Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201732013 nr. 143

32 013 Toekomst financiële sector

Nr. 143 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 mei 2017

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 21 december 2016 over de follow-up van de toetredingsbrief (Kamerstuk 32 013, nr. 142).

De vragen en opmerkingen zijn op 15 februari 2017 aan de Minister van Financiën voorgelegd. Bij brief van 2 mei 2017 zijn de vragen beantwoord.

De fungerend voorzitter van de commissie, Duisenberg

De adjunct-griffier van de commissie, Bartman

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief met de follow-up van de toetredingsbrief. De leden van de VVD-fractie willen meer nieuwe toetreders, meer concurrentie en meer diversiteit in de Nederlandse financiële sector. Dat kan leiden tot lagere tarieven, hogere kwaliteit en meer service voor consumenten en bedrijven. Het kan sneller, simpeler, beter en goedkoper. De leden van de VVD-fractie hebben daar afgelopen tijd veel voorstellen toe gedaan, onder meer in het Actieplan FinTech.

De leden van de VVD-fractie zijn blij dat de Minister en de toezichthouders dit nu hebben opgepakt met de regulatory sandbox, een duidelijker vergunningsverleningsproces, deelvergunningen (bankvergunning light) en proportionaliteit regelgeving. Voor de leden van de VVD-fractie geldt echter wel «the proof of the pudding is in the eating». Een andere manier van denken en werken en een andere houding is niet zomaar voor elkaar. Het moet nu ook nog waargemaakt worden. Het is mooi om te lezen dat al meer dan 100 partijen de weg gevonden hebben naar de InnovationHub.

Kan de Minister toezeggen dat er eind 2017 een terugkoppeling plaatsvindt aan de Tweede Kamer over de voortgang, de resultaten en ook over de ervaringen van bedrijven met de aanpassingen? Zo nee, waarom niet?

«Maatwerk voor Innovatie» gaat natuurlijk uit van de huidige wet- en regelgeving en de ruimte die daarin zit. Het kan natuurlijk zo zijn dat er dan toch nog tegen grenzen wordt aangelopen, die toetreding, innovatie of concurrentie belemmeren. Kan de Minister toezeggen dat er ook gekeken gaat worden waar wet- en regelgeving onredelijk of onnodig knelt (zowel nationaal als op EU-niveau) en eigenlijk aangepast zou moeten of kunnen worden en dat dit teruggekoppeld wordt bij de hiervoor gevraagde terugkoppeling eind 2017 en daarna in de jaarlijkse wetgevingsbrieven van De Nederlandse Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM)? En dat de inzet dan is om de wet- en regelgeving aan te passen, natuurlijk alleen als dit verantwoord is? Zo nee, waarom niet?

De Minister heeft eerder toegezegd om de vrijstellingsgrens van de prospectusrichtlijn op te hogen van 2,5 miljoen euro naar 5 miljoen euro. Dit kan ervoor zorgen dat het midden- en kleinbedrijf (mkb) makkelijker en goedkoper financiering kan krijgen in de vorm van mkb-aandelen en -obligaties. Dit kan al binnen de bestaande prospectusrichtlijn. Wanneer gaat het kabinet dit nu concreet implementeren?

De leden van de VVD-fractie lezen dat DNB en de AFM een aantal criteria hebben geformuleerd waaraan moet worden voldaan voordat men in aanmerking komt voor «Maatwerk voor Innovatie». Hoe werkbaar zijn deze criteria voor de bedrijven? Met name het eerste criterium dat het innovatief concept bij moet dragen aan de doeleinden van de financiële toezichtwetgeving. Natuurlijk moet het niet zorgen voor bijvoorbeeld instabiliteit van het financiële stelsel. Maar dat is wat anders dan dat het moet bijdragen aan de stabiliteit van het financiële stelsel. Kan de Minister hier een nadere uitleg geven wat er precies bedoeld wordt? Hier wreekt zich wat de leden van de VVD-fractie betreft dat de toezichthouders nog steeds niet, net als in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, ook als doelstelling hebben het bevorderen van concurrentie, nieuwe toetreders en innovatie.

Verder wordt in het tweede criterium genoemd «in redelijkheid niet kan voldoen». De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de regel nooit een doel op zichzelf kan zijn en dat het altijd gaat om het achterliggende doel dat je wilt bereiken met behulp van die regel. En als dat doel gewoon bereikt kan worden op een andere manier, de regel dus feitelijk niet correct is. Met dit criterium lijkt de regel wel enigszins het doel te worden. Kan de Minister hier een nadere uitleg over geven? Wat wordt verstaan onder «in redelijkheid»?

Het is volgens de leden van de VVD-fractie goed dat er sowieso gekeken wordt naar een «exitplan». Hoe complex is dit voor bedrijven? En hoe wordt hierbij gekeken naar proportionaliteit?

De leden van de VVD-fractie zetten zich al langere tijd in voor de proportionaliteit van de wet- en regelgeving. Het is goed dat de Minister zich hier ook voor inzet. Waarom wil de Minister dan niet de vrijstellingsgrenzen in de wet- en regelgeving evalueren, zoals voorgesteld in het Actieplan FinTech van de VVD-fractie, en indien verantwoord de vrijstellingsgrenzen omhoog bijstellen? Wat is daarop tegen?

Voor bedrijven is het belangrijk dat het vergunningsverleningsproces duidelijk is. De beslistermijn van de bankvergunning wordt nu verdubbeld en meer in lijn gebracht met de reële beslistermijn. De leden van de VVD-fractie kunnen dit billijken, mits dan ook in de praktijk de doorlooptijd van de vergunningen uiteindelijk korter wordt. De Minister heeft toegezegd dat dit gemonitord gaat worden. Wanneer is daar een eerste terugkoppeling van te krijgen?

Alternatieve financieringsvormen, zoals kredietunies en crowdfunding moeten volgens de leden van de VVD-fractie dezelfde mogelijkheden krijgen als banken bij garantieregelingen. In hoeverre is dit nu daadwerkelijk het geval?

De Minister heeft de heer Vermeend aangesteld als FinTech-ambassadeur. Wat zijn de bevindingen van de FinTech-ambassadeur tot nu toe en wat zijn zijn aanbevelingen? In hoeverre gaat de FinTech-ambassadeur ook rapporteren? En zo ja, wanneer dan?

Eind 2016 heeft het Centraal Planbureau (CPB) de policy-brief gepubliceerd «De toekomst van de Nederlandse financiële sector: FinTech en regulering». Kan de Minister een reactie geven op deze policy-brief?

