Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201531757 nr. 54

31 757 Stedenbeleid vanaf 2010

Nr. 54 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU EN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 september 2014

Stedelijke regio’s zijn in toenemende mate de economische motor van Nederland. Die economische motor wordt voortgestuwd door technologische en sociale innovatie, die steeds meer door maatschappelijke initiatieven tot stand komt. Overheden staan voor de opgave om hun bestuurstijl en -praktijk hier op af te stemmen. Ook nemen de financieringsmogelijkheden voor de fysieke leefomgeving af, wat vraagt om een andere wijze van stedelijke ontwikkeling en beheer. De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur heeft deze ontwikkelingen duidelijk verwoord in twee onlangs uitgebrachte adviezen: «De toekomst van de stad» en «Kwaliteit zonder groei».

Ook andere recent uitgebrachte adviezen zoals de «National Territorial Review for the Netherlands» van de OESO en het WRR rapport «Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland» geven aan dat aandacht voor het concurrerend vermogen van stedelijke regio’s nodig is, en dat bestuurlijke samenwerking, stedelijke innovatie en nieuwe financieringsvormen noodzakelijk zijn om de positie van Nederland als aantrekkelijk en concurrerend land te bestendigen.

Het is om die reden dat het kabinet zich richt op verdere versterking van de stedelijke regio’s als motoren voor economie en innovatie en – in een breder perspectief – duurzame ontwikkeling. Zoals in de Miljoenennota (Kamerstuk 34 000, nr. 1) is aangegeven zal daartoe in 2015 een Agenda Stad worden gepresenteerd met maatregelen om de groei, leefbaarheid en innovatie in de Nederlandse steden te versterken. Ook draagt Nederland actief bij aan de ontwikkeling van een Europese Urban Agenda, die moet leiden tot meer aandacht voor stedelijke innovatie op de Europese beleidsagenda.

In deze brief bieden wij u, mede namens de Minister van Economische Zaken en de Minister voor Wonen en Rijksdienst, de gecombineerde kabinetsreactie op de beide Rli-adviezen aan. In het eerste deel wordt een kabinetsvisie op de door de Rli gesignaleerde opgaven rond stad, fysieke leefomgeving en bestuur gegeven. Vervolgens wordt ingegaan op de aanbevelingen van de raad en de opvattingen van het kabinet hierover. Het kabinet beschouwt de adviezen vooral als een steun in de rug voor het kabinetsbeleid.

Kabinetsvisie op de opgaven rond stad, bestuur en fysieke leefomgeving

Stimuleren van steden als motoren van economie en innovatie

Stedelijke regio’s zijn als knooppunten van verbindingen, ontmoetingsplaatsen van mensen en vestigingsgebieden van bedrijven en kennisinstellingen in toenemende mate de dragers voor economische groei en maatschappelijke ontwikkeling. Door interacties tussen mensen werken steden als katalysator en kristallisatiepunt voor innovaties op cultureel, maatschappelijk, sociaal en economisch gebied. De snelle technologische ontwikkeling en de verdienstelijking van onze economie maken dat deze functie van steden steeds belangrijker wordt voor onze welvaartsgroei. En

tegelijkertijd zijn de steden met hun concentratie van mensen, activiteiten en innovatie ook een belangrijke pijler voor de duurzame ontwikkeling van ons land.

In Nederland doen de stedelijke regio’s het goed. De bevolking trekt in toenemende mate naar de stad, gedreven door de economische groei en de innovatie die daar plaats vindt. Productieprocessen splitsen zich op in mondiale waardeketens waarvan de schakels zich gemakkelijk laten verplaatsen. De kwaliteiten van vestigingslocaties worden een steeds belangrijkere factor in een wereld met een toenemende internationale concurrentie. Juist de stedelijke regio’s bieden vestigingsmogelijkheden die aantrekkelijk kunnen zijn voor bedrijven en kenniswerkers.

