Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2015-2016 | 31793 nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2015-2016 | 31793 nr. C |
Vastgesteld 30 augustus 2016
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken1 hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 15 juni 2016, waarin ingegaan wordt op vragen en opmerkingen over de appreciatie van het klimaatakkoord van Parijs en de benodigde vervolgstappen.
Naar aanleiding hiervan hebben zij de Staatssecretaris op 11 juli 2016 een brief gestuurd.
De staatsecretaris heeft op 25 augustus 2016 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, De Boer
Aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu
Den Haag, 11 juli 2016
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 15 juni 20162, waarin ingegaan wordt op vragen en opmerkingen over de appreciatie van het klimaatakkoord van Parijs (hierna: akkoord) en de benodigde vervolgstappen.
De leden van de D66-fractie danken u voor de antwoorden op de vragen naar aanleiding van de kabinetsappreciatie van het akkoord. Deze leden hebben naar aanleiding hiervan nog een aantal vragen. De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de antwoorden op hun vragen en opmerkingen en hebben naar aanleiding daarvan nog enkele nadere vragen. De PvdA-fractieleden hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 15 juni 2016 en hebben een aantal vragen naar aanleiding van recente berichtgeving. De fractieleden van GroenLinks danken u voor de beantwoording. Zij hebben nog een paar nadere vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
U geeft aan dat de regering mensen niet wil voorschrijven wat zij moeten eten. De leden van de D66-fractie benadrukken dat ook zij mensen niet willen voorschrijven wat ze moeten eten, en daar ook niet om hebben gevraagd. Zij wijzen erop dat uit gedragseconomisch onderzoek blijkt dat wat als standaard wordt aangeboden – wie zwijgt stemt toe – van grote invloed is op wat mensen kiezen. Dat betekent dat als niet-duurzaam voedsel de standaardkeus is, mensen door de keuzearchitectuur worden aangemoedigd niet-duurzaam te eten. Bent u bereid om – ook gezien het feit dat u heeft aangegeven in beleid meer rekening te willen houden met inzichten uit de gedragseconomie – in het beleid de effecten van keuzearchitectuur op niet-duurzaam gedrag mee te wegen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
India, binnen afzienbare tijd na China de grootste CO2-producent, heeft aangegeven het akkoord voorlopig niet te zullen ondertekenen. Welke consequenties heeft dat? Zijn er meer landen die hebben aangegeven (voorlopig) het akkoord niet te zullen ondertekenen?
Er is geen enkele versnelling in de zeespiegelstijging waarneembaar en tevens geeft u aan dat er meer extreem weer zou zijn. Waar baseert u dat op? Het aantal doden als gevolg van overstromingen, orkanen en extreem weer in het algemeen is sinds de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw significant afgenomen3 (ondanks een explosieve bevolkingsgroei) en ook bijvoorbeeld het aantal orkanen vertoont geen enkele stijging, noch de bijgaande grafiek van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)4 geeft de leden van de PVV-fractie aanleiding om te veronderstellen dat er apocalyptische veranderingen in het klimaat op stapel staan in Nederland.
U meldt het bestaan van drempelniveaus. Onder de drempel gebeurt er weinig, maar eenmaal boven de drempel zullen er allerlei ernstige gevolgen optreden. Kunt u specifiek aangeven op welke niveaus die drempels liggen en of deze gebaseerd zijn op wetenschappelijke onderzoek of slechts op aannames?
Zowel uw antwoorden op vragen over windmolens als over het klimaat worden via social media nog eerder verspreid door respectievelijk de windmolenlobby en de milieubeweging dan dat de PVV-fractieleden als leden van het parlement ze ontvangen. Daarnaast twitteren hoge ambtenaren van uw ministerie bijvoorbeeld met groot enthousiasme over de door Greenpeace benoemde tien voordelen van windenergie, waarvan er acht ver bezijden de waarheid zijn en één deels. Kunt u ons garanderen dat onze vragen niet door lobbyclubs en de groene industrie worden beantwoord dan wel ingefluisterd?
U meldt verdroging en weersextremen als negatieve effecten van klimaatverandering. Op basis van welke onbewerkte gegevens baseert u zich daarbij? Gebieden die met droogte kampen, bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, hebben een zeer lange geschiedenis van droogte en het aantal orkanen lijkt zelfs een dalende tendens te vertonen.