De leden van de VVD-fractie lezen dat DNB op dit moment kijkt naar een nieuwe alternatieve mogelijkheid voor het initiatief Depositobank. Wanneer kan hierover meer duidelijkheid zijn?

De stappen van de AFM en DNB moeten gericht zijn op zowel bestaande als nieuwe spelers, maar de leden van de VVD-fractie lezen dat de brief aan het einde vooral gericht is op nieuwe spelers. Kan de Minister aangeven hoe de stappen van de AFM en DNB op beide soort spelers gericht worden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de follow-up op de toetredingsbrief. Wel hebben zij nog enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat er binnen de kaders van de Europese wetgeving gehandeld moet worden om maatwerk te kunnen bieden. Zij vragen in hoeverre en op welke vlakken Europese wetgeving deze ruimte biedt. Ook lezen deze leden dat een voorwaarde voor het aanbieden van maatwerk is dat er bijvoorbeeld sprake moet zijn van onnodige belemmeringen van bestaande wetgeving. Zij vragen de regering voorbeelden te geven van onnodige belemmeringen.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het kabinet de voorgestelde samenwerking tussen de Autoriteit Consument & Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens met de InnovationHub ziet.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat het kabinet gezocht heeft naar manieren om het concept van een depositobank vorm te geven. Kunnen de leden van de PvdA-fractie uit de opmerking van het kabinet over de juridische onverenigbaarheid van de eisen van de depositobank opmaken dat het kabinet dit concept als onhaalbaar beschouwt? In hoeverre ziet het kabinet mogelijkheden om op Europees niveau aanpassingen te verrichten opdat belemmeringen voor de depositobank worden weggenomen? Kan het kabinet meer inzicht verschaffen in het nieuwe alternatief dat DNB op dit moment onderzoekt voor de depositobank? Welke belemmeringen voor een depositobank ziet het kabinet op het vlak van het monetair beleid alsmede het financieel stelsel? De leden van de PvdA-fractie lezen dat op dit moment onderzoek wordt gedaan door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) naar alternatieven of verbeteringen voor het huidige geldscheppingssysteem. Deze leden vragen of in dit onderzoek ook expliciet meegenomen kan worden wat de mogelijkheden zijn voor het invoegen van een depositobank. Daarnaast zouden zij graag een nadere beschouwing zien van wat een dergelijke instelling zou betekenen voor het functioneren van het huidige geldscheppingssysteem, en bijvoorbeeld de risico's die dat oplevert.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de fractie van de SP hebben met interesse kennisgenomen van de follow-up toetredingsbrief van de Minister van Financiën over de toekomst van de financiële sector. Naar aanleiding van deze brief leven er bij deze leden nog enkele vragen.

De leden van de fractie van de SP vragen de Minister naar de eerste ervaringen van de InnovationHub. Al meer dan 100 partijen hebben de weg naar de InnovationHub weten te vinden. Wordt de tevredenheid van deze partijen ook gemonitord? Zo ja, zijn partijen tevreden over de InnovationHub? Zo nee, waarom niet?

Door veranderende businessmodellen in de financiële sector kunnen aanpassingen in de huidige toezichtomgeving noodzakelijk zijn, zo valt te lezen in de brief van de Minister. Hierbij zou «om ook op de lange termijn het nationale toezichtkader innovatiebestendig te laten zijn», het huidige toezichtkader mogelijk aangepast moeten worden. Zou de Minister voor de leden van de fractie van de SP uiteen kunnen zetten waar de schoen knelt? Op welke specifieke punten moet het huidige toezichtkader mogelijk worden aangepast?

Ook lezen deze leden dat er nog steeds naar mogelijkheden wordt gezocht om de depositobank gestalte te geven binnen het huidige geldende Europese juridische kader.

Heeft de Minister, al dan niet samen met DNB, ook gekeken naar mogelijkheden voor wetswijziging om een depositobank mogelijk te maken? Zo ja, wat zijn hier de concrete uitkomsten van? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de SP vragen of het klopt dat bij de a-variant van de opt-in regeling de combinatie depositogarantiestelsel + Target 2 gemaakt kan worden. Verder vragen zij of het mogelijk is om bij de b-variant (aantrekken van publieke gelden) van de opt-in vergunning de combinatie depositogarantiestelsel + Target 2 mogelijk te maken? Zo nee, wat zijn de bezwaren hiertegen?

Kan de Minister verduidelijken of het alternatief dat DNB op het moment beziet, ziet op een alternatief dat als doel heeft een dienst te leveren zonder kredietrisico, of dat het alternatief ziet op het leveren van een dienst met een zo laag mogelijk risico? Wanneer zal DNB naar verwachting rapporteren over dit alternatief?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over de toekomst van de financiële sector.

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat er nog te weinig concurrentie is in de bankensector, de Nederlandse markt wordt gedomineerd door drie grote banken. Hoge leenrentes en lage spaarrentes, als gevolg van minder concurrentie, gaan ten koste van de consument en het bedrijfsleven.

Het moet mogelijk worden om een bankrekeningnummer inclusief alle bijbehorende klantdata te behouden bij het overstappen naar een andere bank. Op die manier kunnen consumenten en ondernemers makkelijker overstappen, als ze ontevreden zijn. Met name kleine ondernemers zijn nu sterk afhankelijk van hun huisbank. Zij zouden dezelfde bescherming moeten krijgen in de wet als consumenten, zodat zij erop kunnen vertrouwen dat banken in hun belang handelen. Niet alleen de klanten moeten banken uitdagen. Ook nieuwe spelers moeten de ruimte krijgen om de gevestigde orde uit te dagen. Technologische innovatie in de financiële dienstverlening (FinTech) biedt nieuwe mogelijkheden. Toetreding van FinTech-start-ups kan de diversiteit van de financiële sector vergroten, waardoor de afhankelijkheid van de sterk geconcentreerde bankensector minder wordt. Daarom zijn de leden van de D66-fractie positief over de houding van de Minister maar ook van de AFM en de DNB die zich inzetten om FinTech-initiatieven mogelijk te maken. Ook vinden de leden het goed dat er een ruime consultatieperiode is geweest voor partijen voor de Wet op het financieel toezicht.

