vaststelling van de feitelijke premie is echter niet alleen afhankelijk van de maximum opbouwpercentages. Sociale partners kunnen (binnen de grenzen van het Witteveenkader) de vrijval van premieruimte aanwenden voor een verbetering van de regeling op andere onderdelen. Ook de pensioenwetregelgeving kan invloed hebben op de premiestelling. Zo dient een pensioenfonds bij een dekkingstekort in beginsel een premie vast te stellen die bijdraagt aan herstel. Voor zover een fonds een deel van de vrijval wil gebruiken voor het verbeteren van de financiële positie van het fonds, is een pensioenfondsbestuur verplicht zich daarbij te richten naar de belangen van alle bij het pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden en de werkgever(s). Op grond van deze wettelijke eis tot evenwichtige belangenbehartiging moet het pensioenfondsbestuur ervoor zorgen dat genoemde groepen zich door het bestuur op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen. De evenwichtige belangenbehartiging is essentieel voor het draagvlak en vertrouwen in ons pensioenstelsel en het behoud van de collectiviteit en solidariteit waarop pensioenfondsen zijn gebaseerd.

Vraag 10.

Hoe kan de beleidsregel van De Nederlandsche Bank, die voorschrijft dat de premie moet bijdragen aan herstel, in deze situatie uitwerken? Zou deze beleidsregel eigenlijk niet afgeschaft moeten worden? Deelt de regering deze opvatting van de leden van de PvdA-fractie?

Antwoord

De bedoelde beleidsregel verbiedt het pensioenfondsen die niet over het minimaal vereist eigen vermogen beschikken de premie te dempen. Premiedemping zou er bij die fondsen namelijk toe kunnen leiden dat de financiële positie van deze fondsen verder zou verslechteren. Dat zou een onwenselijke situatie zijn. Ik zie in een verlaging van de pensioenambitie dan ook geen aanleiding om de bedoelde beleidsregel af te schaffen.

In verband met de huidige economische en financiële situatie, hoeven pensioenfondsen die aan specifieke voorwaarden voldoen, de beleidsregel overigens niet toe te passen (zie brief over septemberpakket; Kamerstukken II 2012/13, 32 043, nr. 129).

Vraag 11.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken om snel een overzicht ontvangen van de diverse pensioenen, die verschillende generaties kunnen en konden opbouwen.

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.

Vraag 12.

Is het waar dat alle beleidswijzigingen op pensioengebied met ingang van 1 januari 2015 plaats zullen vinden en er geen wijzigingen per 1 januari 2014 plaatsvinden?

Antwoord

Per 1 januari 2014 zullen de wijzigingen hun beslag krijgen die het gevolg zijn van de invoering van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd. De overige beleidswijzigingen (herziening ftk en aanpassing Witteveenkader) zullen in werking treden op 1 januari 2015.

Vraag 14.

Kan de regering een uitgebreide planning sturen over de voorgenomen wijzigingen betreffende pensioen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.

Vraag 15.

Kan de regering voor het zomerreces 2013 een hoofdlijnennotitie, dan wel een wetsvoorstel voor internetconsultatie over het nieuwe Financieel Toetsingskader pensioenen naar de Kamer sturen, zodanig tijdig dat er ook nog voor het zomerreces over gesproken kan worden?

Antwoord

Zoals eerder aangegeven kan de Tweede Kamer nog voor het zomerreces kennis nemen van het conceptwetsvoorstel voor het nieuwe financieel toetsingskader als deze voor internetconsultatie wordt uitgezet. Waarschijnlijk zal het conceptwetsvoorstel pas vlak voor het zomerreces gereed zijn, maar agenderen voor een Algemeen Overleg direct na het zomerreces in september is wel mogelijk.

Vraag 21.

De bezuiniging op de AOW-tegemoetkoming aan personen, die een onvolledige AOW- uitkering hebben, wordt teruggedraaid. Waarom is hiertoe besloten?

Antwoord

Het kabinet vindt dat 65-plussers in de bijstand, net als andere 65-plussers, financieel voordeel moeten hebben van de koopkrachttegemoetkoming op grond van de Wet Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (voorheen: AOW-tegemoetkoming).

Vraag 22.

Valt het al dan niet in Nederland wonen en werken niet onder de verantwoordelijkheid van betrokkenen zelf met als consequentie dat zij hierna geconfronteerd worden met een onvolledige AOW?

Antwoord

Ja. Het uitgangspunt van de AOW is dat iemand in 50 jaar het recht op een volledige AOW-uitkering opbouwt. Voor ieder jaar dat iemand niet verzekerd is geweest, vindt er een korting plaats van 2 procent.

Vraag 23.

De partnertoeslag voor AOW-gerechtigden wordt met ingang van 1 juli 2014 ingeperkt. Is het in de ogen van de regering gelegitimeerd om personen in het eindstadium van hun carrière met de vervroegde afschaffing van de partnertoeslag te confronteren?

