Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032021 nr. 9

32 021 Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet op de rechterlijke indeling, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enkele andere wetten naar aanleiding van de evaluatie van de modernisering van de rechterlijke organisatie en in verband met de regeling van het klachtrecht inzake gedragingen van rechterlijke ambtenaren (Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie)

Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID GERKENS

Ontvangen 17 mei 2010

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

Na artikel XXII wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXIIA

Onze Minister van Justitie zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de artikelen 93, 108 en 110 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de artikelen 131 en 241 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, zoals die ingevolge deze wet zijn komen te luiden.

II

Artikel XXIII komt te luiden:

ARTIKEL XXIII

1. Deze wet treedt, behoudens het tweede lid, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

2. De artikelen I, onderdelen K tot en met Q, en III, onderdelen B, D, en N, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat niet eerder gelegen is dan drie jaar nadat de artikelen III, onderdelen C, F en I, IV en V in werking zijn getreden. De voordracht voor het koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt er geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na het besluit van die kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.

3. Tot het in het tweede lid bedoelde tijdstip wordt:

a. in artikel 47, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie in plaats van «in de nevenvestigingsplaatsen die zijn vermeld in de bijlage, bedoeld in artikel 41, tweede lid, en in de nevenzittingsplaatsen die krachtens artikel 41, tweede lid, zijn aangewezen» gelezen: in de nevenlocaties die krachtens artikel 41, tweede lid, zijn aangewezen;

b. in artikel 48, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie in plaats van «13» gelezen: 13 tot en met 13g.

Toelichting

De indiener beoogt met dit amendement om drie jaar na de verhoging van de competentiegrens en verbreding van het takenpakket van de kantonrechter een evaluatie uit te voeren, om aan de hand daarvan te bezien of de wettelijke verplichting voor rechtbanken om een afzonderlijke sector kanton te hebben (art. 47 Wet RO) kan worden afgeschaft.

Het amendement heeft tot doel om de twee wijzigingen die dit wetsvoorstel ten aanzien van de Kantonrechter heeft te splitsen. Pas drie jaar na de verhoging van de competentiegrens wil de indiener de afschaffing van de verplichte sector kanton laten plaatsvinden. De afschaffing kan ingevolge dit amendement pas plaatsvinden nadat het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding regelt, is voorgehangen aan beide kamers der Staten-Generaal. Deze kunnen de inwerkingtreding bij de voorhangprocedure blokkeren indien uit de evaluatie van de verhoging van de competentiegrens en de verbreding van het takenpakket blijkt dat de inwerkingtreding ongewenst is.

Gerkens