De Nederlandse steden zijn relatief klein. Enerzijds concurreren ze met grotere metropolen in Europa en daarbuiten die door hun massa en concentratie van

talent een betere uitgangspositie hebben. Anderzijds biedt de polycentrische stedelijke structuur van Nederland ook ruimtelijk-economische voordelen en kunnen de stedelijke regio’s elkaar ook versterken. De productiviteitsgroei van de Nederlandse steden blijft daarbij achter ten opzichte van andere Europese steden, zo wordt aangegeven in het OESO-rapport «National Territorial Review for the Netherlands». Het is dan ook belangrijk om de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de stedelijke regio’s in samenhang te bezien en de meerwaarde die de stedelijke regio’s voor elkaars ontwikkeling kunnen hebben, goed te benutten.

Daarnaast ligt er een opgave in het verder versterken van de regionale innovatie en de kenniscirculatie zoals ook de WRR stelt in haar rapport «Naar een lerende economie; investeren in het verdienvermogen van Nederland». Door samenwerking en uitwisseling van ideeën te bevorderen tussen ondernemers en kenniswerkers kunnen stedelijke regio’s nieuw economisch potentieel aanboren. Op deze manier heeft bijvoorbeeld de regio Eindhoven op de fundamenten van de «oude industrie» een innovatieve regio kunnen bouwen die op Europese en mondiale schaal concurrerend is. Verdere vorming van dergelijke netwerken in de stedelijke regio’s is van groot belang voor de innovatiekracht van Nederland.

Ook andere maatschappelijke opgaven manifesteren zich nadrukkelijk op het niveau van de stedelijke regio, zoals de energietransitie, de circulaire economie, de gezonde stad en een klimaatbestendige en waterrobuuste verstedelijking en een toegankelijke woningmarkt. Veel van deze opgaven leiden tot maatschappelijke initiatieven en stimuleren de ontwikkeling van innovatieve producten en diensten waar de stedelijke regio een goed platform voor is. Tegelijkertijd biedt het oppakken van deze opgaven de stedelijke regio’s de kans om zich internationaal te onderscheiden en daarmee te werken aan de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats.

Het kabinet wil zich inzetten voor de verdere ontwikkeling van de stedelijke regio’s als aantrekkelijke vestigingsplaats voor burgers en bedrijven. Het kabinet zoekt hiertoe nadrukkelijk de samenwerking met de decentrale overheden en het bedrijfsleven, onder meer in een gezamenlijke en samenhangende aanpak van de ruimtelijke, economische, mobiliteits- en omgevingskwaliteits-vraagstukken in de stedelijke regio’s. Voorbeelden hiervan zijn de nieuwe brede MIRT onderzoeken voor bereikbaarheid die in 2014 worden gestart, en het Deltaprogramma (Bijlage bij Kamerstuk 34 000 J, nr. 4).

Samenwerkend bestuur met ruimte voor maatschappelijk initiatief

Het kabinet ziet een bestuurlijke opgave rond de ontwikkeling van steden. Enerzijds neemt de schaalgrootte van economische en maatschappelijke processen en de daarop gericht publieke besluitvorming toe en anderzijds is er een toenemende behoefte aan maatwerk en interactie bij besluiten die burgers direct raken. Die spanning stelt hoge eisen aan de vaardigheden van het bestuur. Het is een van de vraagstukken die aan de orde komt in de door het kabinet ingestelde studiegroep openbaar bestuur. Deze studiegroep onderzoekt hoe de bestuurlijke ordening beter kan aansluiten bij de maatschappelijke en economische ontwikkelingen.

Steden worden geconfronteerd met sterkere internationale concurrentie, met de noodzaak voor afstemming tussen stedelijke regio’s, en, niet in de laatste plaats, en met de noodzaak voor afstemming in de stedelijke regio. Dit vraagt om samenwerking met andere besturen op uiteenlopende schaalniveaus.

De bestuurlijke hoofdstructuur van Rijk, provincies en gemeenten met daarbinnen een maximale democratische legitimatie vormt in de optiek van het kabinet het uitgangspunt voor de organisatie van het openbaar bestuur in Nederland. Daarbij erkent het kabinet dat samenwerking noodzakelijk is voor een effectieve aanpak van de inhoudelijke opgaven.

