Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201931288 nr. 669

31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

34 735 Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met het oog op het optimaliseren van het accreditatiestelsel (Wet accreditatie op maat)

Nr. 669 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 29 november 2018

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 12 oktober 2018 over de voorhang accreditatiekader en uitwerking Wet accreditatie op maat (Kamerstukken 31 288 en 34 735, nr. 661).

De vragen en opmerkingen zijn op 7 november 2018 aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 29 november 2018 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Tellegen

Adjunct-griffier van de commissie, Arends

Inhoud

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

 

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

2

 

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

3

 

Inbreng van de leden van de SGP-fractie

5

II

Reactie Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

6

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het gewijzigde uitvoeringsbesluit WHW1 2008 en hebben nog enkele vragen.

De leden lezen dat het accreditatiestelsel van het onderwijs volgens de Minister door de gewijzigde Wet accreditatie op maat meer gericht zal zijn op het stimuleren van een sterke kwaliteitsstructuur bij opleidingen en instellingen. Kan de Minister uitvoerig toelichten waar zij deze verwachting op baseert? De Minister lijkt alleen positieve kanten te zien van de extra mogelijkheid om «accreditatie onder voorwaarden» toe te staan, naast «voldoende» of «onvoldoende». Zij vragen of deze toevoeging er ook toe kan leiden dat tekortkomingen die onder de oude regels tot een onvoldoende zouden leiden, nu als «niet-ernstige tekortkoming» worden beschouwd, waardoor «accreditatie onder voorwaarden» verleend wordt. Zo ja, wat vindt zij hiervan en hoe groot acht zij die kans?

Hoe borgt de Minister dat kwaliteitsverschillen boven het basiskwaliteitsniveau voldoende tot uiting komen en inzichtelijk worden, nu de gedifferentieerde oordelen niet langer worden toegepast? Deze leden lezen dat de Minister uitvoering geeft aan de motie van het lid Tielen over een alternatief voor de gedifferentieerde beoordelingen2 door te rapporteren over de sterke en de minder sterke punten van een opleiding en een separaat document met aanbevelingen aan de opleiding openbaar te maken. De leden van deze fractie vinden dit mager. Zij vragen of er bij een volgende beoordeling van de NVAO3 wordt gekeken of de kwaliteit van de opleidingen en onderwijsinstellingen gedaald of gestegen is sinds de laatste beoordeling van de NVAO. Zo ja, hoe zal dit worden vormgegeven? Zo nee, waarom niet? Tevens vragen zij of de «sterke en minder sterke» punten van een opleiding die bij een beoordeling zijn genoemd expliciet worden meegenomen in de daaropvolgende beoordelingen. In de voornoemde motie werd expliciet benoemd dat in het alternatief voor de gedifferentieerde beoordelingen excellentie tot uitdrukking moet komen. Zij vragen hoe de Minister hier uitvoering aan gaat geven. De leden lezen dat het schrappen van de gedifferentieerde oordelen ertoe leidt dat ook de aanmeldingseis voor instellingen die geen erkenning ITK4 hebben behaald, is gewijzigd. Hoeveel extra instellingen komen hierdoor in aanmerking voor het experiment? Zij vragen hoe de Minister borgt dat het experiment niet wordt beïnvloed door de veranderde toelatingseisen. Worden de verschillen tussen de deelnemende opleidingen die minimaal een oordeel «goed» op het kwaliteitsaspect behaald hadden en de opleidingen die na de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet accreditatie op maat zijn toegetreden tot het experiment geëvalueerd, zo vragen de voornoemde leden.

Zij lezen dat de Commissie Macrodoelmatigheid Hoger Onderwijs (hierna: CDHO) aangeeft de afgelopen jaren steeds vaker adviesaanvragen te hebben behandeld voor de verlenging van macrodoelmatigheidsbesluiten. De Minister geeft aan dat zij niet verwacht dat deze wijziging invloed heeft op de snelheid waarmee de NVAO aanvragen afhandelt, aangezien de strekking van het besluit inhoudelijk niet afwijkt van de reeds gehanteerde uitvoeringspraktijk. Wat zijn de oorzaken dat steeds meer instellingen de termijn van tien maanden niet halen? De voornoemde leden vragen of de Minister mogelijkheden ziet om het aantal verlengingsaanvragen te verkleinen of de afhandelingssnelheid van de NVAO te vergroten.

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 oktober 2018 inzake de voorhang van het accreditatiekader en de uitwerking van de Wet accreditatie op maat (Kamerstukken 31 288 en 34 735, nr. 669). De leden zijn verheugd dat de ITK positief beoordeeld is door de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) en dat in het accreditatiekader de afspraken rondom onderwijstaal uit het algemeen overleg internationalisering5 uitgewerkt zijn. Deze leden hebben daarnaast nog enkele vragen.

Openheid en regulering

De Minister geeft aan dat er winst te boeken is in de wijze waarop panels en secretarissen worden voorbereid op de visitaties ten behoeve van een meer consistente toepassing van het beoordelingskader, zowel bij nieuwe als bestaande opleidingen. De NVAO stelt een nadere uitwerking voor waarin de werkwijze van panels in beperkte mate wordt omschreven. Graag zouden de leden willen weten of naar de mening van de Minister deze beperkte werkwijze voldoende helpt als het gaat om meer consistente toepassing van het beoordelingskader. Ook vragen zij of de Minister kan aangeven wat er nog meer nodig is om de consistentie te vergroten en zo het vertrouwen bij opleidingen te laten groeien.

Beoordeling eindwerken

De voornoemde leden vragen of de Minister kan aangeven waar het gesprek met de NVAO over zal gaan als de toets beter uitvoerbaar gemaakt moet worden en wanneer de Kamer de uitkomsten van dit gesprek kan verwachten.

Flexibilisering en dekking

De inspectie beveelt aan om overheidssturing opnieuw te doordenken. De leden lezen in de brief van de Minister niet terug hoe de Minister dit op gaat pakken. Zij ontvangen graag alsnog een toelichting hierop.

Ook adviseert de inspectie om de definities van voltijd- en deeltijdonderwijs opnieuw te doordenken. De Minister lijkt dit pleidooi te willen beperken tot studielast en dat zijn deze leden met haar eens. Daarnaast geeft de Minister aan in de volgende Strategische Agenda aandacht te zullen besteden aan de brede ontwikkeling van flexibilisering. De leden zijn van mening dat het belangrijk is dat de Minister op korte termijn aan de slag gaat met het voltijd/deeltijdvraagstuk. Een deeltijdopleiding zou een onderscheidend vermogen moeten hebben ten opzichte van de voltijdopleiding is de mening van de voornoemde leden.

Graag ontvangen deze leden een uiteenzetting hoe de Minister deze brede discussie over het onderscheid tussen voltijd- en deeltijdonderwijs aan gaat pakken en op welke termijn de Kamer de uitkomsten kan verwachten.

De inspectie adviseert ook bijzondere afstudeerroutes en locaties van opleidingen te expliciteren. De eerdergenoemde leden vragen of de Minister kan aangeven wat de gevolgen zijn als dit niet gebeurt en welke voorvallen aanleiding gaven voor de inspectie om dit advies te geven.