Antwoord

De kabinet is zich er terdege van bewust dat deze maatregel voor mensen aanzienlijke financiële consequenties kan hebben. De maatregel in het Regeerakkoord ziet echter op een hoge inkomensgroep, door een inkomensgrens van € 50.000 (exclusief AOW) te hanteren waaronder recht op partnertoeslag zal blijven bestaan. Daarmee worden minder draagkrachtige AOW-gerechtigden ontzien.

Ook zal het recht op de toeslag niet van de ene op de andere dag komen te vervallen, maar zal bij de uitwerking – binnen de in het Regeerakkoord gegeven budgettaire kaders – aandacht zijn voor de aankondigingsperiode van de maatregel en een afbouwpad van het recht op partnertoeslag voor deze groep. Voor de lopende gevallen is in het Regeerakkoord al voorzien in een afbouwpad. Het kabinet overweegt om ook voor de nieuwe instroom vanaf 1-7-2014 het recht op de partnertoeslag geleidelijk af te bouwen.

Bij de vormgeving van de inkomensgrens zal voorts worden voorkomen dat mensen die qua inkomen dichtbij elkaar zitten met forse verschillen in rechten geconfronteerd zullen worden.

De Tweede Kamer kan een wetsvoorstel nog voor de zomer tegemoet zien.

Vraag 24.

Is de regering bereid in een overzicht toe te lichten om hoeveel personen het gaat met daarbij tevens de mate van inkomensverlies en koopkracht voor deze groep?

Antwoord

In 2015 ontvangen naar schatting 220.000 AOW’ers een partnertoeslag. Naar eerste inschatting heeft 10 à 15% hiervan een totaalinkomen van meer dan 50.000 euro (exclusief AOW). Dit aantal neemt in de jaren daarna af, omdat vanaf 1 april 2015 geen nieuwe uitkeringen partnertoeslag meer worden toegekend. Betrokkenen verliezen maximaal het bedrag van een volledige partnertoeslag. Rekening houdend met de korting van 10% die reeds voor deze groep geldt, gaat het om een bedrag van bruto ca € 8300. De exacte koopkrachteffecten hangen af van de verdere uitwerking van de maatregel.

Vraag 27.

Een alleenstaande AOW'er, die het huishouden met een volwassene (ook eerste graad bloedverwanten) deelt, heeft in de toekomst nog recht op een uitkering van 50% van het WML, in plaats van 70% van het WML op dit moment. Hoe groot is deze groep? Welke gevolgen hebben de regeringsvoornemens voor de koopkracht van deze groep personen?

Antwoord

In het regeerakkoord is opgenomen dat «de uitkering van iedere AOW’er die samenwoont met één of meer volwassenen (ook als het gaat om eerste graad bloedverwanten) per 2015 wordt vastgesteld op 50% van het netto minimumloon. Dit geldt voor nieuwe instroom in de AOW, voor AOW-ers waarvan de huishoudsituatie wijzigt en na afloop van het overgangsrecht voor het zittend bestand.»

Op dit moment wordt deze maatregel uit het regeerakkoord nader uitgewerkt. Het is te prematuur om daarop vooruit te lopen. Het is daarom nog niet mogelijk om de precieze grootte en de koopkrachtgevolgen weer te geven. In de loop van dit jaar zal een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer worden gezonden, waarin duidelijk wordt hoe de maatregel is vormgegeven en welke gevolgen dit heeft.

Vraag 28.

Hoe garandeert de regering dat de doorwerkbonus zal gaan leiden tot een fors hogere arbeidsparticipatie van personen boven de 60 jaar?

Antwoord

Van de doorwerkbonus is een positief participatie-effect te verwachten, zeker omdat deze gericht is op werknemers met een laag inkomen die de pensioenleeftijd naderen. Deze groep blijkt gevoeliger voor financiële prikkels. Op basis van CPB-berekeningen van de effecten van de doorwerkbonus uit 2009, kan het positieve participatie-effect van de nieuwe doorwerkbonus grofweg ingeschat worden op 0,4%-punt, dat zijn circa 4300 ouderen die langer doorwerken.

Vraag 29.

Op welke wijze is de regering van plan actief te gaan monitoren dat de doorwerkbonus zal leiden tot een fors hogere arbeidsparticipatie van personen boven de 60 jaar?

Antwoord

In het licht van de Beleidsagenda 2020 van de Stichting van de Arbeid is afgesproken om de beleidsmaatregelen gericht op ouderen in 2019 integraal te bezien.

Vraag 49.

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de pensioenleeftijd momenteel wordt vastgesteld op grond van de levensverwachting. Vooralsnog wordt nog uitgegaan van een verhoging naar 67 jaar. Kan de regering toelichten wat de verwachtingen zijn voor een eventuele verdere verhoging naar 68 jaar?

