32 021 Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet op de rechterlijke indeling, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enkele andere wetten naar aanleiding van de evaluatie van de modernisering van de rechterlijke organisatie en in verband met de regeling van het klachtrecht inzake gedragingen van rechterlijke ambtenaren (Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie)

D MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 21 januari 2011

1. Inleiding

Ondergetekende heeft met belangstelling kennisgenomen van het door de vaste commissie voor Justitie uitgebrachte voorlopig verslag. Ook het nieuwe kabinet ziet dit wetsvoorstel als een belangrijke en zinvolle stap om te komen tot versterking en verbetering van de rechterlijke organisatie, mede in aanloop naar de voorgenomen herziening van de gerechtelijke kaart. Het is daarom verheugend dat diverse fracties uitdrukkelijk hebben aangegeven het gehele wetsvoorstel dan wel onderdelen daarvan te kunnen onderschrijven. In de inleiding van het voorlopig verslag hebben de leden van enkele fracties terecht gewezen op de samenhang tussen dit wetsvoorstel en de voorgenomen herziening van de gerechtelijke kaart. Daarop zal ik ingaan in paragraaf 2 van deze memorie, bij de beantwoording van de specifieke vragen over dat thema. Ook bij de beantwoording van de overige vragen en opmerkingen houd ik duidelijkheidshalve de volgorde en rubriceringen in het voorlopig verslag aan.

Ik hoop met mijn reactie enige bezorgdheid waarvan de leden van de CDA-fractie blijk geven, te kunnen wegnemen en ook andere fracties ervan te kunnen overtuigen dat, juist ook met het oog op de voorgenomen herziening van de gerechtelijke kaart, een spoedige invoering van dit voor de rechtspraak belangrijke wetsvoorstel wenselijk is. De aanvankelijk beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2011 is helaas niet haalbaar gebleken. In overleg met de Raad voor de rechtspraak wordt nu gestreefd naar inwerkingtreding per 1 juli 2011, vanzelfsprekend onder de voorwaarde dat het wetsvoorstel door uw Kamer binnen die termijn kan worden aanvaard. Tevens geldt nog een andere voorwaarde, die verband houdt met het inmiddels bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met de behandeling van vreemdelingenzaken en enkele wetstechnische aanpassingen (Kamerstukken II 2010/11, 32 562, nrs. 1–3). Het onderhavige wetsvoorstel waarover voorlopig verslag is uitgebracht, zal namelijk niet eerder in werking kunnen treden dan nadat tevens genoemd wijzigingswetsvoorstel door beide Kamers is aanvaard. Dat wijzigingswetsvoorstel strekt tot reparatie van de verdelingsregeling van vreemdelingenzaken. Met dat wijzigingswetsvoorstel blijft (door middel van een delegatiebepaling) het huidige stelsel van toedeling van vreemdelingenzaken aan verschillende rechtbanken in stand. Volgens het onderhavige wetsvoorstel kunnen rechtbankzaken in geval van capaciteitsgebrek alleen bij een andere rechtbank binnen hetzelfde ressort worden behandeld. Bij nadere overweging is deze voorgestelde beperking niet goed toepasbaar op de behandeling van vreemdelingenzaken waarbij de rechtbank te ’s-Gravenhage de enige bevoegde rechtbank is. Ter uitvoering van de in het wijzigingswetsvoorstel opgenomen delegatiebepaling zal het ontwerp-Besluit nevenlocaties gerechten zoals dat aan de Afdeling advisering zal worden voorgelegd, daarom nog worden aangevuld. Het ontwerp van deze algemene maatregel van bestuur is, nog zonder de genoemde aanvulling, bij uw Kamer voorgehangen bij brief van de minister van Justitie van 5 oktober 2010 (Kamerstukken I 2010/11, 32 021, B). In aanvulling hierop meld ik u dat, zoals in de memorie van toelichting bij het wijzigingswetsvoorstel is aangekondigd, de aan dat ontwerpbesluit toe te voegen bepaling ertoe strekt dat voor de behandeling van vreemdelingenzaken als nevenlocaties van de rechtbank ’s-Gravenhage worden aangewezen: de hoofdplaatsen van de overige achttien rechtbanken alsmede Alphen aan den Rijn, Haarlemmermeer en Tilburg.

Wat betreft het bij uw Kamer voorgehangen ontwerp-Besluit nevenlocaties gerechten (dat tegelijkertijd met dit wetsvoorstel in werking moet treden), heb ik nota genomen van de opvatting van de vaste commissie voor Justitie dat zij zich, vanuit het oogpunt van een integrale beoordeling van de ontwerp-amvb en het wetsvoorstel, het recht voorbehoudt tot een week na afhandeling van het wetsvoorstel te reageren op het voorgehangen ontwerp.1 Dit in de context van de tussen de regering en uw Kamer lopende discussie over het voorhangen van gedelegeerde regelgeving die voortvloeit uit nog bij het parlement aanhangige wetgeving. Een en ander heeft mij aanleiding gegeven het ontwerp-Besluit nevenlocaties gerechten na het verstrijken van de voorhangtermijn nog niet aan de Afdeling advisering van de Raad van State voor te leggen. Afhankelijk van het verloop van het wetgevingsproces van het onderhavige wetsvoorstel en het eerdergenoemde wijzigingswetsvoorstel ben ik evenwel voornemens het ontwerp-Besluit nevenlocaties gerechten op een zodanig tijdstip aan de Afdeling advisering te zenden, dat het tijdstip waarop die amvb wordt vastgesteld, niet in de weg staat aan een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van beide wetsvoorstellen.

2. Algemeen

Vooruitlopen op wetswijziging

Onder verwijzing naar de in hun ogen bedenkelijke voorzieningen die destijds werden getroffen om capaciteitsproblemen bij het Hof Amsterdam op te vangen, merken de leden van de CDA-fractie op niet gelukkig te zijn met de voorgestelde bepalingen die het onder bepaalde voorwaarden mogelijk maken om bij algemene maatregel van bestuur tijdelijk de relatieve competentie te wijzigen. Ik ben het met deze leden eens dat de gang van zaken rond de verlegging van zaakstromen op basis van de huidige regeling in het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen (Bnn) bepaald niet de schoonheidsprijs verdient. In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is gesproken over «een tamelijk langdurige wildgroei» en een «carrousel». Hoewel in juridisch opzicht de verlegging van zaakstromen via op het Bnn gebaseerde aanwijzingsbesluiten van de Raad voor de rechtspraak houdbaar is gebleken (zie HR 7 juli 2009, LJN: BI3413), heeft de regering met dit wetsvoorstel nadrukkelijk een overzichtelijker en met meer waarborgen omkleed systeem willen presenteren, dat bovendien beter recht doet aan het legaliteitsbeginsel. Zoals in onderdeel 2.3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting is uiteengezet, wordt een stelsel voorgesteld waarin, rechtstreeks op basis van de Wet RO, de Raad voor de rechtspraak, in een beperkte omvang dan thans het geval is, ingeval van tijdelijk capaciteitsgebrek bij een gerecht zaakstromen kan verleggen en waarin bij voortdurend capaciteitsgebrek bij algemene maatregel van bestuur tijdelijk de relatieve competentie kan worden gewijzigd. Dit zijn belangrijke verbeteringen ten opzichte van het huidige stelsel. Naar ik begrijp, spitst de kritiek van de leden van de CDA-fractie op de voorgestelde wijzigingen zich toe op de mogelijkheid om tijdelijk bij algemene maatregel van bestuur (amvb) de relatieve competentie te wijzigen. Zoals deze leden reeds vermelden, is dit slechts voor maximaal twee jaar mogelijk. Ook dit is een beperking ten opzichte van de huidige regeling, op grond waarvan na expiratie van een (verlengd) aanwijzingsbesluit van de Raad voor de rechtspraak in beginsel voor onbeperkte duur bij amvb de verlegging van zaakstromen kan worden gecontinueerd in de vorm van een wijziging van het Bnn waarin een of meer plaatsen als nevenzittingsplaats worden aangewezen. Dit laatste heeft zich recentelijk voorgedaan bij de wijziging van het Bnn in verband met de aanwijzing van de hoofdplaats van het gerechtshof te Arnhem als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te Amsterdam voor de behandeling in hoger beroep van strafzaken afkomstig van de rechtbank te Utrecht (Besluit van 30 augustus 2010, Stb. 685). Ik heb goede nota genomen van de gedachtewisseling die daarover is gevoerd tussen uw commissie en mijn ambtsvoorganger.2

Verder geldt de eventuele tijdelijke wijziging van de relatieve competentie bij amvb dan uiteraard alleen voor specifieke, in die amvb aangewezen soorten zaken. Op het vaststellen van een dergelijke amvb is de minister volledig aanspreekbaar door de staten-generaal. Een wettelijke verplichting om direct een wetsvoorstel in te dienen om de relatieve competentie structureel te wijzigen, is niet alleen onnodig, maar ook onwenselijk, zo beantwoord ik de hierop betrekking hebbende vraag van de leden van de CDA-fractie. Onnodig, omdat ingeval voorzienbaar is dat het capaciteitsgebrek structureel is, de regering niet zal aarzelen onmiddellijk een wetsvoorstel in procedure te brengen dat een structurele wijziging brengt in de relatieve competentie: de amvb vervalt immers na twee jaar en is niet verlengbaar. Onwenselijk, omdat bij een voortdurend capaciteitsgebrek dat (nog) geen structureel karakter draagt, juist een tijdelijke oplossing moet volstaan. Zou dan automatisch een wetsvoorstel moeten worden ingediend om te voorzien in formeelwettelijke vastlegging van de relatieve competentiewijziging, dan zou daarmee het paard achter de wagen worden gespannen. Er wordt dus met deze amvb niet noodzakelijkerwijze vooruitgelopen op wetswijziging. Een situatie waarin het parlement voor het blok wordt gezet, acht de regering dus niet goed voorstelbaar. Dit nog daargelaten dat Tweede en Eerste Kamer niet alleen formeel, maar ook materieel het recht behouden om niet in te stemmen met een eventueel in te dienen wetsvoorstel waarin een structurele wijziging van de relatieve competentie wordt voorgesteld.