Onderwijstaal

Graag willen de voornoemde leden weten waarom de Minister ervoor heeft gekozen om taal onder te brengen onder standaard 2 en niet onder standaard 1 waarin de doelen van de opleidingen thuishoren. Graag ontvangen zij een uiteenzetting wat de voor- en nadelen zijn van beide standaarden. Ook willen zij graag weten hoe zwaar de onderwijstaal meeweegt in het oordeel van het panel / de NVAO, mede aangezien dit een wettelijke bepaling betreft.

Ruimte voor verdere verbetering

De leden vragen wat de Minister bedoelt met de opmerking dat bij het experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie drie zeer verschillende maar even ambitieuze hogescholen de ruimte verder opzoeken. Gaat dit om drie hogescholen die voor het eerst aan de ITK deelnemen of gaat dit over meer ruimte binnen de ITK? Indien dit het laatste betreft: kan de Minister aangeven welke extra ruimte deze instellingen krijgen? Wat is de reden dat deze drie hogescholen meer ruimte krijgen en andere onderwijsinstellingen niet? Zij vragen welke hogescholen dit betreft en hoe het komt dat hier geen universiteiten aan deelnemen. Ook vragen zij wanneer de Kamer de verdere verkenning naar de balans tussen kwaliteitsborging enerzijds en regeldruk anderzijds in relatie tot de ITK en de voortgang van de samenwerking tussen de NVAO, CDHO en inspectie kan verwachten. Tot slot vragen zij of de Minister kan aangeven welke aanpak en criteria zij wil gebruiken om te bepalen of ITK een middel is om de balans te verbeteren.

Overig

De leden vragen in welke mate en op welke manier de NVAO toetst of een opleiding voldoet aan beroepsvereisten (wettelijk geregelde bevoegdheden) in de opleiding, bijvoorbeeld bij een lerarenopleiding of een opleiding in de zorg. Teven vragen zij of de Minister van mening is dat dit voldoende is. Wanneer kan de Kamer de uitwerking van het systeem voor certificering van secretarissen verwachten?

De NVAO geeft aan dat de inspectie constateert dat de beoordeling van het gerealiseerde niveau in drie jaar na een toets nieuwe opleiding in de praktijk tot uitvoeringsproblemen leidt. De NVAO onderschrijft dit en verzoekt de Minister om deze bepaling in de wet te heroverwegen. Graag zouden de leden willen weten om welke uitvoeringsproblemen dit gaat en welke bepaling in de wet dit betreft en wat de Minister met dit verzoek gaat doen.

In het accreditatiekader staat: «de accreditatie bestaande opleidingen geldt voor onbepaalde tijd en kent geen vervaldatum. Voor het behoud van deze accreditatie laat de opleiding een beoordeling uitvoeren». De voornoemde leden vragen of de Minister kan uiteenzetten hoe deze twee zinnen zich tot elkaar verhouden en hoe dit bijdraagt aan duidelijkheid en transparantie richting de instellingen.

De inspectie vraagt ook aandacht voor de dekking van het accreditatiestelsel. De leden vragen of de Minister kan aangeven wat de inspectie hiermee bedoelt en hoe ze dit op gaat pakken.

De eerdergenoemde leden zijn van mening dat de inspectie een zinnige beschouwing heeft gegeven op de verdere ontwikkelingen en overwegingen over de instellingsaccreditatie. Graag horen zij van de Minister wat zij met deze beschouwing gaat doen.

Graag zouden de leden willen weten hoe de Minister denkt over het toevoegen van een inloopuur voor studenten en docenten tijdens een visitatie van het panel tijdens een heraccreditatie/ITK om de transparantie te vergroten.

Inbreng van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het gewijzigde accreditatiekader. De leden vragen waarom de NVAO er niet voor heeft gekozen, zoals eerder gesuggereerd leek te worden, om naar analogie van het funderend onderwijs duidelijk aan te geven wat de wettelijke basis voor standaarden is. Naar de mening van deze leden zou het de status van het kader ten goede komen als duidelijk wordt vermeld op welke bepalingen de tekst terugvoert. Op verschillende punten kan nu onduidelijk blijven wat precies de normen zijn die door de wetgever zijn geformuleerd. Zij vragen of de Minister van mening is dat dit voortaan opgenomen dient te worden.

Onderwijsleeromgeving (standaard 2)

De leden vragen op basis van welke wettelijke bepalingen de NVAO tot het oordeel is gekomen dat de onderwijsleeromgeving moet bevorderen dat studenten op actieve wijze deelnemen aan de vormgeving van het eigen leerproces.

Toetsing (standaard 3)

De voornoemde leden constateren dat ten aanzien van toetsing een stapeling van formuleringen wordt gebruikt die gemakkelijk tot verwarring kan leiden. Als basale norm geldt dat de kwaliteit van toetsing en examinering moet voldoen aan de wettelijke deugdelijkheidseisen. Toch wordt in cumulatieve zin toegevoegd dat het ook voldoende moet zijn. Bovendien opent de toelichting met het uitgangspunt dat de beoordeling valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk moet zijn. Deze leden vragen waarom de tekst niet eenduidiger is geformuleerd en directer aansluit bij datgene wat uit de deugdelijkheidseisen volgt.

Eindwerken

De eerder genoemde leden vragen waarom in het informatiedossier een afzonderlijke beschrijving nodig is van de wijze waarop de gerealiseerde leerresultaten zijn getoetst. Deze leden veronderstellen dat het opstellen van deze toelichting veelal overbodig is, aangezien het uit de aangeleverde eindwerken doorgaans vanzelfsprekend blijkt en dat in een nader gesprek indien gewenst toelichting kan worden gegeven. De leden vragen of de Minister kan aangeven of het in andere landen ook gebruikelijk is dat panels in het kader van accreditatie zelf eindwerken gaan beoordelen.

Onderwijstaal

De leden van de SGP-fractie constateren dat het accreditatiekader slechts summier vermeldt dat instellingen de keuze voor een andere taal dan het Nederlands moeten motiveren, terwijl de Minister schrijft dat maatregelen kunnen worden genomen wanneer de onderbouwing tekortschiet. Kan de Minister bevestigen dat niet enkel wordt getoetst op de aanwezigheid van een inhoudelijke redenering, maar dat ook de overtuigende kracht ervan wordt getoetst? Waarom is dit onderdeel in het kader niet duidelijker dan in een enkele zin verwoord, zo vragen zij.

II Reactie Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Algemeen

Met interesse heb ik kennisgenomen van de vragen van de leden van de fracties van VVD, CDA, SGP, en ik dank de leden voor hun inbreng. De vragen worden hieronder zoveel mogelijk op volgorde van het verslag worden beantwoord.

Antwoorden op vragen van de leden

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie lezen dat het accreditatiestelsel van het onderwijs volgens de Minister door de gewijzigde Wet accreditatie op maat meer gericht zal zijn op het stimuleren van een sterke kwaliteitsstructuur bij opleidingen en instellingen. Kan de Minister uitvoerig toelichten waar zij deze verwachting op baseert?