Een andere belangrijke trend is de komst van de mondige burger en de netwerksamenleving als gevolg van onder andere een toenemend opleidingsniveau en de ontwikkeling van digitale netwerken. Dit vraagt om meer ruimte voor maatschappelijke initiatieven van burgers zoals de oprichting van een duurzame energiecoöperatie, de gezamenlijke exploitatie van een school in een krimpgebied of het gezamenlijk beheer en onderhoud van het wijkpark. Het kabinet verwelkomt deze ontwikkeling en meent dat daar een nieuwe bestuursstijl bij hoort waarin de overheid open en uitnodigend handelt naar initiatiefnemers uit de samenleving.

Het is voor de overheden, nationaal en vooral ook decentraal, nog een zoektocht hoe zij hier enerzijds bij kunnen aansluiten en anderzijds ook de juiste kaders kunnen bieden voor maatschappelijk initiatief. Immers, niet ieder initiatief is gewenst en niet elke locatie geschikt. Keuzes maken waar activiteiten plaats kunnen vinden, vaststellen van een aantal heldere doelen en binnen die doelen maatschappelijke partijen zoveel mogelijk ruimte laten is het nieuwe perspectief. Omarming van het opendataconcept is een goede manier om in de samenleving nieuwe initiatieven uit te lokken. Niet alle burgers en niet alle wijken zullen voldoende zelforganiserend vermogen hebben. Extra inzet door de overheid zal daar dan nodig zijn. Voor sommige opgaven zijn verschillende partijen op elkaar aangewezen, zonder dat er één een vanzelfsprekende trekkersrol heeft. Een uitnodigende overheid die de juiste partijen bij elkaar brengt en samen met die partijen een koers uitstippelt, kan hier een katalyserende werking hebben. Het benutten van de mogelijkheden voor sociaal ondernemerschap maakt hier onderdeel van uit.

Een concurrerende en aantrekkelijke stad zal zijn zelforganiserend vermogen zo veel mogelijk moeten benutten. Dat kan efficiënt maatwerk opleveren dat aansluit op de wensen van burgers en ondernemers.

Groeionafhankelijke zorg leefomgeving

De kwaliteit van de fysieke leefomgeving is hoog in Nederland. De overheden hebben de voorbije decennia veel geïnvesteerd in hoogwaardige publieke ruimte, een schone en gezonde leefomgeving, infrastructuur, voorzieningen en stedelijke vernieuwing. Deze hoge kwaliteit draagt bij aan de aantrekkelijkheid en daarmee het vestigingsklimaat van stad en regio en is een daarmee ook een voorwaarde voor de verdere ruimtelijk-economische ontwikkeling.

Een belangrijk deel van deze investeringen op gemeentelijk niveau was mogelijk door de inkomsten uit de grondexploitatie. Deze inkomsten werden gedreven door de grote uitbreidingsvraag van de afgelopen decennia in combinatie met de stijgende prijzen van vastgoed, met name die van woningen. Daarmee is een systeem ontstaan dat afhankelijk is geworden van groei. De crisis heeft duidelijk gemaakt dat dit geen solide financiële basis is. En daarbij verandert en vermindert de vraag naar vastgoed structureel door een aantal ontwikkelingen zoals de opkomst van webwinkels en van flexibel en locatieonafhankelijk werken voor het bedrijfsvastgoed en de veranderde woonvoorkeuren en demografische ontwikkelingen voor wat betreft de woningen.

Teruglopende publieke middelen, omdat ook andere financieringsbronnen voor de fysieke taken minder worden, stellen de overheden voor de opgave om andere vormen van beheer en financiering te vinden voor het op peil houden van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Combinaties van functies en slimme constructies met een grotere rol voor private partijen kunnen helpen om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving op peil te houden, zonder dat dit een zwaar beroep doet op publieke middelen. Daarnaast dienen bij de ontwikkeling van nieuwe plannen de consequenties voor het bestaande vastgoed goed in ogenschouw te worden genomen in verband met de financiële consequenties die daaraan kunnen zijn verbonden voor de gemeenten. Een vastgoedreserve op maat en een goede balans op de vastgoedmarkten zijn belangrijke factoren voor een duurzame en financieel houdbare stedelijke ontwikkeling. Een te grote afhankelijkheid van een wisselende economische groei zoals deze tot nu toe bestond door de invloed van grondexploitaties op investeringen in het fysieke domein, moet worden vermeden. Ook in perioden zonder economische groei zullen gemeenten uitvoering moeten geven aan hun taken op het gebied van de fysieke leefomgeving.