Tenslotte is van belang dat de voorgenomen herziening van de gerechtelijke kaart de hierboven genoemde voorzieningen in belangrijke mate overbodig zal maken. De nu voorgestelde voorzieningen hangen immers rechtstreeks samen met de huidige schaalgrootte van de negentien rechtbanken en vijf gerechtshoven, die onvoldoende mogelijkheden biedt om fluctuaties in het zaaksaanbod binnen het eigen gerecht op te vangen. De nieuwe opzet van tien arrondissementen en vier ressorten beoogt deze problematiek op te lossen. Het nieuwe stelsel zal er immers op zijn ingericht dat alle toekomstige tien rechtbanken en vier gerechtshoven hun «eigen» zaken behandelen. Daarbij zal geen behoefte meer bestaan aan de mogelijkheid van tijdelijke wijzigingen van de relatieve competentie bij amvb. Als noodzakelijk ventiel om onverwachte fluctuaties op te vangen waardoor afhandeling binnen de redelijke termijn van artikel 6 EVRM niet meer kan worden gegarandeerd, zal nog slechts worden voorzien in een bevoegdheid van de minister om bij tijdelijk capaciteitsgebrek categorieën van zaken aan te wijzen die naar een ander gerecht kunnen worden verwezen. Hiervan zal naar verwachting slechts spaarzaam gebruik behoeven te worden gemaakt.

Samenhang herziening gerechtelijke kaart

De leden van de fracties van de PvdA en D66 stellen vragen over de verhouding tussen het nu voorliggende wetsvoorstel en de voorgenomen herziening van de gerechtelijke kaart en met name de gekozen volgorde. Dezelfde kwestie stellen de leden van de SP-fractie aan de orde in de inleiding van het voorlopig verslag. In de considerans is vermeld dat dit wetsvoorstel mede in functie en perspectief staat van de herziening van de gerechtelijke kaart. Voorop staat echter dat dit wetsvoorstel uitwerking geeft aan het kabinetsstandpunt over de het evaluatierapport van de Commissie evaluatie modernisering rechterlijke organisatie (commissie-Deetman). Dit betreft met name (maar niet uitsluitend) de voorgestelde verruiming van de competentiegrens van de kantonrechter en de voorstellen met betrekking tot de samenstelling van de Raad voor de rechtspraak. Daarnaast is de permanente regeling voor het klachtrecht jegens rechters en niet-rechterlijk personeel een wezenlijk bestanddeel van dit wetsvoorstel.

Enkele onderdelen van dit wetsvoorstel plaveien de weg naar de herziening van de gerechtelijke kaart. Dit overigens zonder dat in het proces tot herziening van de gerechtelijke kaart onomkeerbare stappen worden genomen. In de meest rechtstreekse zin hangen met de herziening van de gerechtelijke kaart twee onderdelen van dit wetsvoorstel samen: de mogelijkheid om bij amvb gerechtbesturen aan te wijzen die in vergaande mate een personele unie kunnen vormen (artikel XXI, eerste lid) en de mogelijkheid die aan de minister wordt geboden om bepaalde categorieën van strafzaken aan te wijzen die bij een ander gerecht kunnen worden behandeld (artikel XXI, tweede lid). Vooruitlopend op de herziening van de gerechtelijke kaart zijn verder van belang de samenwerkingsbepaling over de bedrijfsvoering bij de gerechten (nieuw voorgesteld artikel 23a Wet RO), de samenwerkingsbepalingen op het gebied van zaaksbehandeling (nieuw voorgestelde artikelen 46a en 62a Wet RO), de samenwerkingsbepaling voor het OM (nieuw voorgesteld artikel 139a Wet RO) en de voorgestelde geografische herschikking van de rechtsgebieden van de vijf gerechtshoven. Deze voorstellen hebben met elkaar gemeen dat zij op eenvoudige wijze en binnen korte termijn binnen de rechterlijke organisatie kunnen worden geïmplementeerd en ook in een dringende behoefte voorzien. De herziening van de gerechtelijke kaart is een veelomvattender project, waarmee veel meer tijd is gemoeid. Zoals bekend zijn in dit kader diverse brieven en notities met de Tweede Kamer besproken. Dat was een noodzakelijk proces dat is voorafgegaan aan het wetgevingstraject. Het wetgevingstraject is nadien opgestart en heeft in december jl. geresulteerd in een conceptwetsvoorstel dat voor consultatie aan betrokken instanties is toegezonden en tevens is opengesteld voor internetconsultatie.3 Voordeel van de gekozen werkwijze is dat nu via dit bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel op (redelijk) korte termijn een aantal dringend gewenste veranderingen en verbeteringen binnen de rechtspraak kunnen worden geëffectueerd, zonder dat jaren verloren gaan omdat moet worden gewacht op de afronding van het wetgevingstraject inzake de herziening van de gerechtelijke kaart. Zonder vooruit te willen lopen op de inhoudelijke bespreking van het nog bij de Tweede Kamer in te dienen wetsvoorstel tot herziening van de gerechtelijke kaart, wil ik in antwoord op de daartoe strekkende vraag van de leden van de PvdA-fractie benadrukken dat die herziening niet als oogmerk heeft om specialistische rechtspraak nog slechts op een beperkt aantal rechtspraaklocaties aan te bieden. De vergroting van de geografische rechtsgebieden en daarmee de vermindering van het aantal gerechten heeft juist tot doel om de gerechten meer mogelijkheden te bieden om «in eigen huis» meer deskundigheid en specialismen op te bouwen. Sommige rechtbanken die nu reeds op bepaalde terreinen samenwerkingsverbanden zijn aangegaan, zullen onder de herziene gerechtelijke kaart fuseren. Waar dat niet het geval is, zullen de betrokken gerechtsbesturen en uiteraard ook de Raad voor de rechtspraak bezien welke samenwerkingsverbanden moeten worden gecontinueerd of gewijzigd. In de nieuwe constellatie zullen verschillende rechtbanken overigens op dezelfde voet kunnen samenwerken als nu het geval is. De regel dat een rechter in de ene rechtbank van rechtswege rechter-plaatsvervanger is in elke andere rechtbank, blijft ongewijzigd. Ook de in dit wetsvoorstel voorgestelde samenwerkingsbepaling op het gebied van de bedrijfsvoering (nieuw artikel 23a Wet RO) zal kunnen blijven bestaan. De samenwerkingsbepalingen op het gebied van de zaaksbehandeling zullen wel ingrijpend worden gewijzigd of vervallen. Ik verwijs kortheidshalve naar hetgeen ik hierboven heb geschreven in de beantwoording van de algemene vragen van de leden van de CDA-fractie.

Er bestaan geen voornemens om in het wetsvoorstel tot herziening van de gerechtelijke kaart verdere uitbreidingen te geven aan de competentie van de kantonrechter, zo beantwoord ik de daartoe strekkende vraag van de leden van de PvdA-fractie. Wat de geografische toegankelijkheid van rechtspraak betreft, merk ik op dat de door deze leden aangehaalde norm «niet meer dan een dagreis te paard» in het huidige tijdsgewricht inderdaad niet (meer) als norm kan worden gehanteerd. Overigens is de reisafstand naar een gerechtslocatie niet de enige factor die van belang is bij de beslissing waar voor welke zaken zittingen worden gehouden. Andere factoren zijn bijvoorbeeld de frequentie van het aantal zaken op een bepaald terrein, de nabijheid van vestigingsplaatsen van procespartners als openbaar ministerie, advocaten, gerechtsdeurwaarders, e.d., de aanwezigheid van celcapaciteit, ICT-voorzieningen en meer in het algemeen de beschikbaarheid van adequate huisvesting tegen een redelijke prijs. Bij de herziening van de gerechtelijke kaart is voor de rechtspraak in eerste aanleg uitgegaan van tien rechtbanken die in totaal 32 bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen zittingsplaatsen kennen. Daarnaast kunnen er zittingsplaatsen zijn die door de Raad voor de rechtspraak zijn aangewezen, al dan niet van tijdelijke aard. Dit systeem bouwt voort op het stelsel dat in het nu voorliggende wetsvoorstel is opgenomen, met dien verstande dat hierin overeenkomstig de huidige wetgeving nog is uitgegaan van negentien in de wet vastgelegde hoofdplaatsen en daarnaast dertien bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen «nevenlocaties»4 (en daarnaast overige door de Raad voor de rechtspraak aangewezen nevenlocaties).