Het begrip kwaliteitscultuur kan op verschillende manieren gedefinieerd worden. Onder een sterke kwaliteitscultuur verstaat de Onderwijsraad een cultuur van een onderwijsinstelling die stimuleert dat alle betrokkenen, zowel intern als extern, zich continu richten op het definiëren en behalen van de gewenste kwaliteit en door middel van een constructief-kritische houding streven naar de daarvoor zo nodig vereiste kwaliteitsverbeteringen.6Dit is ook hoe ik dat begrip uitleg. Vertrouwen in, en eigenaarschap voor de onderwijsgemeenschap zijn belangrijke voorwaarden voor een dergelijke cultuur. Vertrouwen en eigenaarschap zijn precies die zaken die de Wet accreditatie op maat beoogt te vergroten, onder andere door meer evenwicht te brengen tussen kwaliteitsverantwoording enerzijds en kwaliteitsverbetering anderzijds. Een te belastend systeem van externe kwaliteitsborging is ondermijnend voor het draagvlak voor goede kwaliteitszorg. De wet beoogt meer evenwicht te brengen in de ervaren baten en lasten, met behoud van de kwaliteitsborging. De doelstellingen van de Wet accreditatie op maat en hun onderlinge samenhang zijn overigens uitvoerig besproken tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in uw Kamer.

De Minister lijkt alleen positieve kanten te zien van de extra mogelijkheid om «accreditatie onder voorwaarden» toe te staan, naast «voldoende» of «onvoldoende». Zij vragen of deze toevoeging er ook toe kan leiden dat tekortkomingen die onder de oude regels tot een onvoldoende zouden leiden, nu als «niet-ernstige tekortkoming» worden beschouwd, waardoor «accreditatie onder voorwaarden» verleend wordt. Zo ja, wat vindt zij hiervan en hoe groot acht zij die kans?

De NVAO kan instellingen de gelegenheid bieden om, in bepaalde gevallen, minder ernstige tekortkomingen binnen afzienbare tijd te verhelpen. Die mogelijkheid biedt het accreditatiestelsel al sinds 2011. Dat principe verandert ook niet met de Wet accreditatie op maat. Zoals ik heb aangegeven in het schriftelijk overleg van 12 oktober jl.7 zal de NVAO bij de toets nieuwe opleiding vaker voor de vraag komen te staan of eventuele tekortkomingen binnen twee jaar zijn te verhelpen, namelijk bij tekortkomingen op het aspect «deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering». In het huidige stelsel sluit het Accreditatiebesluit WHW die mogelijkheid bij voorbaat uit. Ik heb ook vermeld dat de werkwijze van de NVAO hier niet wijzigt. De NVAO verleent accreditatie onder voorwaarden alleen als zij overtuigd is, op grond van bevindingen van de commissie van deskundigen, dat verbetering binnen twee jaar realistisch is. Afgaande op het professionele oordeelsvermogen van de NVAO en de verbetercapaciteit van de meeste instellingen acht ik de kans klein dat de NVAO een accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden verleent waarbij na twee jaar zal blijken dat de instelling niet aan de voorwaarden heeft voldaan. Tot nu toe zijn vrijwel alle herstelperiodes met goed gevolg afgerond.

Hoe borgt de Minister dat kwaliteitsverschillen boven het basiskwaliteitsniveau voldoende tot uiting komen en inzichtelijk worden, nu de gedifferentieerde oordelen niet langer worden toegepast? In de voornoemde motie werd expliciet benoemd dat in het alternatief voor de gedifferentieerde beoordelingen excellentie tot uitdrukking moet komen. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de Minister hier uitvoering aan gaat geven. Deze leden lezen dat de Minister uitvoering geeft aan de motie van het lid Tielen over een alternatief voor de gedifferentieerde beoordelingen8 door te rapporteren over de sterke en de minder sterke punten van een opleiding en een separaat document met aanbevelingen aan de opleiding openbaar te maken. De leden van deze fractie vinden dit mager.

Elke opleiding die aan de kwaliteitseisen voldoet heeft haar sterke en minder sterke punten. Die verschillen worden zichtbaar in het visitatierapport dat van een opleiding wordt opgesteld. Het visitatiepanel maakt zo inzichtelijk welke bevindingen hebben geleid tot het oordeel over de kwaliteit van de opleiding. Daarbij kan het panel tal van kwalificaties gebruiken om de kwaliteit van de opleiding te beschrijven. bijvoorbeeld dat de opleiding ver boven de basiskwaliteit uitsteekt en als een internationale best practice geldt. Dit geeft een rijker beeld over de opleiding dan alleen de termen «goed» of «excellent» zouden kunnen doen.

De leden van de VVD-fractie vragen of er bij een volgende beoordeling van de NVAO9 wordt gekeken of de kwaliteit van de opleidingen en onderwijsinstellingen gedaald of gestegen is sinds de laatste beoordeling van de NVAO. Zo ja, hoe zal dit worden vormgegeven? Zo nee, waarom niet?

Kwaliteitsborging is primair de verantwoordelijkheid van de onderwijsgemeenschap, en pas secundair een stelselverantwoordelijkheid van de Minister van OCW. Accreditatie is een belangrijk instrument voor de overheid om die verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Bij verbetering van de onderwijskwaliteit past de overheid echter een andere rol, omdat de onderwijsgemeenschap primair aan zet is om het onderwijs verder te ontwikkelen en de kwaliteit te verbeteren. Daar ligt de benodigde expertise en motivatie. De NVAO hoeft op zichzelf ook niet te weten of de kwaliteit verbeterd dan wel verslechterd is om te kunnen bepalen of de kwaliteit op orde is. Met de Wet accreditatie op maat is nadrukkelijk voor die verdeling van verantwoordelijkheden gekozen: de peers spreken in het kader van de opleidingsvisitatie met elkaar over de richtingen waarin een opleiding zich verder kan ontwikkelen en verbeteren, waarna het panel hierover rapporteert aan de instelling zelf.

Tevens vragen De leden van de VVD-fractie of de «sterke en minder sterke» punten van een opleiding die bij een beoordeling zijn genoemd expliciet worden meegenomen in de daaropvolgende beoordelingen.

Over de sterke en minder sterke punten van een opleiding wordt aan de NVAO gerapporteerd om inzichtelijk te maken hoe het visitatiepanel tot zijn oordeel over de accreditatiewaardigheid is gekomen. Daarnaast doet het panel aanbevelingen. Daarover wordt niet aan de NVAO gerapporteerd. Deze aanbevelingen worden binnen een jaar na het voorlaatste accreditatierapport openbaar gemaakt door de instelling. Van visitatiepanels en opleidingen wordt verwacht dat zij tijdens de visitatie ook expliciet terugblikken op de aanbevelingen die in de voorlaatste visitatie zijn gedaan. Het niet oppakken van deze aanbevelingen kan een onderwerp worden van de kwaliteitsverantwoording en dus met de NVAO worden gedeeld, maar dat is geen automatisme. Dit is het geval in het huidige stelsel en dat blijft ook zo met de Wet accreditatie op maat.

De leden lezen dat het schrappen van de gedifferentieerde oordelen ertoe leidt dat ook de aanmeldingseis voor instellingen die geen erkenning ITK10 hebben behaald, is gewijzigd. Hoeveel extra instellingen komen hierdoor in aanmerking voor het experiment?