In uw brief van 24 maart 2016 aan de Kamer schrijft u: «Wat betreft de verankering van genderaspecten in klimaatbeleid legt het akkoord een goede basis. [...] Het tegengaan van genderongelijkheid bij de impact van klimaatverandering en het belang van een goede vertegenwoordiging van vrouwen bij het vinden en implementeren van oplossingen blijft bij Nederland hoog op de agenda staan.»5 Nu geeft u in de beantwoording van onze eerdere vragen onder andere aan dat dit betekent dat vrouwen op andere kooktoestellen moeten koken. Was dit als grap bedoeld?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie
Heeft u kennisgenomen van berichten in de Volkskrant van 30 juni jongstleden, dat bij fijnmazige doorrekening van de 160 nationale klimaatplannen de 2-gradengrens alsnog wordt overschreden6? Steunt u de analyse en conclusies van wetenschappers7 dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn? Zo ja, welke? Zo nee, wat is uw inhoudelijke beoordeling van deze publicatie?
Het akkoord voorziet dat vanaf 2020 wereldwijd per jaar 100 miljard Amerikaanse dollar aan financiering voor het klimaatbeleid beschikbaar gesteld moet worden. Kunt u aangeven welke bijdrage Nederland daaraan geacht wordt te leveren en valt in te schatten welk aandeel respectievelijk de publieke en private sector daarbij zullen hebben?
Welke visie heeft u op de wenselijkheid van toepassing van het principe «de vervuiler betaalt» als u enerzijds voorstander bent van toepassing van een stringente CO2-heffing, maar anderzijds toepassing bij schade niet acceptabel vindt? En wat bedoelt u überhaupt met de woorden «internationale mechanisme voor verlies en schade»8? Hoe verhoudt dit zich met het toepassingsbereik van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en de bestaande voorbeelden van toekenning bij overstromingen (zoals in 1998, 2003 en 2011)?
Heeft u inzicht in de omvang van de economische schade en maatschappelijke ontwrichting die het gevolg kan zijn van de nieuwe klimaatscenario's die het KNMI sinds vorig jaar hanteert? De hevige regenval en hagelschade (supercel) waarvan de afgelopen weken met name Zuidoost-Nederland last had, hebben naar verwachting 500 miljoen euro schade opgeleverd. Bent u bereid op basis van deze KNMI-voorspelling studie te laten verrichten naar de omvang en regelmatig voorkomen van deze schades die samenhangen met de versnelling in de klimaatontwikkeling? Bent u tevens bereid inzicht te (doen) verschaffen in de kosten-batenverhouding tussen schadebedragen, aansprakelijkheden en structurele maatregelen die maatschappelijke ontwrichting zowel in stedelijk als landelijk gebied kan beperken?
De leden van de PvdA-fractie kijken met interesse uit naar de beantwoording van de vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie
U geeft aan dat vanaf 2019 de marktstabiliteitsreserve (MSR) start. Vanaf 2019 komen er minder emissierechten in de markt als er sprake is van een overschot van meer dan 833 miljoen rechten. In dat geval worden rechten in de MSR gestald. Deze rechten komen terug in de markt als het overschot is gedaald tot minder dan 400 miljoen emissierechten. De GroenLinks-fractieleden hebben hier een paar vragen over.
Waarom worden pas emissierechten in de MSR gestald wanneer het overschot meer dan 833 miljoen rechten is? Bent u het met voornoemde leden eens dat, gezien de urgentie van het klimaatprobleem en de constatering dat het Parijspakket onvoldoende is om de opwarming van de aarde tot 2 graden Celsius te beperken, het voor de hand ligt om reeds bij een veel kleiner overschot emissierechten in de MSR te stallen? Zo nee, waarom niet? Waarom worden de emissierechten niet permanent verwijderd? Is dit niet hoe dan ook noodzakelijk om de opwarming binnen een veilige marge te houden? Wat is de betekenis van het akkoord om te streven naar een opwarming van maximaal 1,5 graad Celsius in het licht van dit enorme overschot aan emissierechten in het EU Emissions Trading System (EU ETS)? Is het niet onontkoombaar dat het enorme overschot aan emissierechten permanent uit de markt wordt gehaald? Zo nee, waarom niet?