Antwoord

De eventuele verdere verhoging van de pensioenleeftijd wordt jaarlijks bezien op basis van de dan geldende CBS-bevolkingsprognose.

Op basis van de meest recente bevolkingsprognose van december 2012 en onder toepassing van de formules in de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, wordt verwacht dat de AOW-leeftijd in 2030 de 68 jaar zal bereiken. Op grond van diezelfde formules en uitgaande van dezelfde prognose wordt in 2020 een verhoging van de (fiscale) pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar verwacht. Opmerking verdient dat deze prognose een zekere mate van onzekerheid bevat en in de komende jaren kan leiden tot verschuivingen.

Vraag 50.

Wat kunnen de gevolgen van een verdere verhoging van de pensioenleeftijd zijn voor de aanpassingen van de AOW zoals genoemd in het regeerakkoord?

Antwoord

Zowel de richtleeftijd voor het aanvullende pensioen, als de AOW-leeftijd zijn na de verhoging naar 67 jaar gekoppeld aan de levensverwachting. Een verdere verhoging van de richtleeftijd voor het aanvullende pensioen zal dan ook altijd gepaard gaan met een hogere AOW-leeftijd.

Vraag 52.

Door de verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 krijgt een deelnemer twee pensioenleeftijden: pensioen, dat ingaat op 67 jaar en pensioen, dat ingaat op 65 jaar. Bij verdere verhoging van de pensioenleeftijd ontstaan er nog meer pensioenleeftijden. Deze ontwikkeling heeft mogelijk forse administratieve gevolgen. Wat is de visie van de regering hierop?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de brief van 17 januari 2013 aan de Eerste Kamer betreffende «Toezegging in verband met Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd». In die brief heb ik aangegeven dat pensioenuitvoerders ervoor kunnen kiezen om één pensioenleeftijd te gaan hanteren. De Pensioenwet biedt de ruimte voor een collectieve herrekening naar een hogere pensioenleeftijd, mits die herrekening actuarieel neutraal plaatsvindt en het pensioenreglement erin voorziet dat betrokkene de pensioeningangsdatum weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd terug kan zetten zonder dat dit op voorhand opgebouwde rechten aantast.

Vraag 53.

De regering heeft de invoering van het nieuwe financieel toetsingskader pensioenen uitgesteld. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat pensioenfondsen zowel in 2014 (het nieuwe Witteveenkader) als in 2015 (vanwege het dan in te voeren ftk) twee maal hun regelingen moeten aanpassen. Dit vergt meerdere keren overleg. De leden van de CDA-fractie maken zich hierover zorgen. Dit betekent namelijk ook dat er mogelijk weer extra kosten moeten worden gemaakt.

In hoeverre kan dit worden voorkomen door mogelijk al vooruitlopend op de invoering van het ftk over te gaan op een nieuw reëel contract?

Antwoord

Het is inderdaad zo dat pensioenuitvoerders twee maal de regelingen zullen moeten aanpassen. Per 1 januari 2014 zullen de wijzigingen hun beslag krijgen die het gevolg zijn van de invoering van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd en de overige beleidswijzigingen (herziening ftk, maar ook de aanpassing van het Witteveenkader) zullen inderdaad in werking treden op 1 januari 2015.

Zoals ik in mijn brief van 11 december 2012 heb aangegeven, is het voor pensioenfondsen niet mogelijk om vooruitlopend op de invoering van een nieuw financieel toetsingskader over te gaan op een nieuw contract. Vanzelfsprekend kunnen pensioenuitvoerders wel anticiperen op de aanpassingen van het Witteveenkader zoals deze in het Regeerakkoord zijn voorzien (verlaging van de maximum opbouwpercentages en aftopping op een pensioengevend loon van € 100.000).

Vraag 54.

Hoe kijkt de regering aan tegen de gevolgen van uitstel van het nieuwe financieel toetsingskader?

Antwoord

In de brief aan de Tweede Kamer van 11 december jl. is uitgebreid ingegaan op het uitstel van de invoering van een nieuw financieel toetsingskader. Daarin is ook aandacht besteed aan de gevolgen van het uitstel van het nieuwe financieel toetsingskader.

Vraag 62.

Wat gebeurt er bijvoorbeeld als een pensioenfonds onverwacht dusdanig hoge rendementen heeft gemaakt, dat het pensioenfonds pensioenen kan uitkeren, die hoger zijn dan de maximale opbouwpercentages uit het Witteveenkader?