De betreffende wijziging is alleen van toepassing op instellingen die willen deelnemen aan de pilot instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie, en die geen erkenning ITK hebben gekregen. Voor alle opleidingen van de instelling die vóór de inwerkingtreding van die wet zijn geaccrediteerd blijft de eis gelden dat het kwaliteitsaspect «interne kwaliteitszorg» minimaal als «goed» is beoordeeld. Er zijn niet veel instellingen die aan die eis voldoen. Bij opleidingen die na de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat zijn geaccrediteerd moet op het kwaliteitsaspect «interne kwaliteitszorg» het oordeel «voldoende» zijn gegeven. De periode vanaf de beoogde inwerkingtreding van de wet (1 februari 2019) tot aan het moment waarop instellingen zich nog kunnen aanmelden voor de pilot (1 september 2019) bestrijkt echter niet meer dan zeven maanden. De kans dat door het schrappen van gedifferentieerde oordelen meer instellingen zonder erkenning ITK in aanmerking komen voor de pilot acht ik daarom klein.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de Minister borgt dat het experiment niet wordt beïnvloed door de veranderde toelatingseisen. Worden de verschillen tussen de deelnemende opleidingen die minimaal een oordeel «goed» op het kwaliteitsaspect behaald hadden en de opleidingen die na de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet accreditatie op maat zijn toegetreden tot het experiment geëvalueerd, zo vragen de voornoemde leden.

De drie deelnemende instellingen aan de pilot instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie beschikken allen over een ITK. Dit betekent sowieso dat kwaliteitszorg alleen op instellingniveau wordt beoordeeld. Zoals in de beantwoording op de vorige vraag is aangegeven, kunnen instellingen zich nog tot 1 september 2019 aanmelden voor de pilot. Indien een instelling zonder ITK wordt toegelaten tot de pilot, zal bekeken worden hoe in de evaluatie omgegaan wordt met eventuele verschillende oordelen op het aspect kwaliteitszorg.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Commissie Macrodoelmatigheid Hoger Onderwijs (hierna: CDHO) aangeeft de afgelopen jaren steeds vaker adviesaanvragen te hebben behandeld voor de verlenging van macrodoelmatigheidsbesluiten. De Minister geeft aan dat zij niet verwacht dat deze wijziging invloed heeft op de snelheid waarmee de NVAO aanvragen afhandelt, aangezien de strekking van het besluit inhoudelijk niet afwijkt van de reeds gehanteerde uitvoeringspraktijk. Wat zijn de oorzaken dat steeds meer instellingen de termijn van tien maanden niet halen? De voornoemde leden vragen of de Minister mogelijkheden ziet om het aantal verlengingsaanvragen te verkleinen of de afhandelingssnelheid van de NVAO te vergroten.

Uit de aantallen verlengingen van macrodoelmatigheidsbesluiten concludeer ik dat er zich in de afgelopen drie jaar geen evidente groei heeft voorgedaan. Afgezien daarvan blijkt uit een eerste analyse van de NVAO dat een deel van de verlengingen is te herleiden tot keuzes die de instellingen zelf maken. Vanaf 1 januari 2017 tot oktober 2018 is voor 33 TNO-aanvragen een verlenging van het macrodoelmatigheidsbesluit aangevraagd. Dat is 14% van het totaal aan TNO-aanvragen in deze periode. Ruim een derde van de 33 TNO-aanvragen wordt pas meer dan vijf maanden na het positieve besluit bij de NVAO ingediend. Uitgaande van de wettelijke behandeltermijn van zes maanden voor een TNO-aanvraag, wordt dan al snel de geldigheidstermijn (tien maanden) van het macrodoelmatigheidsbesluit overschreden. Van TNO-aanvragen die binnen twee maanden na een positief macrodoelmatigheidsbesluit worden ingediend bij de NVAO, wordt zelden de macrodoelmatigheidstermijn overschreden. Wat ook vertraging oplevert is dat instellingen soms een incomplete of premature aanvraag bij de NVAO indienen. Daarnaast is een relevant gegeven dat instellingen eerst willen weten hoe de macrodoelmatigheidstoets uitpakt voordat zij tot in detail het dossier voor de TNO hebben uitgewerkt.

CDHO en NVAO analyseren nu verder en in meer detail de redenen voor de verlengingen en stemmen de onderlinge procedures met elkaar af. Daarnaast zal de communicatie worden versterkt, met als doel incomplete of premature aanvragen te voorkomen. Ook wordt nagegaan wat de reden is dat instellingen vier of meer maanden wachten met indiening van het verzoek voor een TNO met als gevolg dat de tienmaandentermijn overschreden wordt. De NVAO zal de instellingen informeren dat het wenselijk is om na het macrodoelmatigheidsbesluit eerder een TNO aan te vragen. Daarnaast zal de NVAO goede voorbeelden en tips verstrekken aan instellingen hoe te komen tot een goed aanvraagdossier voor een TNO zodat het beoordelingsproces niet wordt vertraagd doordat cruciale informatie ontbreekt.

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

Openheid en regulering

De Minister geeft aan dat er winst te boeken is in de wijze waarop panels en secretarissen worden voorbereid op de visitaties ten behoeve van een meer consistente toepassing van het beoordelingskader, zowel bij nieuwe als bestaande opleidingen. De NVAO stelt een nadere uitwerking voor waarin de werkwijze van panels in beperkte mate wordt omschreven. Graag zouden de leden van de CDA-fractie willen weten of naar de mening van de Minister deze beperkte werkwijze voldoende helpt als het gaat om meer consistente toepassing van het beoordelingskader.

Het uitgangspunt van de Wet accreditatie op maat is dat de instellingen vertrouwen verdienen. Dit betekent het voortdurend zoeken naar de juiste balans tussen openheid en regulering. De NVAO werkt op dit moment aan de nadere uitwerking. De uitwerking zal zodanig zijn dat deze de panelleden gaat helpen zich goed voor te bereiden op hun taken en daarbij consistentie te betrachten, maar ze tevens voldoende ruimte laat om de kwaliteit van de opleiding te beoordelen met een zogeheten «timmermansoog».

Ook vragen zij of de Minister kan aangeven wat er nog meer nodig is om de consistentie te vergroten en zo het vertrouwen bij opleidingen te laten groeien.

Het vergroten van de consistentie is bedoeld om de kwaliteit van de beoordelingen te verbeteren. Het primaire doel is niet om het vertrouwen bij opleidingen te versterken, al sluit ik niet uit dat dat laatste wel een bijkomend gevolg kan zijn. Naast een nadere uitwerking voor panelleden dient ook de professionalisering van secretarissen bij te dragen aan een consistente toepassing van het accreditatiekader. Bovendien is het accreditatiekader op bepaalde punten verduidelijkt, zoals ik heb aangegeven in mijn aanbiedingsbrief.11

Beoordeling eindwerken

De NVAO geeft aan dat de inspectie constateert dat de beoordeling van het gerealiseerde niveau in drie jaar na een toets nieuwe opleiding in de praktijk tot uitvoeringsproblemen leidt. De NVAO onderschrijft die constatering en verzoekt de Minister om deze bepaling in de wet te heroverwegen. Graag zouden de leden van de CDA-fractie willen weten om welke uitvoeringsproblemen dit gaat en welke bepaling in de wet dit betreft en wat de Minister met dit verzoek gaat doen. In het verlengde hiervan vragen deze leden of de Minister kan aangeven waar het gesprek met de NVAO over zal gaan als de toets beter uitvoerbaar gemaakt moet worden en wanneer de Kamer de uitkomsten van dit gesprek kan verwachten.