De leden van de D66-fractie zijn dan ook positief over de opgezette InnovationHub. Zij lezen dat er al meer dan 100 partijen de weg hebben weten te vinden naar deze InnovationHub. Kan de Minister toelichten of deze partijen ook tevreden zijn over het functioneren van deze InnovationHub? Zijn zij geholpen door dit nieuwe loket? En kan de Minister toelichten met welke vragen deze partijen bij dit loket aankloppen? Welke wet- en regelgeving zijn volgens deze partijen knellend voor hun initiatieven? Gaat het hier om wet- en regelgeving waarvan van tevoren al verwacht werd dat dit een knelpunt was of gaat het ook om andere regelgeving dan verwacht?

Bij kleinschalige initiatieven zijn de publieke risico’s kleiner en is er ruimte voor een zogenaamde bankvergunning light en kleinschalige experimenten. Waar grootbanken in het belang van klanten willen innoveren, kan de toezichthouder hen ook ruimte geven. De leden van de D66-fractie vinden het daarom goed dat de mogelijkheid van een deelvergunning bestaat en ook in de praktijk gebruikt wordt. Kan de Minister toelichten hoe vaak deze deelvergunning wordt ingezet en in welk deel van de gevallen het gaat om een, naar verwachting, permanente deelvergunning? En hoe wordt er ruimte gegeven en maatwerk geleverd aan grootbanken die willen innoveren in het belang van hun klanten? Kan de Minister hier enkele voorbeelden van noemen?

De leden zien het belang dat er ook op Europees niveau meer ruimte komt voor proportionaliteit waarbij kleine innovatieve spelers meer ruimte en flexibiliteit krijgen, omdat zij onmogelijk zouden kunnen voldoen aan bepaalde eisen en voorwaarden. Kan de Minister toelichten wat de inzet is van Nederland om deze flexibiliteit te vergroten binnen de Europese juridische kaders? De leden zien een mogelijkheid om hier sterk op in te zetten met de Nederlandse rapporteur in het Europees parlement. Deelt de Minister deze mening?

De leden van de D66-fractie willen een bankensector met gezonde concurrentie, maar die concurrentiestrijd moet er niet toe leiden dat banken uiteindelijk toch weer te grote risico’s nemen. De leden delen dan ook de mening dat er een waarborg moet zijn voor de risico’s bij het falen van de onderneming. De exitplannen kunnen hier aan bijdragen. De leden vragen de Minister ook toe te lichten wat de ervaringen zijn met de exitplannen, hebben er al gevallen voorgedaan waarbij de exit strategie toegepast moest worden in praktijk? En zo ja, wat zijn hiervan de bevindingen?

De leden van de D66-fractie willen Nederlanders de keuze geven om ook te kunnen sparen bij een instelling die het geld puur digitaal voor hen bewaart. De leden begrijpen van DNB dat voor het uitvoeren van het business model van een depositobank een wetswijziging nodig is. Welke wetten moet hier exact voor worden aangepast en is de Minister bereid dit te doen? Kan de Minister toelichten waarom wel of niet?

De leden lezen dat het opzetten van een full reserve depositobank, conform de wensen van het burgerinitiatief «Ons Geld», nog andere juridische knelpunten kent. Zo lezen de leden dat een bankvergunning noodzakelijk is om toegang te krijgen tot Target2 en dat voor een bankvergunning deelname aan het depositogarantiestelsel nodig is. Hoe zou dit knelpunt opgelost kunnen worden en is de Minister daartoe bereid?

De leden van de D66-fractie delen de mening dat ook bij deze vorm waarborgen ingebouwd moeten zijn voor eventuele risico’s die de bank, ook zonder kredietrisico’s, toch loopt. Het is daarom goed om te bekijken hoe exitplannen, maar mogelijk ook andere waarborgen, hieraan bij kunnen dragen. Kan de Minister toelichten of het klopt dat het rapport van de WRR ook specifiek en uitgebreid in zal gaan op de vormgeving van de depositobank? Zal hier ook gekeken worden naar de mogelijke waarborgen die ingezet kunnen worden? Wanneer verwacht de Minister dit rapport?

II Reactie van de Minister

Ik heb met belangstelling kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, PvdA, SP en D66 over mijn brief van 21 december 2016 inzake de «follow-up Toetredingsbrief».1 Voor een logische opbouw van de beantwoording en om doublures te vermijden heb ik gekozen voor een thematisch geordende beantwoording volgens de volgende rubricering:

  • 1. InnovationHub

  • 2. Innovatiebestendige wet- en regelgeving

  • 3. Maatwerk voor Innovatie

  • 4. Depositobank

  • 5. Overig

1. InnovationHub

De fracties van de SP en D66 vragen naar de eerste ervaringen van de InnovationHub, of de tevredenheid wordt gemonitord, of partijen tevreden zijn over het functioneren, of marktpartijen zijn geholpen door dit nieuwe loket, en naar de vragen waarmee deze partijen bij dit loket aankloppen. De fractie van D66 vraagt daarnaast welke wet- en regelgeving volgens deze partijen knellend zijn voor hun initiatieven, of dat het hierbij gaat om wet- en regelgeving waarvan van tevoren al verwacht werd dat dit een knelpunt was of dat het ook om andere regelgeving dan verwacht gaat.

Toezichthouders AFM en DNB hebben per 9 juni 2016 de zogenaamde InnovationHub gelanceerd om innovatie in de financiële sector accommoderen. De InnovationHub is een plek waar nieuwe en bestaande innovatieve marktpartijen in de financiële sector met de toezichthouders in contact kunnen komen over vraagstukken op het gebied van financiële innovatie en regulering. Inmiddels zijn al meer dan 150 vragen door de toezichthouders behandeld. Een groot deel van deze vragen heeft betrekking op nieuwe vormen van betaaldienstverlening, vooral in het licht van en vooruitlopend op de implementatie van de herziene Europese betaaldienstenrichtlijn (PSD2).2 Daarnaast worden relatief veel vragen gesteld over de toepassing van de zogenaamde Distributed Ledger Technologie (DLT, ook Blockchain technologie genoemd) en over het verrichten van financiële diensten door middel van online (markt)platformen.

