Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201231839 nr. 218

31 839 Jeugdzorg

Nr. 218 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 juni 2012

Met veel kinderen in ons land gaat het goed. Voor deze kinderen geldt dat in de primaire levensbehoeften wordt voorzien door hun ouders of opvoeders: zij hebben een dak boven hun hoofd en leven in een veilige omgeving.

Deze behoeften zijn belangrijk om goed te kunnen functioneren. Helaas hebben sommige kinderen thuis, door wat voor oorzaak dan ook, geen veilige leefomgeving. Voor deze kinderen moet naar passende alternatieven worden gezocht. Juist voor deze kinderen is het belangrijk dat de nieuwe situatie waarin zij komen een veilige situatie is. In deze brief zal ik ingaan op toezeggingen uit de behandeling van het wetsvoorstel Verbetering positie pleegouders van 7 juni 2011, het AO pleegzorg van 2 februari 2011 (kamerstuk 31 839, nr. 86), het debat over politieonderzoek naar kindermishandeling van 18 mei 2011 (Handelingen II, 2010/11, nr. 82, item 12, blz. 48–69) en de toezegging uit het verzamel AO van 13 juni jongstleden. Deze toezeggingen hebben betrekking op veilig opgroeien.

Veilig opgroeien in pleegzorg

De veiligheid van kinderen in pleeggezinnen staat de laatste jaren hoog op de agenda. Voor kinderen die tijdelijk of permanent niet meer thuis kunnen wonen, bijvoorbeeld omdat hun ouders niet in staat zijn hen een veilig thuis te bieden, moet een passende oplossing worden gevonden. Om kinderen bij uithuisplaatsing een zo normaal mogelijke thuissituatie te geven is pleegzorg een goed alternatief, omdat het kinderen op de schaal van een gezin persoonlijke aandacht kan bieden.

Ik vind een zo zorgvuldig mogelijke procedure van belang om te voorkomen dat ongeschikte personen pleegouder worden of blijven. Een belangrijk middel hierbij is de screening van potentiële pleegouders en huidige pleegouders. De afgelopen periode heb ik mij daarom beraden op mogelijke manieren waarop de screening van deze pleegouders verder verbeterd kan worden.

Ik wijs er op dat de verantwoordelijkheid voor de screening van pleegouders bij de pleegzorgaanbieders berust en dat sinds 2011 de screening- en selectieprocedure voor pleegouders is vastgelegd in het kwaliteitskader «Voorbereiding en screening aspirant pleegouders». Hierin is onder andere opgenomen dat de aspirant pleegouders en alle gezinsleden van 12 jaar en ouder door de Raad voor de Kinderbescherming gescreend worden in verband met de verplichte afgifte van een verklaring van geen bezwaar (VGB) over de aspirant pleegouders. In het kwaliteitskader zijn ook zes landelijke criteria opgenomen op basis waarvan de aspirant pleegouder wordt beoordeeld. Aspirant pleegouders worden op deze criteria getest gedurende de trainingen en gesprekken die deel uit maken van de selectieprocedure. Slechts indien zij deze selectie met succes doorlopen worden zij toegelaten als pleegouder en opgenomen in het pleegouderbestand. Eén van de criteria waarop getoetst wordt is veiligheid: zijn de pleegouders in staat het pleegkind een veilige leefomgeving te bieden? Om te kunnen beoordelen of pleegouders blijvend in staat zijn het pleegkind een veilige leefomgeving te bieden, voert de pleegzorgorganisatie jaarlijks een veiligheidscheck uit. Aan de hand van onder andere een vragenlijst worden de verschillende aspecten die te maken hebben met veiligheid binnen het pleeggezin, systematisch nagelopen.

Landelijk register pleegouders

Tijdens het debat over het wetsvoorstel Verbetering positie pleegouders van 7 juni 2011 (Handelingen II 2010/11, nr. 89, item 25, blz. 53–69) heeft de heer Dijsselbloem (PvdA) een amendement ingediend om te komen tot een landelijk register voor pleegouders. Op 9 juni 2011 heb ik uw Kamer per brief1 dit amendement, om te komen tot een landelijk register voor pleegouders, ontraden.