In artikel 5a.10a., lid 4 van de WHW is vastgelegd dat wanneer op het moment van een TNO-aanvraag er nog geen feitelijk onderwijs wordt verzorgd en de betrokken instelling (nog) niet beschikt over een ITK, de opleiding na drie jaar alsnog aanvullend wordt beoordeeld. De NVAO kijkt dan naar het gerealiseerde niveau en naar de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten. Om verschillende praktische redenen is de periode waarin die beoordeling plaatsvindt korter dan drie jaar. De NVAO merkt op dat het lastig kan zijn om op grond van de op dat moment beschikbare werkstukken en tentamens een oordeel te geven. Dit betekent niet dat de tussentijdse toets geen waardevol instrument is. Het gaat hier om nieuwe opleidingen; er wordt dan een accreditatie verleend op grond van een plantoetsing. Beoordeling van het gerealiseerd niveau op grond van toetsen, tentamens of werkstukken is dan niet mogelijk. Een vinger aan de pols houden is daarom belangrijk voor de borging van de kwaliteit. Ik hecht aan deze tussentijdse beoordeling maar sta uiteraard open voor suggesties om de uitvoerbaarheid te verbeteren. Ik zal uw Kamer berichten wanneer mijn overleg met de NVAO hiertoe aanleiding geeft.

Flexibilisering en dekking

De inspectie beveelt aan om overheidssturing opnieuw te doordenken. De leden lezen in de brief van de Minister niet terug hoe de Minister dit op gaat pakken. Zij ontvangen graag alsnog een toelichting hierop. Ook adviseert de inspectie om de definities van voltijd- en deeltijdonderwijs opnieuw te doordenken. De Minister lijkt dit pleidooi te willen beperken tot studielast en dat zijn deze leden met haar eens. Daarnaast geeft de Minister aan in de volgende Strategische Agenda aandacht te zullen besteden aan de brede ontwikkeling van flexibilisering. De leden zijn van mening dat het belangrijk is dat de Minister op korte termijn aan de slag gaat met het voltijd/deeltijdvraagstuk. Een deeltijdopleiding zou een onderscheidend vermogen moeten hebben ten opzichte van de voltijdopleiding is de mening van de voornoemde leden.

Graag ontvangen deze leden een uiteenzetting hoe de Minister deze brede discussie over het onderscheid tussen voltijd- en deeltijdonderwijs aan gaat pakken en op welke termijn de Kamer de uitkomsten kan verwachten.

De overheidssturing op deeltijdonderwijs wil ik niet aanscherpen door wettelijke definities op te leggen in termen van studiepunten per jaar. Dat zou de flexibiliteit mogelijk inperken en gegeven de doelgroep van het deeltijdonderwijs is flexibiliteit juist hard nodig. Een tussenevaluatie van het experiment vraagfinanciering en het experiment leeruitkomsten verwacht ik aan het einde van dit jaar. Aan het begin van 2019 zal ik uw Kamer daar ook over informeren. Deze evaluatie geeft mogelijk nieuwe inzichten in de wijze waarop het deeltijdonderwijs wordt vormgegeven. Als voor duurzame implementatie van die nieuwe inzichten wijzigingen van bestaande wet- en regelgeving nodig zijn, dan sta ik daarvoor open. Ik wil die wijzigingen dan wel in alle consequenties doordenken.

Voltijdopleidingen zijn in toenemende mate bezig met flexibiliseren en zorgen voor optimale aansluiting bij de wensen en behoeften van de individuele student. Veel studenten combineren hun voltijdstudie met andere activiteiten. In het voltijdse onderwijs loopt daarom nu het experiment flexstuderen, dat in 2019 wordt uitgebreid. Tegelijkertijd wordt in het deeltijdonderwijs, bijvoorbeeld in de pilots flexibilisering, geëxperimenteerd met innovatief flexibel onderwijs gericht op leeruitkomsten. Uit de evaluatie van dat experiment kunnen straks lessen getrokken worden, die mogelijk ook toegevoegde waarde kunnen hebben voor het voltijdonderwijs. Deze ontwikkelingen maken dat voltijd en deeltijd – hoewel op dit moment duidelijk van elkaar onderscheiden – mogelijk dichter naar elkaar toe groeien. Dat komt ook naar voren uit de gesprekken met (bestuurders van) instellingen die deelnemen aan het experiment leeruitkomsten.

Aan brede ontwikkelingen op het gebied van flexibilisering wil ik in de aanloop naar de nieuwe strategische agenda aandacht besteden. Dat is al op zeer korte termijn. Het komende voorjaar wil ik in een interactief proces met alle betrokken stakeholders in gesprek over de thema’s die in de nieuwe strategische agenda aan bod zullen komen. De strategische agenda wordt naar uw Kamer gestuurd. Ik ga dus ook op korte termijn aan de slag met het vraagstuk van het onderscheid tussen voltijdse, deeltijdse en duale opleidingen in het licht van flexibilisering. Ik wil inventariseren wat volgens instellingen en studenten de behoeften zijn en hoe dat past in de toekomstvisie. Uitgangspunt zal in ieder geval zijn dat er binnen het deeltijdonderwijs flexibiliteit blijft bestaan, passend bij de doelgroep van het deeltijdonderwijs.

De inspectie adviseert ook bijzondere afstudeerroutes en locaties van opleidingen te expliciteren. De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan aangeven wat de gevolgen zijn als dit niet gebeurt en welke voorvallen aanleiding gaven voor de inspectie om dit advies te geven.

De waarde van een getuigschrift moet geborgd zijn, ongeacht de opleidingsroute die de student heeft gevolgd. Nu is een instelling alleen verplicht locaties en voltijd/ deeltijd/duaal varianten te benoemen bij een accreditatie. Er komen echter steeds meer bijzondere routes, bijvoorbeeld alternatieve trajecten voor het leraarschap, routes voor werkenden of voor internationale studenten die hier slechts een deel van hun opleiding volgen. De inspectie hecht eraan dat deze routes in een accreditatieprocedure worden beoordeeld zodat elke student de zekerheid heeft van een opleiding van niveau. In het nieuwe accreditatiekader is nu opgenomen dat opleidingsroutes die tijdens de accreditatieprocedure niet zijn gemeld, niet onder de accreditatie vallen. Over een route die niet is gemeld kunnen vragen ontstaan over de kwaliteitsborging van dat onderdeel. De NVAO kan in zulke gevallen desgevraagd onderzoek doen naar de accreditatiewaardigheid. In het uiterste geval kan dit leiden tot intrekking van de accreditatie.

In haar rapport geeft de inspectie geen inzicht in de voorvallen die aanleiding gaven voor haar advies op dit punt. Dat zou ook niet passend zijn. Het gaat in deze evaluatie niet om toezicht op de individuele instellingen, maar om een evaluatie van het gehele accreditatiestelsel.

Onderwijstaal

Graag willen de voornoemde leden weten waarom de Minister ervoor heeft gekozen om taal onder te brengen onder standaard 2 en niet onder standaard 1 waarin de doelen van de opleidingen thuishoren. Graag ontvangen de leden van de CDA-fractie een uiteenzetting wat de voor- en nadelen zijn van beide standaarden.

Standaard 2 van de beperkte opleidingsbeoordeling betreft de wijze waarop het onderwijs wordt vormgegeven. De taal waarin het onderwijs wordt aangeboden, en de beheersing daarvan door docenten, is daar een onderdeel van. Om die reden zijn deze twee aspecten ondergebracht bij standaard 2.12 Standaard 1 betreft de beoogde leerresultaten van een opleiding. Dat afgestudeerden een andere taal dan het Nederlands voldoende beheersen kan een van de beoogde leerresultaten zijn, en dus ook bij standaard 1 aan bod komen, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Wanneer dit niet het geval is kan een instelling er tóch voor hebben gekozen om het programma, of delen daarvan, in een andere taal te verzorgen als dit nodig is voor, of ten goede komt aan de kwaliteit. Voor de samenhang en opbouw van de standaarden in het accreditatiekader is standaard 2 de meest logische plek.

