Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201331710 nr. 27

31 710 Deltaprogramma

Nr. 27 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 oktober 2012

In het uw Kamer bij brief1 van 22 december 2009 aangeboden Nationaal Waterplan voor de periode 2009–2015 is aangekondigd dat het Rijk initiatief zal nemen tot het ontwikkelen van een visie op het vegetatiebeheer van het rivierbed in relatie tot riviernatuur en hoogwaterveiligheid.

Met deze brief wil ik uw Kamer, mede namens de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, informeren over de wijze waarop het kabinet het vegetatiebeheer in de uiterwaarden van de grote rivieren wil vormgeven. Het kabinet kiest daarbij voor een aanpak, gericht op waterveiligheid, met oog voor overige belangen en functies aanwezig in het rivierbed.

Met grote projecten als Ruimte voor de Rivier en Maaswerken houden we ons land veilig bij de vigerende maatgevende rivierafvoeren2 van Rijn en Maas. Deze projecten zorgen ervoor dat de waterstanden bij hoge rivierafvoeren het Maatgevend Hoog Water (MHW)3 niet overschrijden. De waterstanddaling die wordt bereikt met deze projecten kan niet los worden gezien van de waterstandverhogende effecten die vegetatieontwikkeling in het rivierbed heeft. Om de waterstanddaling die met de grote projecten wordt bereikt te behouden, is het noodzakelijk om de vegetatieruwheid overal in het rivierbed op een bepaald niveau te houden.

Voor de bepaling welke vegetatieruwheid nog kan worden geaccepteerd, gelet op de geldende hoogwaterveiligheidsdoelstellingen, wordt de vegetatieruwheid zoals die rond 1996 was als streefbeeld genomen. Deze ruwheid is bij de besluitvorming rond Ruimte voor de Rivier en Maaswerken ook het uitgangspunt.

De vegetatie in het rivierbed heeft zich sinds die tijd echter verder ontwikkeld. Op veel plaatsen is agrarisch grasland overgegaan in natuurlijk grasland. Op andere plaatsen hebben zich struwelen en ooibossen ontwikkeld.

Inhaalslag «Stroomlijn»

Met een inhaalslag, die wordt gepleegd met het project Stroomlijn, wordt de vegetatie in het rivierbed aangepakt waardoor het waterafvoerend vermogen van de grote rivieren wordt hersteld. In combinatie met de projecten Ruimte voor de River en Maaswerken wordt ervoor gezorgd dat de geldende hoogwaterveiligheidsdoelstelling daadwerkelijk wordt bereikt. Na de inhaalslag is het zaak om het waterafvoerend vermogen op peil te houden.

De kern van de inhaalslag is gelegen in het principe «Stroombaan glad, tenzij». De stroombaan is het deel van het rivierbed dat het meest bijdraagt aan het waterafvoerend vermogen van de rivier. Daarbinnen stroomt het water het snelst en heeft de vegetatie een relatief groot opstuwend effect op de afvoer. Buiten de stroombaan is dat in veel mindere mate het geval en is verwijdering van ruwe vegetatie minder effectief. Het vegetatiebeheer buiten de stroombaan zal er op gericht zijn dat er geen verhoging op zal treden van de huidige maatgevende waterstand. Binnen de stroombaan wordt vegetatie waar mogelijk verwijderd. Dit betekent dat binnen de stroombaan het waterveiligheidsbelang prevaleert, behalve in een aantal specifieke gevallen. In de eerste plaats kunnen de natuurfunctie van de riviernatuur en de daaraan gekoppelde wet- en regelgeving de mogelijkheden tot verwijdering beperken. Te denken valt aan de natuurwetgeving, bijvoorbeeld ter bescherming van Natura 2000-gebieden. Verder zullen binnen de stroombanen bestaande rechten vastgelegd in vergunningen of privaatrechtelijke overeenkomsten zo veel mogelijk worden gerespecteerd. Voor wat betreft overige belangen, waaronder landschappelijke en cultuurhistorische waarden, wordt bij de te nemen projectbesluiten een afweging gemaakt. De stroombanen zijn robuust gedefinieerd, om ruimte te creëren voor deze afweging. Met deze aanpak worden bestaande belangen in het rivierbed naast waterveiligheid zo veel mogelijk in acht genomen.