U geeft aan dat het, gezien de positie van Nederland als voorzitter van de Raad van de EU, niet opportuun was om het initiatief te steunen van een aantal EU-landen om in het kader van de «facilitative dialogue» in 2018 het doel voor 2030 op te hogen als de omstandigheden daarom vragen. Zal Nederland nu het geen voorzitter meer is, dit initiatief wel actief ondersteunen?
De GroenLinks-fractieleden vroegen om een doorrekening van maatregelen die nodig zijn om de opwarming van de aarde tot maximaal 1,5 graad Celsius te beperken. U geeft in de beantwoording aan dat het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) een mondiale analyse van de effecten van +1,5 graad Celsius maakt. Komt er ook een doorrekening van maatregelen die nodig zijn om die 1,5 graad Celsius te realiseren?
Voorts vroegen de fractieleden van GroenLinks naar uw inzet voor maatregelen om de CO2-uitstoot in de luchtvaartsector aan te pakken. Graag nog een antwoord van u op dit punt.
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 19 augustus 2016.
De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, A.M.V. Gerkens
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 augustus 2016
Bijgevoegd treft u de beantwoording aan van de nadere vragen die uw Kamer heeft gesteld naar aanleiding van mijn antwoorden in het schriftelijk overleg met uw Kamer over de uitkomsten van de klimaatconferentie in Parijs (Kamerstuk 31 793, B).
Ik bied u deze beantwoording aan mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Staatssecretaris van Economische Zaken.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, Sharon A.M. Dijksma
De leden van de PVV-fractie vragen naar de onderbouwing van de versnelling van de zeespiegelstijging en het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden. Tevens vragen de leden van de PVV-fractie naar de gegevens die wijzen op verdroging en weersextremen. Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) heeft op basis van wetenschappelijke waarnemingen vastgesteld dat de zeespiegel sinds 1900 is gestegen en dat het zeer waarschijnlijk is dat deze trend zich bij alle emissiescenario’s die gebruikt zijn bij het laatste IPCC-rapport versneld zal doorzetten. Uit analyse van het IPCC blijkt bovendien dat er sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw onder andere meer hittegolven, minder koude nachten, en een toename van het aantal en de intensiteit van hevige regenbuien hebben plaatsgevonden. Dit zijn effecten die op mondiale schaal waarneembaar zijn, waarbij er significante regionale verschillen kunnen optreden. Dit geldt onder andere voor droogte en de intensiteit van tropische orkanen. Tegelijkertijd geeft het IPCC aan dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat droogtes langer en intenser zullen worden tegen het eind van de eeuw, en tropische orkanen in intensiteit zullen toenemen in bepaalde delen van de wereld, zoals nu al het geval is boven het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan.
De leden van de PvdA vragen naar mijn visie op de wenselijkheid van het principe «de vervuiler betaalt» als ik enerzijds voorstander ben van toepassing van een stringente CO2-heffing, maar anderzijds toepassing bij schade niet acceptabel vind. Voorts vragen de leden wat ik bedoel met de woorden «internationale mechanisme voor verlies en schade» en hoe zich dit verhoudt met het toepassingsbereik van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en de bestaande voorbeelden van toekenning bij overstromingen (zoals in 1998, 2003 en 2011). Er is wereldwijd een duidelijke erkenning onder zowel overheden als binnen het bedrijfsleven, dat een betekenisvolle en stabiele koolstofprijs, die wordt betaald door de onderneming die de CO2 uitstoot (de vervuiler), een noodzakelijk instrument is in de strijd tegen klimaatverandering. Niet alleen is een koolstofprijs essentieel voor het realiseren van de doelstelling van het Parijs akkoord, ook kan deze een belangrijke bijdrage leveren bij het ombuigen van investeringen en aanjagen van innovatie richting klimaatneutraliteit.
Tijdens de klimaatconferentie in Warschau (COP 19, 11–23 november 2013) is een proces ingericht om ontwikkelingslanden effectiever hulp te bieden in het omgaan met schade en verlies door klimaatverandering, onder de noemer van een «internationaal mechanisme voor verlies en schade». De rol van dit mechanisme is om te zorgen voor meer kennisverzameling en kennisdeling over schade; het aanbrengen van samenhang in de aanpak van verlies en schade; en het bevorderen van capaciteitsopbouw en technologische en financiële ondersteuning in ontwikkelingslanden voor voorkoming en aanpak van verlies en schade.