Ik heb onderzocht of een registratiesysteem, al dan niet in de vorm van een witte of zwarte lijst, een toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de huidige situatie. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is.

Het probleem van «shoppende pleegouders» is met het veld besproken. Uit deze verkenning, met onder andere de Raad voor de Kinderbescherming, de Inspectie Jeugdzorg, Jeugdzorg Nederland en de Nederlandse Vereniging van Pleegouders blijkt dat «shopgedrag» van ongeschikte pleegouders beperkt voorkomt. Jeugdzorg Nederland heeft te kennen gegeven dat het sporadisch voorkomt, maar dat de screeningsprocedure zoals deze nu is ingericht voldoende waarborgen biedt om deze personen eruit te filteren.

In het kader van screening wordt bij de afgifte van de VGB het hele justitiële verleden van een persoon gescreend: de Raad voor de Kinderbescherming raadpleegt het justitieel documentatie register van de aspirant pleegouder. Dit is een landelijk register. Daarbij wordt bekeken of de aspirant pleegouder verdacht of veroordeeld is geweest van een zeden- of geweldsdelict. Voorts bekijkt de Raad of er geen problematiek is geweest met opvoeding. Dit is dus een zwaar onderzoek, waarmee ongeschikte aspirant pleegouders worden geweerd. Een extra registratiesysteem in de pleegzorg, bijvoorbeeld in de vorm van een zwarte lijst biedt op basis van bovenstaande geen toegevoegde waarde.

Tijdens het debat met uw Kamer over buitenlands zorgaanbod op 13 juni jongstleden is gesproken over een register voor buitenlandse gastouders. Naar aanleiding daarvan wijs ik u op het volgende: De kwaliteit van de zorg op afstand moet voldoen aan de Nederlandse maatstaven en er moet toezicht worden gehouden. Vorig jaar hebben provincies, Jeugdzorg Nederland en de Inspectie Jeugdzorg kwaliteitsmaatstaven buitenlands zorgaanbod opgesteld. De inspectie heeft een toezichtsonderzoek verricht waaruit blijkt dat de zorgaanbieders zich hebben ingespannen om de kwaliteit van de zorg in het buitenland te verbeteren.

Verder heeft Jeugdzorg Nederland mij geïnformeerd dat het landelijk platform buitenlands zorgaanbod (waarin alle aanbieders van buitenlandse jeugdzorg zijn vertegenwoordigd) wordt gebruikt om informatie over de gastgezinnen waar zorgaanbieders gebruik van maken uit te wisselen.

Verkenning pleegouderverklaring

Ik heb ook bekeken of het toegevoegde waarde heeft een pleegouder een verklaring te laten tekenen dat hij in het verleden niets heeft gedaan dat het pleegouderschap in de weg kan staan. Het doel van zo’n verklaring zou enerzijds zijn om juridische maatregelen te kunnen nemen, mocht later naar boven komen dat de verklaring niet klopt, anderzijds kan het een drempel opwerpen, omdat de verklaring een moreel appèl op de ondertekenaar doet.

In de pleegzorg bestaat al het pleegzorgcontract. In het pleegzorgcontract tekent een pleegouder voor een aantal zaken, bijvoorbeeld dat hij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het kind zal respecteren en hij zich zal onthouden van seksueel getint contact met het kind. Voor zover een extra verklaring een moreel appèl op de pleegouder doet, geldt dit ook voor het pleegzorgcontract. Een dergelijke maatregel zou daarmee in de pleegzorg dan ook niets toevoegen en is bureaucratisch.

Verbeteren van het huidige systeem

Er moet voorkomen worden, zoals ik tijdens het debat richting de heer Dijsselbloem heb benadrukt, dat een pleegkind geplaatst wordt bij een persoon waarvan reeds geconstateerd is dat hij als pleegouder ongeschikt is. Om dit doel verder te realiseren heb ik ook in overleg met het veld bekeken op welke punten het huidige systeem verder verbeterd kan worden. Daar zijn enkele belangrijke mogelijkheden uit naar voren gekomen.