Kabinetsreactie op aanbevelingen Rli

De raad doet in de twee rapporten een aantal waardevolle aanbevelingen om de steden verder te ontwikkelen als motoren voor de economie, het bestuur en de bestuurscultuur te vernieuwen en de decentrale zorg voor de fysieke leefomgeving onafhankelijk te maken van de groei. Zo roept de raad op om meer aandacht te geven aan de samenhang in de ruimtelijk economische ontwikkeling van de stedelijke regio’s in Nederland om het verdienvermogen te vergroten en de stedelijke regio’s concurrerender te maken. Ook vraagt de raad de aandacht voor de ontwikkeling tot een op samenwerking gericht decentraal bestuur, dat de kracht in de samenleving voor zelforganisatie benut. Een krachtig bestuur dat aanzet tot heldere keuzes met betrekking tot de gewenste omgevingskwaliteit en aanvaardbare risico’s en in staat is zijn taken duurzaam uit te voeren ook in periode zonder groei. Tot slot roept de raad op om vanwege de grote ruimtelijke en financiële belangen de bestaande gebouwen en ruimten in de steden goed te benutten, de ontwikkeling van nieuw vastgoedaanbod in het samenspel van overheden en private partijen beter af te stemmen op de vraag en het waardebehoud van vastgoed tijdens de gehele levenscyclus te bevorderen. Hieronder zet het kabinet uiteen wat met de voornaamste aanbevelingen zal worden gedaan.

A. Samenhang in de ruimtelijk-economische ontwikkeling

Verbindingen tussen steden

De raad adviseert om te werken aan betere verbindingen, zowel fysiek als bestuurlijk, tussen de steden. De Nederlandse stedelijke regio’s zijn op relatief korte afstand van elkaar gelegen en ook goed verbonden. Het kabinet hecht veel belang aan het behoud en de verdere ontwikkeling van goede infrastructuurverbindingen tussen de stedelijke regio’s, zoals ook aangegeven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Kamerstuk 32 660, nr. 50) en pleegt op dit punt ook een grote inzet door uitvoering van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) tot en met 2028. Economisch en maatschappelijk is er al een wisselwerking tussen de regio’s, maar betere verbindingen, zowel fysiek als bestuurlijk, kunnen bijdragen aan het beter benutten van de economische mogelijkheden van de stedelijke regio’s in Nederland. Als een eerste stap is het kabinet met andere overheden het programma Ruimtelijk-economische ontwikkelingsstrategie (REOS) gestart gericht op een samenhangende ontwikkeling van de regio’s Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven. Daarnaast richt het Rijk zich in de gebiedsgerichte uitwerkingen (bijvoorbeeld RRAAM) en MIRT-gebiedsagenda’s voor alle regio’s niet enkel op de specifieke ontwikkelingsmogelijkheden van de betreffende regio en de ontwikkeling van de topsectoren, maar worden deze mede bezien in het licht van de meerwaarde die samenwerking en afstemming met andere regio’s kan bieden.

Concurrentie versus samenwerking

De toenemende internationale concurrentie vraagt zoals de raad terecht benoemt, om meer samenwerking tussen de stedelijke regio’s. Maar naast samenwerkingsmogelijkheden zitten er ook concurrentie elementen in de relatie tussen de stedelijke regio’s, die ook hun waarde hebben. De samenwerkingselementen en de concurrentie-elementen in de verhouding tussen de stedelijke regio’s moeten beide worden bezien om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden voor een verdergaande samenwerking tussen de stedelijke regio’s.

Efficiënt beheer en Smart Cities

Daarnaast geeft de raad aan dat een goede inrichting en efficiënt beheer van de stedelijke regio belangrijke voorwaarden zijn voor een goede en concurrerende stedelijke ontwikkeling. Ontwikkelingen in ICT en de toepassing van open data bieden gemeenten nieuwe mogelijkheden om te komen tot slimme en efficiënte steden («smart cities») waar burgers en bedrijven zich graag vestigen en die maximaal bijdragen aan een duurzame ontwikkeling. De rijksoverheid draagt dan ook bij aan de ontwikkeling op dit gebied door de kennisontwikkeling te ondersteunen, onder andere binnen de Topsectorenaanpak, in aansluiting op het EU Horizon2020 programma, door het organiseren van de innovatie estafette en het sluiten van «Green Deals».