De vragen van partijen betreffen vooral de interpretatie van (de toepassing) van wet- en regelgeving, niet zozeer knelpunten door wet- en regelgeving zelf. Zo geeft DNB vaak uitleg over de toepassing van de (principle-based) eisen aan integere en beheerste bedrijfsvoering o.g.v. artikel 3:17 in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daarnaast blijken bij de toepassing van DLT veel meer (juridische) factoren een rol te spelen dan alleen financiële regelgeving. Voorbeelden hiervan zijn interoperabiliteit, beperkingen in snelheid en hoeveelheid van transacties, en ook juridische kwesties rondom goederen- en verbintenissenrecht. Hoewel DLT een veelbelovende technologie is, staan aan de daadwerkelijke implementatie dus nog diverse factoren in de weg welke primair zien op de techniek zelf.3

Toezichthouders AFM en DNB willen met de InnovationHub de balans bewaren tussen een toezichthouder die enerzijds open en benaderbaar is en anderzijds streng en duidelijk is – het laatste met het oog op consumentenbescherming en een stabiele financiële sector. Omdat de AFM en DNB hierbij zo goed mogelijk willen aansluiten bij de wensen uit de markt vragen de toezichthouders actief om feedback en verbetermogelijkheden van marktpartijen. Zo is er op de website van AFM en DNB een mogelijkheid om rechtstreeks feedback toe te zenden.4 De toezichthouders spreken doorlopend met de partijen die gebruik hebben gemaakt van de diensten van de InnovationHub. Hieruit komt het algemene beeld naar voren dat de InnovationHub in een behoefte voorziet en dat marktpartijen het laagdrempelige en informele contact met de toezichthouders waarderen.

De fractie van de VVD vraagt of ik kan toezeggen dat er eind 2017 een terugkoppeling plaatsvindt aan de Tweede Kamer over de voortgang, de resultaten en ook over de ervaringen van bedrijven met de nieuwe werkwijze van de toezichthouders? Zo nee, waarom niet? De fractie van de VVD vraagt tevens of ik wil toezeggen dat ik n.a.v. ervaringen in het InnovationHub kijk naar waar wet- en regelgeving onredelijk of onnodig knelt (zowel nationaal als op EU-niveau) en eigenlijk aangepast zou moeten of kunnen worden en dat dit teruggekoppeld wordt in de jaarlijkse wetgevingsbrieven van De Nederlandse Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM)?

De AFM en DNB communiceren over hun activiteiten op het gebied van innovatie en FinTech via reguliere communicatiemiddelen zoals het jaarverslag en websites.5 Op deze wijze kunnen zij geanonimiseerde praktijkvoorbeelden delen en antwoorden op vaker gestelde vragen publiek maken zodat vragen van andere marktpartijen kunnen worden voorkomen. De toezichthouders hebben in hun jaarverslagen over 2016 specifiek aandacht besteed aan de resultaten van de InnovationHub. Daarnaast is het sinds 2010 goed gebruik dat de AFM en DNB via jaarlijkse wetgevingsbrieven kenbaar maken welke knelpunten zij ervaren in geldende wet- en regelgeving. Mochten de ervaringen in de InnovationHub aanleiding geven tot een behoefte aan aanpassingen in wet- en regelgeving, dan ga ik ervan uit dat de AFM en DNB dit in hun wetgevingswensen kenbaar maken. Deze wetgevingsbrieven worden samen met mijn reactie daarop aan uw Kamer gestuurd.

De fractie van de PvdA vraagt hoe het kabinet de voorgestelde samenwerking tussen de Autoriteit Consument & Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens met de InnovationHub ziet.

Zoals aangegeven in mijn brief van 21 december jl. vind ik het van belang dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) bij de InnovationHub worden betrokken. AFM en DNB staan hier positief tegenover en willen de samenwerking met toezichthouders ACM en AP vanuit de InnovationHub versterken. De eerste stappen zijn gezet. Op de website van de InnovationHub zal de ACM voortaan expliciet worden opgenomen en de huidige informele (en themagestuurde) samenwerking zal in 2017 worden versterkt door een structureel overleg tussen AFM, DNB, ACM en AP. Afhankelijk van eventuele gedeelde vraagstukken kunnen de toezichthouders gezamenlijk communiceren over relevante thema’s. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de wettelijke toezichtkaders en mandaten tussen de toezichthouders verschillen en dat op basis van geheimhoudingsbepalingen in de Wft informatie over individuele cases door AFM en DNB niet altijd gedeeld kan worden met (niet-financiële) toezichthouders ACM en de AP. Mede daarom bezie ik op dit moment de (wetgevings)wens van de AFM om vanwege de toenemende verwevenheid tussen privacy- en financiële wetgeving het mogelijk te maken dat bepaalde toezichtinformatie gedeeld kan worden met de ACM en de AP.6

2. Innovatiebestendige wet- en regelgeving

De fractie van de SP vraagt op welke specifieke punten het huidige toezichtkader mogelijk worden aangepast om deze ook op de lange termijn het nationale toezichtkader innovatiebestendig te laten zijn. De fractie van de VVD vraagt of ik mij zal inzetten op het aanpassen van wet- en regelgeving indien deze onredelijk of onnodig knelt als dit verantwoord is. Zo nee, waarom niet? De leden van de PvdA-fractie vragen in dit verband in hoeverre en op welke vlakken Europese wetgeving ruimte biedt om maatwerk te kunnen bieden. De fractie van D66 vraagt mede in dit verband wat de inzet is van Nederland om de flexibiliteit voor kleine innovatieve spelers te vergroten binnen de Europese juridische kaders en of ik de mening deel dat een mogelijkheid is om hier sterk op in te zetten met de Nederlandse rapporteur in het Europees parlement. Tot slot vraagt de fractie van de VVD specifiek waarom ik op grond van proportionaliteit niet de vrijstellingsgrenzen in de wet- en regelgeving wil evalueren, zoals voorgesteld in het Actieplan FinTech van de VVD-fractie, en wat er op tegen is om de vrijstellingsgrenzen indien verantwoord omhoog bijstellen.

Zoals ik in mijn brief van 21 december jl. heb aangegeven wordt zowel nationaal als in Europees en internationaal verband onderzocht hoe de huidige toezichtkaders beter afgestemd kunnen worden op de toenemende digitalisering van de financiële markten en de daarin opererende FinTech-ondernemingen. Op nationaal niveau wordt als onderdeel van de verkenning van een eventuele herziening van de Wet op het financieel toezicht (Wft) tevens bekeken op welke rekening kan worden gehouden met financiële innovaties. Over de uitkomsten van de verkenning bericht ik u uw Kamer naar verwachting voor het einde van dit jaar. Daarnaast kunnen toezichthouders en de sector mij altijd aangeven waar mogelijk wet- en regelgeving onnodig of onredelijk knelt en hoe dit opgelost zou kunnen worden.