Indien een opleiding haar keuze voor anderstalig onderwijs motiveert zal die motivatie betrekking moeten hebben op de doelstellingen die een opleiding zichzelf stelt ten aanzien van de leerresultaten.

Ook willen zij graag weten hoe zwaar de onderwijstaal meeweegt in het oordeel van het panel / de NVAO, mede aangezien dit een wettelijke bepaling betreft.

Alle kwaliteitsstandaarden, en onderdelen daarvan, op grond waarvan de opleidingsbeoordeling plaatsvindt, zijn te herleiden tot wettelijke bepalingen en wegen mee in de beoordeling van de opleiding. Indien zich tekortkomingen voordoen ten aanzien van de motivatie van anderstalig onderwijs en/of de taalvaardigheid van docenten kan dit een reden voor de NVAO zijn om accreditatie onder voorwaarden te verlenen dan wel de accreditatie in te trekken. Indien accreditatie onder voorwaarden om die reden wordt verleend wordt de instelling ertoe aangezet om de taalkeuze ernstig te heroverwegen of te werken aan verbetering van de taalvaardigheid van de docenten. Ik heb met de NVAO afgesproken om anderhalf jaar na invoering van het nieuwe accreditatiekader gezamenlijk te reflecteren op de wijze waarop panels en NVAO zijn omgegaan met dit nieuwe onderdeel van het kader.

Ruimte voor verdere verbetering

De leden van de CDA-fractie vragen wat de Minister bedoelt met de opmerking dat bij het experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie drie zeer verschillende maar even ambitieuze hogescholen de ruimte verder opzoeken. Gaat dit om drie hogescholen die voor het eerst aan de ITK deelnemen of gaat dit over meer ruimte binnen de ITK?

Ik heb met deze opmerking een voorbeeld willen geven van manieren waarop ik samen met instellingen blijf zoeken naar verdere verbeteringen van het accreditatiestelsel. Het doel van de pilot instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie is om te toetsen of het bieden van meer ruimte en vertrouwen aan instellingen in het hoger onderwijs om de eigen kwaliteitszorg vorm te geven op een manier passend bij de instelling, leidt tot het vergroten van eigenaarschap van de onderwijsgemeenschap en daarmee een versterking van de kwaliteitscultuur en minder ervaren lasten. De drie hogescholen beschikken al geruime tijd over een positief besluit op de ITK.

Indien dit het laatste betreft: kan de Minister aangeven welke extra ruimte deze instellingen krijgen?

In het kader van de pilot instellingsaccreditatie kunnen de deelnemende instellingen opleidingen voordragen voor een lichtere opleidingsaccreditatie. Een deel van de periodieke beoordeling van deze bestaande opleidingen op de kwaliteitsaspecten die in de wet staan, wordt binnen deze pilot niet uitgevoerd door de NVAO, maar door de instelling zelf. Instellingen krijgen meer vrijheid om de periodieke beoordelingen door middel van visitaties van bestaande opleidingen op de standaarden 2 (onderwijsleeromgeving) en 3 (toetsing en examinering) zelf vorm te geven. Instellingen organiseren deze visitaties conform de European Standards and Guidelines (ESG). De beoordeling vindt plaats op basis van peer review uitgevoerd door onafhankelijke en externe deskundigen. De opleiding wordt in het kader van accreditatie door de NVAO alleen beoordeeld op de standaarden 1 (beoogd eindniveau) en 4 (gerealiseerd eindniveau). De pilot geschiedt op basis van een experimenteer-AMvB die ik begin 2017 ter voorhang aan uw Kamer heb aangeboden.13

De leden van de CDA-fractie vragen wat de reden is dat deze drie hogescholen meer ruimte krijgen en andere onderwijsinstellingen niet. Ook vragen zij welke hogescholen dit betreft en hoe het komt dat geen universiteiten aan de pilot deelnemen.

De vormgeving en omvang van deze pilot is tot stand gekomen na intensief overleg met uw Kamer.14 Aan de pilot instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie kunnen in totaal zes instellingen voor hoger onderwijs deelnemen. Instellingen kunnen nog tot 1 september 2019 deelnemen aan de pilot. Op dit moment hebben drie instellingen zich gemeld, te weten de Hogeschool van Amsterdam, de Hogeschool der Kunsten Den Haag en de LOI. Deze instellingen voldoen allen aan de deelname-eisen. Universiteiten hebben de afgelopen jaren meermaals de wens uitgesproken om de stap te maken van opleidingsaccreditatie naar volledige instellingsaccreditatie. De ruimte die wordt geboden met het experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie wordt door instellingen ervaren als een tussenstap. Kennelijk zien universiteiten, in het licht van hun wens, op dit moment voor zichzelf geen meerwaarde in dit experiment. Elke instelling maakt daarin haar eigen afweging.

Ook vragen zij wanneer de Kamer de verdere verkenning naar de balans tussen kwaliteitsborging enerzijds en regeldruk anderzijds in relatie tot de ITK en de voortgang van de samenwerking tussen de NVAO, CDHO en inspectie kan verwachten. Tot slot vragen zij of de Minister kan aangeven welke aanpak en criteria zij wil gebruiken om te bepalen of ITK een middel is om de balans te verbeteren.

Tijdens de schriftelijke behandeling van de Wet accreditatie op maat heb ik aangegeven dat ik verwacht de verkenning naar een betere balans tussen kwaliteitsborging van onderwijs en anderzijds administratieve lasten voor de zomer van 2019 te kunnen delen met uw Kamer.15 Tegelijkertijd ben ik mij ervan bewust dat dit een ambitieuze planning is. In de verkenning wordt onder andere bekeken of instellingsaccreditatie hiertoe een middel kan zijn en zal de voortgang van de samenwerking tussen de NVAO, CDHO en inspectie ook aan bod komen. Op dit moment ben ik met het veld in gesprek hoe dit vorm te geven. Ik kan hier dus nog geen uitspraken over doen.

Overig

De leden vragen in welke mate en op welke manier de NVAO toetst of een opleiding voldoet aan beroepsvereisten (wettelijk geregelde bevoegdheden) in de opleiding, bijvoorbeeld bij een lerarenopleiding of een opleiding in de zorg. Tevens vragen zij of de Minister van mening is dat dit voldoende is.

Een aantal opleidingen in het hoger onderwijs kent wettelijke beroepsvereisten; vereisten ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die studenten moeten hebben verworven voordat zij het betreffende beroep kunnen uitvoeren. In het huidige stelsel is geborgd dat deze vereisten worden meegenomen in de beoordeling van de opleiding in het kader van accreditatie. Standaard 1 van het accreditatiekader voor opleidingen schrijft voor dat de beoogde leerresultaten aansluiten bij de actuele eisen die vanuit het regionale, het nationale en het internationale perspectief door het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding, en dat deze tevens in overeenstemmen met relevante wet- en regelgeving – zoals beroepsvereisten. De opleiding meldt dit doorgaans in het aanvraagdossier of de kritische reflectie en verwijst daarbij soms naar landelijk vastgestelde opleidingsprofielen. Het panel, waarin ook personen uit het werkveld zitting nemen, neemt zijn bevindingen hierover op in het visitatierapport, op grond waarvan de NVAO een accreditatiebesluit neemt.