De Wet tegemoetkoming schade bij rampen is een Nederlandse wet die ook enkel op Nederland gericht is. Het internationale mechanisme voor verlies en schade richt zich juist op ontwikkelingslanden.
Tevens vraagt de PvdA-fractie mij of ik inzicht heb in de economische schade en maatschappelijke ontwrichting die het gevolg kan zijn van de nieuwe klimaatscenario’s die het KNMI sinds vorig jaar hanteert, en of ik bereid ben op basis hiervan studie te doen naar de omvang van de te verwachten schade en inzicht te verschaffen in de kosten-batenverhouding tussen schadebedragen, aansprakelijkheden en structurele maatregelen. De klimaatscenario’s van het KNMI brengen de mogelijke weersveranderingen als gevolg van klimaatverandering in kaart. Het Verbond van verzekeraars heeft op basis van de meest recente scenario’s in kaart gebracht wat de verwachte schade is in 2085 t.o.v. nu.9 In het rapport wordt geconcludeerd dat de schade in euro’s als gevolg van extreme regenval in 2085 met 5 tot 139% zal stijgen t.o.v. het gemiddelde van de periode 2001–2013, en dat ook de schade door hagelbuien sterk zal toenemen, aangezien het aantal extreme hagelbuien (nu jaarlijks oorzaak van € 15 miljoen aan schade in Nederland) zal verdubbelen in de warmste scenario’s. Er wordt geen extra schade verwacht als gevolg van het toegenomen aantal stormen.
Daarnaast heeft het PBL in samenhang met de klimaatscenario’s het rapport «Aanpassen aan klimaatverandering: kwetsbaarheden zien, kansen grijpen» gepubliceerd10. Hierin worden de risico’s en kansen van klimaatverandering in kaart gebracht. In dit rapport benadrukt het PBL dat de daadwerkelijk te verwachten schade van vele factoren afhangt, niet in de laatste plaats van internationale actie op het gebied van klimaatadaptatie en mitigatie. Daarom is er gekozen om niet de kosten, maar de risico’s in kaart te brengen. In de klimaateffectatlas11 zijn de risico’s van mogelijke klimaatverandering op lokaal niveau weergegeven voor heel Nederland.
Tot slot worden in het kader van de Nationale Adaptatiestrategie 2016 op basis van de nieuwste KNMI-klimaatscenario’s en recente kennis over klimaatimpacts door verschillende onderzoeksgroepen de risico’s en kansen van klimaatverandering in beeld gebracht en/of geactualiseerd voor zeven specifieke sectoren: Transport en Infrastructuur, Energiesystemen, ICT-netwerken, Natuur, Landbouw en Visserij. Naast deze risico’s en kansen wordt ook gekeken naar trends en (beleids)ontwikkelingen die van invloed zijn op de kwetsbaarheid van sectoren en welke aangrijpingspunten er zijn voor het ontwikkelen van beleid en het nemen van maatregelen.
De conclusies van deze onderzoeken worden verwerkt in de Nationale Adaptatiestrategie 2016. Deze strategie wordt opgesteld om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te beperken, inclusief de negatieve effecten van toegenomen extreem weer. Tot slot zijn binnen het Deltaprogramma in de deltabeslissing «Ruimtelijke adaptatie» voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. Belangrijk onderdeel van deze deltabeslissing is dat alle overheden samen de ambitie vastleggen dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. De overheden stellen hiervoor de Handreiking ruimtelijke adaptatie en een Stimuleringsprogramma beschikbaar. Het Rijk zorgt ervoor dat functies die van groot nationaal belang zijn of die heel kwetsbaar zijn uiterlijk in 2050 beter bestand zijn tegen overstromingen.
Met alle bovengenoemde onderzoeken en initiatieven is er naar mijn idee een goed overzicht van de mogelijke klimaatschade binnen Nederland als gevolg van de weersveranderingen zoals beschreven in de klimaatscenario’s van het KNMI. Op dit moment zijn er geen plannen om nieuw onderzoek op dit terrein uit te zetten.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie naar de wetenschappelijke onderbouwing van drempelniveaus. De precieze niveaus van klimaatverandering die gepaard gaan met de overschrijding van drempelniveaus zijn met onzekerheid omkleed en bovendien afhankelijk van de aard van de effecten. Desalniettemin geeft het IPCC aan dat kan worden vastgesteld dat het risico dat gepaard gaat met het overschrijden van meerdere van deze drempelniveaus toeneemt bij verdere temperatuurstijgingen. Nader onderzoek is nodig om beter te kunnen voorspellen waar deze drempelniveaus precies liggen.
