Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201230080 nr. 55

30 080 Planologische kernbeslissing Ruimte voor de rivier

Nr. 55 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 oktober 2011

Het programma Ruimte voor de Rivier is door u aangewezen als groot project. Conform de Regeling Grote Projecten stuur ik u hierbij, mede namens de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, de achttiende voortgangsrapportage.1 Deze rapportage gaat over de eerste helft van 2011.

Voortgang in de verslagperiode

Anno 30 juni 2011 is voor 16 maatregelen (= 70 procent van het PKB-budget) een projectbeslissing genomen en is de realisatiefase gestart. De verwachting is dat voor of kort na de jaarwisseling van 2011/2012 de meeste projectbeslissingen zullen zijn genomen.

In de verslagperiode heb ik voor de dijkteruglegging Lent een projectbeslissing genomen. Hiermee zijn twee maatregelen – de obstakelverwijdering Suikerdam en Polderkade naar de Zandberg en de kribverlaging Waalbochten – geschrapt, gezien de maatregel bij Lent meer waterstanddaling bereikt dan in de PKB is opgenomen.

Er is tevens een beslissing genomen over het voorkeursalternatief van vier projecten langs de Nederrijn (uiterwaardvergravingen Doorwerthsche Waarden, Middelwaard, Tollewaard en obstakelverwijdering machinistenschool Elst) en over het voorkeursalternatief van de extra uiterwaardvergraving Millingerwaard. Bij deze vijf maatregelen is gekozen voor een vervroegde marktbenadering. Hierbij heb ik bij de SNIP2a-beslissing tevens een investeringsbeslissing genomen en wordt de markt vroegtijdig ingeschakeld om het voorkeursalternatief verder uit te werken tot een definitief plan en het plan ook uit te voeren.

Voor de hoogwatergeul Veessen-Wapenveld en de dijkverleggingen Cortenoever en Voorsterklei is de projectbeslissing zeker een kwartaal vertraagd. Dit hangt mede samen met de toezegging in het Algemeen Overleg van 16 en 20 juni 2011 (kamerstukken 27 625, nrs. 230 en 231) om eerst een analyse te maken over de waterveiligheidsopgave voor de IJssel en om in afwachting van de bespreking van deze analyse met uw Kamer voor deze maatregelen nog geen onomkeerbare beslissingen te nemen. De analyse kunt u in het komend najaar verwachten.

Vanaf VGR15 is gemeld dat de waterveiligheid eind 2015 wordt gehaald, met uitzondering van de hoogwatergeul Veessen-Wapenveld, de dijkteruglegging Lent en de dijkverleggingen Cortenoever en Voorsterklei. De in de verslagperiode geactualiseerde planning toont daarin geen verandering. De markt wordt gevraagd om te kijken of er toch nog mogelijkheden zijn om te versnellen.

Het programmabudget bedraagt per 30 juni 2011 € 2136,8 miljoen. De raming komt uit op € 2169,5 miljoen, met een bandbreedte van 13 procent. Dit betekent dat de uitgaven tussen de € 1,9 miljard en € 2,4 miljard uitkomen.

Voortgang na de verslagperiode

Na de verslagperiode is inmiddels een aantal beslissingen genomen.

Op 4 juli jl. is met het voorkeursalternatief voor de uiterwaardvergraving Meinerswijk ingestemd. Het alternatief wordt nu verder uitgewerkt. Ik verwacht in december 2011 hiervoor een projectbeslissing te kunnen nemen.

Op 4 juli jl. heb ik ook een projectbeslissing genomen voor de dijkverbetering Neder-Rijn/Arnhemse- en Velpsebroek. Tevens heb ik op 16 augustus jl. een projectbeslissing genomen voor de uiterwaardvergraving Honswijkerwaarden, stuweiland Hagestein, Hagesteinse Uiterwaard en Heerenwaard. Het betreft een integraal plan, waar de waterveiligheid en het bereiken van de benodigde waterstanddaling uit de PKB één van de doelstellingen is.

Verder ben ik op 12 juli jl. akkoord gegaan met een scopewijziging bij enkele dijkverbeteringen waarvoor het waterschap Rivierenland initiatiefnemer is. Bij de dijkverbetering Lek/Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden komt een deel van de maatregel te vervallen. Door baggerwerkzaamheden is de bodem van de Lek inmiddels gedaald, waardoor een groot deel van de dijk voldoende hoogte en stabiliteit heeft en verbetering niet nodig is. Bij de dijkverbetering Steurgat/Land van Altena en dijkverbetering Neder-Rijn/Betuwe/Tieler- en Culemborgerwaard worden enkele korte tussenvakken toegevoegd, omdat blijkt dat deze toch verbetering behoeven.

Op 17 augustus jl. heeft de Raad van State de beroepen tegen het Rijksinpassingsplan voor de ontpoldering Noordwaard behandeld. De verwachting is dat de Raad in november 2011 met haar uitspraak komt.

Externe tussentijdse evaluatie

Bijgaand treft u tevens de resultaten van de externe tussentijdse evaluatie van de PKB Ruimte voor de Rivier, uitgevoerd door de Erasmus Universiteit en Berenschot, onder leiding van Prof. dr. M.J.W. van Twist, hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit.1 Deze evaluatie is toegezegd in de PKB en heeft betrekking op de voortgang van de PKB en op de manier waarop de PKB wordt uitgevoerd.

Over de voortgang van de PKB wordt geconcludeerd dat de uitvoering grotendeels op schema ligt en de doelstellingen uit de PKB naar verwachting worden gehaald, binnen tijd en budget. De dubbeldoelstelling heeft er mede toe bijgedragen, dat het programma deze voortgang kon maken. Ook concludeert het rapport dat de uitvoering van de PKB een ingewikkeld en complex proces is, dat niet vanzelf goed gaat. Zo kan bijvoorbeeld verslapping van bestuurlijke aandacht het programma kwetsbaar maken.

De overall conclusie is dat er tot nu toe een grote prestatie is geleverd, zeker gezien de complexiteit van de opgave. Een verklaring hiervoor is in de ogen van de onderzoekers te vinden in de gedegen basis van de PKB, die ruimte biedt voor een grote regionale inbreng, in het rekening houden met (financiële) risico’s en in het hanteren van een realistische planning. Daarnaast is het succes te danken aan de goede samenwerking tussen het Rijk – met vooral de actieve rol van de Programmadirectie Ruimte voor de Rivier als toetser en facilitator – en de regionale partners. Wel moet in de uitvoering in de komende jaren de lakmoesproef nog komen.

Een andere aanbeveling is het opnieuw uitvoeren van een tussentijdse evaluatie, als ongeveer 75% van de doorlooptijd van het programma is verstreken (rond 2013). Deze aanbeveling neem ik graag over; in 2013 is naar verwachting bij alle maatregelen de uitvoering voorbereid en zijn de betrokken mensen, zowel bij het Rijk als bij de regionale partners – nog in beeld en bereid om hun ervaringen te delen. Een eindevaluatie in 2016 vindt sowieso plaats.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J. J. Atsma


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.