De Inspectie heeft in haar evaluatierapport over het accreditatiestelsel opgemerkt dat zij geen praktijken is tegengekomen die strijdig zijn met de bepalingen in de WHW. Wel heeft zij geconstateerd dat opleidingen in de visitatieprocedure niet altijd expliciteren dat studenten bij afstuderen een onderwijsbevoegdheid verwerven. Om die reden wordt, conform het advies van de inspectie, in het accreditatiekader nu expliciet gewezen op de verplichting voor de instelling om tijdens de accreditatieprocedure melding te maken van alle wettelijke vereisten die aan de betreffende opleiding zijn verbonden. Met die maatregel acht ik de wettelijke beroepsvereisten voldoende geborgd.

Wanneer kan de Kamer de uitwerking van het systeem voor certificering van secretarissen verwachten?

Samen met de NVAO streef ik ernaar dat de regels waaraan secretarissen in de toekomst zullen moeten voldoen voor de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat zijn vastgelegd. Dat is naar verwachting dus voor februari 2019. De regels voor secretarissen maken formeel geen onderdeel uit van het accreditatiekader. Zij zullen door de NVAO openbaar worden gemaakt.

In het accreditatiekader staat: «de accreditatie bestaande opleidingen geldt voor onbepaalde tijd en kent geen vervaldatum. Voor het behoud van deze accreditatie laat de opleiding een beoordeling uitvoeren». De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan uiteenzetten hoe deze twee zinnen zich tot elkaar verhouden en hoe dit bijdraagt aan duidelijkheid en transparantie richting de instellingen.

Het accreditatiekader is een uitwerking van de wet. Dat de accreditatie voor bestaande opleidingen niet automatisch vervalt, en dat de opleiding elke zes jaar wordt gevisiteerd, zijn beide geregeld met de Wet accreditatie op maat. Een van de doelstellingen van die wet is dat meer vertrouwen van het stelsel uitgaat. Dat komt hier tot uitdrukking in de accreditatie: ons hoger onderwijs is van goede kwaliteit. Een systeem dat uitgaat van het vervallen van accreditatie «tenzij», doet daaraan geen recht. Met deze wet is gekozen voor het beginsel dat accreditatie bestaande opleiding doorloopt. Hieruit blijkt het vertrouwen dat bestaande opleidingen accreditatiewaardig zijn. Dit principe ontslaat instellingen niet van de plicht om een opleiding elke zes jaar te laten beoordelen door een onafhankelijk en deskundig panel en een rapport daarover naar de NVAO te sturen. Zowel de wet als het accreditatiekader zijn hierover volstrekt helder.

De inspectie vraagt ook aandacht voor de dekking van het accreditatiestelsel. De leden vragen of de Minister kan aangeven wat de inspectie hiermee bedoelt en hoe ze dit op gaat pakken.

Waar de inspectie in haar rapport spreekt over dekking bedoelt zij dat alle varianten, afstudeerrichtingen en locaties van de opleiding die op het moment van beoordeling worden aangeboden, moeten zijn beoordeeld. Conform het advies van de inspectie wordt in het accreditatiekader nu expliciet gewezen op de verplichting voor de instelling om tijdens de accreditatieprocedure melding te maken van alle afstudeerrichtingen, specialisaties, varianten, locaties en wettelijke vereisten die aan de betreffende opleiding zijn verbonden.

De eerdergenoemde leden zijn van mening dat de inspectie een zinnige beschouwing heeft gegeven op de verdere ontwikkelingen en overwegingen over de instellingsaccreditatie. Graag horen de leden van de CDA-fractie van de Minister wat zij met deze beschouwing gaat doen.

De inspectie wordt vanaf de start nauw betrokken bij de uitvoering van de verkenning naar een betere balans tussen kwaliteitsborging van onderwijs en administratieve lasten. Diens beschouwing over de verdere ontwikkelingen en overwegingen over instellingsaccreditatie zal dan ook worden meegenomen in de verkenning. Naast de inspectie worden ook de VSNU, de Vereniging Hogescholen, de NRTO, het ISO, de LSVb en de NVAO nauw betrokken bij de verkenning.

Graag zouden de leden willen weten hoe de Minister denkt over het toevoegen van een inloopuur voor studenten en docenten tijdens een visitatie van het panel tijdens een heraccreditatie/ITK om de transparantie te vergroten.

Het nieuwe accreditatiekader voorziet in een open spreekuur bij de instellingstoets kwaliteitszorg. Dit biedt medewerkers, studenten en andere belanghebbenden de gelegenheid om de eigen visie op de kwaliteitszorg van de instelling in vertrouwen naar voren te brengen. Ook bij de opleidingsvisitaties wordt voorgeschreven dat het panel studenten, docenten en andere betrokkenen bij de opleiding die niet deelnemen aan het programma van het locatiebezoek, de gelegenheid biedt om in vertrouwen en buiten het opleidingsmanagement zaken onder de aandacht van het panel te brengen die zij van belang achten voor de beoordeling.

Inbreng van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de NVAO er niet voor heeft gekozen, zoals eerder gesuggereerd leek te worden, om naar analogie van het funderend onderwijs duidelijk aan te geven wat de wettelijke basis voor standaarden is. Naar de mening van deze leden zou het de status van het kader ten goede komen als duidelijk wordt vermeld op welke bepalingen de tekst terugvoert. Op verschillende punten kan nu onduidelijk blijven wat precies de normen zijn die door de wetgever zijn geformuleerd. Zij vragen of de Minister van mening is dat dit voortaan opgenomen dient te worden.

De standaarden zoals omschreven in het accreditatiekader komen voort uit de kwaliteitsaspecten zoals geformuleerd in de Wet op het hoger onderwijs en onderzoek. In het nieuwe accreditatiekader is de status van dat accreditatiekader in die termen expliciet beschreven. Bovendien kent de wet een artikel (5.3 van de Wet accreditatie op maat) waarin expliciet voorgeschreven wordt van welke zaken het accreditatiekader in ieder geval een uitwerking is. Dat is voldoende, temeer omdat over de status van het accreditatiekader geen discussie bestaat bij de NVAO noch de onderwijsinstellingen.

Onderwijsleeromgeving (standaard 2)

De leden vragen op basis van welke wettelijke bepalingen de NVAO tot het oordeel is gekomen dat de onderwijsleeromgeving moet bevorderen dat studenten op actieve wijze deelnemen aan de vormgeving van het eigen leerproces.

In de wet is geregeld dat de NVAO bij de toets nieuwe opleiding onder andere de kwaliteitsaspecten «de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma» en «de kwaliteit van het docententeam» moet beoordelen. Het bevorderen dat studenten op actieve wijze deelnemen aan de vormgeving van het eigen leerproces is een nadere invulling van deze kwaliteitsaspecten. Het stimuleren van het eigen leervermogen van de student is eveneens een belangrijk element in de ESG. Hierin is opgenomen dat er bij accreditatie aandacht wordt besteed aan studentgericht leren en onderwijzen. Dit speelt namelijk een belangrijke rol bij het stimuleren van de motivatie van studenten, hun zelfreflectie en hun betrokkenheid bij het leerproces.