De inhaalslag wordt gefaseerd uitgevoerd. Dit biedt de mogelijkheid om ervaringen opgedaan in de eerste fase in te zetten om de latere ingrepen sneller en effectiever uit te voeren en waar nodig bij te sturen gedurende de looptijd van het project. Ik ben voornemens om in 2015 een tussenevaluatie uit te voeren om de effectiviteit van de aanpak te toetsen.

Beheer van de uiterwaarden

De toestand van de vegetatie na de inhaalslag wordt vastgelegd in een vegetatielegger, als onderdeel van de Legger Rijkswateren. Deze beschrijft op kaart de maximaal toegestane ruwheid van de vegetatie in het rivierbed. Via de zesjaarlijkse rapportage (conform artikel 2.12 Waterwet) wordt u geïnformeerd over de actuele toestand van de vegetatie in het rivierbed.

Het Rijk is als waterbeheerder verantwoordelijk voor de goede staat van de grote rivieren, met Rijkswaterstaat als uitvoerende organisatie. Rijkswaterstaat voert het vegetatiebeheer, waar dat aan de orde is, uit in nauwe samenwerking met terreinbeherende organisaties. Zo nodig zorgt Rijkswaterstaat ervoor dat vegetatie wordt teruggebracht naar de maximaal toegestane ruwheid zoals vastgelegd in de legger. Op terreinen van derden kan zij daartoe, waar nodig en in het uiterste geval, op grond van de Waterwet (gedoogplicht) vorderen dat rechthebbenden moeten toelaten dat op hun gronden te ruwe vegetatie wordt verwijderd.

Eerder is uw Kamer in de bij brief van 19 oktober 20114 aangeboden 18e voortgangsrapportage Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier het voornemen aangekondigd om parallel aan de inhaalslag een wijziging van de Waterwet voor te bereiden, waarbij eigenaren van gronden in het rivierbed worden verplicht de aanwezige vegetatie te onderhouden. De hierboven geschetste aanpak biedt echter voldoende waarborg voor een goed vegetatieonderhoud van de uiterwaarden. Daarnaast past een onderhoudsplicht niet bij het streven naar vermindering van wet- en regelgeving en gaat een onderhoudsplicht naar verwachting gepaard met hoge maatschappelijke kosten. Ik heb daarom besloten de aanpassing van de Waterwet op dit punt niet verder tot uitvoering te brengen.

Uitvoering inhaalslag

In de uw Kamer bij brief van 2 april 20125 aangeboden 19e voortgangsrapportage PKB Ruimte voor de Rivier is u medegedeeld dat een begin is gemaakt met de inhaalslag. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft voor uitvoering van de inhaalslag een bedrag van maximaal € 75 miljoen gereserveerd. In september 2012 is aan Rijkswaterstaat opdracht gegeven om de inhaalslag uit te voeren. Deze brief bevat de uitgangspunten voor de uitvoering daarvan. Deze uitgangspunten zijn verder uitgewerkt in het Normatief Kader Vegetatiebeheer Grote Rivieren.6 Vooruitlopend op het Normatief Kader zijn Rijkswaterstaat, Dienst Landelijk Gebied en Staatsbosbeheer bij wijze van leerproject begonnen met de voorbereiding van vegetatie-ingrepen op een aantal terreinen waar dit qua natuurdoelstellingen en benodigde toestemmingen relatief snel kan. Enkele van deze projecten, waaronder dat in de Breemwaard, zijn in uitvoering. Het streven is om de inhaalslag in 2016 af te ronden.

Tot slot

Samen met terreinbeherende organisaties in het rivierengebied is Rijkswaterstaat voortvarend aan het werk. Met bovenomschreven aanpak maken we de komende jaren een grote slag in het op orde brengen van de vegetatie in het rivierbed en doen daarmee ook ervaring op voor het toekomstige beheer. Ik vertrouw erop dat we hiermee ons mooie rivierengebied veilig maken en veilig houden.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, J. J. Atsma


X Noot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 710, nr. 12.

X Noot
2

Een maatgevende rivierafvoer is de hoeveelheid water die door de rivier moet kunnen worden afgevoerd zonder dat het achterland overstroomt. Deze hoort bij een vastgestelde overschrijdingsfrequentie. Voor de Rijn is de vigerende afvoer 16 000 m3/s en voor de Maas 3275 m3/s.

X Noot
3

MHW is de waterstand die als uitgangspunt wordt genomen voor het ontwerpen van primaire waterkeringen (o.a. dijken).

X Noot
4

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 30 080, nr. 55

X Noot
5

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 30 080, nr. 58

X Noot
6

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.