Veel wet- en regelgeving op het terrein van de financiële sector kent een Europese oorsprong. Ik zet me in Europees verband in voor proportionaliteit in nieuwe en (te herziene) bestaande EU-regelgeving. Dit ziet overigens niet specifiek op het bijstellen van vrijstellingsgrenzen. In haar rol als FinTech rapporteur heeft de Nederlandse Europarlementariër Cora van Nieuwenhuizen (VVD) ook aandacht voor proportionaliteit gevraagd. In haar rapport van januari 2017 geeft zij aan FinTech ontwikkelingen in Europa meer te willen faciliteren. Het voorstel bevat concrete aanbevelingen aan de FinTech taskforce van de Europese Commissie. Zo pleit Van Nieuwenhuizen er voor om financiële dienstverleners de ruimte te geven te experimenteren met nieuwe producten of diensten terwijl toezichthouders meekijken. Zo kunnen zij ervaring opdoen zonder dat het klantbelang of de financiële stabiliteit in het geding komen. Voorts stelt zij het uitgangspunt voor dat Europese wetgeving techniekneutraal is. Dit houdt in dat normen gelden ongeacht de gehanteerde technologie. De uitgangspunten van techniekneutraal en proportionaliteit (alsook marktintegriteit) heeft de Europese Commissie inmiddels overgenomen in de op 23 maart jl. gelanceerde consultatie «FinTech: a more competititive and innovative European financial sector».7 De Europese Commissie inventariseert hiermee inzichten van stakeholders voor het voeren van beleid over technologische ontwikkelingen in de financiële sector. Ik ben voornemens om te reageren op de vragen in deze consultatie en zal uw Kamer hiervan een afschrift doen toekomen.

De fractie van de VVD vraagt naar de implementatie van de toezegging om de vrijstellingsgrens van de prospectusrichtlijn op te hogen van 2,5 miljoen euro naar 5 miljoen euro om ervoor te zorgen dat het midden- en kleinbedrijf (mkb) makkelijker en goedkoper financiering kan krijgen in de vorm van mkb-aandelen en -obligaties.

In het algemeen overleg van de vaste commissie voor Financiën van 4 februari 2016 (Kamerstuk 22 112, nr. 2100) heb ik toegezegd de verhoging van de drempel onder gelijktijdige invoering van een meldplicht en minimum informatievereisten te laten plaatsvinden vooruitlopend op de invoering van de nieuwe Prospectusverordening. De bepalingen in de Prospectusverordening die zien op de vrijstellingsdrempel zullen naar verwachting in de zomer van 2018 inwerkingtreden. De inwerkingtreding van de Nederlandse regeling waarin de vrijstelling wordt geregeld, zal ruim voor dat moment plaatsvinden, naar verwachting in de tweede helft van 2017. Op dit moment worden in samenwerking met de AFM de meldplicht en de minimum informatievereisten ontwikkeld.

Kan de Minister toelichten hoe vaak een deelvergunning wordt ingezet en in welk deel van de gevallen het gaat om een, naar verwachting, permanente deelvergunning?

Een vergunning wordt gegeven o.g.v. een in de Wft benoemde specifieke vergunningverlenende activiteit. Het verlenen van specifieke vergunningen aan bijvoorbeeld beleggingsondernemingen, betaaldienstverleners en verzekeraars is reeds gebruikelijk. Alleen bij banken was het in de praktijk gangbaar dat een universele vergunning werd verleend voor alle activiteiten, bedoeld in Bijlage I bij de Richtlijn kapitaalvereisten, die onder de wederzijdse erkenning vallen; dus niet alleen voor het aantrekken van deposito’s en andere terugbetaalbare gelden en het verstrekken van kredieten voor eigen rekening, maar ook voor het verlenen van beleggingsdiensten (onder andere het uitvoeren van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten en het beheren van individuele vermogens) en het verrichten van beleggingsactiviteiten (handelen voor eigen rekening en het exploiteren van multilaterale handelsfaciliteiten). In die zin is a het verlenen van een specifieke (deel)vergunning voor een specifieke bankactiviteit nieuw. Over welk deel van de toekomstige vergunningen in de vorm van (deel)vergunningen zal worden verleend kan nu nog geen uitspraak worden gedaan.

De fractie van de VVD vraagt wanneer een eerste terugkoppeling te krijgen is van de verkorting van de doorlooptijd door verdubbeling van de beslistermijn.

Omdat de onzekerheid over de duur van het vergunningstraject door aspirant-toetreders als een toetredingsbarrière werd ervaren, is – zoals eerder toegezegd – de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag voor een bankvergunning gewijzigd van 13 in 26 weken. Hiermee is de wettelijke termijn – meer dan het geval was – in overeenstemming gebracht met de daadwerkelijke duur van het vergunningtraject. Dit biedt aanvragers duidelijkheid. Bovendien is de kans op het opschorten van de beslistermijn aanzienlijk kleiner en kan daarmee het vergunningstraject in de praktijk worden bekort. Ik zal in de tweede helft van 2017 een eerste terugkoppeling geven over de doorlooptijd sinds de wijziging van de beslistermijn.

3. Maatwerk voor innovatie

De fracties van de VVD en PvdA vragen hoe werkbaar de criteria zijn voor bedrijven om in aanmerking te komen voor «Maatwerk voor Innovatie» en om bij de voorwaarde van onnodige belemmeringen voorbeelden te geven.

Om de toegang voor innovatieve diensten tot de markt voor financiële dienstverlening te verruimen bieden de AFM en DNB sinds 1 januari 2017 «Maatwerk voor Innovatie» aan. Met deze nieuwe aanpak wordt bij het toelaten van nieuwe innovatieve dienstverlening onderzocht welke ruimte wet- en regelgeving biedt bij de toepassing van de regels. Ook wordt bestaand toezichtbeleid zo nodig aangepast in het licht van de nieuwe ontwikkelingen.

Om in aanmerking te komen voor Maatwerk voor Innovatie hebben de toezichthouders een drietal criteria geformuleerd. Hiermee waarborgen zij de belangen van met name afnemers van financiële diensten en -producten en wordt tegelijkertijd voor marktpartijen inzichtelijk gemaakt waar de toezichthouders op letten bij een verzoek tot maatwerk. Zo beoordelen de toezichthouders of 1) de innovatie geen significante risico’s voor consumenten en beleggers oplevert of een gevaar vormt voor de stabiele werking van de financiële markten, 2) of de marktpartij gemotiveerd kan aantonen dat er sprake is van een onnodige belemmering, en 3) of de marktpartij een duidelijk omschreven plan heeft met betrekking tot de operationalisering van het concept, waarbij onderbouwd kan worden aangetoond dat de integere en beheerste bedrijfsvoering geborgd blijft bij een eventueel niet slagen.