De leden van de PVV-fractie geven aan dat India heeft gezegd het Parijs Akkoord voorlopig niet te zullen ondertekenen en vragen naar de consequenties hiervan. India heeft – tegelijk met 174 andere landen inclusief de Europese Unie en Nederland – op 22 april 2016 in New York het Akkoord ondertekend. Op 7 juni 2016 hebben de Verenigde Staten en India gezamenlijk verklaard te zullen proberen zo spoedig mogelijk het Parijs Akkoord te ratificeren.
Tevens vragen de leden van de PVV-fractie of er meer landen zijn die hebben aangegeven (voorlopig) het akkoord niet te zullen ondertekenen. De landen die nog niet getekend hebben, zijn Armenië, Chili, Ecuador, Irak, Kazachstan, Kirgizië, Malawi, Nicaragua, Nigeria, Niue, Moldavië, Saoedi-Arabië, Sierra Leone, Syrië, Togo, Turkmenistan, Oezbekistan, Jemen en Zambia.
De leden van de PvdA-fractie vragen of ik de analyse en conclusies van wetenschappers steun dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de 2-gradengrens wordt overschreden. Zoals reeds aangegeven in mijn brief van 15 juni 2016 is het duidelijk dat de gedane toezeggingen onvoldoende zijn om de beoogde beperking van de temperatuurstijging tot ruim beneden 2 graden te realiseren. Dit betekent dat mondiaal meer ambitie nodig is. Deze inzichten zijn niet nieuw. Daarom is in Parijs afgesproken dat elke vijf jaar – voor het eerst in 2018 – door alle partijen samen wordt beoordeeld in hoeverre hun klimaatplannen de beoogde beperking van de temperatuurstijging tot ruim beneden de 2 graden dichterbij brengen en welke verhoging van ambitie nodig is. Op basis van die informatie moeten landen dan in 2020 en elke vijf jaar daarna laten weten of ze hun ambitie verhogen. Hiervoor zijn uiteenlopende maatregelen denkbaar; het is echter aan landen zelf om hun klimaatbeleid vorm te geven.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen of ik het initiatief van een aantal EU-landen zal steunen om in het kader van de «facilitative dialogue» in 2018 het doel voor 2030 op te hogen als de omstandigheden daarom vragen. Deze leden vragen of er een doorrekening komt van maatregelen die nodig zijn om de temperatuurstijging tot 1,5 graad Celcius te beperken. Tevens vragen de leden van de GroenLinks-fractie of het niet noodzakelijk is de marktstabiliteitsreserve aan te scherpen. Zoals reeds gemeld in mijn brief van 15 juni 2016 voert het IPCC een analyse uit over de effecten van 1,5 graad opwarming en de daaraan gerelateerde mondiale emissiepaden. Dit rapport zal dienen als input voor de «faciliterende dialoog» die in 2018 zal plaatsvinden tussen partijen (waaronder de EU) over de klimaatbijdragen. Die dialoog zal het startpunt vormen voor partijen om (opnieuw) naar de eigen inzet te kijken en uiterlijk in 2020 te laten weten of ze hun ambitie verhogen. De Europese Commissie zal actief bijdragen aan het onderliggende wetenschappelijke werk en bovendien een analyse maken van de economische en sociale transformaties die nodig zijn, ter voorbereiding op het formuleren van een langetermijnstrategie voor een koolstofarme ontwikkeling, die ook uiterlijk in 2020 moet worden ingediend.
Bij een eventuele herziening van de EU-klimaatbijdrage kan ingezet worden op verdere verlaging van het ETS-plafond en daarmee aanscherping van het jaarlijkse reductiepercentage van rechten onder het ETS. Nederland zet zich er bij de nu lopende herziening van de ETS-richtlijn voor in dat de Europese instellingen deze mogelijkheid te zijner tijd hebben.