Antwoord

Hoe precies met een dergelijke situatie kan worden omgegaan, is in eerste aanleg vooral afhankelijk van het contract. In het huidige contract reageren de nominale pensioenaanspraken en -uitkeringen niet direct op de ontwikkelingen op de financiële markten. In het nieuwe contract gaan de reële pensioenaanspraken en -uitkeringen wel directer reageren op de rendementen. Het fiscale kader biedt ruimte om met eventuele meevallers tegenvallers uit het verleden te compenseren. Zo kunnen de pensioenaanspraken bij meevallende rendementen worden verhoogd (binnen de grenzen van het herziene Witteveenkader). Verder kunnen meevallende rendementen bijvoorbeeld worden gebruikt voor een verbetering van de indexatie van het pensioen. Wordt de maximale fiscale opbouwruimte volledig benut, dan kunnen meevallende rendementen worden benut om het pensioen zekerder te maken, door een aanpassing van het beleggingsbeleid of door de vorming – of verhoging – van een zekerheidsbuffer in het huidige contract en een egalisatiereserve in het nieuwe contract.

Vraag 63.

De leden van de D66-fractie constateren dat op 12 december 2012 de motie Van Haersma Buma (Kamerstukken 2012/13, 33 410, nr. 41) is aangenomen.

Kan de regering ingaan op de uitvoering van deze motie? Kunnen de uitkomsten van het CPB-onderzoek kunnen leiden tot wijzigingen van het beleid? Zo ja, wanneer?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.

Vraag 64.

De leden van de D66-fractie constateren dat in de schriftelijke antwoorden bij de begrotingsbehandeling SZW 2013 is aangegeven dat betreffende de vervroeging van maatregelen ten aanzien van het nominale contract bezien moet worden of in 2014 in vervolg op het recente septemberpakket nog aanvullende maatregelen moeten worden genomen. Ook wordt gesteld dat de verzwaring van de buffereis in dat kader overwogen kan worden. De leden zijn benieuwd welke beleidsopties hierbij in beeld zijn?

Antwoord

Op dit moment wordt bezien of in 2014 maatregelen nodig zijn en zo ja, welke. Als maatregelen nodig zijn, is een aanscherping van de buffereis één van de mogelijkheden. Dit is een maatregel die in de hoofdlijnennota over het nieuwe financiële toetsingskader reeds is aangekondigd. In elk geval zal in 2014, net als dit jaar, de UFR worden toegepast. De hoogte van de UFR in 2014 is afhankelijk van het advies dat de onafhankelijke commissie UFR dit jaar gaat uitbrengen. Ik kan op dit moment nog niet meer zeggen over eventuele maatregelen in 2014.

Vraag 65.

De leden van de D66-fractie zijn benieuwd naar de stip op de horizon voor het Nederlandse pensioenstelsel. Hoe ziet het pensioenstelsel er wat de regering betreft er over 30 of 40 jaar uit?

Vraag 66.

Is de introductie van het nieuwe reële contract afdoende om de stip op de horizon te bereiken?

Vraag 67.

Ziet de regering ook een noodzaak tot andere, meer fundamentele, hervormingen van het pensioenstelsel?

Antwoord op de vragen 65 – 67

Werknemers en gepensioneerden hebben in de afgelopen decennia de verwachting gehad dat hun pensioenuitkering zeker was. Die verwachting is onterecht gebleken nu in veel gevallen moet worden gekort op de pensioenuitkering. Het vertrouwen in het pensioenstelsel is daardoor aangetast. De introductie van het nieuwe, reële contract is van belang om het vertrouwen in het pensioenstelsel te herstellen. Deelnemers bouwen met dit contract in beginsel een reëel pensioen op. Doordat meer expliciet wordt gewezen op de risico’s in dat contract wordt veel duidelijker dat het pensioenresultaat afhankelijk is van allerlei externe factoren zoals de ontwikkeling op de beurs, de ontwikkeling van de rente en van de levensverwachting. Daardoor wordt veel duidelijker dat het pensioenresultaat afhankelijk is van allerlei externe factoren zoals de ontwikkeling op de beurs, de ontwikkeling van de rente en van de levensverwachting. Deze ontwikkelingen werken wel geleidelijker door op de hoogte van de pensioenuitkering doordat schokken over een periode van 10 jaar worden gespreid waarbij wordt bijgedragen aan een stabielere uitkering. Met de invoering van het nieuwe reële contract wordt zo een flinke stap in de goede richting gezet. De financiële houdbaarheid van het pensioenstelsel wordt versterkt.

Maar de maatschappelijke discussie over het pensioenstelsel gaat verder dan de financiële houdbaarheid van het pensioenstelsel. Ik ga de komende tijd met de verschillende betrokken partijen op en rond het pensioenveld spreken om te verkennen welke vragen over het huidige pensioenstelsel bij hen leven. Op grond daarvan zal ik bezien op welke wijze een discussie over de toekomst van het pensioenstelsel het meest effectief kan worden gevoerd. Of dit tot fundamentele hervormingen aanleiding geeft is nu nog niet te overzien.

Naar boven