Een vergoeding van kosten voor personen die een rechtszitting moeten bijwonen, is geen automatisme en zal dat ook in het nieuwe stelsel niet worden, zo beantwoord ik de daartoe strekkende vraag van de leden van de PvdA-fractie. Dat kan wel aan de orde zijn in het kader van een proceskostenveroordeling. Op grond van artikel 1, onder c en d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn reis-, verblijf- en verletkosten van een partij of een belanghebbende kosten waarop een proceskostenveroordeling door de bestuursrechter betrekking kan hebben. In burgerlijke zaken geldt dat in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen en waarbij de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij zonder gemachtigde procedeert, de proceskostenveroordeling in ieder geval een door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke reis- en verblijfkosten omvat en eventueel een bedrag voor noodzakelijke verletkosten (art. 238, eerste lid, Rv.).

Met het voorgaande is grotendeels ook de vraag van de leden van de D66-fractie beantwoord naar de gevolgen van de herziening van de gerechtelijke kaart voor het onderhavige wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel als zodanig treedt, als uw Kamer daarmee heeft ingestemd, eerder in werking en wordt dus niet nader gewijzigd door het nog in te dienen wetsvoorstel tot herziening van de gerechtelijke kaart. Zoals reeds opgemerkt, zullen met name de bepalingen over de verlegging van zaakstromen via het wetsvoorstel herziening gerechtelijke kaart worden gewijzigd of vervallen. Daarbij merk ik volledigheidshalve op dat in de in december jl. rondgezonden consultatieversie abusievelijk nog niet was voorzien in de schrapping van de mogelijkheid om bij amvb tijdelijk de relatieve competentie te wijzigen ingeval van voortdurend gebrek aan zittingscapaciteit. De in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde artikelen 62b Wet RO, 108a en 268a Rv., 2, derde lid, Sv., 8:7, derde lid, Awb en 27, vierde lid, Awr zullen dus slechts bestaan tot de herziening van de gerechtelijke kaart in werking treedt. Verder leidt de herziening van de gerechtelijke kaart tot een geheel nieuwe tekst van de Wet op de rechterlijke indeling. De ressortelijke indeling van de gerechtshoven Amsterdam, ’s-Gravenhage en ’s-Hertogenbosch zoals deze door het onderhavige wetsvoorstel tot stand wordt gebracht, blijft onder de herziene gerechtelijke kaart identiek (met uitzondering van de overheveling van het Gooi en de Vechtstreek van het ressort Amsterdam naar het nieuwe ressort Arnhem-Leeuwarden). Het in de nieuwe gerechtelijke kaart te vormen ressort Arnhem-Leeuwarden zal het geografische gebied van de ressorten Arnhem en Leeuwarden omvatten zoals die ingevolge het voorliggende wetsvoorstel tot stand wordt gebracht.

Specialisatie en kwaliteit binnen rechterlijke macht

De regering onderschrijft de opvatting van de leden van de PvdA-fractie dat specialisatie binnen de rechtspraak noodzakelijk is en dat dit soms moet leiden tot bepaalde vormen van rechtspraak op slechts één of enkele locaties in het land (zgn. concentratie van rechtsmacht) en soms tot rechtspraak waarbij weliswaar elke rechtbank bevoegd blijft maar de zaken in elk arrondissement slechts op één plaats worden afgedaan. Bij voldoende omvang voorzien gerechten in de vereiste deskundigheid door in de eerste plaats binnen het gerecht zaken thematisch toe te delen aan kamers (bijv. de economische politierechter). De herziening van de gerechtelijke kaart zal de mogelijkheden hiertoe vergroten. Voorbeelden van specialisatie op bovengerechtelijk niveau zijn de ondernemingskamer bij het gerechtshof Amsterdam, de kamer voor intellectuele eigendomszaken bij de rechtbank ’s-Gravenhage, het mededingingsteam van de rechtbank Rotterdam en de zgn. «natte kamer» bij diezelfde rechtbank.

In dit verband wijzen deze leden op de gebruikelijke gedragslijn dat elke rechter periodiek van sector wisselt (ook als de betrokken rechter dat niet wenst) en vragen zij of het leidend beginsel dat een rechter niet mag «vastroesten» op zijn plek, niet ten koste gaat van de kwaliteit van de rechtspraak. Bij het opstellen van dit wetsvoorstel, zo beantwoord ik de vraag van deze leden, is niet overwogen om over deze materie regels te stellen. Nog daargelaten dat de regering het niet wenselijk acht om op dit punt gedetailleerde regels in wetgeving op te nemen, meen ik ook dat hiertoe geen aanleiding is. De rechtspraak is gebaat bij een goede combinatie van generalisten en specialisten. In de meeste gerechten wordt een roulatiebeleid gevoerd, dat inhoudt dat rechters inzetbaar moeten zijn in minimaal twee sectoren. Dit roulatiebeleid draagt bij aan deskundigheid en kwaliteit van de rechtspraak, omdat rechters hierdoor een bredere kennis opbouwen. In de praktijk wordt daarbij wel rekening gehouden met het behouden van specifieke deskundigheid in een sector. Zoals aangegeven in de Agenda van de Rechtspraak 2011–2014 wordt de roulatietermijn bepaald door het individuele ontwikkelingspad van iedere rechter en zullen over het geheel genomen roulatietermijnen langer worden dan voorheen als gevolg van de toenemende eisen aan deskundigheid.

De leden van de SP-fractie vragen of de functie van kantonrechter vervuld blijft door ervaren rechters met de status van vicepresident of senior rechter, die niet behoeven te rouleren, zodat de kwaliteit van de kantonrechtspraak behouden blijft. Er behoeft niet aan te worden getwijfeld dat de huidige kantonrechters gewoon hun werk zullen kunnen blijven doen. Verder zal in het algemeen blijven gelden dat in de kantonrechtspraak rechters werkzaam zijn met een ruime ervaring. Belangrijker echter dan ervaring op zichzelf is het of een rechter beschikt over de competenties en vaardigheden die voor het kantonrechterswerk vereist zijn. Voor de kantonrechter is met name van belang dat hij weet om te gaan met partijen die zelf zonder procesvertegenwoordiging mondeling ter zitting hun zaak bepleiten. Zo is bijvoorbeeld denkbaar dat ook rechters met ervaring in of affiniteit met de bestuurssector, waar evenmin sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging, succesvol kunnen opereren als kantonrechter. Het is geen wet van Meden en Perzen dat alleen iemand met jarenlange ervaring in de civiele rechtspraak kantonrechter kan zijn. Al op dit moment zijn ook jonge rechters werkzaam als kantonrechter. Uiteindelijk gaat het erom dat er een kantonrechter zit die over de voor kantonrechtspraak vereiste competenties en gedragsvaardigheden beschikt. Levenservaring en/of langdurige rechterlijke ervaring zullen daarvoor vaak een belangrijke, maar niet altijd noodzakelijke voorwaarde zijn.

Rechtsbijstand

In de memorie van toelichting is opgemerkt dat het optreden van andere juridische dienstverleners dan advocaten tevens recht doet aan de verdergaande differentiatie van de benodigde kennis in de rechtszaal. Dit naar aanleiding van de voorgestelde verruiming van de competentie van de kantonrechter waar zoals bekend geen verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat geldt. Anders dan de leden van de VVD-fractie veronderstellen, is met deze opmerking niet bedoeld het procesmonopolie van advocaten in andere dan kantonzaken ter discussie te stellen. Beoogd is slechts aan te geven dat een rechtzoekende, indien hij behoefte heeft aan bijstand die ziet op specialistische, inhoudelijke kennis van de materie – en dus niet zozeer op de juridische aspecten van een zaak – kan kiezen welk type bijstandsverlener hij inschakelt. Het gaat er dus om dat de rechtzoekende in kantonzaken tot een geldelijk belang van 25 000 euro ook op dit punt een eigen afweging kan maken bij zijn keuze van de gewenste bijstand. Hiermee wordt tevens tegemoet gekomen aan de algemene ontwikkeling dat specifieke inhoudelijke deskundigheid van steeds grotere betekenis wordt in de rechtszaal. Dit geldt niet alleen voor de rechtsbijstandverlener, maar ook voor de rechter en de officier van justitie.

Toegankelijkheid van de rechtspraak

De leden van de VVD-fractie vragen waarom in de wet niet een minimumaantal openingsuren voor de griffies van nevenlocaties wordt opgenomen. Anders dan bij de hoofdplaatsen is ervoor gekozen om voor de openingsuren van nevenlocaties geen norm in de wet vast te leggen, maar aan de gerechtsbesturen over te laten wanneer en hoe lang een griffie van een nevenlocatie is geopend. Het vastleggen van een minimumaantal openingsuren werkt onnodig verstarrend en leidt tot inefficiënties. Er mag op worden vertrouwd dat het gerechtsbestuur op dit punt een prudent beleid voert, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van toegankelijkheid van rechtspraak in de regio. In wezen verschilt het overlaten van de regeling hiervan aan het gerechtsbestuur niet van de huidige regeling die geldt voor nevenzittingsplaatsen. Daarvoor bepaalt het huidige artikel 10, tweede lid, van de Wet RO namelijk alleen dat de griffie niet alle werkdagen, of minder dan zes uren per dag, is geopend. Alleen voor de griffies in de hoofdplaatsen en de nevenvestigingsplaatsen is thans een minimum van zes uren per dag voorgeschreven.