Om het surplus aan emissierechten op de markt te beperken, heeft de EU besloten om vanaf 2019 de marktstabiliteitsreserve in te voeren. Er is voor de bovengrens van 833 miljoen emissierechten gekozen zodat er voldoende emissierechten op de markt beschikbaar blijven om elektriciteitsbedrijven hun toekomstige emissies te laten afdekken. Het verlagen van de bovengrens van de marktstabiliteitsreserve is een mogelijkheid om meer emissierechten in de reserve op te vangen, maar staat los van het reductiedoel in het ETS. Voor het definitief uit de markt halen van emissierechten, wat een aanscherping van het reductiedoel van het EU ETS zou betekenen, is op dit moment onvoldoende draagvlak in de EU. Het definitief uit de markt halen van emissierechten en het aanscherpen van de marktstabiliteitsreserve, zoals genoemd door de leden van de GroenLinks-fractie, zijn wel goede opties voor de verdere verbetering van het ETS zoals het kabinet die voor de toekomst wenselijk acht.
De fractie van de PvdA vraagt welke bijdrage Nederland geacht wordt te leveren aan de 100 miljard Amerikaanse dollar per jaar aan klimaatfinanciering die beschikbaar gesteld moet worden en naar de verdeling hiervan over de publieke en private sector. De toezegging van ontwikkelde landen om vanaf 2020 jaarlijks USD 100 miljard te mobiliseren voor klimaatprojecten in ontwikkelingslanden is een collectieve verplichting. Deze is niet uitgesplitst naar individuele landen. Ook de samenstelling van deze financiering is in de onderhandelingen niet vastgelegd en kan bestaan uit zowel publieke als private bronnen. Nederland streeft naar een substantiële bijdrage van private bronnen. Het streven is om in 2017 met € 300 miljoen ongeveer de helft van de door Nederland gemobiliseerde financiering privaat te laten zijn. Publiek beoogt Nederland € 360 miljoen te kunnen rapporteren aan de Verenigde Naties. Dit is in lijn met het groeipad in het rapport van de Algemene Rekenkamer, waarin aan het begin van deze regeerperiode op verzoek van de Kamer het Nederlandse «fair share» in de internationale klimaatfinanciering werd becijferd.12
De leden van de PVV-fractie vragen naar het belang van andere kooktoestellen in relatie tot klimaatbeleid. Ongeveer 3 miljard mensen in ontwikkelingslanden koken nog op open houtvuren of inefficiënte kooktoestellen voor houtskool en paraffine. Dit draagt bij aan de uitstoot van zowel substantiële hoeveelheden CO2 en methaan, als aan andere gassen die klimaatverandering veroorzaken. Tevens leidt de luchtvervuiling die hiermee gepaard gaat tot naar schatting 4,3 miljoen doden per jaar.13 Met name vrouwen en kinderen worden hierdoor geraakt. Ook worden vrouwen bij het sprokkelen van brandhout soms blootgesteld aan onveilige situaties met onder andere een verhoogd risico op seksueel geweld als gevolg. Vrouwen zijn een belangrijke spil in het ontwerp, vermarkting en promotie van milieuvriendelijke manieren van koken. Een sterkere rol van vrouwen in dit gehele proces draagt bij aan zowel armoedebestrijding, als aan economische ontwikkeling en het tegengaan van klimaatverandering.
Leden van de fractie van D66 vragen naar de bereidheid om de effecten van keuzearchitectuur op niet-duurzaam gedrag mee te wegen in het beleid. Binnen het Ministerie van Economische Zaken wordt momenteel in een aantal projecten onderzocht hoe inzichten uit de gedragseconomie en psychologie toegepast kunnen worden op concrete beleidsterreinen. Eén van deze projecten heeft betrekking op een aspect van duurzaamheid van voedsel, namelijk het verminderen van voedselverspilling. In pilots in verschillende horecasettings wordt momenteel onderzocht in hoeverre gedragsinzichten kunnen helpen bij het reduceren van voedselverspilling. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het aanpassen van de standaardkeuze met betrekking tot het aantal bijgerechten in een restaurantsetting, en om de keuze-architectuur en omgevingsinvloeden bij ontbijtbuffetten in hotels. Dit project loopt nog.
Daarnaast heeft het Ministerie van Economische Zaken Wageningen UR, Schuttelaar & Partners en HAS Kennistransfer laten onderzoeken hoe keuzearchitectuur de keuze voor gezonde en duurzame voedselproducten beïnvloedt. Daaruit bleek bijvoorbeeld dat wanneer duurzame producten midden in het supermarktschap liggen deze vaker gekozen worden, en dat wanneer een vegetarische maaltijd in een kantine de standaardoptie is deze vaker wordt besteld.