De fractie van de VVD vraagt of een nadere uitleg gegeven kan worden over het criterium dat ... «in redelijkheid niet kan voldoen» en wat wordt verstaan onder «in redelijkheid»?

Omdat Maatwerk voor Innovatie alleen op verzoek van een marktpartij wordt aangeboden is het aan de aanvrager om aan te tonen dat «in redelijkheid niet kan worden voldaan» aan een bepaalde regel bij het in de markt zetten van innovatieve financiële producten, diensten of bedrijfsmodellen. Dit betekent dat de onderneming aantoont dat de regel in kwestie onnodig belemmerend is, dat wil zeggen dat de lasten van naleving niet in verhouding staan tot de baten ervan, én dat de onderneming waarborgt dat de doeleinden die de desbetreffende regel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt. De praktijk leert dat door sommige (technische) innovaties bepaalde processen of dienstverlening zodanig veranderen dat men strikt genomen niet aan de tekst van de toepasselijke regel kan voldoen. Een marktpartij is dan zelf in eerste instantie in de beste positie om nader toe te lichten waarom strikt genomen niet kan worden voldaan aan specifieke wetgeving.

De fractie van de VVD vraagt naar complexiteit van exitplannen voor bedrijven en de wijze waarbij hier gekeken wordt naar proportionaliteit. De fractie van D66 vraagt wat de ervaringen zijn met de exitplannen, of reeds gevallen hebben voorgedaan waarbij de exit strategie toegepast moest worden in praktijk, en wat hiervan de bevindingen zijn.

Het exitplan is een belangrijk onderdeel van Maatwerk voor Innovatie, de deelvergunningen, alsmede de opt-in vergunning voor banken. Als bepaalde risico’s goed worden afgedekt, kan dit de toezichthouder in staat stellen over te gaan tot een maatwerkoplossing voor de vergunningaanvraag.

Het exitplan wordt opgesteld door een onderneming in het kader van de beheerste uitoefening van het bedrijf en biedt een waarborg dat de risico’s bij onverhoopt falen van de onderneming niet neerslaan bij het publiek en de financiële stabiliteit niet in gevaar komt. In het exitplan zijn procedures en maatregelen vastgelegd die geïntegreerd zijn in de bedrijfsprocessen en een ordelijke marktuittreding waarborgen bij eventuele beëindiging of overdracht van de onderneming. Een onderneming bepaalt zelf de mate van detaillering van het exitplan. Proportionaliteit is hiervoor uitgangspunt. De mate van detail die verwacht wordt hangt samen met de aard, omvang, risico’s en complexiteit van het pakket aan activiteiten van de onderneming. Wanneer een onderneming slechts één activiteit uitvoert (bijvoorbeeld één soort betaaldienst), behoeft het exitplan in beginsel minder uitgebreid en gedetailleerd te zijn dan wanneer sprake is van meerdere activiteiten of de mate van complexiteit van deze activiteiten groter is (bijvoorbeeld wanneer een bepaalde activiteit tot een complexe IT-structuur noopt). Het is in ieder geval van belang dat een instelling verifieerbare triggers aangeeft die aanleiding zijn voor het bestuur om tot een exit over te gaan. De relatie tussen de trigger en het uiteindelijke besluit tot marktuittreding maakt de besluitvorming transparant en verifieerbaar. Dit zorgt ervoor dat een exit van de onderneming gecontroleerd kan plaatsvinden en de geldmiddelen beheerst en met zo min mogelijk nadelige gevolgen voor de klanten en andere rechthebbenden kunnen worden uitbetaald of doorbetaald.

Er hebben zich nog geen gevallen voorgedaan waarbij de bij vergunningverlening opgestelde exitplannen in werking moesten worden gesteld.

De fracties van de VVD en D66 vragen of ik kan aangeven of de stappen van de AFM en DNB gericht zijn op zowel bestaande als nieuwe spelers en hoe er ruimte wordt gegeven en maatwerk geleverd aan grootbanken die willen innoveren in het belang van hun klanten (inclusief enkele voorbeelden).

Zowel de AFM/DNB InnovationHub als Maatwerk voor Innovatie staan open voor iedere partij met een innovatief concept, ongeacht of dit nieuwe spelers zijn of gevestigde partijen als een (groot)bank. Een gevestigde instelling weet door de bestaande toezichtrelatie de weg naar de toezichthouder voor een vraag over een innovatief concept doorgaans goed te vinden. Hierbij wordt opgemerkt dat toezichthouders, ongeacht de aard van een vraag of de aard van een mogelijke juridische belemmering, de beginselen van rechtszekerheid, gelijkheid en level-playing-field toepassen.

Een voorbeeld van maatwerk voor een grootbank kan de toepassing van DLT zijn, bijvoorbeeld als toepassing van DLT tot gevolg heeft dat onderdelen van het stelsel van internal control worden geautomatiseerd. De toepassing van die technologie kan andere eisen stellen aan het functioneren van de sleutelfuncties van de onderneming, zoals compliance, interne audits en risicomanagement, alsmede (voor verzekeraars) de actuariële functie. De toezichthouder kan dan instemmen met op maat gemaakte processen voor deze sleutelfuncties.

4. Depositobank

De leden van de PvdA-fractie vragen of zij uit de opmerking van het kabinet over de juridische onverenigbaarheid van de eisen van de depositobank kunnen opmaken dat het kabinet dit concept als onhaalbaar beschouwt. De leden van D66, PvdA en de SP vragen in dit verband welke wetten voor het businessmodel van Depositobank zouden moeten worden aangepast, in hoeverre het kabinet mogelijkheden ziet om op Europees niveau aanpassingen te verrichten en of de Minister, al dan niet samen met DNB, ook gekeken heeft naar mogelijkheden voor wetswijziging om een depositobank mogelijk te maken. De leden van de fractie van D66 merken nog op dat als knelpunt voor Depositobank wordt genoemd dat een bankvergunning noodzakelijk is om toegang te krijgen tot Target2 en dat voor een bankvergunning deelname aan het depositogarantiestelsel nodig is. Zij vragen hoe dit knelpunt opgelost kunnen worden en of de Minister daartoe bereid is.