Naar aanleiding van het voornemen om op termijn 26 kantonlocaties te sluiten, vragen de leden van de PvdA-fractie of de hieruit voortvloeiende extra reiskosten voor minvermogenden geen indirecte schending oplevert van artikel 17 van de Grondwet, waarin is neergelegd dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. Dat is niet het geval. Door het sluiten van gerechtslocaties worden geen geschillen aan de rechtsmacht van de rechter onttrokken. Nog daargelaten dat niet alle 26 locaties van de een op de andere dag zullen worden opgeheven, vloeit uit artikel 17 van de Grondwet noch direct noch indirect voort dat voor de behandeling van kantonzaken voor minvermogenden in Nederland bijna 60 rechtspraaklocaties in stand moet worden gehouden. In sommige gevallen zal de opheffing van een kantonlocatie er inderdaad toe leiden dat de reistijd naar een van de 32 resterende zittingsplaatsen langer wordt, wat ook voor minvermogenden extra (reis)kosten kan opleveren. Daarmee kan echter in redelijkheid niet worden gesteld dat minvermogenden worden afgehouden van de rechter die de wet hen toekent. Dit is immers ook niet het geval indien een rechterlijk college op slechts één plaats in het land zitting houdt, zoals het geval is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep. Verder wijs ik op mijn eerdere antwoord hierboven aan deze leden dat de vergoeding van reiskosten deel uitmaakt van de proceskostenveroordeling.

Verplaatsing terechtzittingen

Op dit moment geldt dat de minister na overleg met gerechtsbestuur kan bepalen dat in een zaak de terechtzitting op een andere locatie wordt gehouden, eventueel zelfs buiten het arrondissement of ressort, als dat noodzakelijk is in verband met de veiligheid van personen. In het wetsvoorstel wordt voorgesteld om deze bevoegdheid uit te breiden tot gevallen waarin dit noodzakelijk is vanwege «andere zwaarwegende omstandigheden» (nieuwe artikelen 41, zevende lid, en 59, zevende lid, Wet RO). De leden van de D66-fractie vragen naar de overwegingen voor deze uitbreiding en naar criteria voor gebruikmaking van deze bevoegdheid. Deze uitbreiding is voorgesteld als vangnet voor die situaties waarin gebruikmaking van de hoofdlocatie of een nevenlocatie in het desbetreffende ressort of arrondissement niet toereikend is. Hieraan is behoefte, omdat er in het nieuwe stelsel geen ruimte meer is voor de Raad voor de rechtspraak om voor een rechtbank nevenlocaties aan te wijzen buiten het ressort waarin het desbetreffende arrondissement is gelegen. Het zou in een uitzonderlijk geval denkbaar kunnen zijn dat er ook in het ressort geen ruimte is om een bepaalde zaak of bepaalde zaken ter terechtzitting te behandelen. Voor dat doel wordt deze bevoegdheid, die dus slechts voor uitzonderlijke gevallen is bedoeld, in het leven geroepen.

4. Sector kanton

Invloed afschaffing verplichte sector kanton op «kantonwerkwijze»

De leden van fracties van het CDA, de PvdA, de VVD en de SP wensen een (nadere) argumentatie voor de voorgestelde schrapping van artikel 47 van de Wet RO, waarin thans de verplichting is neergelegd dat elke rechtbank een sector kanton moet hebben. Ik stel voorop dat het begrijpelijk is dat deze vraag rijst. Het voorstel om de verplichte sector kanton af te schaffen, laat zich op het eerste gezicht immers moeilijk rijmen met het streven om de herkenbaarheid van de kantonrechtspraak te behouden en zelfs te versterken. Toch is de regering ervan overtuigd dat juist door dit wetsvoorstel de kantonrechtspraak als herkenbare vorm van rechtspraak blijft voortbestaan en zelfs herkenbaarder wordt. Dat de term «kantonzaken» en de titel «kantonrechter» in de wetgeving blijven staan, is hiervoor uiteraard niet doorslaggevend, al kan reeds hierin een wettelijke waarborg worden gezien voor de eigenheid van kantonrechtspraak. Wezenlijker is dat het verschil tussen de procesrechtelijke regels voor kantonzaken en die voor andere civiele zaken ertoe dwingt dat de kantonrechter bij de behandeling van zaken een andere attitude inneemt dan de civiele rechter in andere civiele zaken. Omdat de in het wetsvoorstel voorgestelde competentieverruiming leidt tot een substantiële uitbreiding van het aantal kantonzaken, wordt dit effect nog sterker. Voor veel meer zaken dan nu zal immers een op belangrijke onderdelen van de «gewone» civiele rechtspraak afwijkende werkwijze gaan gelden, met name omdat in kantonzaken geen sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging en standpunten mondeling ter zitting kunnen worden uiteengezet. De afschaffing van artikel 47, waartoe vanuit de rechtspraak zelf sterk op wordt aangedrongen (ik verwijs kortheidshalve naar het rapport van de commissie-Hofhuis, het advies van de Raad voor de rechtspraak over dit wetsvoorstel en de brieven van het Landelijk Overleg van Voorzitters van Civiele en Kantonsectoren van 18 november 2009 aan de Tweede Kamer en van 30 augustus 2010 aan de Eerste Kamer), is een belangrijke randvoorwaarde om de voorgestelde competentieverruiming van de kantonrechter te laten slagen. Daardoor kan bij het inzetten van rechterlijke capaciteit namelijk ruimer gebruik worden gemaakt van ervaring die ook binnen de civiele sector aanwezig is. Dit betekent bepaald niet dat – in de woorden van de leden van de CDA-fractie – sprake zal zijn van een «volledige assimilatie» van de sector kanton in de rechtbank of – in de woorden van de leden van de SP-fractie – de specifieke aspecten van de kantonrechterscultuur zullen «verwateren». Integendeel, het opheffen van de strikte scheiding tussen «kanton» en «civiel» maakt het juist mogelijk om de processen binnen de rechtspraak zodanig te organiseren dat de bijzondere competenties die eigen zijn aan de kantonrechtspraak beter kunnen worden benut. Dit blijkt ook uit inmiddels opgedane ervaringen binnen de rechtspraak, waarbij – binnen de wettelijke grenzen – is geëxperimenteerd met zaaksdifferentiatie.5 De «winst», waarnaar de leden van de VVD-fractie vragen, ligt in het feit dat er door de voorgestelde ontschotting meer maatwerk kan worden geleverd, waardoor de rechtspraak burgers en bedrijven beter kan bedienen. «Kruisbestuiving» tussen civiel en kanton wordt inderdaad belemmerd als de strikte scheiding tussen beide sectoren blijft bestaan, zo beantwoord ik de desbetreffende vraag van de leden van de PvdA-fractie, en zou juist nadelig uitpakken voor de verdere versterking van herkenbare kantonrechtspraak. Zaaksdifferentiatie komt, zo beantwoord ik de daartoe strekkende vraag van de leden van de SP-fractie, juist onvoldoende van de grond als de wettelijke belemmering van het onderscheid tussen een sector kanton en andere sectoren blijft bestaan. De genoemde ervaringen binnen de rechtspraak wijzen dit uit.

De leden van de PvdA-fractie vragen verder of de – samengevat – informele aanpak door de kantonrechter wordt afgeschaft, bijgebogen of gehandhaafd. Ik stel voorop dat de aanpak door de kantonrechter volledig viel en blijft vallen binnen de wettelijke procesrechtelijke kaders. Ook voor de kantonrechter geldt dat de omvang van het proces door partijen en niet door de rechter wordt bepaald. Binnen deze grens neemt de kantonrechter echter veelal een actieve houding aan. Dit wetsvoorstel heeft niet het oogmerk daarin veranderingen aan te brengen. Zoals hierboven nader toegelicht, zal deze werkwijze ook volledig overeind blijven in de nieuwe constellatie, die de regering overigens anders dan de leden van de PvdA-fractie niet zou willen betitelen als «inlijving» van de sector kanton binnen de sector civiel. Anders dan de leden van de SP-fractie meent de regering dat het tijdstip voor deze wijziging juist goed is gekozen. Overeenkomstig het advies van de commissie-Hofhuis heeft het de duidelijke voorkeur om de schrapping van artikel 47 Wet RO gelijktijdig door te voeren met de uitbreiding van de competentie van de kantonrechter.