Keuze architectuur biedt zeker mogelijkheden voor beleid om de keuze voor duurzaam voedsel te stimuleren. Dat is vooral relevant in relatie tot de horeca, de catering en de retail. Hierbij spelen verschillende aspecten een rol, zoals ethiek, de vraag rond effectiviteit in verschillende contexten en de definitie van een duurzame keuze.
Op grond van bovenstaande is de Staatssecretaris van Economische Zaken voornemens om dit onderwerp in zijn eerstvolgende overleg met de Alliantie Verduurzaming Voedsel aan de orde te stellen.
Leden van GroenLinks vragen naar mijn inzet voor maatregelen om de CO2-uitstoot in de luchtvaartsector aan te pakken. De luchtvaart zet in op diverse maatregelen, waarbij verwezen wordt naar de zogeheten «basket of measures». Het gaat daarbij om technologische, operationele en infrastructurele maatregelen, om de toepassing van duurzame kerosine en de invoering van een mondiaal CO2-reductiesysteem. Wat betreft maatregelen op technologisch gebied is onlangs een CO2-standaard vastgesteld voor zowel nieuwe als bestaande vliegtuigen. Dit najaar zal in de assemblee van de internationale burgerluchtvaartorganisatie ICAO worden besloten over een mondiaal CO2-reductiesysteem. Ook worden veel inspanningen geleverd in het ontwikkelen van duurzame brandstof.
In het licht van de discussies die een aantal jaren geleden zijn gevoerd over de opname van de luchtvaart in het Europese ETS is destijds besloten dat Nederland zich zou inzetten voor mondiale maatregelen om CO2-emissies in de luchtvaart te reduceren. Op basis hiervan is Nederland, zowel bij de ontwikkeling van de CO2-standaard in de afgelopen jaren als bij de recente onderhandelingen daarover, direct betrokken geweest. Ook heeft Nederland vanaf het begin deelgenomen aan de ontwikkeling van een mondiaal CO2-reductiesysteem, nadat hiertoe in de ICAO Assemblee van 2013 was besloten.
Ter voorbereiding op een positief resultaat begin oktober in de assemblee is door ICAO een zogeheten High Level Group opgericht bestaande uit directeuren-generaal uit diverse landen. Nederland neemt samen met het Verenigd Koninkrijk en Zweden namens Europa deel aan deze High Level Group. De verwachtingen zijn positief. Grote luchtvaartlanden hebben reeds aangegeven waarde te hechten aan een positief besluit in de assemblee dit najaar.
De fractie van de PVV vraagt in hoeverre ik vragen van uw Kamer laat beantwoorden door lobbyclubs en de groene industrie. Dit is niet het geval.
Samenstelling:
Ten Hoeve (OSF), Huijbregts-Schiedon (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Schaap (VVD), Flierman (CDA), Ester (CU), Postema (PvdA), Van Strien (PVV), Vos (GL), Kok (PVV) (vice-voorzitter), Gerkens (SP) (voorzitter), Van Apeldoorn (SP), Atsma (CDA), Dercksen (PVV), Van Kesteren (CDA), Krikke (VVD), Meijer (SP), Pijlman (D66), Prast (D66), Van Rij (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Schalk (SGP), Schnabel (D66), Verheijen (PvdA), Vreeman (PvdA), Klip-Martin (VVD).
I.M. Goklany, «Deaths and Death Rates from Extreme Weather Events: 1900–2008», Journal of American Physicians end Surgeons 2009, vol. 14 (4), p. 103–104. Het artikel is te vinden op: http://www.jpands.org/vol14no4/goklany.pdf.
J. Rogelj e.a., «Paris Agreement climate proposals need a boost to keep warming well below 2 °C», Nature 2016, Vol.534(7609), p. 631.
http://www.pbl.nl/sites/default/files/cms/publicaties/Aanpassen_aan_klimaatverandering_WEB_2.pdf.
Zie ook Kamerstuk 31 793, nr. 158 over Meerjarenbegroting klimaatfinanciering en Kamerstuk 33 400 V, nr. 17 – brief Algemene Rekenkamer «Onderzoek «budgettaire gevolgen van de beleidsvoornemens over internationaal klimaatbeleid en internationale veiligheid voor ontwikkelingssamenwerking»».
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31793-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.