Toetsing (standaard 3)

De leden van de SGP-fractie constateren dat ten aanzien van toetsing een stapeling van formuleringen wordt gebruikt die gemakkelijk tot verwarring kan leiden. Als basale norm geldt dat de kwaliteit van toetsing en examinering moet voldoen aan de wettelijke deugdelijkheidseisen. Toch wordt in cumulatieve zin toegevoegd dat het ook voldoende moet zijn. Bovendien opent de toelichting met het uitgangspunt dat de beoordeling valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk moet zijn. Deze leden vragen waarom de tekst niet eenduidiger is geformuleerd en directer aansluit bij datgene wat uit de deugdelijkheidseisen volgt.

Het wettelijk kwaliteitsaspect waar de leden van de SGP op doelen is de wijze dan wel de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten. Hoe de NVAO dit kwaliteitsaspect beoordeelt, is uitgewerkt in het accreditatiekader. Op grond van de WHW legt de NVAO haar werkwijze met betrekking tot haar taken vast in dit kader en dient zij in elk geval de kwaliteitsaspecten uit te werken (artikel 5.3 van de Wet accreditatie op maat). De formulering van standaard 3 en de toelichting daarop is de uitwerking van dit kwaliteitsaspect.

Eindwerken

De eerder genoemde leden vragen waarom in het informatiedossier een afzonderlijke beschrijving nodig is van de wijze waarop de gerealiseerde leerresultaten zijn getoetst. Deze leden veronderstellen dat het opstellen van deze toelichting veelal overbodig is, aangezien het uit de aangeleverde eindwerken doorgaans vanzelfsprekend blijkt en dat in een nader gesprek indien gewenst toelichting kan worden gegeven.

De beoordeling door het panel is erop gericht een oordeel te kunnen geven over de realisatie van de leerresultaten, de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de manier waarop de opleiding een correcte beoordeling van eindwerken borgt. De beschrijving van de wijze waarop de beoordeling van de eindwerken tot stand komt, bevat voor een panel belangrijke informatie zoals de gegevens over de relatie tussen beoogde leerresultaten en de toetsen, de gehanteerde beoordelingscriteria en de beoordelingsformulieren. Deze stellen een panel in staat te beoordelen op welke criteria het oordeel tot stand is gekomen, of deze duidelijk zijn voor de studenten, en of de opleiding de realisatie van de beoogde leerresultaten daadwerkelijk als uitgangspunt neemt voor de toetsing. Het nieuwe accreditatiekader wijkt hierin niet af van het huidige accreditatiekader.

De leden van de SGP-fractie vragen of de Minister kan aangeven of het in andere landen ook gebruikelijk is dat panels in het kader van accreditatie zelf eindwerken gaan beoordelen.

Het panel kijkt of in de eindwerken de realisatie van de beoogde leerresultaten is terug te vinden, en of de opleiding op een transparante en navolgbare manier tot een beoordeling en becijfering komt. Van het panel wordt nadrukkelijk niet verwacht dat het de beoordeling van de eindwerken door de opleiding over doet. In die zin beoordeelt het panel niet de eindwerken; dat is immers aan de opleiding zelf.

De bewaking van het gerealiseerde eindniveau is een van de kernwaarden in het huidige systeem van externe kwaliteitszorg van het Nederlandse hoger onderwijs. Voor zover mij bekend is, is de beoordeling van de realiseerde leerresultaten in andere landen niet gebruikelijk. Met die beoordeling wordt geborgd dat de eindkwalificaties van elke erkende opleiding voldoen aan de eisen die toonaangevend zijn voor de betreffende wetenschappelijke discipline dan wel het beroepenveld in binnen- en buitenland, zo onderstreept ook de Stuurgroep Accreditatiestelsel 3.0 in haar advies.16

Onderwijstaal

De leden van de SGP-fractie constateren dat het accreditatiekader slechts summier vermeldt dat instellingen de keuze voor een andere taal dan het Nederlands moeten motiveren, terwijl de Minister schrijft dat maatregelen kunnen worden genomen wanneer de onderbouwing tekortschiet. Kan de Minister bevestigen dat niet enkel wordt getoetst op de aanwezigheid van een inhoudelijke redenering, maar dat ook de overtuigende kracht ervan wordt getoetst? Waarom is dit onderdeel in het kader niet duidelijker dan in een enkele zin verwoord, zo vragen zij.

Ik kan bevestigen dat niet enkel zal worden getoetst op de aanwezigheid van een inhoudelijke redenering voor de taalkeuze. Het panel wordt geacht vast te stellen of er naar zijn oordeel sprake is van een deugdelijke onderbouwing. Er kunnen legitieme en minder legitieme argumenten zijn om voor een andere taal dan het Nederlands te kiezen.

De NVAO heeft ervoor gekozen om dit specifieke voorschrift in het accreditatiekader niet verder uit te werken. Daar sta ik achter, omdat ik er vertrouwen in heb dat de peers en de NVAO op dit punt een goede beoordelingspraktijk zullen ontwikkelen, zoals dit ook het geval is bij de beoordeling van andere kwaliteitsaspecten. Van het panel wordt een attitude en werkwijze verwacht die past bij het uitgangspunt van peer review, zoals in het accreditatiekader ook expliciet wordt vermeld. Dit betekent onder meer dat het panel vertrekt vanuit vertrouwen en de uitgangspunten van de opleiding, een open dialoog met de opleiding voert, en recht doet aan de verschillende perspectieven op kwaliteit. Zoals ik uiteengezet heb in mijn aanbiedingsbrief is het permanent zoeken naar de balans tussen openheid en regulering eigen aan een systeem van peer review.17 Ik heb daarom met de NVAO afgesproken om een anderhalf jaar na invoering van het nieuwe accreditatiekader gezamenlijk te reflecteren op de wijze waarop panels en NVAO zijn omgegaan met dit nieuwe onderdeel van het kader.


X Noot
1

WHW: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

X Noot
2

Kamerstuk 34 735, nr. 15.

X Noot
3

NVAO: Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie

X Noot
4

ITK: instellingstoets kwaliteitszorg

X Noot
5

Kamerstuk 22 452, nr. 66

X Noot
6

Ontleend aan de definitie van de Onderwijsraad; Kwaliteit in het hoger onderwijs, augustus 2015.

X Noot
7

Kamerstuk 31 288, nr. 660.

X Noot
8

Kamerstuk 34 735, nr. 15.

X Noot
9

NVAO: Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie

X Noot
10

ITK: instellingstoets kwaliteitszorg

X Noot
11

Kamerstukken 31 288 en 34 735, nr. 661.

X Noot
12

Voor de uitgebreide opleidingsbeoordeling zijn deze ondergebracht bij standaard 4 en standaard 6.

X Noot
13

Kamerstuk 31 288 nr. 578 & Stb. 2017, nr. 500.

X Noot
14

Zie Kamerbrieven Accreditatie op maat I, II en III. Kamerstuk 31 288, nrs. 471, 522 en 528.

X Noot
15

Kamerstuk 34 735, E.

X Noot
16

In de stuurgroep waren de VSNU, de Vereniging Hogescholen, de NRTO, het ISO, de LSVb, de Inspectie van het Onderwijs, de NVAO en het Ministerie van OCW vertegenwoordigd. Voor het advies, zie bijlage bij Kamerstuk 31 288, nr. 471.

X Noot
17

Kamerstukken 31 288 en 34 735, nr. 661.