Gevolgen afschaffing verplichte sector kanton

Zoals uit de voorgaande beantwoording blijkt, deel ik niet de opvatting van de leden van de SP-fractie dat de sector kanton door de voorgestelde wetswijziging wordt «opgeslokt» door de sector civiel. De parallel die deze leden trekken met het naar hun opvatting niet goed lopende rechterlijke specialisme in jeugdzaken kan ik niet volgen. Wat daarvan ook zij, opgemerkt kan worden dat in diverse rechtbanken voorzieningen zijn getroffen voor een geïntegreerde behandeling van jeugdzaken, onder andere op basis van ervaringen die bij de rechtbank Arnhem zijn opgedaan met een hechtere koppeling tussen jeugdstrafrecht en het civiele jeugdrecht. Terecht stellen de leden van de SP-fractie dat de Tweede Kamer zich unaniem zeer positief heeft uitgelaten over de kantonrechtspraak. Dit blijkt onder meer uit de aanvaarding met algemene stemmen van de motie-Heerts c.s. waarin de regering is verzocht om bij de verdere uitwerking van de herziening van de gerechtelijke kaart aandacht te besteden aan de versterking van de goede eigenschappen van de kantonrechtspraak en dit als voorbeeld te laten dienen voor de andere sectoren binnen de rechtspraak (Kamerstukken II 2009/10, 32 021, nr. 10). Daarin vond de Kamer de regering overigens geheel aan haar zijde. Net als de regering achten evenwel alle fracties in de Tweede Kamer, met uitzondering van die van de SP, het daarbij nuttig en wenselijk tegelijkertijd met de invoering van de uitbreiding van de competentie van de kantonrechter de verplichte sector kanton op te heffen. Ik verwijs in dit verband kortheidshalve naar de verwerping van het amendement-Gerkens, dat ertoe strekte deze afschaffing met in ieder geval drie jaar uit te stellen en afhankelijk te stellen van een evaluatie (Kamerstukken II 2009/10, 32 021, nr. 9). Zoals aangegeven in de eerdere beantwoording hierboven deel ik niet de opvatting dat de opheffing van de verplichte sector kanton negatieve gevolgen heeft.

Gekozen tijdstip afschaffing verplichte sector kanton

De leden van de SP-fractie vragen om nogmaals toe te lichten waarom de verplichte sector kanton reeds nu moet worden opgeheven om reeds meteen te kunnen beginnen met experimenten voor zaaksdifferentiatie. Anders dan deze leden veronderstellen, is de voorgestelde wetswijziging niet bedoeld om experimenten mogelijk te maken, maar om de weg vrij te maken voor een structureel andere werkwijze. Zoals eerder opgemerkt, is de opheffing van de verplichte sector kanton een randvoorwaarde voor de voorgestelde competentieverruiming van de kantonrechter. De commissie-Hofhuis en andere betrokkenen binnen de rechtspraak hebben naar het oordeel van de regering overtuigend gemotiveerd waarom het beter is reeds tegelijkertijd met de competentieverruiming hiertoe over te gaan. Kern van de zaak is dat hierdoor beter en efficiënter gebruik kan worden gemaakt van capaciteit en deskundigheden binnen elke rechtbank. Het zal aan de rechtbanken zelf kunnen worden overgelaten om te bepalen op welke wijze en waar deskundigheden worden ingezet. Een combinatie die in het ene geval wellicht minder voor de hand ligt, zoals die welke de leden van de SP-fractie beschrijven waar het familie- en handelszaken betreft, zal in het geval van civiele en kantonzaken juist wel kunnen werken.

Verhoging competentiegrens sector kanton

De leden van de CDA-fractie vragen of de competentieverruiming van de kantonrechter niet als nadeel heeft dat de kantonrechter zich actiever zal opstellen dan passend is, temeer omdat het vaak gaat om een professionele eisende partij, die zich verzekerd heeft van procesvertegenwoordiging. In antwoord hierop merk ik op dat de kantonrechter is gebonden aan de procesrechtelijke regels van de wet. Daarbinnen kan, zoals dat ook nu gebruikelijk is, een actieve rol worden aangenomen. Wat in dit verband «passend» is, wordt bepaald door de wettelijke kaders. Juist de informele en doortastende aanpak van de kantonrechter moet behouden blijven. Daarin beoogt dit wetsvoorstel geen verandering te brengen.

De leden van de SP-fractie vragen of de rechterlijke macht wel is voorbereid op de investeringen die als gevolge van de verhoging van de competentiegrens moeten worden gedaan in opleiding van nieuwe rechters en scholing van opleiders. Inderdaad vergt de competentieverruiming veel van de rechtspraak, zeker ook wat opleiding en scholing betreft. Met het oog op de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel (aanvankelijk voorzien per 1 januari 2011 en nu per 1 juli 2011) is er in 2010 in opdracht van het Landelijk Overleg Voorzitters Civiel (LOVC) en het Landelijk Overleg Voorzitters Kanton (LOVK) (inmiddels samengegaan in het LOVCK) een project gestart dat verschillende pilots met het oog op de competentiewijziging coördineert. Binnen alle gerechten zijn reeds aanzienlijke inspanningen gepleegd om de competentieverruiming te kunnen invoeren. Ook is een landelijk roljournaal voor kantonzaken ontwikkeld. Vanuit de rechtspraak is aangegeven dat men gereed was voor invoering per 1 januari 2011. Nu als gevolg van vertraging in het wetgevingsproces de beoogde invoeringsdatum verder is uitgesteld naar 1 juli 2011, mag worden verwacht dat de rechtspraak nog beter zal zijn voorbereid.

De leden van de D66-fractie leggen een relatie tussen enerzijds de uitbreiding van de competentie van kantonrechter, waardoor burgers vaker zelf kunnen procederen en de rechtspraak toegankelijker wordt, en anderzijds de «logica in het systeem» die in hun ogen gewaarborgd moet blijven. Hun vraag of de logica van het systeem wordt doorbroken vanwege een structureel gebrek aan zittingscapaciteit begrijp ik aldus dat gevraagd wordt of de voorgestelde competentieverruiming tot gevolg kan hebben dat er vaker een structureel gebrek aan zittingscapaciteit ontstaat. Voor die vrees lijkt mij geen grond. Het is niet uitgesloten dat de voorgestelde competentieverruiming leidt tot iets meer zaken, maar op basis van ervaringen met eerdere competentieverruimingen mag worden verwacht dat die aanzuigende werking zeer beperkt zal zijn. Dat is ook de verwachting die in het rapport van de commissie-Hofhuis is uitgesproken. Evenmin ligt het in de rede om aan te nemen dat de uitbreiding van het aantal gevallen waarin burgers zelf kunnen procederen een zodanig beslag legt op zittingscapaciteit dat hierdoor structurele problemen ontstaan.

5. Relatieve competentie

Effecten en noodzaak wijziging

De leden van de D66-fractie hebben enkele vragen gesteld over de in het wetsvoorstel voorziene mogelijkheid om zaken te verwijzen naar een ander gerecht. Het wetsvoorstel maakt dit mogelijk in gevallen waarin sprake is van een tijdelijk gebrek aan voldoende zittingscapaciteit bij een gerecht en de Raad voor de rechtspraak vervolgens een ander gerecht heeft aangewezen waarnaar het betrokken gerecht bepaalde soorten zaken kan verwijzen (zie voorgestelde artikelen 46a en 59a). Deze regeling gaat ervan uit dat de zaak aanhangig gemaakt wordt bij het door de wet aangewezen gerecht. In de relatieve bevoegdheid treedt dus geen wijziging op. Er is daarom geen aanleiding om aan te nemen dat dit ertoe leidt dat rechters zich vaker relatief onbevoegd zullen verklaren, zo beantwoord ik de daartoe strekkende vraag van de leden van de D66-fractie. Het is vervolgens aan het betrokken gerecht om tot verwijzing over te gaan. Dat behoeft geen automatisme te zijn. De verwijzingsbeslissing is een administratieve handeling, die geen noemenswaardig beslag hoeft te leggen op tijd van rechters of ondersteuning. Voor zover deze leden met hun vraag doelen op de situatie waarin ingeval van een voortdurend gebrek aan zittingscapaciteit de relatieve competentie tijdelijk bij algemene maatregel van bestuur wordt gewijzigd (voorgestelde artikelen 62b Wet RO, 108a en 268a Rv., 2, derde lid, Sv., 8:7, derde lid, Awb en 27, vierde lid, Awr) merk ik op dat uit de desbetreffende algemene maatregel van bestuur duidelijk zal blijken in welke gevallen een andere rechter bevoegd is. Het gaat hier om een tijdelijke maatregel die naar verwachting slechts incidenteel zal worden toegepast. Mocht een relatief onbevoegde rechter worden geadieerd door iemand die niet op de hoogte is van de bij algemene maatregel van bestuur aangebrachte wijziging van de relatieve bevoegdheid, dan zal de rechter tot verwijzing of doorzending van het beroepschrift moeten overgaan. Ik verwacht niet dat dit op grote schaal zal gebeuren. Aan tijdelijke wijzigingen van de relatieve bevoegdheid zal vanzelfsprekend publiciteit worden gegeven, niet alleen door bekendmaking van de betrokken algemene maatregel van bestuur in het Staatsblad, maar ook door nieuwsberichten en mededelingen in de vakpers.