In mijn brief van 21 december jl. beschrijf ik de juridische haalbaarheid van het huidige businessmodel van Depositobank. Het concept dat de initiatiefnemers voor ogen staat is niet realiseerbaar op grond van de huidige regelgeving, die is gebaseerd op het gangbare bancaire systeem. Het mogelijk maken van het businessmodel dat Depositobank voor ogen heeft, vergt een fundamentele aanpassing van in Europees verband tot stand gekomen richtlijnen zoals de richtlijn en verordening kapitaalvereisten8, richtlijn Depositogarantiestelsels9 en de finaliteitrichtlijn10. Ik acht die wijzigingen op dit moment niet realistisch. Deze richtlijnen die in Europees verband zijn afgesproken vertegenwoordigen regels die volledig zijn ingericht op de huidige werking van het geldstelsel en de rol die (centrale) banken daarin vervullen. Een discussie over de werking van het huidige geldstelsel heb ik tijdens het debat over het burgerinitiatief «Ons Geld» (Kamerstuk 34 346) met uw Kamer gevoerd (Handelingen II 2015/16, nr. 65, item 10). Naar aanleiding van dit debat heb ik de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) verzocht een onderzoek uit te voeren naar de verschillende aspecten van geldschepping en mogelijke alternatieven en verbeteringen. Hierin zal de WRR ook het idee van de Depositobank betrekken.

De leden van de fractie van de PvdA en VVD vragen of het kabinet meer inzicht kan verschaffen in het nieuwe alternatief dat DNB op dit moment onderzoekt voor de depositobank en wanneer hierover meer duidelijkheid zal zijn? De leden van de SP-fractie vragen in dit verband of ik kan verduidelijken of het alternatief dat DNB op het moment beziet, ziet op een alternatief dat als doel heeft een dienst te leveren zonder kredietrisico, of dat het alternatief ziet op het leveren van een dienst met een zo laag mogelijk risico?

DNB heeft een alternatief onderzocht waarbij het achterliggende doel van het initiatief van Depositobank – te weten het kunnen stallen van gelden in een zo risicovrij mogelijke omgeving11 en daarbij ook in staat zijn deel te nemen aan het betalingsverkeer – zo veel mogelijk gerealiseerd wordt.

Depositobank zou daartoe een «beperkte» bankvergunning, bedoeld in artikel 2:11 van de Wet op het financieel toezicht, aan kunnen vragen gericht op het verrichten van uitsluitend betaaldiensten, met inbegrip van betalingstransacties waarbij de geldmiddelen gedekt zijn door een kredietlijn van Depositobank die aan de betaaldienstgebruiker wordt verstrekt. Daarbij worden de geldmiddelen die zijn ontvangen of die worden aangehouden voor het uitvoeren van toekomstige betalingstransacties niet ingezet ten behoeve van de kredietlijn. Voorts worden de door Depositobank verkregen opvorderbare gelden, voor zover zij op enig moment niet dienen voor de uitvoering van betalingstransacties, veiliggesteld door tussenkomst van een aan de Depositobank gelieerd geldmarktfonds (beleggingsinstelling) met uitsluitend uitzettingen (beleggingen) in centrale bank geld, aangehouden op een subrekening van Depositobank bij de centrale bank, met een daarop gevestigd pandrecht voor het geldmarktfonds. Hierdoor zijn de geldmiddelen veilig gesteld en kan de bijdrage van Depositobank aan het DGS, afhankelijk van de omvang van de aangehouden deposito’s, worden beperkt.

Benadrukt wordt dat om voor een door de ECB te verlenen bancaire deelvergunning – waar slechts een beperkt aantal van de werkzaamheden als bedoeld in Bijlage I van de richtlijn kapitaalvereisten worden uitgeoefend – in aanmerking te komen moet zijn aangetoond dat voldaan wordt aan alle op die werkzaamheden van toepassing zijnde wettelijke vereisten. Daaronder valt dat de onderneming een levensvatbaar bedrijfsmodel heeft, en dat de risico’s waaraan de onderneming onderhevig is – in het bijzonder de operationele risico’s en de kredietrisico’s in verband met eventuele dekking van betalingstransacties die gedekt zijn door een kredietlijn – adequaat worden beheerst door middel van een in procedures en maatregelen vervat risicobeheersingsbeleid, die geïntegreerd zijn in de bedrijfsprocessen van de onderneming.

De leden van de fractie van de SP vragen of het klopt dat bij de a-variant van de opt-in regeling de combinatie depositogarantiestelsel + Target 2 gemaakt kan worden. Verder vragen zij of het mogelijk is om bij de b-variant (aantrekken van publieke gelden) van de opt-in vergunning de combinatie depositogarantiestelsel + Target 2 mogelijk te maken? Zo nee, wat zijn de bezwaren hiertegen?

Ten aanzien van de opt-in a-variant zijn instellingen inderdaad toegelaten tot Target 2 NL. De reden hiervan is dat deze financiële ondernemingen voor de toepassing van de Voorwaarden Target2 Nederland als kredietinstelling kwalificeren, aangezien zij in de uitoefening van hun bedrijf zowel opvorderbare gelden aantrekken van professionele partijen12 als krediet voor eigen rekening verlenen. B-variant instellingen worden niet aangemerkt als kredietinstelling in bovenbedoelde zin aangezien zij geen kredieten voor eigen rekening verlenen. Eerder kunnen zij worden aangemerkt als een beleggingsinstelling die bij beleggers opgehaald kapitaal in het belang van deze beleggers beleggen. Zij hebben dan ook geen toegang tot Target 2 NL. Alleen de ECB is bevoegd de voorwaarden van toelating tot Target 2 NL te wijzigen.

De leden van de fractie van D66 vragen of het klopt dat het rapport van de WRR ook specifiek en uitgebreid in zal gaan op de vormgeving van de depositobank. Zij vragen of hierbij ook gekeken wordt naar mogelijke waarborgen die ingezet kunnen worden en wanneer de Minister dit rapport verwacht. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen of in het onderzoek van de WRR expliciet meegenomen kan worden wat de mogelijkheden zijn voor een depositobank. Daarnaast zouden zij graag een nadere beschouwing zien van wat een dergelijke instelling zou betekenen voor het functioneren van het huidige geldscheppingssysteem, en bijvoorbeeld de risico's die dat oplevert. De leden van de PvdA-fractie vragen tot slot welke belemmeringen voor een depositobank het kabinet ziet op het vlak van het monetair beleid alsmede het financieel stelsel.