Verklaring van geen bezwaar (VGB)

Ik wil op korte termijn doorvoeren dat de communicatie versterkt wordt over het feit dat al eerder een verzoek om afgifte van een VGB is gedaan voor dezelfde aspirant pleegouders. Aspirant pleegouders moeten op dit moment toestemming verlenen om een onderzoek voor de VGB te laten uitvoeren door de Raad. Straks zal bij tekenen voor akkoord tevens gevraagd worden in te stemmen met het door de Raad verstrekken van informatie over eerdere verzoeken om een VGB. Het aanvraagformulier voor «machtiging inwinnen informatie door de Raad voor de Kinderbescherming» wordt op dit punt aangepast. Indien aspirant pleegouders bij een andere pleegzorgaanbieder actief zijn geweest of de selectieprocedure hebben doorlopen zonder positief resultaat, zal dit door het inwinnen van informatie aan het licht komen. Pleegzorgaanbieders wordt hiermee tevens een mogelijkheid geboden contact met elkaar op te nemen. Indien een aspirant pleegouder hier niet mee akkoord gaat is dit voor de pleegzorgaanbieder reden om af te zien van het aanvragen van een VGB voor de betrokkene(n) waardoor deze niet (opnieuw) pleegouder kan worden.

Bevordering aangifte

In geval van een incident dient de focus van een pleegzorgorganisatie te liggen bij de veiligheid van de aanwezige (pleeg)kind(eren). Daders mogen geen toegang meer verkrijgen tot de pleegzorg of andere jeugdsectoren. Vaker aangifte doen kan daar een belangrijke rol bij spelen, omdat bij het afgeven van de VGB door de Raad voor de Kinderbescherming het eigen (jeugdbeschermings)archief en de justitiële documentatie wordt geraadpleegd. Voor personen die veroordeeld zijn of bij wie een sepot heeft plaatsgevonden in verband met bijvoorbeeld seksueel misbruik of kindermishandeling zal derhalve geen VGB door de Raad worden afgegeven. Om het doen van aangifte te bevorderen, heb ik in dit kader Jeugdzorg Nederland opgeroepen om de branche op het hart te drukken vaker melding te doen bij vermoedens van seksueel misbruik en kindermishandeling. Op basis van mijn oproep heeft Jeugdzorg Nederland mij geïnformeerd over hun werkwijze. Iedere organisatie voor jeugd & opvoedhulp en ieder bureau jeugdzorg beschikt over een meldcode. Het hebben van een meldcode sluit goed aan bij het wetsvoorstel verplichte meldcode dat ik in november 2011 bij u heb ingediend in het kader van mijn aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Het wetsvoorstel houdt in dat professionals die beroepshalve te maken hebben met signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling verplicht worden om te werken met een meldcode. Onderdeel van de meldcode van een organisatie voor jeugd & opvoedhulp en van de bureaus jeugdzorg is het melden van misbruik bij inspectie en justitie. Ook hebben de bureaus jeugdzorg met de politie en Openbaar Ministerie een samenwerkingsprotocol ontwikkeld waarin een gezamenlijk werkproces is opgenomen waardoor er bij meldingen van kindermishandeling sneller informatie wordt uitgewisseld.

Met bovenstaande zijn stappen gezet om de veiligheid van kinderen in pleeggezinnen te verbeteren. Wij blijven echter zoeken naar mogelijkheden om de veiligheid van pleegkinderen verder te vergroten. Wanneer mij signalen bereiken over mogelijke knelpunten, bijvoorbeeld vanuit het veld, de commissie Samson of andere partijen, ga ik aan de slag om deze knelpunten zo snel mogelijk op te lossen. De commissie Samson doet onderzoek naar kinderen die onder verantwoordelijkheid van de overheid in instellingen en pleeggezinnen waren geplaatst in de periode van 1945–2010. De conclusies van de commissie zullen uiteraard in het beleid worden meegenomen.