Zoals in paragraaf 1 in antwoord op een vraag van de leden van de CDA-fractie is aangegeven, hangen deze voorzieningen rechtstreeks samen met de huidige schaalgrootte van de negentien rechtbanken en vijf gerechtshoven, die onvoldoende mogelijkheden biedt om tijdelijke fluctuaties in het zaaksaanbod binnen het eigen gerecht op te vangen. Dat wordt anders als de herziening van de gerechtelijke kaart is geëffectueerd. De nieuwe gerechtelijke kaart is immers zodanig ingericht dat alle gerechten in beginsel hun «eigen» zaken kunnen behandelen, ook ingeval van tijdelijke piekbelasting. Anders dan de leden van de D66-fractie veronderstellen, kan de problematiek niet worden opgelost met maatregelen op het vlak van huisvesting of personele bezetting. Overigens zij erop gewezen dat dit wetsvoorstel op dit punt niet geheel nieuwe bevoegdheden in het leven roept. Reeds nu heeft de Raad voor de rechtspraak immers de bevoegdheid om in het gehele land nevenlocaties aan te wijzen voor bepaalde soorten zaken. Daarvan is ook een tamelijk omvangrijk gebruik van gemaakt. De nu voorgestelde bevoegdheid van de Raad voor de rechtspraak brengt juist diverse beperkingen aan ten opzichte van die thans bestaande bevoegdheid, onder andere doordat het «schuiven» met rechtbankzaken niet meer mogelijk is buiten het ressort waarin het arrondissement is gelegen. Ik verwijs voor een overzicht van de andere verschillen kortheidshalve naar onderdeel 2.3 van de memorie van toelichting. Het wetsvoorstel biedt verder de helderheid dat meer structurele oplossingen van capaciteitsgebrek moeten worden gevonden via daadwerkelijke wijziging van de relatieve competentie.

Wijziging bij AMvB: geldigheidsduur en criteria

De leden van de VVD-fractie vragen naar de situatie die ontstaat als een amvb, die voor bepaalde soorten zaken tijdelijk de relatieve competentie wijzigt, na twee jaar van rechtswege vervalt, terwijl een eventueel wetsvoorstel dat beoogt om die competentiewijziging formeelwettelijk vast te leggen, nog geen wet is geworden. Indien deze situatie zich voordoet, wordt inderdaad teruggevallen op de «oude» situatie. Dit is uiteraard niet wenselijk en dat zal dus de reden zijn dat de regering niet zal talmen met het indienen van een wetsvoorstel. Op zichzelf is inderdaad niet uitgesloten dat in de geschetste situatie in enkele incidentele gevallen dan gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid die het voorgestelde artikel 41, zevende lid, of 59, zevende lid, aan de minister geeft om een terechtzitting op een andere locatie te houden. Eerder zal het echter voor de hand liggen dat rechterlijke capaciteit van buiten het betrokken arrondissement of ressort wordt ingezet om de piekbelasting op te vangen. Dit is mogelijk, omdat rechters onderscheidenlijk raadsheren van rechtswege rechter-plaatsvervanger onderscheidenlijk raadsheer-plaatsvervanger zijn in alle overige rechtbanken onderscheidenlijk gerechtshoven (art. 40, tweede lid, en 58, tweede lid, Wet RO).

De leden van de D66-fractie vragen naar de criteria voor het in procedure brengen van een amvb waarin tijdelijk voor bepaalde soorten zaken de relatieve competentie wordt gewijzigd. Als wettelijk criterium geldt dat sprake moet zijn van een voortdurend gebrek aan voldoende zittingscapaciteit. Zoals voor alle wetgeving geldt, moeten nut en noodzaak van de amvb vaststaan en moeten alternatieven worden onderzocht (vgl. aanwijzingen 6, eerste lid, en 7 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Dat betekent onder meer dat ook moet worden bezien of een oplossing waarin rechters onderscheidenlijk raadsheren van buiten het arrondissement onderscheidenlijk ressort worden ingezet, die optreden als rechter-plaatsvervanger onderscheidenlijk raadsheer-plaatsvervanger, soelaas kan bieden. Ook zal, indien reeds voorzienbaar is dat het gebrek aan voldoende zittingscapaciteit van structurele aard is, meteen de stap naar wetswijziging kunnen worden gezet.

6. Bevoegdheden van de Raad voor de rechtspraak

De constatering van de leden van de VVD-fractie dat het wetsvoorstel voorziet in twee soorten nevenlocaties – nevenlocaties die bij amvb worden aangewezen en nevenlocaties die door de Raad voor de rechtspraak worden aangewezen –, is juist. Deze tweedeling is aangebracht via de bij de Tweede Kamer ingediende nota van wijziging (stuk nr. 7). Met de zinsnede in de voorgestelde artikelen 41, tweede lid, tweede volzin, en 59, tweede lid, tweede volzin, Wet RO dat de Raad voor de rechtspraak «andere» nevenlocaties kan aanwijzen, is bedoeld dat de aanwijzing van nevenlocaties bij amvb de basis vormt en dat daarnaast door de Raad voor de rechtspraak nog meer nevenlocaties kunnen worden aangewezen. Omdat de bevoegdheid tot aanwijzing ook de bevoegdheid tot opheffing omvat (actus contrariusbeginsel), betekent dit ook dat de Raad uitsluitend de nevenlocaties die niet bij amvb zijn aangewezen, eventueel kan opheffen. Als er in een arrondissement of ressort geen enkele nevenlocatie bij amvb wordt aangewezen, dan is een redelijke uitleg van de voorgestelde bepaling dat de Raad nog wel nevenlocaties kan aanwijzen, zo beantwoord ik de daartoe strekkende vraag van de leden van de VVD-fractie. Het woord «andere» heeft in deze context de betekenis «niet reeds bij amvb aangewezen». Dit is echter louter theoretisch. Zoals vermeld in de toelichting op de genoemde nota van wijziging en zoals is vastgelegd in het bij uw Kamer voorgehangen ontwerp-Besluit nevenlocaties gerechten, zullen er bij amvb namelijk in totaal 32 nevenlocaties worden aangewezen, verspreid over alle arrondissementen en ressorten.

De vraag van de leden van de VVD-fractie of de Raad voor de rechtspraak zelfstandig kan bepalen waar en hoeveel nevenlocaties er worden aangewezen naast de reeds bij amvb aangewezen nevenlocaties, beantwoord ik bevestigend. Dit kunnen overigens ook locaties zijn met een (zeer) tijdelijk karakter. Denkbaar is bijvoorbeeld dat tijdelijk een gerechtslocatie wordt ingericht voor het toepassen van snelrecht in een gemeente waarin grootschalige ordeverstoringen hebben plaatsgevonden. De leden van de VVD-fractie vragen ook in hoeverre parlementaire controle mogelijk is op een beslissing tot aanwijzing (en ik voeg daaraan toe: of opheffing) van nevenlocaties door de Raad voor de rechtspraak. Hiervoor kan de minister van Veiligheid en Justitie op grond van zijn stelselverantwoordelijkheid voor een goed functionerende rechtspraak ter verantwoording worden geroepen door het parlement. Ter effectuering van deze stelselverantwoordelijkheid is voorzien in een specifieke bevoegdheid van de regering op dit punt, namelijk de bevoegdheid tot vernietiging van een dergelijke beslissing van de Raad voor de rechtspraak indien die beslissing kennelijk in strijd is met het recht of het belang van een goede toegankelijkheid van de rechtspraak (zie het voorgestelde artikel 106, eerste lid, tweede volzin, Wet RO).

Anders dan de leden van de PvdA-fractie veronderstellen, wordt het aanwijzen van nevenlocaties niet onttrokken aan de bevoegdheid van de (gedelegeerde) wetgever en «uitbesteed» aan de Raad voor de rechtspraak. In de hierboven genoemde nota van wijziging is het wetsvoorstel zodanig aangepast, dat de aanwijzing van nevenlocaties primair een bevoegdheid is van de regering (aanwijzing bij algemene maatregel van bestuur: zie voorgestelde artikelen 41, tweede lid, eerste volzin, en 59, eerste lid, eerste volzin, Wet RO). De aanwijzing van nevenlocaties door de Raad voor de rechtspraak draagt, zoals hierboven toegelicht in antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie, een secundair karakter. Naar aanleiding van de daartoe strekkende vraag van de leden van de PvdA-fractie antwoord ik dat dit stelsel verenigbaar is met artikel 116 van de Grondwet. Dat artikel bepaalt onder meer dat de wet de gerechten aanwijst die behoren tot de rechterlijke macht en dat de wet de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht regelt. Gelet op de grondwettelijke delegatieterminologie betekent dit dat de aanwijzing van gerechten bij formele wet moet geschieden en dat de formele wetgever met betrekking tot de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht de hoofdzaken moet regelen en nadere regeling daarvan kan delegeren. De aanwijzing van nevenlocaties betreft niet de aanwijzing van de tot de rechterlijke macht behorende gerechten. Dat is immers geregeld in artikel 2 van de Wet RO, waarin het voorliggende wetsvoorstel geen verandering brengt. De mogelijkheid tot aanwijzing van nevenlocaties betreft de inrichting van de rechterlijke macht. Dit aspect van de inrichting van de rechterlijke macht kan op grond van artikel 116, tweede lid, van de Grondwet worden gedelegeerd.