De implicaties voor monetair beleid en de financiële stabiliteit van een depositobank raken aan de bredere discussies over de werking van het huidige geldstelsel en de internationale academische discussies over de toegang tot centralebankgeld. Zoals gezegd heb ik in het kader van het burgerinitiatief «Ons Geld» de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) verzocht een onderzoek uit te voeren naar de verschillende aspecten van geldschepping en naar mogelijke alternatieven en verbeteringen van het huidige stelsel. De WRR betrekt daarin de optie van depositobanken in algemene zin en de betekenis ervan voor het functioneren van het huidige geldscheppingssysteem. Het rapport zal niet in detail ingaan op de mogelijke specifieke vormgeving van depositobanken en de waarborgen die daarbij horen. De WRR verwacht het rapport niet voor de tweede helft van 2017 te publiceren.

5. Overig

De fractie van de VVD vraagt of alternatieve financieringsvormen, zoals kredietunies en crowdfunding dezelfde mogelijkheden krijgen als banken bij garantieregelingen.

In het regeerakkoord is afgesproken dat het kabinet alternatieve financieringsvormen, zoals kredietunies, crowdfunding, en mkb-obligaties, onder meer steunt door de inzet van bestaande instrumenten. In 2012 is daarom gestart met een pilot om de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) ook open te stellen voor andere financiers dan banken. Deze pilot loopt tot juli 2017. Indien uit de pilot blijkt dat de openstelling effectief is en geen extra risico’s voor de Staat met zich meebrengt kan gekozen worden om de openstelling – al dan niet in gewijzigde vorm – te handhaven. Momenteel zijn 4 niet-bancaire partijen toegelaten tot de BMKB, te weten Qredits, Triodos Cultuurfonds, Triodos Groenfonds, en de Europese Horeca Financieringsmaatschappij. Van deze partijen heeft tot op heden alleen Qredits sinds begin dit jaar daadwerkelijk de BMKB gebruikt om krediet aan het mkb te verstrekken. De Minister van Economische Zaken is in contact met diverse andere niet-bancaire aanbieders over toetreding tot de BMKB, waaronder crowdfundingpartijen en kredietunies. Kredietunies hebben een wettelijke basis met de Wet Toezicht Kredietunies die sinds 1 januari 2016 van kracht is. De verwachting is dat verschillende kredietunies binnenkort een aanvraag tot toetreding tot de BMKB zullen indienen. De BMKB is voor crowdfunding minder geëigend omdat crowdfundingpartijen zelf doorgaans geen financieringsrisico op zich nemen maar bemiddelen in krediet. Momenteel evalueert de Minister van Economische Zaken de pilot waarvan de resultaten worden meegenomen in een Kamerbrief voor juli 2017 met een besluit over het al dan niet handhaven van de openstelling BMKB voor niet-bancaire aanbieders. De Groeifaciliteit tot slot wordt als garantieregeling reeds gebruikt door niet-bancaire financiers zoals participatiemaatschappijen.

De fractie van de VVD vraagt naar de bevindingen en aanbevelingen van de heer Vermeend als FinTech-ambassadeur, en in hoeverre en, zo ja, wanneer de FinTech-ambassadeur gaat rapporteren.

Samen met de Minister van Economische Zaken heb ik afgelopen jaar dhr. Willem Vermeend benoemd tot Special Envoy FinTech. De Special Envoy vormt een brug tussen FinTech-partijen, de overheid en de toezichthouders. Hij heeft kansen en knelpunten van FinTech geïdentificeerd met als doel innovatie in de financiële sector aan te jagen. Eén van de bevindingen van de Special Envoy is dat de belemmeringen voor FinTech – zeker na de acties en initiatieven die het kabinet samen met de AFM en DNB het laatste jaar heeft ingezet en ontplooid – niet op het terrein van toezicht liggen. Ik zal uw Kamer op korte termijn middels een brief informeren over zijn werkzaamheden en bevindingen.

De fractie van de VVD vraagt om een reactie op de CPB policy-brief De toekomst van de Nederlandse financiële sector: FinTech en regulering».

De CPB Policy Brief «De toekomst van de Nederlandse financiële sector: FinTech en regulering»13 is een waardevolle studie naar mogelijke toekomstscenario’s voor de Nederlandse financiële sector. In het rapport schetst het Centraal Planbureau (CPB) een aantal scenario’s in de verre toekomst en de gevolgen daarvan voor de marktstructuur van de financiële sector, haar financiële functies, systeemrisico’s en mogelijk overheidsfalen. Zoals gebruikelijk in de methodiek van scenarioplanning zijn de scenario’s extreme versies van het doortrekken (extrapoleren) van onzekerheden langs twee assen van variabelen. In hoeverre één van deze scenario’s ook werkelijkheid wordt is volgens het CPB met name afhankelijk van de mate van verhandelbaarheid van private gegevens en de mate waarin beleid voor de financiële markten Europees gecoördineerd wordt. Het CPB heeft net als het kabinet geen voorkeur voor één van de scenario’s. De scenario’s zijn een waardevol instrument voor het maken van beleidskeuzes. Met de scenario’s in de hand kan het kabinet bijvoorbeeld nagaan welke gevolgen nationale en Europese beleidsmaatregelen kunnen hebben voor de marktstructuur en voor essentiële financiële functies.


X Noot
1

Kamerstuk 32 013, nr. 142

X Noot
2

Richtlijn nr. 2015/2366/EU van het Europees parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betaaldiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PbEU 2015, L 337)

X Noot
3

Op dit moment voert de Europese Autoriteit voor effecten (ESMA) een onderzoek uit naar het gebruik, de voordelen en de risico’s van DLT. Zie https://www.esma.europa.eu/press-news/esma-news/esma-assesses-usefulness-distributed-ledger-technologies

X Noot
6

Kamerstuk 32 545, nr. 55

X Noot
8

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176). Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176).

X Noot
9

Richtlijn 98/26/EG van het Europees parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen.

X Noot
10

Richtlijn 2014/49/EU van het Europees parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantietelsels (DGSD).

X Noot
11

Het is belangrijk steeds voor ogen te houden dat het volledig uitsluiten van alle risico’s niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat Depositobank onderhevig is aan operationele risico’s.

X Noot
12

Het aantrekken van opvorderbare gelden van consumenten is verboden.

X Noot
13

CPB Policy Brief 2016/16, 16 december 2016