B. Krachtig en uitnodigend bestuur

Vernieuwen bestuursstijl

Zowel de decentrale overheden als de rijksoverheid zijn actief in het vernieuwen van de bestuursstijl. Dit krijgt onder andere een impuls met de visie en het actieplan Open overheid (Kamerstuk 32 802, nr. 5) zoals die in september 2013 door het Kabinet zijn bekrachtigd. Met het actieplan Open overheid wordt meer transparantie bevorderd en ook worden processen van de overheid open gesteld voor bedrijven, maatschappelijke organisaties en individuele burgers.

Het kabinet onderschrijft de opvattingen van de raad dat de kracht van de zelforganisatie van de samenleving benut moet worden. Daarvoor zijn heldere kaders gewenst die recht doen aan de maatschappelijke dynamiek. Het kabinet zet in op vereenvoudiging en beperking van de regelgeving en vermindering van de administratieve lasten zowel op nationaal niveau als op Europees niveau. Daarbij is er bijzondere aandacht voor de (on)mogelijkheden van kleinere bedrijven en organisaties en medeoverheden. Er zijn op dit gebied al veel verbeteringen gerealiseerd en er zijn op gemeentelijk niveau al veel openingen voor eigen initiatieven, bijvoorbeeld waar het gaat om maatschappelijke aanbesteding. Nieuwe maatschappelijke initiatieven zullen verder worden gestimuleerd door het right to challenge op te nemen in de nieuwe Wet op de maatschappelijke ondersteuning en te verkennen hoe dit verder ontwikkeld kan worden, bijvoorbeeld in samenwerking met de gemeente Amsterdam. Maatwerk is belangrijk om te bepalen waar sturing gegeven moet worden en waar ruimte geboden kan worden.

Regionale samenwerking

De raad vraagt terecht de aandacht voor een goede governance in de stedelijke regio’s. Het kabinet stimuleert met het oog hierop de verdere uitbouw van de regionale samenwerking tussen verschillende overheden en met bedrijven en maatschappelijke organisaties. Dit krijgt al vorm in onder meer de regio’s Rotterdam/Haaglanden, Zwolle/Kampen en Eindhoven. In de stedelijke regio’s hebben zowel gemeenten als provincies taken en verantwoordelijkheden op ruimtelijk-economisch terrein. Daarbij is in de praktijk zichtbaar dat dit een zekere spanning met zich meebrengt. Dit vraagt om duidelijke afspraken over ieders inzet voor de ruimtelijk economische ontwikkeling van het gebied. De bestuurlijke wil en ambitie van alle betrokken overheden om samen te werken is van groot belang. Daarom ondersteunt en bevordert het kabinet een op samenwerking gerichte bestuursstijl. De studiegroep openbaar bestuur onderzoekt hoe de bestuurlijke ordening beter kan aansluiten bij de maatschappelijke en economische ontwikkelingen, ook op regionaal schaalniveau.

Financiële arrangementen in stedelijke regio’s

Het kabinet onderschrijft ook de constatering van de raad dat financiële arrangementen de samenwerking tussen de gemeenten in de regio aanzienlijk kunnen versterken. Tegelijk constateert het dat maar in enkele regio’s voldoende draagvlak bij gemeenten kan worden gevonden om tot een gezamenlijk fonds of tot een constructie voor financiële verevening van de opbrengsten van ruimtelijke ontwikkelingen te komen. Het kabinet hoopt dat ook in andere regio’s de gemeenten deze voorbeelden zullen volgen.

Ook ziet het kabinet geen basis om zelf financieel bij te dragen aan regiofondsen, aangezien de regionale ontwikkeling primair een decentrale verantwoordelijkheid is, waarbij de provincie een coördinerende rol heeft. Het Rijk draagt door zijn deelname aan de regionale ontwikkelingsmaatschappijen en zijn inzet op aangrenzende beleidsterreinen, bijvoorbeeld bereikbaarheid, al substantieel bij aan de ruimtelijk economische ontwikkeling van de regio’s.