Dat de aanwijzingsbevoegdheid van de minister jegens de Raad voor de rechtspraak in artikel 93 Wet RO zou komen te vervallen, zoals de leden van de PvdA-fractie veronderstellen, berust op een misverstand. Het huidige artikel 93 Wet RO wordt namelijk niet geschrapt of gewijzigd, dus blijft volledig intact. Verklaring voor dit misverstand is waarschijnlijk dat de in het ingediende wetsvoorstel voorgestelde aanvulling van artikel 93 Wet RO in de eerdergenoemde nota van wijziging is geschrapt. Die oorspronkelijk voorgestelde aanvulling van de bevoegdheid van de minister om de Raad aanwijzingen te geven, had betrekking op de bevoegdheid van de Raad om nevenlocaties aan te wijzen. Dat was in het oorspronkelijke voorstel uitsluitend een bevoegdheid van de Raad, zodat de minister via de voorgestelde aanwijzingsbevoegdheid jegens de Raad bij «stilzitten» van de Raad desgewenst de aanwijzing van nevenlocaties kon afdwingen. Omdat via de nota van wijziging uiteindelijk in het wetsvoorstel is vastgelegd dat nevenlocaties primair bij amvb worden aangewezen (zie de 32 aan te wijzen nevenlocaties in het inmiddels bij uw Kamer voorgehangen ontwerp-Besluit nevenlocaties gerechten) en de Raad voor de rechtspraak nog slechts eventueel overige nevenlocaties kan aanwijzen, kwam aan deze aanvulling van de aanwijzingsbevoegdheid de noodzaak te ontvallen. Als de regering immers nevenlocaties wenst aan te wijzen, dan kan daarvoor rechtstreeks het instrument van de amvb worden benut.

Anders dan de leden van de SP-fractie acht de regering het opleggen van een eventuele verplichting aan gerechten om op het gebied van organisatie en bedrijfsvoering samen te werken, bij uitstek een taak voor de Raad voor de rechtspraak. Dit past geheel in de taken en bevoegdheden die in de Wet RO aan de Raad zijn toegekend (vgl. artikel 91). Daarom is in het voorgestelde artikel 23a van de Wet RO deze bevoegdheid toegekend aan de Raad voor de rechtspraak, zodat de Raad sturing kan geven aan de samenwerking. Deze bevoegdheid gaat niet verder dan nodig is. De verdere uitwerking is overgelaten aan de betrokken gerechtsbesturen (zie het tweede lid van artikel 23a). Aan deze bevoegdheid is behoefte, zo beantwoord ik de daartoe strekkende vraag van deze leden, om, waar nodig vooruitlopend op de herziening van de gerechtelijke kaart, reeds te kunnen voorzien in samenwerkingsverbanden op gebieden als automatisering, bestuurlijke informatievoorziening, huisvesting en beveiliging, de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische werkwijze van de gerechten, personeelsaangelegenheden en overige materiële voorzieningen. De vraag van de leden van de SP-fractie of er gevallen c.q. situaties zijn geweest waarin de Raad samenwerking aangewezen vond maar de betrokken gerechten onwillig waren, kan gelukkig ontkennend worden beantwoord. Niettemin is, mede om de initiërende en kaderstellende rol van de Raad op dit punt te accentueren, besloten een dergelijke bevoegdheid in het wetsvoorstel op te nemen. Vrijwillige samenwerking staat uiteraard echter voorop.

De samenwerking op basis van artikel 23a strekt niet zover dat op basis daarvan door de Raad voor de rechtspraak of de betrokken gerechtsbesturen kan worden besloten tot gedwongen overplaatsing van rechterlijk of niet-rechterlijk personeel. Om dat mogelijk te maken, wat de regering overigens niet wenselijk acht, is een expliciete wettelijke grondslag vereist. Het opnemen van een bevoegdheid tot overplaatsing van rechters is nimmer overwogen, zo beantwoord ik de daartoe strekkende vraag van de leden van de SP-fractie. Wel was aanvankelijk in de consultatieversie van het wetsvoorstel een bepaling voorgesteld in de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, die een grondslag zou moeten bieden voor de betrokken gerechtsbesturen om rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een rechtbank tijdelijk werkzaamheden te laten verrichten bij een andere rechtbank binnen hetzelfde ressort. Deze voorziening, die echter niet als een bevoegdheid tot «overplaatsing» kan worden gekenschetst, is, mede naar aanleiding van kritiek van de NVvR, niet in het definitieve wetsvoorstel opgenomen. Ik verwijs voor de redenen kortheidshalve naar onderdeel 2.4 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

De leden van de SP-fractie vragen naar een voorbeeld van gebrek aan voldoende gespecialiseerde zittingscapaciteit. Zo’n voorbeeld is de behandeling van zaken in verband met de verkrijging van een executoriale titel voor de incasso van een onbetwiste geldvordering voor grensoverschrijdende incassozaken, als bedoeld in de verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europees betalingsbevelprocedure (PbEU L 399). Bij besluit van de Raad voor de rechtspraak van 8 december 2008, Stcrt. 241, is ’s-Gravenhage voor deze zaken aangewezen als nevenzittingsplaats voor alle overige rechtbanken. Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel aanhangig dat definitief voorziet in concentratie van rechtsmacht op dit terrein bij de rechtbank te ’s-Gravenhage (Kamerstukken II 2009/10, 32 358, nrs. 1–3). In deze zaken doen zich vraagstukken voor van internationaal privaatrecht, die specialistische kennis vereisen. De civiele sector van de rechtbank te ’s-Gravenhage heeft veel ervaring met dergelijke vraagstukken.

Het is zeker niet de bedoeling dat bij gebrek aan voldoende zittingscapaciteit via een op artikel 46a of 62a gebaseerd aanwijzingsbesluit van de Raad voor de rechtspraak de werkzaamheden van een gehele sector worden overgeheveld, zo beantwoord ik de daartoe strekkende vraag van de leden van de SP-fractie. Zoals blijkt uit het bovengenoemde voorbeeld en andere tot op heden door de Raad voor de rechtspraak op basis van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen vastgestelde aanwijzingsbesluiten, gaat het om specifieke categorieën van zaken. De conclusie van deze leden dat deze bevoegdheid van de Raad voor de rechtspraak niet meer nodig zal zijn na de herziening van de gerechtelijke kaart is grotendeels juist. Zoals aangegeven in paragraaf 2 van deze memorie in antwoord op vragen van de leden van de CDA-fractie, is de herziene gerechtelijke kaart erop ingericht dat alle toekomstige tien rechtbanken en vier gerechtshoven hun «eigen» zaken behandelen. Als noodzakelijk ventiel om onverwachte fluctuaties op te vangen waardoor afhandeling binnen de redelijke termijn van artikel 6 EVRM niet meer kan worden gegarandeerd, zal nog slechts worden voorzien in een bevoegdheid van de minister om bij tijdelijk capaciteitsgebrek categorieën van zaken aan te wijzen die naar een ander gerecht kunnen worden verwezen, waarvan naar verwachting slechts spaarzaam gebruik zal behoeven te worden gemaakt.

De termijn van drie jaar, met mogelijkheid van een jaar verlenging, in de artikelen 46a en 62a acht ik niet te lang, zo antwoord ik de leden van de SP-fractie. Vergeleken met de huidige termijn (twee maal drie jaar, dus maximaal zes jaar in totaal) is een wezenlijke bekorting aangebracht. Gelet op de ervaringen met de huidige aanwijzingsbesluiten is een kortere termijn niet wenselijk. Overigens zal al eerder een amvb of zelfs een wetswijziging tot wijziging van de relatieve competentie in procedure kunnen worden gebracht, indien voorzienbaar is dat het capaciteitsgebrek van meer structurele aard zal zijn. Tenslotte moet worden opgemerkt dat bij de komende herziening van de gerechtelijke kaart de nu voorgestelde regeling zal worden vervangen door een andere, namelijk een bevoegdheid van de minister in plaats van een bevoegdheid van de Raad voor de rechtspraak en schrapping van de mogelijkheid om bij amvb de relatieve competentie te wijzigen.

7. Samenstelling gerechtsbesturen

De leden van de VVD-fractie vragen, naar aanleiding van het voorgestelde artikel 15, zevende lid, Wet RO en de mogelijkheid om daarop ingevolge artikel XXI een uitzondering te maken, wat op termijn de bedoelingen zijn rond de vorming en samenstelling van gerechtsbesturen. Hierop kan ik antwoorden dat het eindplaatje duidelijk is: onder de herziene gerechtelijke kaart krijgt elke rechtbank een gerechtsbestuur (dus in totaal tien in plaats van de huidige negentien), evenals elk gerechtshof (dus in totaal vier in plaats van de huidige vijf). Het is dus zeker niet bedoeling dat na de herziening van de gerechtelijke kaart gerechtsbesturen volledige personele unies vormen. In de nieuwe opzet van gerechtsbesturen die bestaan uit drie bestuurders, zal het wel mogelijk zijn dat maximaal één bestuurder, niet zijnde de president, tevens lid is van een ander gerechtsbestuur. Bestuurlijke kwaliteiten worden in de na de herziening van de gerechtelijke kaart nieuw te vormen gerechtsbesturen nog belangrijker dan nu het geval is, omdat nog meer het accent wordt gelegd op besturen in plaats van beheren. Reeds omdat twee van de drie gerechtsbestuurders leden zijn van de rechterlijke macht, ligt het in de rede bij de selectie van leden van de rechterlijke macht ook acht te slaan op bestuurlijke kwaliteiten. Dat gebeurt nu reeds meer dan voorheen, zo beantwoord ik de daartoe strekkende vraag van de leden van de VVD-fractie. Voor de uitoefening van het rechterlijk ambt zijn bestuurlijke kwaliteiten overigens niet doorslaggevend.