Veiligheid borgen in de brede zorg voor jeugd

Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)

Uit de rondgang langs veldpartijen is gebleken dat ongewenst shopgedrag van pleegouders binnen de pleegzorg beperkt voorkomt. Het komt echter wel voor dat kwaadwillende personen shoppen tussen sectoren. Uit eerdere incidenten is gebleken dat ongeschikt geachte personen niet in dezelfde sector werkzaam blijven, maar bijvoorbeeld overstappen van de jeugdzorg naar het onderwijs, de kinderopvang of vrijwilligerswerk. In veel sectoren wordt de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) gebruikt bij de screening van medewerkers en professionals. Om shopgedrag tussen sectoren tegen te gaan is het van belang dat de VOG consequent wordt toegepast en wordt toegesneden op de risico’s van het werken in afhankelijkheidsrelaties. In dit verband is het kabinet onder meer gestart met het waar mogelijk betrekken van justitiële gegevens uit andere lidstaten bij de screening van werknemers met een niet-Nederlandse nationaliteit voor banen waar veel contact is met minderjarigen.

In het AO over pleegzorg van 2 februari 2011 heb ik uw Kamer toegezegd in te gaan op het verzoek van Jeugdzorg Nederland om te komen tot een aanscherping van het beleid rond de VOG voor de jeugdzorg.

Het Kabinet wil dit breder trekken dan de jeugdzorg. Ik ben dan ook in overleg met de minister van VenJ, die verantwoordelijk is voor de VOG, en met de ministers van SZW en OCW om te komen tot een eenduidig VOG voor alle sectoren waar professionals met kinderen werken.

4-ogen-principe in de jeugdzorg

In het debat over politieonderzoek naar kindermishandeling van 18 mei 2011 heb ik uw Kamer naar aanleiding van vragen van onder andere mevrouw van der Burg toegezegd u nader te informeren over het 4-ogen-principe in de jeugdzorg.

Het advies van de commissie Gunning2 om in de kinderopvang het 4-ogen-principe te hanteren, is door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overgenomen.

Het invoeren van het 4-ogen-principe in de jeugdzorg over de hele breedte blijkt praktisch niet mogelijk. Anders dan in de kinderopvang heeft de jeugdzorg een divers hulpaanbod en wordt de zorg geboden op veel verschillende locaties en oplopend tot 24-uurs zorg. Naast ambulante hulp thuis, is er jeugd- & opvoedhulp overdag (individueel of groepsgericht), op locatie (bijvoorbeeld in samenwerking met onderwijs, kinderopvang, vrouwenopvang), deeltijd of 24 uurverblijf in een pleeggezin of in een residentiële instelling en behandeling in gesloten setting. Zo is de begeleiding van leefgroepen in de rustige uren en ’s nachts bijvoorbeeld vaak beperkt. In gezinshuizen of de pleegzorg lijkt het 4-ogen-principe praktisch onmogelijk aangezien alleenstaanden ook pleegouder kunnen worden. Ook in de ambulante hulpverlening is veelal sprake van één-op-één contacten met het gezin. Het 4-ogen-principe past daarmee niet bij het karakter van de jeugdzorg. Dit geldt, gelet op de hulpvormen, ook voor grote delen van de (gezondheids)zorg.

Waar een controle middels het 4-ogen-principe niet mogelijk is, is het van belang de veiligheid op andere manieren te vergroten. De sector jeugdzorg is zeer actief op het terrein van het voorkomen van seksueel misbruik. Daarmee wordt het risico op ongewenst gedrag verkleind. Zo zijn recent de praktische richtlijnen «Voorkomen seksueel grensoverschrijdend gedrag voor de jeugdzorg» vastgesteld. Daarbij staat voorop dat juist in de jeugdzorg een veilig en professioneel klimaat wordt geboden. Ik ga er van uit dat deze richtlijnen door de sector breed zullen worden geïmplementeerd.

Elk kind heeft recht op veilig opgroeien in onze samenleving en daarom is het belangrijk dat er in de jeugdzorg extra mogelijkheden worden benut om alertheid op foute signalen te verhogen zodat misstanden voorkomen kunnen worden of in een vroeg stadium worden opgespoord.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M. L. L. E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner


X Noot
1

TK 2010–2011, 32 529, nr. 13.

X Noot
2

De onafhankelijke commissie Gunning werd direct nadat de zedenzaak in Amsterdam aan het licht was gekomen ingesteld door de burgemeester van Amsterdam, mr. Eberhard van der Laan, met als opdracht te onderzoeken hoe de zedenzaak kon plaatsvinden en welke lessen eruit kunnen worden.