Inzet kwaliteit leefomgeving op basis van transparante keuzes

Binnen de rijkskaders maken decentrale overheden hun eigen keuzes met betrekking tot de kwaliteit van de leefomgeving. Terecht vraagt de raad de aandacht van de gemeenten voor heldere en transparante keuzes die gemeenten op dit gebied maken, ook in relatie tot de daaraan verbonden kosten. Zoals de raad aan geeft kunnen maatschappelijke initiatieven ook een rol spelen in het verder ontwikkelen van de omgevingskwaliteit met beperkte publieke kosten. In gebieden met minder sociale cohesie en economische veerkracht, zal echter ook extra inzet van provincies, gemeenten en maatschappelijke organisaties nodig blijven om de kwaliteiten van het gebied te behouden en te versterken.

Oog voor risico’s actief grondbeleid

Ontwikkelingen in de afgelopen jaren en de veelal onzekere vooruitzichten op de hernieuwde vraag naar vastgoed bevestigen de noodzaak voor een zorgvuldige en voorzichtige benadering. De verminderende inkomsten uit de grondexploitatie en de risico’s van actief grondbeleid vragen op gemeentelijk niveau expliciet om aandacht, evenals de publieke belangen waardoor grondeigendom voor de gemeente nodig is. Het is primair een verantwoordelijkheid van de gemeente om te zorgen voor een sluitende gemeentelijke begroting en een goed zicht op de (financiële) risico’s. De provincie houdt hierop het toezicht.

Gemeentelijke belastingen

Ten aanzien van de verruiming van de mogelijkheden van gemeentelijke belastingheffing herkent het kabinet de overwegingen die de raad naar voren brengt. Daarbij dient benadrukt te worden dat de discussie over het lokaal belastinggebied vanuit een breder perspectief dient te worden bezien. Het kabinet heeft in de brief over de herziening van het belastingstelsel (Kamerstuk 32 140, nr. 5) aangegeven hoe het verder wil omgaan met het gemeentelijk belastinggebied.

C. Zorgvuldigheid met betrekking tot (bestaand) vastgoed/bebouwd gebied

Inspelen op veranderende vraag

Veranderingen in maatschappelijke activiteiten leiden tot een verschuiving in de vraag naar vastgoed. Ook wanneer de economische groei weer aantrekt, zal de bestaande vastgoedvoorraad de aandacht blijven vragen van de decentrale overheden. Een goede vraaganalyse is van groot belang bij de ontwikkeling van nieuw vastgoed. De bij de regionale vastgoedontwikkeling betrokken partijen hebben zich in het verleden te sterk gericht op de groeikansen. Daardoor is er in veel regio’s leegstaand en/of op termijn leegkomend vastgoed (onder meer kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen). Verlies lijden door leegstand hoort bij het ondernemersrisico, maar al te grote voorraden leegstaand vastgoed kunnen het economisch herstel vertragen en de kwaliteit van de leefomgeving negatief beïnvloeden.

Een betere uitwisseling van kennis en informatie kan er aan bijdragen om de negatieve gevolgen van economische veranderingen en structurele veranderingen in de vraag naar vastgoed te beperken. Het kabinet geeft zich bij de eigen besluiten met betrekking tot de lange termijn (bijvoorbeeld m.b.t. de aanleg van infrastructuur) expliciet rekenschap van de onzekerheden die verbonden zijn aan lange termijnontwikkelingen. Het streeft ernaar dat ook de andere overheden op een consistente wijze aandacht besteden aan de onzekerheden die verbonden zijn aan de ontwikkelingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving op langere termijn, en wil dit bevorderen door kennisuitwisseling en samenwerking bij de toepassing van omgevingsscenario’s (zoals de WLO-scenario’s die nu worden ontwikkeld door CPB en PBL).