8. Tot slot

Positie en aanzien rechterlijke macht

De leden van de CDA-fractie refereren in relatie tot wetsvoorstel 29 937 aan enkele aspecten van positie en aanzien van de rechterlijke macht, met name wraking, verhouding tot het klachtrecht en positie en rol in het publieke debat mede in relatie tot de scheiding der machten. Wat betreft wetsvoorstel 29 937 kan ik meedelen dat ik ernaar streef dit voorjaar de memorie van antwoord uit te brengen, opdat uw Kamer desgewenst de behandeling van dat wetsvoorstel kan voortzetten.

Klachtrecht

De vraag van de leden van de PvdA-fractie of de regeling van het klachtrecht in de nieuw voorgestelde afdeling 1A van hoofdstuk 2 van de Wet RO (nieuwe artikelen 13a t/m 13g) ook geldt met betrekking tot gedragingen van de (met rechtspraak belaste) leden van colleges als de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Commissie gelijke behandeling, beantwoord ik bevestigend. Voor de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven vloeit dit voort uit de in artikel X onderscheidenlijk XI nieuw voorgestelde tekst van artikel 3, aanhef, van de Beroepswet onderscheidenlijk artikel 4, aanhef, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (Wbbo). Daarin wordt afdeling 1A van hoofdstuk 2 van de Wet RO van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor de Commissie gelijke behandeling vloeit dit voort uit het in artikel XVI voorgestelde artikel 16, zesde lid, van de Algemene wet gelijke behandeling, waarin de artikelen 13a t/m 13g Wet RO van overeenkomstige toepassing worden verklaard ten aanzien van gedragingen van de leden van die commissie.

Voor de behandeling van klachten over gedragingen van – kort gezegd – het niet-rechterlijke personeel van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven geldt dat de Nationale ombudsman de externe klachtinstantie blijft. Dat vloeit voort uit het nieuwe artikel 26, zevende lid, Wet RO, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 3, aanhef, van de Beroepswet en artikel 4, aanhef, van de Wbbo. Ook met betrekking tot klachten over gedragingen van medewerkers van het bureau van de Commissie gelijke behandeling is het niet de bedoeling van de wetgever geweest om een andere instantie dan de Nationale ombudsman tot behandeling hiervan bevoegd te laten zijn. Thans wordt in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel College voor de rechten van de mens (Kamerstukken II 2009/10, 32 467, nr. 2) bezien of en in hoeverre wijziging van de huidige regelgeving nodig is om voor de toekomst buiten twijfel te stellen dat de Nationale ombudsman voor deze klachten de externe klachtinstantie is.

Financiële gevolgen wetsvoorstel

De vragen van de leden van de VVD-fractie die betrekking hebben op hogere huisvestingskosten als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel beantwoord ik als volgt. De Raad voor de rechtspraak heeft in zijn reactie op het conceptwetsvoorstel willen aangegeven dat het wetsvoorstel tot forse huisvestingskosten zou leiden indien zou worden vastgehouden aan het huidige regime, waarin de plaats van behandeling van kantonzaken dwingend wordt voorgeschreven in artikel 12 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen onder handhaving van het huidige aantal kantonlocaties. Dit zou betekenen dat bepaalde nevenlocaties na de uitbreiding van de competentie van de kantonrechter zwaarder belast zouden worden dan nu het geval is, terwijl de huisvesting daar niet op berekend zou zijn. Dit zou extra investeringen op het gebied van huisvesting, ICT en personeel tot gevolg hebben. Dit onwenselijke effect wordt vermeden door dit dwingende regime niet opnieuw op te nemen in het (nieuwe) Besluit nevenlocaties gerechten en de verantwoordelijkheid voor de verdeling van kantonzaken over de hoofdlocatie en de nevenlocaties bij het gerechtsbestuur neer te leggen. De verdeling van behandeling van kantonzaken wordt door het gerechtsbestuur helder in het bestuursreglement vastgelegd. Kenbaarheid en toegankelijkheid voor de burger en effectiviteit van rechtspraak gelden hierbij als belangrijke criteria, evenals het uitgangspunt dat de verdeling van kantonzaken dient te geschieden binnen de huidige financiële kaders, rekening houdend met de capaciteit van de rechtbanklocaties. De regering is van mening dat deze regeling past bij de beoogde ontwikkelingen waaraan met dit wetsvoorstel uitvoering wordt gegeven, namelijk het verbreden van de mogelijkheden om rechtspraak flexibel en efficiënt in te zetten en om schaalgrootteproblematiek op te lossen. Ook past dit binnen het perspectief van de herziening van de gerechtelijke kaart, waarin geleidelijk wordt toegewerkt naar een vermindering van het aantal rechtspraaklocaties.

De afschaffing van de verplichte sector kanton heeft als zodanig geen financiële gevolgen, zo beantwoord ik de daartoe strekkende vraag van de leden van de VVD-fractie. De afschaffing van de verplichte sector kanton heeft als gezegd een directe samenhang met de voorgestelde competentieverruiming van de kantonrechter. Deze heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting. In het advies van de Raad voor de rechtspraak over de consultatieversie van het wetsvoorstel is aangegeven dat de competentiewijziging – afgezien van hogere huisvestingskosten – naar het oordeel van de Raad budgettair neutraal kan worden uitgevoerd, voor zover geen sprake is van aanzuigende werking. In de interne verkenning van de effecten van de competentiewijziging die de Raad vervolgens heeft uitgevoerd, heeft hij geen aanleiding gezien om dat uitgangspunt te wijzigen.6 Voor zover de competentiewijziging leidt tot meerkosten, zullen deze binnen de bestaande budgetten moeten worden opgevangen. Wat de incidentele kosten betreft (opleidingskosten, reorganisatiekosten, kosten voor de ontwikkeling van een elektronisch roljournaal) heeft de Raad voor de rechtspraak aangegeven dat deze in ieder geval door de rechtspraak zelf kunnen worden gedragen.

Invoeringsdatum en uitvoerbaarheid

De leden van de D66-fractie vragen hoe de verruiming van de bevoegdheid van kantonrechters op verantwoorde wijze kan worden ingevoerd, mede vanwege de gelijktijdige invoering van het nieuwe griffierechtenstelsel. Zoals vermeld in de inleiding van deze memorie, streeft de regering thans naar inwerkingtreding van dit wetsvoorstel per 1 juli 2011. Als gezegd gelden daarvoor als noodzakelijke voorwaarden de tijdige aanvaarding van zowel het onderhavige wetsvoorstel als wetsvoorstel 32 562 alsmede de tijdige totstandkoming van het Besluit nevenlocaties gerechten. Vanuit de rechtspraak is de verzekering gegeven dat invoering per 1 juli 2011 verantwoord is (ook invoering per 1 januari 2011 zou wat de rechtspraak betreft haalbaar zijn geweest). Van een cumulatie met de invoering van het nieuwe griffierechtenstelsel in burgerlijke zaken is geen sprake meer, nu de eerste fase van dat stelsel reeds op 1 november jl. en de tweede fase op 1 januari jl. in werking zijn getreden (zie KB van 26 oktober 2010, Stb. 726).

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


XNoot
1

Brief van de vice-voorzitter van de vaste commissie voor Justitie aan de minister van Veiligheid en Justitie van 26 oktober 2010, nr. 147218.01u.

XNoot
2

Algemeen overleg op 15 juni 2010 (Kamerstukken I 2009/10, 32 123 VI, P).

XNoot
3

Zie www.internetconsultatie.nl/herzieninggerechtelijkekaart

XNoot
4

Zie het bij brief van de Minister van Justitie van 5 oktober 2010 bij uw Kamer voorgehangen ontwerp-Besluit nevenlocaties gerechten (Kamerstukken I 2010/11, 32 021, B).

XNoot
5

Zie Tj. Zuidema en J. Mertens, Integratie kantonsector en civiele sector volgens Dordts model, Tijdschrift voor de procespraktijk 2009–2, p. 31–32; F.W.H. van den Emster, E. Bauw en R.H. Kroon, «A small step ...», Tijdschrift voor de procespraktijk 2009–5, p. 134–136; M.A. van de Laarschot, Differentiëren in de vestibule, Tijdschrift voor de procespraktijk 2009–5, p. 137–139; H.A. Witsiers, Een goede voorbereiding is de helft van het werk, Tijdschrift voor de procespraktijk 2009–5, p. 140–141; F.W. Pieters en K.G.F. van der Kraats, Kanton en civiel; een bestendig verbond voor de toekomst. Interview met Marieke Koek (LOCV) en Maarten van de Laarschot (LOK), Trema nr. 4 2010, p. 144–148.

XNoot
6

Zie brief van de Raad voor de rechtspraak van 17 september 2009 aan de Minister van Justitie, nr. UIT 504 ONT / RK (opgenomen als bijlage bij de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer; Kamerstukken II 2009/10, 32 021, nr. 6).

Naar boven