Voorkomen van schadelijke concurrentie in regionale ruimtelijke ontwikkeling

Zoals de raad al aan geeft, speelt ook concurrentie tussen de gemeenten in een regio een rol bij het aantrekken van financieel lucratieve ruimtelijke bestemmingen (zoals kantoren, woongebieden op uitleglocaties of winkels), of bestemmingen waar economisch profijt van wordt verwacht (zoals bedrijventerreinen). De concurrentie tussen overheden kan gemakkelijk leiden tot een ruimtelijke ontwikkeling en een ontwikkeling van vastgoed die niet goed aansluit op de maatschappelijke vraag. Het Rijk vertrouwt er op dat de provincies hun coördinerende taak met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling en in het bijzonder het beheren en zo nodig terugbrengen van de plancapaciteit voor de verschillende vormen van vastgoed actief oppakken. Heldere keuzes, afgestemd op de marktsituatie, over de ontwikkeling van gebieden binnen de regio zijn noodzakelijk om enerzijds versnippering van ontwikkelingsmogelijkheden te voorkomen en anderzijds de afnemers cq. gebruikers van het te ontwikkelen vastgoed voldoende keuzemogelijkheden te geven.

Leegstand privaat probleem

Het kabinet ondersteunt de oproep van de raad aan de gemeenten om leegstand van vastgoed primair als een private verantwoordelijkheid te beschouwen en op basis hiervan eigenaren actief aan te schrijven om noodzakelijk onderhoud te plegen en invulling te geven aan hun verantwoordelijkheden met betrekking tot de omgeving. Een actieve opstelling van de gemeenten draagt hier ook bij aan het waardebehoud van het vastgoed gedurende de levenscyclus.

Op nationaal niveau heeft het Rijk met het kantorenconvenant een kader gecreëerd en voert met de publieke en private partners op basis daarvan structureel overleg. Doel daarvan is om een constructieve samenwerking van de verantwoordelijke partijen in de regio te bevorderen gericht op een meer evenwichtige situatie op de kantorenmarkt en het voorkomen van overlast door leegstaande kantoren. Daarnaast neemt het Rijk deel aan de Winkeltop. De Winkeltop heeft als doel overheden en marktpartijen te stimuleren samen op regionaal en lokaal niveau een toekomstperspectief voor winkelgebieden te schetsen op basis waarvan keuzes en maatwerkafspraken kunnen worden gemaakt. Hiermee wordt gewerkt aan het aanpakken van leegstand en de ontwikkeling van winkelgebieden met toekomst.

Aandacht voor regionale verschillen

Het kabinet geeft krimpgebieden, waar naast sociaaleconomische knelpunten juist ook de bestaande vastgoedvoorraad vaak een belangrijk aandachtspunt vormt, bijzondere aandacht op basis van het Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling (Kamerstuk 31 757, nr. 13). Het kabinet zet in op sterke steden en vitale krimpgebieden in hun onderlinge samenhang en zal dit nader uitwerken in een visie op de demografische en sociaaleconomische ontwikkelingen in de krimpgebieden die het uitbrengt in antwoord op de motie Barth.

Ten slotte

Het kabinet waardeert de brede scope en de samenhangende benadering in de beide adviezen en zal de adviezen ook nader onder de aandacht brengen bij de decentrale overheden.

Het kabinet werkt aan een openbaar bestuur dat is toegesneden op de maatschappelijke uitdagingen waar wij voor staan. In stedelijke gebieden zijn die heel zichtbaar; gezondheid, logistiek, energieproductie en -verbruik, creativiteit, werkgelegenheid, wonen en veiligheid hangen hier allemaal nauw samen. Innovaties zijn nodig met oog op duurzaamheid en concurrentiekracht. Daarom zoekt het kabinet met alle betrokken partijen naar vernieuwingen die de steden en hun bewoners in hun kracht kunnen zetten. Een concrete actie in dit verband is de Innovatie-estafette 2016, die door de Ministeries IenM, EZ en BZK wordt georganiseerd. Nederland vervult binnen Europa een voorhoederol wat betreft (stedelijke) innovatie en zet zich actief in voor de verdere ontwikkeling van de European Urban Agenda. Tot slot kiest het Rijk nationaal met de Agenda Stad voor een aanpak die er aan bijdraagt om de ambities samen met de steden waar te maken.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk