Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201531288 nr. 437

31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 437 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 24 april 2015

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 10 februari 2015 over het ontwerpbesluit experiment promotieonderwijs (Kamerstuk 31 288, nr. 416).

De vragen en opmerkingen zijn op 24 februari 2015 aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 22 april 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Wolbert

Adjunct-griffier van de commissie, Boeve

Inhoudsopgave

 
     

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

 

1. Algemeen

2

 

2. Inleiding

3

 

3. Achtergrond

3

 

4. Vormgeving

5

 

5. Rechten

6

 

6. Evaluatie

7

 

7. Deelname

7

 

8. Adviezen en overleg

8

II

Reactie van de Minister

9

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

1. Algemeen

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige ontwerpbesluit experiment promotieonderwijs. De leden hechten grote waarde aan een goed opgeleide beroepsbevolking die zich kan blijven ontwikkelen. Promotietrajecten maken hierbij aan de bovenkant van de arbeidsmarkt een belangrijk deel uit van het onderwijsaanbod en daarom kennen de leden veel waarde toe aan een breed aanbod aan kwalitatief hoogwaardige promotieplaatsen. Zij onderschrijven dan ook de drie doelstellingen van het voorgenomen experiment. Aanvullend hierop hechten deze leden grote waarde aan het toekennen van meer promotieplaatsen aan studenten die een eigen onderzoeksvoorstel schrijven. De leden zouden dit dan ook als vierde doelstelling aan het experiment willen toevoegen. Daarnaast hebben deze leden nog enkele aanvullende vragen over de aard en omvang van het experiment en de positie van promotiestudenten binnen het experiment.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit. Zij menen dat met dit experiment een verkeerde weg wordt ingeslagen. Promovendi zijn volwaardige werknemers, er dienen geen uitzonderingen te worden gemaakt zoals met dit experiment wel wordt beoogd. Zij dringen erop aan iedere promovendus als volwaardige werknemer te behandelen, dat wil zeggen in dienst van de universiteit, met volwaardig salaris en arbeidsvoorwaarden.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit over het experiment promotieonderwijs. Deze leden kunnen zich vinden in meer differentiatie van de promotietrajecten, en het starten van een experiment met de zogenaamde derde cyclus, maar hebben nog wel een aantal vragen.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit experiment promotieonderwijs. Hoewel de Nederlandse kenniseconomie gebaat is bij het vergroten van het aantal gepromoveerden, hebben de leden de nodige vragen over het experiment.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit experiment promotieonderwijs. Deze leden zien aanleiding tot het stellen van vragen.

De leden kijken kritisch naar het experiment promotieonderwijs.

2. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de Minister het experiment met promotiestudenten als een mogelijkheid ziet om onze internationale toppositie als kennissamenleving te borgen. Echter, zo vragen deze leden, is hierbij een kwantitatief argument leidend of een kwalitatief argument. De leden merken op dat dat we onze huidige toppositie als kennissamenleving ontlenen aan de kwaliteit van ons wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, zoals ook wordt opgemerkt in de «Wetenschapsvisie 2025». Hoe kan, volgens de Minister, het voorgenomen experiment bijdragen aan het versterken van de kwaliteit van onderzoek?

De leden roepen in herinnering dat er eerder voor is gekozen om af te zien van een dergelijke experiment bij de behandeling van de Wet Kwaliteit in verscheidenheid1. De Minister stipt dit punt ook aan en wijst op de kritiek van de Raad van State op het experiment met promotiestudenten. Graag horen de leden nogmaals welke kritiekpunten er destijds waren en op welke punten er aan de opmerkingen van de Raad van State tegemoet is gekomen binnen het huidige experiment. De leden onderschrijven de opvatting dat er vooral in het onderwijs behoefte is aan meer hoogopgeleiden, docenten die hbo- of wo-master hebben behaald of gepromoveerd zijn. Graag horen de leden hoe groot het animo onder promovendi nu is om voor de klas te gaan staan na afronding van een promotietraject. Is een dergelijk perspectief aantrekkelijk genoeg volgens de Minister, zo vragen deze leden.

De leden van de SP-fractie vragen de Minister preciezer toe te lichten op welke wijze een meer divers aanbod van gepromoveerden, en dan met name de beurspromovendi, de kenniseconomie zal versterken. Waarom kan naar haar mening het versterken van de kenniseconomie en een goede aansluiting met de arbeidsmarkt niet plaatsvinden met het huidige promovendi-stelsel? Ook vragen deze leden naar de argumentatie waarom promotiestudenten een betere aansluiting op de arbeidsmarkt zouden hebben dan werknemer-promovendi. Zij vragen de Minister dit uitgebreider toe te lichten.

De kenniseconomie is gebaat bij gedegen onderzoek. Deze leden wijzen op het grote belang van goede werkomstandigheden om tot goed en gedegen onderzoek te kunnen komen, werkomstandigheden die nu voor een groot deel van de promovendi dreigen te verdwijnen.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat promovendi primair beschouwd moeten worden als werknemers met de daarbij horende arbeidsvoorwaarden. Deze leden vragen de Minister nader uit te leggen hoe dit experiment leidt tot meer kwaliteit van onderzoek en hoe dit experiment meer kansen biedt voor aankomende promovendi.

3. Achtergrond

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de Minister de hoop uit dat een kandidaat-promovendus met een onderzoeksvoorstel, dat nu niet makkelijk in de bestaande onderzoeksprogrammering van een instituut kan worden ingepast, meer mogelijkheden krijgt om zijn onderzoek uit te voeren als gevolg van het experiment met promotiestudenten. De leden zouden een dergelijke ontwikkeling omarmen, maar zijn er niet zeker van dat dit het geval zal zijn. Zij vragen de Minister daarom om hier op toe te zien tijdens het experiment en na afloop van het experiment. Is zij hiertoe bereid? En zo ja, op welke wijze zal de Minister dit doen? Kan het realiseren van meer eigen voorstellen voor promotietrajecten worden toegevoegd als vierde doelstelling van het onderhavige experiment? En heeft de Minister een streefcijfer voor het aantal eigen voorstellen dat zij verwacht dat ingediend en gehonoreerd zal worden? Wanneer spreekt zij op dit punt van een succes? Bij welk percentage, zo vragen deze leden.

De Minister stelt in de nota van toelichting bij het experiment promotiestudent dat: «De promotiestudent kan dankzij het ontbreken van een dienstverband veel tijd besteden aan het verrichten van onderzoek en daarnaast ook meer generieke vaardigheden ontwikkelen. Zo kan in het promotieonderwijs aandacht worden besteed aan het ontwikkelen van een brede oriëntatie op de wetenschap en haar rol in de maatschappij, zodat de onderzoekvaardigheden goed kunnen worden aangewend in sectoren buiten de universitaire wereld.» Is de Minister van mening dat dit binnen het huidige stelsel niet of niet voldoende kan? En zo ja, kan ze dit nader onderbouwen? Welke beperkingen kent het huidige stelsel? De leden van deze fractie zijn dergelijke beperkingen namelijk niet bekend en zij zouden daarom graag zien dat de Minister hier nadrukkelijker op in gaat. Daarnaast stelt de Minister dat het experiment tevens een uitgelezen kans is om vwo-scholen met promovendi in aanraking te brengen. Zou dit betekenen dat promotiestudenten zouden moeten studeren, promoveren en doceren? En zo ja, welke belasting brengt dit met zich mee voor de promotiestudent? En zo nee, hoe dient deze opmerking dan geïnterpreteerd te worden, zo vragen de leden.

De leden merken daarnaast op dat het op kwantiteit concurreren voor een land als Nederland mogelijk noch wenselijk is. En binnen het huidige stelsel draagt de status van werknemer van een promovendus juist bij aan de aantrekkelijkheid voor toptalent om na hun opleiding een promotieonderzoek uit te voeren. Hoe beziet u het risico dat toptalenten niet langer voor een promotietraject kiezen maar direct na afronding van hun opleiding de arbeidsmarkt betreden? Hebben deze toptalenten, volgens de Minister, interesse voor een promotietraject waarbij zij geen werknemerstatus hebben? Wordt bij de evaluatie onderzocht of de toptalenten kiezen voor de optie om te promoveren als promotiestudent?

De Minister bepleit dat het zaak is om vergelijkbaarheid van ons stelsel van hoger onderwijs met dat van andere Europese landen te vergroten. Echter, de leden zijn van mening dat dit streven niet ten koste mag gaan van de eigenheid van ons onderwijsstelsel en dat we kenmerken die ons onderwijs- en onderzoekstelsel in positieve zin onderscheiden van andere landen dienen te behouden. Is de Minister het op dit punt eens met de leden van deze fractie? En zo ja, ziet zij de werknemer-promovendus als een positief kenmerk van ons stelsel van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek?

De leden van de SP-fractie vragen de Minister waar de opvatting op is gebaseerd dat met het beurzensysteem het promotietraject aantrekkelijker gaat worden. Zij vragen verder op welke wijze het promotietraject aantrekkelijker gemaakt kan worden binnen het huidig systeem. Is hier onderzoek naar gedaan? De Minister maakt de vergelijking met het buitenland, met name binnen Europa. De leden van deze fractie vragen de Minister meer inzicht te geven in de promotietrajecten in met Nederland vergelijkbare landen. Welk percentage van de PhD’s2 is in dienst van de universiteit en welk percentage «studeert» als PhD? Is van laatstgenoemde groep bekend op welke wijze zij in hun levensonderhoud voorzien? Op welke wijze functioneert het «internationale systeem» in de ogen van de Minister beter dan het Nederlands systeem? Kan de Minister onder elkaar zetten waar de studentpromovendus en de werknemer-promovendus van elkaar gaan verschillen? Deze leden zien de exacte verschillen graag duidelijk toe gelicht.

De leden van de CDA-fractie lezen in het ontwerpbesluit dat niet alleen Nederland één van de weinige landen is die nog niet een derde cyclus had, maar dat het ook in het buitenland veelal mogelijk is om een werknemer met een breder doel aan te stellen dan alleen promoveren en lesgeven. In het kader van het aantrekkelijker maken van het promoveren vragen deze leden dan ook aan de Minister waarom deze mogelijkheid niet ook wordt meegenomen in dit experiment.

4. Vormgeving

De leden van de PvdA-fractie lezen dat universiteiten vrij zijn in de vormgeving van de promotietrajecten. Ook over de hoogte van de beloning van promotiestudenten zijn geen afspraken gemaakt, zo lezen deze leden. Is de Minister bereid om een minimumvergoeding voor promotiestudenten, ter hoogte van het nettosalaris van een promovendus-werknemer, toch nog te verankeren? Zo nee, waarom niet? Ook horen de leden graag of promovendi altijd de keuze krijgen tussen de verschillende promotietrajecten? En zo nee, hoe wordt voorkomen wordt dat zij in een traject worden gedwongen door een universiteit c.q. faculteit. Immers, de positie en keuzevrijheid van aankomende promovendi dient afdoende geborgd te zijn. Deelt de Minister deze opvatting? De leden vragen of het zo kan zijn dat de looptijd van de beurs die een promotiestudent ontvangt, korter zou kunnen zijn dan de mogelijke duur van het promotietraject. En zo nee, waarom is dit dan niet nadrukkelijk vermeld in de nota van toelichting, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de andere aspecten van de promotiestudenten. Immers, zij bouwen geen sociale voorzieningen op tijdens hun promotie en hebben daarmee in opbouw van pensioen en rechten ten aanzien van werkloosheidsuitkeringen en bijstand een minder gunstige positie dan de werknemers-promovendi. Deze leden verkrijgen hier graag een toelichting op. Bevordert dit dan toch niet onbedoeld de tweedeling in eersterangs- en tweederangstrajecten waar de Raad van State ook al eerder op wees, en waarbij de meest succesvolle kandidaten met de meest gewilde promotieonderzoeken werknemer-promovendi worden en de minder gewilde kandidaten promotiestudent worden? De leden ontvangen hier graag een nadere toelichting op.

De leden van de SP-fractie vragen waarop de opvatting is gebaseerd dat «dankzij het ontbreken van een dienstverband» beter onderzoek mogelijk zou zijn. Is het niet juist van groot belang dat voor het verrichten van onderzoek de tijd en ruimte geboden wordt, wat het geval is wanneer het onderzoek is ingebed in een dienstverband? De leden verkrijgen graag een toelichting op dit punt. Op welke wijze wordt erop toegezien dat bij de inrichting van het experiment op de universiteiten de financiële ondersteuning en de duur van het promotietraject op orde is? Kan er tussentijds worden ingegrepen wanneer deze in de praktijk onvoldoende blijken, zo vragen deze leden.

De leden wijzen erop dat wat betreft de bekostiging aan de universiteiten de Minister stelt dat promotiestudenten geen gewone studenten zijn en de universiteit dus geen rijksbijdrage ontvangt voor deze groep, terwijl aan de andere kant deze studenten wel opeens als student worden gezien door de Minister wanneer het aankomt op het voorzien in hun levensonderhoud. De leden ontvangen graag een reactie op dit punt.

De lezen van de D66-fractie merken op dat werknemers die promoveren dikwijls diverse taken verrichten voor de universiteit, waarbij onderwijs een belangrijke taak is. Staat het universiteiten vrij om promotiestudenten in te zetten voor universitaire onderwijstaken en zo ja, vindt de Minister dit wenselijk? Als derde fase studenten voor universitair onderwijs worden ingezet, zullen universiteiten hiervoor dan ook de gebruikelijke didactische ondersteuning bieden aan promovendus-studenten?

De leden merken op dat de Minister beschrijft dat studenten al in de tweede fase van hun studie, bijvoorbeeld tijdens een research master, kunnen aanvangen met het promotieonderzoek. Echter, dergelijke studenten hebben volgens het ontwerp-Besluit geen recht op een beurs uit het profileringsfonds. Creëert de Minister hiermee geen financiële prikkel voor universiteiten om alle promotiestudenten al tijdens hun master opleiding te laten starten met hun promotieonderzoek en is dit wenselijk voor de kwaliteit van het master onderwijs, zo vragen zij.

5. Rechten

De leden van de SP-fractie vragen of er harde afspraken met de universiteiten zijn gemaakt, of nog gemaakt gaan worden, over de vaststelling van de hoogte van de beurzen. Er wordt nu gesproken van uitgangspunten, maar in hoeverre kunnen individuele universiteiten of opleidingstrajecten hier van afwijken? Krijgt iedere promotiestudent deze beurs en gaat deze voor iedere promotiestudent even hoog zijn? Verder vragen zij welk aandeel deze beurzen gaan hebben op het profileringsfonds. Op welke wijze wordt het budget van de profileringsfondsen opgehoogd? Zijn de universiteiten verantwoordelijk voor de noodzakelijke ophoging, en zo ja welke gevolgen heeft dat voor hun begroting? De leden wijzen erop dat er met de invoering van het leenstelsel meer beroep gedaan zal worden op hetzelfde profileringsfonds. Zij wijzen erop dat de Minister een systeemverantwoordelijkheid heeft om in te staan voor voldoende budget om te kunnen voorzien in alles wat aan universiteiten wordt gevraagd.

De leden vragen waaruit het onderwijs zal bestaan waaraan de promotiestudent zal deelnemen. Gaan alle promotiestudenten collegegeld betalen? Wanneer deze promovendi collegegeld moeten betalen, dienen zij daarvoor net zoveel onderwijs te ontvangen als reguliere studenten. Hoe gaat dan de verhouding onderwijs en onderzoek eruit zien? Heeft het onderwijs de nadruk, of het doen van onderzoek, zo vragen de leden.

Verder vragen deze leden wat wordt geregeld inzake het instellingscollegegeld. In welke gevallen zou het promotie/onderwijstraject gezien kunnen worden als tweede studie, waarvoor het instellingscollegegeld moet worden betaald, zo willen de leden weten.

De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de keuze om de beurzen voor de promotiestudenten uit het profileringsfonds te betalen. Nu is er al grote druk op deze Fondsen en deze leden zijn bevreesd dat er niet voldoende geld overblijft in deze Fondsen voor de financiële ondersteuning van studenten met een beperking of ziekte, zwangerschap of andere schrijnende gevallen, of bijvoorbeeld de sporttalenten. Tevens ontvangen de leden ook graag een nadere toelichting waarom niet voor een andere dekking is gekozen, bijvoorbeeld dekking door de opbrengsten uit het leenstelsel.

De leden van de D66-fractie lezen dat het derde fase onderwijs is vrijgesteld van de wettelijke bepaling met betrekking tot de inhoud van het onderwijs. Derde fase studenten betalen echter wel het wettelijke collegegeld en mogen hiervoor in de plaats ook kwalitatief goed onderwijs verwachten. De Minister beschrijft in haar nota van toelichting dat onder promotieonderwijs wordt verstaan: «onderwijs gericht op onderzoeksvaardigheden en generieke vaardigheden ten behoeve van de positie op de arbeidsmarkt van de student». In het buitenland is het niet ongebruikelijk dat promovendus-studenten colleges volgen in hun vakgebied. Valt dergelijke onderwijs ook onder de beschrijving van de Minister en zo nee, waarom niet? Daarnaast vragen de leden waar studenten met eventuele conflicten over het aangeboden onderwijs terecht kunnen als tevens de wettelijke bepalingen met betrekking tot de examencommissie niet van toepassing zijn.

6. Evaluatie

De leden van de SP-fractie wijzen op de kritiek van de Raad van State. Ook deze leden vrezen net als de Raad van State voor verdringing. Deze leden wijzen er op dat eerdere pogingen om promovendi als student te behandelen onsuccesvol bleken. Op welk punt zal de Minister besluiten te stoppen met dit experiment? Met andere woorden, zijn er naar mening van de Minister scenario’s denkbaar die aanleiding geven het experiment voortijdig te beëindigen? Graag ontvangen de leden een verdere toelichting op deze mogelijke scenario’s.

Wanneer, zo vragen de leden, blijkt dat dit experiment nadelig uitpakt voor Nederlandse studenten en promovendi, maar voordelen heeft voor buitenlandse studenten en promovendi, kan de Nederlandse student en promovendus in dat geval zeker zijn van de steun van de eigen Minister? Verder merken de leden op dat zij vragen in de evaluatie missen die zich richten op de promovendi zelf. Hoe ervaren de promotiestudenten het traject in brede zin zelf? Vinden zij dat zij voldoende (financiële) ruimte hebben om te promoveren? Hoe ervaren zij de verhouding onderwijs en onderzoek? Dezelfde soort vragen zouden gevraagd moeten worden aan werknemer-promovendi, om tot een goed vergelijk in tevredenheid te kunnen komen.

De leden vragen waaruit de tussentijdse evaluatie zal bestaan. Op welke vragen zal dan antwoord gegeven worden, zo vernemen deze leden graag.

De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd naar de effecten door verdringing van de werknemer-promovendi door de promotiestudenten in de eerste tussentijds (en latere) evaluaties. Er zal naar de mening van deze leden zeer nauwlettend in de gaten moeten worden gehouden of de universiteiten vanwege financiële voordelen en arbeidsmarktrechtelijke voordelen vaker zullen kiezen voor een promotiestudent dan een werknemer-promovendus. Deze leden zijn dan ook benieuwd hoe de Minister wil gaan onderzoeken of dit effect plaatsvindt, gezien de maximering van 2.000 promovendi-studenten. Gaarne ontvangen deze leden een nadere toelichting.

7. Deelname

De leden van de PvdA-fractie hebben zorgen over de omvang van het voorgestelde experiment, waarbij de komende jaren tien procent van de promovendi een promotiestudent kan zijn. Is de Minister van mening dat bij een dergelijke omvang nog wel gesproken kan worden over een experiment? Waarom is er niet voor gekozen om de omvang te beperken tot tien procent van het totaal aantal werknemer-promovendi (de voormalige assistent in opleiding)? Is er daarnaast per faculteit ook een begrenzing op het maximale aantal promotiestudenten dat zij aanstellen? De leden zouden het namelijk zorgelijk vinden als op sommige instellingen c.q. faculteiten het aantal promotiestudenten te groot zou worden en/of het aantal werknemer-promovendi zou overstijgen. Dit zou het experimentele karakter van de voorgestelde maatregel ook ernstig ondergraven, zo zijn deze leden van mening.

De leden lezen dat wanneer het aantal gehonoreerde aanvragen het totaal aantal promotieplaatsen van 2.000 in 2018 niet heeft bereikt er dan een nieuwe aanvraagronde kan worden opengesteld. Echter, als het aantal aanmeldingen niet het voorgestelde maximum zou halen, kan dan niet worden gesteld dat het experiment als zodanig niet is geslaagd, zo vragen deze leden. Immers, een beperkt animo bij universiteiten zou hier op kunnen wijzen, deelt de Minister deze opvatting? En zo nee, waarom niet? Aanvullend horen de leden graag of alle universiteiten deel willen nemen aan het experiment met promotieonderwijs. En zo nee, welke instellingen nemen geen deel en waarom zien zij af van deelname? En is er ook een minimumaantal aanmeldingen geformuleerd? Want als er slecht zeer beperkte animo is vanuit aspirant-promovendi en/of instellingen, dan lijkt het de leden niet meer dan logisch om het experiment te heroverwegen.

De leden van de SP-fractie merken op dat de omvang van het experiment meer weg lijkt te hebben van een gefaseerde invoer, dan van een daadwerkelijke experiment. Een deelnamemaximum van tien procent is erg hoog voor een experiment met een looptijd van acht jaar, waarvan de uitkomsten onzeker zijn en met een groot risico op nadelige effecten. Zij vragen om een reactie. Ook vragen zij waarom niet is gekozen om van tien procent van de daadwerkelijke (werknemer-)promovendi uit te gaan, waarmee de omvang van het experiment geen 2.000 maar rond de 750 studentpromovendi zou omvatten. Verder vragen deze leden wat het gevolg is wanneer er onvoldoende belangstelling blijkt vanuit de universiteiten om zich aan te melden voor dit experiment. Zal de Minister dan overgaan tot het aanwijzen van instellingen en opleidingen, of wordt dit experiment dan afgeblazen? Ook wijzen de leden op de medezeggenschapsraden. Wat is het gevolg wanneer de medezeggenschap niet instemt met deelname? Betekent dat dat de betreffende universiteit niet zal deelnemen aan het experiment, zo vragen deze leden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de Minister uit te leggen waarom is gekozen voor 2.000 beschikbare plekken. De leden vragen of dit experiment niet te groot is, als je weet dat in 2013 zo’n 8.700 promovendi in dienst van Nederlandse Universiteiten waren (volgens VSNU3).

8. Adviezen en overleg

De leden van de SP-fractie vragen de Minister te reageren op de berichtgeving4, namelijk dat meerdere universiteiten, medezeggenschapsraden en verschillende promovendi- en studentenorganisaties, als ook verschillende vakbonden, hebben aangegeven voorliggend experiment zeer onwenselijk te vinden en niet van plan zijn in te stemmen met het experiment. De leden benadrukken nogmaals de onwenselijkheid van dit experiment en het ontbreken van draagvlak bij de direct betrokkenen. Zij vragen de Minister van dit voorstel af te zien.

De leden van de D66-fractie lezen dat de VSNU te kennen heeft gegeven dat de universiteiten uitgaan van een beurs die gelijk is aan het netto-salaris van een promovendus-werknemer. Artikel 9, lid 3 biedt instellingsbesturen echter de mogelijkheid de hoogte van de beurs zelf te bepalen. Acht de Minister het mogelijk en wenselijk dat een deel van de promovendus-studenten een beurs zullen ontvangen die fors lager ligt dat het netto-salaris van een promovendus-werknemer?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat enkele belangrijke vakbonden en andere partijen, zoals de Radboud Universiteit Nijmegen, zich verzetten tegen dit experiment. Hoe duidt de Minister de kritiek van de vakbonden en gaat ze nog daarover nog met de vakbonden in gesprek, zo vragen de genoemde leden.

II. Reactie van de Minister

1. Algemeen

Ik neem op deze plaats kennis van de algemene standpunten van de leden van de diverse fracties. Op de gestelde vragen zal ik hierna ingaan.

2. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie lezen dat het experiment met promotiestudenten als een mogelijkheid wordt gezien om onze internationale toppositie als kennissamenleving te borgen. Zij vragen of hierbij een kwantitatief of een kwalitatief argument leidend is.

De leden van de SP-fractie willen graag een preciezere toelichting op de wijze waarop een meer divers aanbod van gepromoveerden, en dan vooral beurspromovendi, de Nederlandse kenniseconomie zal versterken.

De kwaliteit van de huidige promoties is goed. Dit experiment is dan ook niet in de eerste plaats opgezet om hierin verbetering aan te brengen. Bij de voorbereiding van gepromoveerden op de arbeidsmarkt ten behoeve van onze kennissamenleving is wel aan kwaliteit te winnen. Dat is een van de doelen van het experiment. Meer differentiatie in de promotievormen kan daarnaast een toename van het aantal promotieplaatsen opleveren. Door een «derde cyclus» in het Nederlands hoger onderwijs kan de aantrekkelijkheid van promoveren voor zowel Nederlandse als buitenlandse studenten groter worden. Het is daarom een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve argumenten die de directe aanleiding vormt voor de introductie van het experiment.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat we onze toppositie als kennissamenleving ontlenen aan de kwaliteit van ons wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, zoals ook wordt opgemerkt in de «Wetenschapsvisie 2025». Zij vragen hoe het experiment zou kunnen bijdragen aan het versterken van de kwaliteit van het onderzoek.

De kwaliteit van ons wetenschappelijke onderwijs en onderzoek is goed en staat niet ter discussie. Voor de promotiestudenten gelden dezelfde kwaliteitsnormen als voor de andere promovendi. De kwaliteit blijft dus geborgd.

Tegelijkertijd is in de kabinetsbrief «Werken aan groei» (Kamerstuk 34 000, nr. 4) de behoefte aan meer talent in Nederland geformuleerd ten behoeve van een wendbare economie, hetgeen vraagt om meer gepromoveerden in het bedrijfsleven en bij de rijksoverheid en een betere aansluiting van de promotieopleiding op de latere loopbaan van promovendi, ook buiten de wetenschap. In de Wetenschapsvisie 2025 is in relatie hiermee geconstateerd dat aanwas van jonge onderzoekers cruciaal is voor ons wetenschappelijk systeem. Evenzeer is belangrijk dat uitstroom van onderzoekers naar de kennissamenleving plaatsvindt. In de Wetenschapsvisie is ook geconstateerd dat het Nederlandse promotiestelsel ten opzichte van het overgrote deel van de ons omringende landen weinig differentiatie kent. Die landen kennen promovendi met een studentstatus. Het voordeel dat we bereiken met meer differentiatie in het Nederlandse promotiestelsel door de uitbreiding daarvan met een derde cyclus voor de promotiestudent is dat we daarmee een aansluiting bewerkstelligen met wat in andere landen gebruikelijk is. Dit kan Nederland als promotieland voor buitenlands toptalent aantrekkelijker maken. Door de combinatie met onderwijs dat de positie op de arbeidsmarkt verbetert kan promoveren aantrekkelijker worden voor afgestudeerden die onderzoektalent bezitten maar onderzoek en promotie eerder niet in overweging namen, omdat zij geen academische carrière ambiëren. Door de mogelijkheid van vrijheid in de keuze van een onderzoeksonderwerp kan promoveren ook nog aantrekkelijker worden voor creatieve talenten met innovatieve onderzoekideeën die in de samenleving voor waardevolle toepassingen kunnen zorgen.

De leden van de PvdA-fractie vernemen graag nogmaals de kritiekpunten van de Raad van State op promotieonderwijs toen dit deel uitmaakte van het wetsvoorstel Kwaliteit in verscheidenheid. Op grond van die kritiekpunten is destijds afgezien van promotieonderwijs. Op welke punten is aan de opmerkingen van de Raad van State tegemoet gekomen binnen het huidige experiment.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft destijds in haar advies over het onderdeel promotieonderwijs van het wetsvoorstel Kwaliteit in verscheidenheid (Kamerstuk 33 519, nr. 4) op een aantal risico’s gewezen die verbonden kunnen zijn aan grootschalige invoering van promotieonderwijs. Zij heeft gewezen op het risico dat werknemer-promovendi door promotiestudenten worden verdrongen, dat promoveren minder aantrekkelijk wordt en dat er een onderscheid ontstaat tussen eersterangs en tweederangs promotietrajecten. Dit kan volgens de Afdeling afbreuk doen aan de kwaliteit van het promotiestelsel. De Afdeling plaatste deze bedenkingen in het kader van het wetsvoorstel dat zag op structurele invoering van het promotieonderwijs. Het kabinet heeft deze bezwaren serieus genomen. Omdat hij toch belangrijke voordelen van promotieonderwijs ziet en tegelijkertijd geen onomkeerbare structurele stappen wil nemen, wordt voorgesteld daarmee eerst op beperkte schaal te experimenteren. Het experiment zal grondig en onafhankelijk worden geëvalueerd. Mochten de door de Afdeling geschetste mogelijke effecten zich voordoen, dan zal dit uit de evaluatie blijken. Aan de hand van de evaluatie wordt besloten of een voorstel voor wettelijke verankering van het promotieonderwijs bij uw Kamer wordt ingediend. Na twee jaar vindt een tussenevaluatie plaats. Lopende het experiment kan ik het experiment bij een of meer deelnemende universiteiten geheel of gedeeltelijk stopzetten wanneer, bijvoorbeeld bij de tussenevaluatie, blijkt dat het ernstig nadelige effecten op het onderzoekklimaat bij een of meer universiteiten tot gevolg heeft.

Deze leden onderschrijven de opvatting dat er vooral in het onderwijs behoefte is aan meer hoogopgeleiden; docenten die een hbo- of wo-master hebben behaald of gepromoveerd zijn. Graag horen zij hoe groot het animo onder promovendi nu is om voor de klas te gaan staan na afronding van een promotietraject.

Het CBS heeft recent een enquête uitgezet onder 42.200 werkende gepromoveerden.5 Van de ondervraagden werken er 8.700 als docent, dat is 20,7%. Van die 20,7% werkt 17,4% in het hoger onderwijs. Er is dus zeker animo voor een loopbaan in het onderwijs onder werkende gepromoveerden, wat het aannemelijk maakt dat hetzelfde voor nieuwe promovendi geldt.

Is het perspectief van het docentschap aantrekkelijk genoeg volgens de Minister, zo vragen deze leden.

Ja. Het feit dat nu bijna 1/5 van de promovendi na het promotietraject aan de slag gaat als docent, duidt erop dat het voor hen één van de aantrekkelijke opties is. In de diverse onderwijssectoren wordt gestimuleerd onderzoek en de onderwijspraktijk dichter bij elkaar te brengen. Promovendi kunnen hier een goede rol in vervullen. Dit draagt bij aan een aantrekkelijk perspectief voor promovendi om na hun promotietraject als docent aan het werk te gaan. In de pilot postdoc-vo bijvoorbeeld krijgen gepromoveerde vo-docenten een aparte functie binnen een vo-school als postdoc. In deze functie combineren zij lesgeven met onderzoekstaken.

Het combineren van lesgeven en promoveren wordt op verschillende manieren gestimuleerd. Zo is er de pilot promodocs waarbij promovendi aan de universiteit lesgeven op een po- of vo-school gedurende hun promotie. Deze promovendi hebben 60% tijd voor promotie en 40% voor lesgeven. Niet alleen wordt ingezet op promovendi die naast hun promotietraject les gaan geven, er bestaan ook programma’s waarmee docenten worden gestimuleerd om naast het lesgeven te promoveren. Een voorbeeld hiervan is de promotiebeurs, waardoor intussen 166 docenten gestart zijn met hun promotieonderzoek. In het programma dudoc-alfa worden bevoegde vo-docenten en lerarenopleiders in de gelegenheid gesteld om naast hun baan in het onderwijs promotieonderzoek uit te voeren op het terrein van de vakdidactiek van de geesteswetenschappen.

Dat ook de instellingen de rol van masters en promovendi in het onderwijs willen vergroten, blijkt uit de ambities die hierover zijn neergelegd in de verschillende sectorakkoorden en de prestatieafspraken.

Een en ander betekent dat, wanneer door het creëren van promotieonderwijs het aantal promovendi toeneemt, dit ook een impuls kan betekenen voor de rol van promovendi in het hele onderwijs van primair tot en met hoger onderwijs. In het bijzonder kan de voorbereiding op een loopbaan in het onderwijs een onderdeel zijn van de ruimte die de promotiestudent geniet voor bredere vorming en oriëntatie op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld in de vorm van onderwijsstages op vo-scholen.

De leden van de SP-fractie vragen waarom het versterken van de kenniseconomie en een goede aansluiting met de arbeidsmarkt niet kunnen plaatsvinden binnen het huidige promotiestelsel. Zij willen ook graag weten waarom promotiestudenten een betere aansluiting op de arbeidsmarkt zouden hebben dan werknemer-promovendi.

Gepromoveerden zijn nu vaak zeer gespecialiseerd, wat ook noodzakelijk is voor baanbrekend onderzoek binnen een specifiek onderzoeksveld. En het opleidingstraject van de promovendus is nu vaak alleen op een academische carrière gericht en niet zozeer op een carrière buiten de academische wereld en de ontwikkeling van breed inzetbare vaardigheden. Dit is uit recent onderzoek van het Rathenau Instituut weer gebleken.6 Binnen het huidige promotiestelsel zit weinig rek voor een bredere voorbereiding op de arbeidsmarkt. In de regel heeft een werknemer-promovendus een dienstverband van vier jaar om te promoveren. Het percentage dat binnen deze termijn ook promoveert is laag. Er is geen ruimte om gedurende het huidige promotietraject meer aandacht te besteden aan generieke vaardigheden en de voorbereiding op de arbeidsmarkt.

Ook het ontvangen van onderwijs is nu binnen een promotietraject niet vanzelfsprekend. Het experiment biedt de promotiestudent in een derde cyclus recht op onderwijs waarvan het aanleren van brede vaardigheden ten behoeve van zijn positie op de arbeidsmarkt deel moet uitmaken. Door het ontbreken van een dienstverband met de universiteit, waar over het algemeen verplichte onderwijstaken onderdeel van zijn, kan de promotiestudent meer tijd besteden aan het aanleren van deze brede vaardigheden en onderzoekvaardigheden. Wetenschappelijk kennis kan zo binnen de kennissamenleving optimaal worden benut.

Het promotieonderwijs biedt de mogelijkheid een breed palet aan vaardigheden te ontwikkelen. Niet alleen vaardigheden die van belang zijn voor de onderzoeksactiviteiten maar ook generieke vaardigheden die bijdragen aan een optimale voorbereiding op de arbeidsmarkt buiten de academische omgeving en die bijdragen aan de veerkracht van de gepromoveerde werknemer in de kennissamenleving. Het onderwijstraject waaraan promotiestudenten deelnemen zal dus onder andere gericht zijn op het voorbereiden van de student op de postacademische loopbaan.

En de leden van de SP-fractie wijzen mij, omdat zij menen dat de kenniseconomie is gebaat bij gedegen onderzoek, erop dat werkomstandigheden die van belang zijn om tot goed en gedegen onderzoek te kunnen komen nu voor een groot deel van de promovendi dreigen te verdwijnen.

Ik steun de opvatting van de leden van de SP-fractie dat de kenniseconomie is gebaat bij gedegen onderzoek en dat dit onder goede omstandigheden moet kunnen plaatsvinden. Dat is bij promotiestudenten het geval. De promotiestudent heeft voor zijn onderzoek recht op toegang tot de onderzoeksfaciliteiten en krijgt begeleiding van een promotor. Daarnaast heeft hij in het kader van zijn recht op onderwijs toegang tot studentvoorzieningen en recht op begeleiding. Hij heeft meer zelfstandigheid bij de inhoudelijke keuze voor het promotieonderwerp en hij heeft een grotere zelfstandigheid in het promotietraject zelf. Hij heeft recht op een beurs uit het profileringsfonds waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien. De promotiestudent valt op eenzelfde wijze als een bachelor- en masterstudent onder de werking van de Arbowet, zodat hij ook onder goede omstandigheden onderzoek kan doen en onderwijs kan volgen.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat promovendi primair beschouwd moeten worden als werknemers met de daarbij horende arbeidsvoorwaarden. Zij vragen nader uit te leggen hoe dit experiment leidt tot meer kwaliteit van onderzoek en hoe dit experiment meer kansen biedt voor aankomende promovendi.

Allereerst wijs ik erop dat in het Nederlandse stelsel niet alle promovendi werknemer zijn. De werknemer-promovendus (de voormalig assistent in opleiding) is in dienst van de universiteit en verricht naast de werkzaamheden voor zijn proefschrift veelal ook werkzaamheden voor de universiteit. Naast de werknemer-promovendus kent Nederland de zogenoemde buitenpromovendus, die meestal niet werkzaam is bij de universiteit. Deze schrijft – onder begeleiding van een promotor – een proefschrift aan de universiteit maar heeft verder geen financiële relatie met de universiteit. Daarnaast zijn er – veelal buitenlandse – promovendi die promoveren met een beurs van een andere instantie dan de universiteit.

Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op de vraag van de PvdA-fractie hoe het experiment zou kunnen bijdragen aan het versterken van de kwaliteit van het onderzoek in het kader van onze internationale toppositie als kennissamenleving.

3. Achtergrond

De leden van de PvdA-fractie zouden een ontwikkeling waarin een kandidaat-promovendus als gevolg van het experiment meer mogelijkheden krijgt om een eigen onderzoeksvoorstel uit te voeren omarmen en vragen mij om of ik bereid ben hierop toe te zien tijdens en na afloop van het experiment en op welke wijze ik dat zal doen.

Met de PvdA-fractie hecht ik zeer aan de mogelijkheid zelf een eigen onderzoekvoorstel uit te werken. In het ontwerp-Besluit is vastgelegd dat bij de eindevaluatie door bevraging van (gepromoveerde) promotiestudenten en andere betrokkenen zal worden onderzocht in hoeverre zij de mogelijkheid hebben gehad om zelf een promotieonderwerp te kiezen. In de nota van toelichting is vermeld dat dit aspect ook in de tussenevaluatie na twee jaar aan de orde zal komen.

Deze leden vragen of het realiseren van meer eigen voorstellen voor promotietrajecten kan worden toegevoegd als vierde doelstelling van het onderhavige experiment.

Ik beschouw meer ruimte voor eigen onderzoeksvoorstellen als een van de voordelen van promotieonderwijs. Ik ben graag bereid dat als vierde doelstelling in het Besluit op te nemen. Maar dit hoeft niet voor 100 procent te gelden. Immers, niet alle promovendi willen een eigen onderwerp inbrengen. Als het gaat om een onderwerp uit de universitaire onderzoeksagenda vind ik wel dat de promotiestudent desgewenst invloed moet hebben op de vraagstelling voor het onderzoek en de vormgeving daarvan.

Ook vragen de leden van de PvdA-fractie mij of ik een streefcijfer heb voor het aantal eigen voorstellen dat ik verwacht dat ingediend en gehonoreerd zal worden en wanneer ik op dit punt, bij welk percentage, van een succes spreek.

Ik verwijs naar het antwoord op de voorgaande vraag van deze leden. Ik zal de mogelijkheid om een eigen onderzoeksonderwerp in te brengen als vierde doelstelling in het ontwerp-Besluit opnemen. Een percentage geeft een te simplistisch beeld van de werkelijkheid: het gaat erom dat de onderzoeker zijn creativiteit en invloed kan laten gelden op de verscheidene momenten dat hij dat waardevol acht. Als gezegd, dat kan, naast eigen onderzoekvoorstellen, ook door een eigen vraagstelling in te brengen binnen een groter onderzoeksproject. Ik wil in de tussenevaluatie en de eindevaluatie wel nagaan hoeveel promovendi bezig zijn op basis van eigen onderzoeksvoorstellen en wat de kwaliteit daarvan is. Ook zal ik hen bevragen over hoe zij de invloed die zij hebben gehad over hun gehele onderzoeksproces hebben ervaren.

De leden van deze fractie wijzen op de volgende passage uit de nota van toelichting bij het ontwerp-Besluit experiment promotieonderwijs:

«De promotiestudent kan dankzij het ontbreken van een dienstverband veel tijd besteden aan het verrichten van onderzoek en daarnaast ook meer generieke vaardigheden ontwikkelen. Zo kan in het promotieonderwijs aandacht worden besteed aan het ontwikkelen van een brede oriëntatie op de wetenschap en haar rol in de maatschappij, zodat de onderzoekvaardigheden goed kunnen worden aangewend in sectoren buiten de universitaire wereld.»

Zij vragen of dit binnen het huidige stelsel niet of niet voldoende kan. Welke beperkingen kent het huidige stelsel? Zij zijn met dergelijke beperkingen niet bekend.

Deze vraag komt erg overeen met de vraag van de leden van de SP-fractie waarom het versterken een goede aansluiting met de arbeidsmarkt niet kan plaatsvinden binnen het huidige promotie-stelsel. Ik verwijs daarom naar mijn antwoord op die vraag.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de vermelding in het ontwerp-Besluit dat het experiment tevens een uitgelezen kans is om vwo-scholen met promovendi in aanraking te brengen, betekent dat promotiestudenten moeten studeren, promoveren en doceren. Als dit het geval is, willen zij graag weten welke belasting dit met zich meebrengt. En zo niet, dan vragen zij hoe deze opmerking geïnterpreteerd dient te worden.

Het promotieonderwijs biedt ruimte om, naast studeren en promoveren, vaardigheden te ontwikkelen die kunnen bijdragen aan de inzetbaarheid van de gepromoveerde werknemer binnen de samenleving. Daaronder vallen ook didactische vaardigheden. Stages op bijvoorbeeld vwo-scholen kunnen deel uitmaken van het promotieonderwijs. Dergelijke stages bieden de promotiestudent de kans om zich voor te bereiden op of kennis te maken met een eventuele toekomstige functie in het onderwijs en bieden andersom de vwo-scholen de mogelijkheid om in aanraking te komen met een promovendus. Het gaat daarbij nadrukkelijk om een mogelijkheid en niet om een verplichting voor elke promotiestudent. In de toelichting op het ontwerp-Besluit staat dat de universiteit moet zorgen dat het promotieonderwijstraject voor een gemiddelde promotiestudent binnen een redelijke termijn is af te ronden. Ten aanzien van de regels waarin de decaan de vormgeving van het promotieonderwijs vastlegt, heeft de medezeggenschap instemmingsrecht. Zodoende is de «studeerbaarheid» van het promotieonderwijstraject gewaarborgd.

Deze leden merken op dat het op kwantiteit concurreren voor een land als Nederland mogelijk noch wenselijk is. Zij stellen dat binnen het huidige stelsel de status van werknemer van een promovendus er juist voor zorgt dat het voor toptalent na de opleiding aantrekkelijk is om promotieonderzoek uit te voeren. Zij vragen naar het risico dat toptalenten straks direct na de opleiding de arbeidsmarkt betreden in plaats van voor een promotietraject te kiezen. Zij vragen of toptalenten interesse hebben in een promotietraject waarbij zij geen werknemersstatus hebben.

Het promotieonderwijs is een extra optie die aan de bestaande promotievormen wordt toegevoegd. Universiteiten behouden de mogelijkheid om

werknemer-promovendi en buitenpromovendi aan te trekken, maar krijgen de ruimte om binnen het experiment aan een beperkt aantal promovendi een studentenstatus te verlenen. Het aantal promotiestudenten blijft verreweg onder het aantal promovendi dat op andere wijze aan de universiteit is verbonden. De universiteit zal uit meerdere vormen kunnen kiezen als zij een promotieplaats openstelt. Omdat elke vorm zijn eigen voor- en nadelen heeft, kan voor toptalenten een promotieonderwijsplaats juist aantrekkelijk zijn.

Daarnaast vragen deze leden of bij de evaluatie van het experiment wordt onderzocht of de toptalenten kiezen voor de optie om te promoveren als promotiestudent.

Ik zal bij de eindevaluatie in de bevraging van de betrokkenen aan de universiteit laten opnemen in hoeverre universiteiten door het experiment met promotieonderwijs toptalenten voor promotie aan hun instelling hebben kunnen binden.

De leden van de PvdA-fractie vragen of ik de mening deel dat het streven naar een grotere vergelijkbaarheid met promotiestelsels in andere Europese landen niet ten koste mag gaan van de eigenheid van ons onderwijsstelsel en dat we de kenmerken die ons onderwijs- en onderzoekstelsel in positieve zin onderscheiden van andere landen dienen te behouden. En zo ja, of ik de werknemer-promovendus als een positief kenmerk van ons stelsel van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek zie.

Ja. Met dit experiment wordt aan ons huidige onderwijs- en onderzoekstelsel een nieuwe variant toegevoegd. Meer differentiatie in het Nederlandse promotiestelsel door het mogelijk maken van promotieonderwijs kan het Nederlandse promotiestelsel aantrekkelijker maken. De positieve kenmerken van ons huidige stelsel worden daarbij behouden, maar tegelijkertijd wordt de vergelijkbaarheid met andere Europese landen wat groter. Zij kennen veelal een meer divers stelsel, waarvan promotieonderwijs onderdeel uitmaakt. Door het promotieonderwijstraject bij wijze van experiment mogelijk te maken, kan bij de evaluatie worden gemeten of en in hoeverre de beoogde doelstellingen zullen worden gerealiseerd.

De leden van de SP-fractie vragen mij waarop de opvatting is gebaseerd dat met het beurzensysteem het promotietraject aantrekkelijker gaat worden.

Het volgen van een promotietraject met een beurs is voor buitenlandse afgestudeerden herkenbaar. Omdat er via de beurs meer promotieplaatsen beschikbaar komen, kan het gemakkelijker worden om voor Nederland te kiezen als land om te gaan promoveren. Voor Nederlandse afgestudeerden kan het promoveren aantrekkelijker worden, omdat zij door middel van een onderwijstraject, afgestemd op hun individuele behoeften, goed op een positie in de maatschappij worden voorbereid. Voor beide groepen kan het promoveren ook aantrekkelijker worden als zij de vrijheid hebben om zelf een promotieonderwerp aan te dragen. Omdat de promotiestudenten geen arbeidsverplichtingen hebben, hebben zij meer tijd tot hun beschikking.

Deze leden vragen verder op welke wijze het promotietraject aantrekkelijker gemaakt kan worden binnen het huidig systeem en of hier onderzoek naar gedaan is.

Ik verwijs naar mijn voorgaande antwoord op de vraag van deze leden waarom het versterken een goede aansluiting met de arbeidsmarkt nodig is. De VSNU heeft aangegeven dat universiteiten doorlopend bezig zijn om het promotietraject aantrekkelijker te maken, bijvoorbeeld door de inbedding in Graduate Schools. Ik moedig zulke kwaliteitsverbetering altijd aan, maar zie ook dat promotieonderwijs hier een extra impuls aan zou kunnen geven. Het experiment concentreert zich daarom op de mogelijke vooruitgang die door een verbreding van het systeem te boeken valt.

Naar aanleiding van de vergelijking die in het ontwerp-Besluit wordt gemaakt met het buitenland, vooral binnen Europa, vragen de leden van de SP-fractie om meer inzicht te geven in de promotietrajecten in met Nederland vergelijkbare landen. Welk percentage van de PhD’s is in dienst van de universiteit en welk percentage «studeert» als PhD? Ook vragen zij of van laatstgenoemde groep bekend is op welke wijze zij in hun levensonderhoud voorzien.

Over de wijze waarop promotiestudenten in andere landen in hun levensonderhoud voorzien zijn geen concrete gegevens bekend. De veelheid aan promotietrajecten en de variatie aan condities waaronder deze worden gevolgd maakt het onmogelijk om exacte cijfers over de situatie in andere landen te geven.

Indicaties zijn te vinden in cijfers van Survey I van The European Council of Doctoral Candidates and Junior Researchers 7 uit 2010, verkregen door bevraging van «doctoral candidates» en «junior researchers» aan universiteiten, andere kennisinstellingen of bedrijven in verschillende landen van Europa, met name de tabellen I-14 en II-5.

Op de vraag of zij de full time studentstatus hebben, heeft in België 76, 7 procent van de respondenten bevestigend geantwoord, in Duitsland 59,9 procent en in Frankrijk 89,1 procent. In Nederland is dat 26,8 procent.

Op de vraag «What is your current employment situation as a doctoral researcher?» (waaronder worden begrepen doctoral candidates, doctoral students, aspirants, PhD-students etc.) heeft in Nederland 83,9 procent van de respondenten geantwoord dat hij werkzaam is bij een universiteit en 10 procent dat hij een beurs (scholarship) heeft. In België is dat 79,5 respectievelijk 28, 1 procent, in Frankrijk 54 respectievelijk 26,1 procent en in Duitsland 58,4 respectievelijk 22,9 procent. Als het gaat om het aantal promovendi met een studentstatus en dat met een beurs promoveert, scoort Nederland in vergelijking met de meeste landen en ook de omringende landen België, Frankrijk en Duitsland laag. Dat illustreert dat internationaal gezien promovendi in Nederland overwegend de werknemer-status hebben.

Dit betreft niet meer dan indicaties, omdat de verschillende landen een niet geheel vergelijkbaar promotiesysteem kennen. Zo kun je bijvoorbeeld in België student zijn, maar toch een contract met een universiteit hebben. En de respondenten op de vraag naar hun «current employment situation» konden meer dan één antwoord invullen. Er zijn dus geen exacte gegevens.

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze het «internationale systeem» beter functioneert dan het Nederlandse systeem.

Het huidige Nederlandse promotiestelsel werkt in de basis goed. Wel kunnen we van de stelsels in andere landen leren. Zij kennen veelal een meer divers stelsel, waarvan ook promotieonderwijs deel uitmaakt. Door, net als in vele andere landen, promotieonderwijs aan te bieden, kunnen universiteiten meer promotieposities aanbieden dan nu het geval is. Daarnaast wordt het Nederlandse systeem meer vergelijkbaar met dat van andere Europese landen, wat de aantrekkelijkheid van het Nederlandse promotieonderwijs voor zowel Nederlandse als buitenlandse studenten kan vergroten. Dit komt de Nederlandse kennissamenleving en concurrentiepositie en de vergelijkbaarheid met andere stelsels ten goede.

De leden van de SP-fractie vragen mij om onder elkaar zetten waar de studentpromovendus en de werknemer-promovendus van elkaar gaan verschillen. Zij zien de exacte verschillen graag duidelijk toegelicht.

In de CAO is bepaald dat de werknemer-promovendus eerst voor een periode van maximaal 18 maanden wordt aangesteld om zijn geschiktheid te beoordelen. Als dat goed verloopt, wordt het dienstverband verlengd naar in totaal vier jaar. Is de betrokkene dan nog niet gepromoveerd, dan kan er een verlenging van het dienstverband plaatsvinden. Daarop bestaat geen recht, behoudens bij uitloop door zwangerschap of vergelijkbare omstandigheden. Indien voor afloop van het dienstverband niet is gepromoveerd, dan wordt gekeken op welke wijze het promotietraject toch kan worden afgerond. Dat kan naast een andere baan, gedurende wachttijd, of in eigen tijd. Op de werknemer-promovendus rust uit hoofde van zijn dienstverband, naast het doen van zijn promotieonderzoek, een aantal verplichtingen, zoals het begeleiden van onderzoekondersteunend personeel, het verzorgen van onderwijs en practica en het inhoudelijk begeleiden van studenten. Uit hoofde van zijn aanstelling c.q. arbeidscontract bouwt de werknemer-promovendus sociale zekerheidsrechten en pensioen op. Over zijn inkomen betaalt deze werknemer loonbelasting.

Een promotiestudent kan met een beurs uit het profileringsfonds een promotieonderwijstraject volgen. De universiteit bepaalt hoe lang de promotiestudent recht heeft op een beurs met dien verstande dat de medezeggenschap hierbij instemmingsrecht heeft door het instemmingsrecht op de regeling van het profileringsfonds. Met de beurs moet de promotiestudent in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Ik verwijs naar mijn eerste antwoord onder de paragraaf «vormgeving». Voor de duur van de beurs geldt dat de redelijkheid vereist dat deze zolang verstrekt wordt dat een promotietraject door een gemiddelde promotiestudent kan worden afgerond. Zo'n traject duurt gemiddeld vier jaar. Indien hij na ommekomst van het promotieonderwijstraject nog niet is gepromoveerd kan hij, indien hij daarover met de universiteit overeenstemming kan bereiken, in eigen tijd en al of niet in combinatie met een betaalde baan, zijn promotietraject afronden. Hij heeft geen arbeidsverplichtingen jegens de universiteit. Dat betekent dat er meer tijd is voor het volgen van onderwijs.

Gedurende het promotieonderwijstraject doet de promotiestudent promotieonderzoek en heeft hij recht op onderwijs in onderzoekvaardigheden en generieke vaardigheden, gericht op de verbetering van zijn toekomstige positie op de arbeidsmarkt. Hij kan zich in het kader van het onderwijs door middel van stages ook bekwamen in didactische vaardigheden. Hij heeft geen arbeidsverplichtingen jegens de universiteit. Zijn rechtspositie staat gelijk aan die van bachelor- en masterstudenten. Omdat de promotiestudent geen dienstverband met de universiteit heeft, bouwt hij net als een reguliere student geen sociale zekerheidsrechten en pensioen op. De promotiebeurs valt, behoudens een bedrag aan vrijstelling in overeenstemming met dat bij de beurs voor bachelor- of masterstudenten, onder de heffing van inkomstenbelasting.

De leden van de CDA-fractie lezen in het ontwerpbesluit dat niet alleen Nederland één van de weinige landen is zonder derde cyclus, maar dat het in het buitenland veelal ook mogelijk is om een werknemer met een breder doel aan te stellen dan alleen promoveren en lesgeven. In het kader van het aantrekkelijker maken van het promoveren vragen deze leden waarom deze mogelijkheid niet ook wordt meegenomen in dit experiment.

Het is nu ook al mogelijk om bij een Nederlandse universiteit de promotie te combineren met een andere wetenschappelijke baan, maar dat is niet de regel. Deze promovendi zijn niet afzonderlijk als promovendi terug te vinden in de personeelscijfers van universiteiten, omdat in hun geval het promoveren niet de hoofdzaak is. Veelal is een dergelijke promotie onderdeel van een loopbaanafspraak, waardoor hiervoor geen extra ruimte door middel van een experiment nodig is. Universiteiten kunnen desgewenst zelf hiervoor kiezen.

4. Vormgeving

De leden van de PvdA-fractie lezen dat universiteiten vrij zijn in de vormgeving van de promotietrajecten en dat over de hoogte van de beloning van de promotiestudenten geen afspraken zijn gemaakt. Zij vragen of ik bereid ben om een minimumvergoeding voor promotiestudenten, ter hoogte van het nettosalaris van een werknemer-promovendus alsnog in het besluit te verankeren en zo nee, waarom niet.

In de toelichting bij het ontwerp-Besluit heb ik vermeld dat de promotiestudent met de beurs uit het profileringsfonds in zijn levensonderhoud moet kunnen voorzien. De VSNU heeft zich bereid verklaard om voor een promotiestudent die zijn promotiebeurs volledig uit het profileringsfonds ontvangt, een beursbedrag in overeenstemming met het nettosalaris van een startende werknemer-promovendus aan te houden. De universiteiten geven dit verder vorm in hun instellingsregels, bedoeld in artikel 9, derde lid, van het ontwerp-Besluit.

Deze leden horen ook graag of promovendi altijd de keuze krijgen tussen de verschillende promotietrajecten en zo nee, hoe wordt voorkomen dat zij in een traject worden gedwongen door een universiteit c.q. faculteit. Zij vragen of ik de opvatting deel dat de positie en keuzevrijheid van aankomende promovendi afdoende gewaarborgd dienen te zijn.

De universiteiten hebben ook in het experiment de ruimte om – op grond van voor de universiteit relevante motieven – te kiezen voor openstelling van een bepaalde soort promotieplaats. Daarbij zal niet voor alle gevallen een geheel vrije keuze mogelijk zijn. De inschatting is dat universiteiten vaak voor een hele discipline zullen kiezen. Wel zal slechts maximaal 10 procent van alle plekken als promotieonderwijsplek worden opengesteld. Na openstelling van een plaats is het aan de beoogde promovendi om te besluiten of zij op een bepaalde promotieplaats en daarmee promotietraject willen solliciteren. De kandidaat-promovendi worden vervolgens aan een selectieprocedure onderworpen. In het ontwerp-Besluit wordt voorgesteld dat de decaan van de universiteit de voorwaarden voor toelatingen van een promotiestudent tot het promotieonderwijs opstelt, waarop de medezeggenschap instemmingsrecht heeft. Ik verwijs verder naar mijn eerdere antwoord op de vraag van deze leden naar een streefcijfer voor het aantal eigen onderzoekvoorstellen van de promotiestudent.

Deze leden vragen of het zo kan zijn dat de looptijd van de beurs die een promotiestudent ontvangt, korter is dan de duur van het promotietraject.

Het uitgangspunt is dat het promotietraject binnen redelijke termijn af te ronden moet zijn. Dat staat bijvoorbeeld in paragrafen 3 en 4. In paragraaf 3 is verwoord dat er geen voorschriften zijn over een minimum- of maximumduur van het promotieonderwijs maar dat een promotietraject in de regel vier jaar duurt. Ook is aangegeven dat de universiteiten bij de inrichting van het promotieonderwijs en de financiële ondersteuning van promotiestudenten rekening moeten houden met de termijn waarop het promotietraject voor een gemiddelde promovendus af te ronden moet zijn. Doorgaans is dat dus 4 jaar. Ook in paragraaf 4 van de nota van toelichting wordt erop gewezen dat het weliswaar de universiteit is die bepaalt hoe lang de promotiestudent recht heeft op een beurs maar dat voor de duur van de beurs geldt dat verwacht mag worden dat deze in ieder geval zolang verstrekt wordt dat een promotietraject in redelijkheid kan worden afgerond. Belangrijk is tevens te vermelden dat het medezeggenschapsorgaan instemmingsrecht heeft op de regels voor toelating tot en beëindiging van het promotieonderwijs en de regels voor aanvraag, duur en hoogte van de financiële ondersteuning. Hoewel er geen instemmingsrecht is met betrekking tot deelname aan het experiment, betekent het ontbreken van instemming met genoemde regels dat deelname aan het experiment niet mogelijk is. Daarnaast geldt voor een promotiestudent dat hij recht heeft op extra financiële ondersteuning indien hij vertraging oploopt vanwege bijzondere omstandigheden als bijvoorbeeld ziekte.

De leden van de CDA-fractie stellen dat de andere aspecten van de promotiestudenten geen sociale voorzieningen opbouwen tijden hun promotie en daarmee in opbouw van pensioen en rechten ten aanzien van werkloosheidsuitkeringen en bijstand een minder gunstige positie hebben dan werknemer-promovendi. De leden ontvangen graag een nadere toelichting.

De positie van de promotiestudent is als het gaat om zijn rechtspositie vergelijkbaar met die van een reguliere student. De promotiestudent bouwt tijdens het promotietraject – anders dan de werknemer-promovendus – inderdaad geen aanspraken in de sfeer van sociale zekerheid op. Wel heeft de promotiestudent aanspraak op extra financiële ondersteuning uit het profileringsfonds bij bijzondere omstandigheden. Dat kan bijvoorbeeld gaan om ziekte, zwangerschap of bijzondere familieomstandigheden.

Deze leden vragen of dit niet onbedoeld de tweedeling in eersterangs- en tweederangs trajecten bevordert, waar de Afdeling advisering van de Raad van State op wees. Zullen niet de meest succesvolle kandidaten met de meest gewilde promotieonderzoeken werknemer-promovendus worden en de minder gewilde kandidaten promotiestudent?

Ik verwijs naar mijn antwoord op de vraag van de PvdA-leden of het promotieonderwijstraject voor toptalent aantrekkelijk zal zijn.

Omdat elke promotievorm zijn eigen voor- en nadelen heeft, kan een vorm die voor de een niet aantrekkelijk is, voor de ander juist wel aantrekkelijk zijn. Ik wil dit juist meten met dit experiment.

De leden van de SP-fractie vragen waarop de opvatting is gebaseerd dat «dankzij het ontbreken van een dienstverband» beter onderzoek mogelijk zou zijn. Zij vragen mij of het niet juist van groot belang is dat voor het verrichten van onderzoek de tijd en ruimte geboden wordt, wat het geval is wanneer het onderzoek is ingebed in een dienstverband. De leden verkrijgen graag een toelichting op dit punt.

Het ontwerp-Besluit heeft niet de strekking dat promotiestudenten beter onderzoek zouden kunnen doen. De promotiestudent zal door het ontbreken van een dienstverband een grote vrijheid hebben bij de inrichting van zijn promotietraject en wordt daarbij financieel ondersteund. De tijd die een werknemer-promovendus moet besteden aan verplichtingen, verbonden aan het dienstverband, kan de promotiestudent besteden aan zijn onderzoek en aan het volgen van onderwijs.

De leden van SP-fractie vragen hoe erop wordt toegezien dat de financiële ondersteuning en de duur van het promotietraject op orde zijn en of tussentijds kan worden ingegrepen als deze in de praktijk onvoldoende op orde blijken.

Bij aanmelding voor het experiment dienen de instellingen een financiële onderbouwing aan te leveren, waarin zij aantonen dat de financiële ondersteuning voor de promotiestudenten voor de duur van het promotietraject gegarandeerd is. Komt de universiteit de verplichtingen die daaruit voortvloeien niet na, dan kan dat voor mij aanleiding zijn de toestemming voor het experiment in te trekken.

De leden van deze fractie wijzen erop dat wat betreft de bekostiging aan de universiteiten de Minister stelt dat promotiestudenten geen gewone studenten zijn en de universiteit dus geen rijksbijdrage ontvangt voor deze groep, terwijl aan de andere kant deze studenten wel opeens als student worden gezien door de Minister wanneer het aankomt op het voorzien in hun levensonderhoud. Zij ontvangen graag een reactie op dit punt.

De promotiestudent is geen reguliere student, omdat hij naast het onderwijs dat hij krijgt, promotieonderzoek doet dat moet uitmonden in een promotie. Op sommige aspecten wordt de promotiestudent, omdat hij een vorm van onderwijs volgt, wel op eenzelfde manier behandeld als een reguliere student. Op andere punten valt hij onder de regels die op promovendi van toepassing zijn. Wat betreft de bekostiging wordt de promotiestudent gelijkgesteld met andere promovendi. Resulteert het promotietraject in een promotie, dan ontvangt de universiteit daarvoor een vast bedrag waarbij het geen verschil maakt of de promotie is afgerond door een werknemer-promovendus of door een promotiestudent.

De leden van de D66-fractie merken op dat werknemers die promoveren dikwijls diverse taken verrichten voor de universiteit, waarbij onderwijs een belangrijke taak is. Staat het universiteiten vrij om promotiestudenten in te zetten voor universitaire onderwijstaken en zo ja, vindt de Minister dit wenselijk? En als derde fase-studenten voor universitair onderwijs worden ingezet, zullen universiteiten hiervoor dan ook de gebruikelijke didactische ondersteuning bieden aan promotiestudenten, zo vragen deze leden.

De promotiestudent heeft uitdrukkelijk geen onderwijstaken.

Wel krijgt de promotiestudent tijdens het promotietraject de ruimte om zich voor te bereiden op een mogelijke toekomstige loopbaan, bijvoorbeeld in het onderwijs. Hij zal daarbij de gebruikelijke begeleiding en ondersteuning ontvangen.

De leden van de D66-fractie merken op dat de Minister beschrijft dat studenten al in de tweede fase van hun studie, bijvoorbeeld tijdens een research master, kunnen aanvangen met het promotieonderzoek. Deze leden wijzen erop dat dergelijke studenten volgens het ontwerp-Besluit echter geen recht hebben op een beurs uit het profileringsfonds. Zij vragen of hiermee geen financiële prikkel voor universiteiten ontstaat om alle promotiestudenten al tijdens hun masteropleiding te laten starten met hun promotieonderzoek en of dit wenselijk is voor de kwaliteit van het masteronderwijs.

Ik heb geen aanleiding aan te nemen dat universiteiten vanuit een financiële prikkel meer studenten tijdens hun masteropleiding al met een promotieonderzoek laten starten. Daar waar dat nu gebeurt, betreft het talenten die de ruimte hebben om naast het afronden van hun masteropleiding dergelijk onderzoek te starten. Of het betreft studenten van een onderzoekmaster waarin, de naam duidt daar al op, het doen van onderzoek centraal staat.

5. Rechten

De leden van de SP-fractie vragen of er harde afspraken met de universiteiten zijn gemaakt, of nog gemaakt gaan worden, over de vaststelling van de hoogte van de beurzen. Er wordt nu gesproken van uitgangspunten, maar in hoeverre kunnen individuele universiteiten of opleidingstrajecten hiervan afwijken? De leden van de SP-fractie vragen of iedere promotiestudent deze beurs krijgt en of deze beurs voor iedere promotiestudent even hoog zal zijn.

Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar mijn antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of ik bereid ben om een minimumvergoeding voor promotiestudenten ter hoogte van het nettosalaris van een werknemer-promovendus in het Besluit te verankeren.

Verder vragen deze leden welk gevolg deze beurzen gaan hebben voor het profileringsfonds en op welke wijze het budget van de profileringsfondsen wordt opgehoogd. Zij vragen of de universiteiten verantwoordelijk zijn voor de noodzakelijke ophoging, en zo ja welke gevolgen dit voor hun begroting heeft.

De inzet van promotiebeurzen mag niet ten koste gaan van het recht dat andere doelgroepen op het profileringsfonds kunnen doen gelden, zoals studenten met een beperking of ziekte, zwangerschap of andere bijzondere gevallen. De universiteiten zijn verantwoordelijk voor de noodzakelijke ophoging van het profileringsfonds. Gelet op de bestedingsvrijheid van de lumpsum bekostiging zullen zij dit binnen hun begroting moeten opvangen. In het ontwerp-Besluit wordt voorgeschreven dat universiteiten die aan het experiment willen deelnemen in hun aanvraag inzicht moeten bieden in hoe wordt gewaarborgd dat de financiële ondersteuning van de promotiestudent geen nadelige effecten heeft op de ondersteuning uit het profileringsfonds van reguliere studenten.

In hun jaarverslaglegging leggen de deelnemende universiteiten hiervoor verantwoording af. Bij de eindevaluatie zal het effect van het experiment op het profileringsfonds worden gemeten.

De leden van de SP-fractie wijzen erop dat er door de invoering van het leenstelsel vaker een beroep gedaan zal worden op hetzelfde profileringsfonds. Zij verwijzen in dat verband naar de systeemverantwoordelijkheid van de Minister van OCW om in te staan voor voldoende budget om te kunnen voorzien in alles wat aan universiteiten wordt gevraagd.

De invoering van het studievoorschot heeft geen gevolgen voor de bestaande voorzieningen die het profileringsfonds biedt. Studenten blijven aanspraak maken op een vergoeding uit het profileringsfonds in geval van bijvoorbeeld studievertraging door functiebeperking, een chronische ziekte of het uitoefenen van een bestuursfunctie. Dit is bij wet geregeld.

Ik heb bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel studievoorschot toegezegd uitvoering te geven aan de motie Mohandis c.s.(Kamerstuk 34 035, nr. 43) en in samenspraak met de koepels en de studentenbonden te onderzoeken of een kader voor de bedragen die vanuit het profileringsfonds worden uitgekeerd, kan bijdragen om de groep studenten die een beroep op het profileringsfonds doet op een inzichtelijke manier te compenseren. Tevens zal ik monitoren of de omvang van het profileringsfonds adequaat is, hoe hoog de vergoeding is en mijn onderzoek in het bijzonder toespitsen op studenten met een functiebeperking of chronische ziekte. Hierbij is het van belang te melden dat het aan de instelling is om binnen dat kader te bepalen hoe hoog en voor welke duur de ondersteuning uit het profileringsfonds voor een student uiteindelijk is.

Deze leden vragen waaruit het onderwijs zal bestaan waaraan de promotiestudent zal deelnemen.

In het ontwerp-Besluit is promotieonderwijs gedefinieerd als onderwijs dat is gericht op onderzoekvaardigheden en generieke vaardigheden van een promovendus ten behoeve van zijn promotie en zijn positie op de arbeidsmarkt.

Binnen deze definitie is de inrichting van het promotieonderwijs vormvrij. De medezeggenschap heeft instemmingsrecht ten aanzien van de regels waarin de decaan de inrichting van het promotieonderwijs vastlegt.

Gaan alle promotiestudenten collegegeld betalen, zo vragen deze leden van de SP-fractie.

Elke promotiestudent moet in beginsel collegegeld, zijnde het wettelijk collegegeld, betalen. Het instellingsbestuur kan in zijn regels over de promotiebeurs ook de mogelijkheid van kwijtschelding opnemen met een beschrijving van de gevallen waarin daartoe wordt overgegaan.

De leden van de SP-fractie vragen ook of de promotiestudenten tegenover dit collegegeld net zoveel onderwijs dienen te ontvangen als reguliere studenten. Hoe gaat dan de verhouding onderwijs en onderzoek eruit zien en heeft het onderwijs de nadruk, of het doen van onderzoek, zo vragen zij.

Voor het onderwijs dat de promotiestudent ontvangt, betaalt hij collegegeld. De relatie tussen het collegegeld en de omvang van het te ontvangen onderwijs is ook bij reguliere studenten niet absoluut bepaald. Het is ook niet mogelijk om dit voor alle studenten eenduidig te bepalen, omdat dit per studie verschilt. Bij de vormgeving van het promotieonderwijs zal de decaan zich ervan rekenschap dienen te geven dat het onderwijstraject studeerbaar is naast het onderzoek dat de promotiestudent ten behoeve van zijn promotie verricht. Over het onderzoekstraject maakt de promotiestudent afspraken met zijn promotor. Het ligt daarom in de rede dat de decaan en de promotor daarover in overleg treden. De medezeggenschap heeft invloed op het vormgeven van het promotieonderwijs. Hij heeft instemmingsrecht op de regels die de decaan op dat gebied vaststelt.

Verder vragen deze leden wat wordt geregeld betreffende het instellingscollegegeld. In welke gevallen zou het promotie/onderwijstraject gezien kunnen worden als tweede studie, waarvoor het instellingscollegegeld moet worden betaald, zo willen zij weten.

Ik verwijs naar het antwoord op de vorige vraag. De promotiestudent betaalt in alle gevallen wettelijk collegegeld. Het promotieonderwijs kan niet worden gekwalificeerd als opleiding in de zin van de WHW. De regels over collegegeld bij bachelor- en masteropleiding zijn niet van toepassing. Wel is de bepaling van artikel 7.48, eerste lid van de WHW die ziet op de bachelor-en masterstudenten in het ontwerp-Besluit van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit betekent dat, wanneer een promotiestudent tevens als student voor een bachelor-of masteropleiding staat ingeschreven, hij maar een keer collegegeld hoeft te betalen. Datzelfde geldt als hij twee promotietrajecten naast elkaar doorloopt.

De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de keuze om de beurzen voor de promotiestudenten uit het profileringsfonds te betalen. Zij menen dat er nu al grote druk op deze fondsen is en zijn bevreesd dat er niet voldoende geld overblijft in deze fondsen voor de financiële ondersteuning van studenten met een beperking of ziekte, zwangerschap of andere schrijnende gevallen, of bijvoorbeeld de sporttalenten.

Zoals ik ook antwoordde op een vraag van de leden van de SP-fractie mag de inzet van promotiebeurzen niet ten koste gaan van het recht dat andere doelgroepen op het profileringsfonds kunnen doen gelden, zoals studenten met een beperking of ziekte, zwangerschap of andere bijzondere gevallen. Dit recht is bij wet geregeld. Dit betekent dat de instellingen een groter aandeel van hun lumpsum bekostiging, namelijk een bedrag ter hoogte van het totaal van de promotiebeurzen, zullen moeten reserveren voor uitkeringen uit het fonds.

Tevens ontvangen deze leden ook graag een nadere toelichting waarom niet voor een andere dekking is gekozen, bijvoorbeeld dekking door de opbrengsten uit het leenstelsel.

De universiteiten voeren met het promotieonderwijs een publieke taak uit en moeten de beurs uit de lumpsum kunnen bekostigen. Zij hebben daartoe bestedingsvrijheid. Extra middelen zijn voor het experiment niet nodig. De invoering van het studievoorschot levert de komende jaren nog geen opbrengsten op. Bovendien zal nog worden bepaald hoe deze middelen voor het hoger onderwijs en het onderwijsgerelateerd onderzoek precies zullen worden besteed. Ik loop daar nu niet op vooruit.

De leden van de D66-fractie lezen dat het derde fase- onderwijs is vrijgesteld van de wettelijke bepaling met betrekking tot de inhoud van het onderwijs. Derde fase-studenten betalen echter wel het wettelijke collegegeld en mogen hiervoor in de plaats ook kwalitatief goed onderwijs verwachten. De Minister beschrijft in haar nota van toelichting dat onder promotieonderwijs wordt verstaan: «onderwijs gericht op onderzoekvaardigheden en generieke vaardigheden ten behoeve van de positie op de arbeidsmarkt van de student». In het buitenland is het niet ongebruikelijk dat promotiestudenten colleges volgen in hun vakgebied. Valt dergelijke onderwijs ook onder de beschrijving van de Minister, vragen deze leden en zo nee, waarom niet?

Ja, dat kan, binnen de definitie van promotieonderwijs zoals deze leden die in hun vraag hebben opgenomen, is de inrichting van het promotieonderwijs vormvrij. De universiteit kan ervoor kiezen om vakken of colleges voor reguliere studenten deel te laten uitmaken van het promotieonderwijs.

Daarnaast vragen deze leden waar studenten met eventuele conflicten over het aangeboden onderwijs terecht kunnen als tevens de wettelijke bepalingen met betrekking tot de examencommissie niet van toepassing zijn.

In de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 9, 10 en 11 is aangeven dat de meest aangewezen examencommissie gaat over de beoordeling van de afzonderlijke studenten. Dit is ontleend aan artikel 7.12 van de WHW waarin is opgenomen dat de examencommissie het orgaan is dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad. Voor promotiestudenten geldt echter niet de hiervoor bedoelde onderwijs- en examenregeling. Voor de promotiestudent gelden de regels voor promotieonderwijs.

In artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van het besluit is paragraaf 1 van titel 4, hoofdstuk 7, WHW, van overeenkomstige toepassing verklaard op promotiestudenten. In die paragraaf van de WHW is het klachtenrecht van studenten geregeld. Door deze paragraaf van overeenkomstige toepassing te verklaren op promotiestudenten is geregeld dat zij ook klachtenrecht hebben met betrekking tot de regels voor promotieonderwijs. De vraag geeft mij aanleiding om de gehele geschillenregeling die voor reguliere studenten geldt op promotiestudenten van toepassing te verklaren. Dat betekent dat voor promotiestudenten de interne bezwaarmogelijkheid en de externe gang naar de rechter, het College van beroep voor het hoger onderwijs, komt te gelden. Ik zal het ontwerp-Besluit daarop aanpassen.

6. Evaluatie

De leden van de SP-fractie wijzen op de kritiek van de Raad van State. Deze leden vrezen net als de Raad van State voor verdringing. Deze leden wijzen erop dat eerdere pogingen om promovendi als student te behandelen onsuccesvol bleken. Op welk punt zal de Minister besluiten te stoppen met dit experiment? Met andere woorden, zijn er naar de mening van de Minister scenario’s denkbaar die aanleiding geven het experiment voortijdig te beëindigen? Graag ontvangen deze leden een verdere toelichting op deze mogelijke scenario’s.

Er zijn niet eerder voorstellen naar uw Kamer gegaan om de promotiestudent in te voeren. Wel hebben sommige universiteiten beurs-promovendi aangetrokken. Laatstelijk heeft de Rijksuniversiteit Groningen dat gedaan. De rechter heeft geoordeeld dat deze promovendi door de universiteit terecht niet als werknemer zijn aangemerkt.

Of en in hoeverre er verdringing van werknemer-promovendi plaatsvindt, is juist iets wat ik met het experiment wil meten.

In het ontwerp-Besluit is voorgesteld dat ik het experiment aan een universiteit kan beëindigen indien deze de voorschriften van het Besluit niet naleeft of indien het experiment ernstig nadelige effecten op het onderzoekklimaat heeft. Bij dit laatste kan gedacht worden aan een achteruitgang in de kwaliteit van de proefschriften en/of proefontwerpen of als deelnemende universiteiten als werkgever niet goed met promotieonderwijs omgaan en het uitsluitend als kostenbesparend middel inzetten. Mocht zich dat onverhoopt voordoen, dan wordt het experiment bij die instelling beëindigd, waarbij de positie van de betrokken promotiestudenten wordt geborgd.

Wanneer blijkt dat dit experiment nadelig uitpakt voor Nederlandse studenten en promovendi, maar voordelen heeft voor buitenlandse studenten en promovendi, kan de Nederlandse student en promovendus in dat geval zeker zijn van de steun van de eigen Minister, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Pas na de evaluatie wordt duidelijk wat de verhouding is tussen buitenlandse en Nederlandse promotiestudenten. Eventuele nadelen voor laatstgenoemde groep en de aard daarvan zullen daarbij in kaart worden gebracht en mee worden gewogen bij het eindoordeel over het experiment.

Ik wil daarbij benadrukken dat bij een groter aandeel buitenlandse promotiestudenten niet per definitie sprake is van een nadeel voor Nederlandse promotiestudenten. Ook nu al zijn veel (werknemer-)promovendi afkomstig uit het buitenland, zonder dat dit nadelig is voor de positie van Nederlandse werknemer-promovendi. Sterker nog, buitenlandse studenten en promovendi zijn een verrijking voor het Nederlandse onderwijs-en onderzoekklimaat en zorgen voor een sterkere kenniseconomie in Nederland.

Verder merken deze leden op dat zij vragen in de evaluatie missen die zich richten op de promovendi zelf. Hoe ervaren de promotiestudenten het traject in brede zin zelf? Vinden zij dat zij voldoende (financiële) ruimte hebben om te promoveren? Hoe ervaren zij de verhouding onderwijs en onderzoek? Dezelfde soort vragen zouden gevraagd moeten worden aan werknemer-promovendi, om tot een goed vergelijk in tevredenheid te kunnen komen.

In artikel 13 van het ontwerp-Besluit staat dat bij de evaluatie de opvattingen van promotiestudenten en andere promovendi worden betrokken over hun status binnen de universiteit, hun financiële positie en de aansluiting op de arbeidsmarkt. Onder deze noemers kunnen zowel promotiestudenten als werknemer-promovendi daarom de vragen beantwoorden die door de leden van de SP-fractie zijn verwoord. Bij de evaluatie zal ook worden gevraagd naar de ervaringen van de promotiestudent met betrekking tot zijn invloed op onderzoeksonderwerp en vraagstelling.

De leden van de SP-fractie vragen waaruit de tussentijdse evaluatie zal bestaan. Op welke vragen zal dan antwoord gegeven worden, zo vernemen deze leden graag.

In de tussenevaluatie na twee jaar zal in elk geval worden gemeten of het aantal promovendi ten opzichte van de situatie bij de start van het experiment verschilt wat betreft type, land van herkomst en onderwijsgebied, of promotieonderwijs effect heeft gehad op de verdeling van doceertaken bij de universiteit en op de werking van het profileringsfonds, worden promotiestudenten bevraagd over de mogelijkheid om zelf een promotieonderwerp te kiezen en wordt nagegaan hoe verschillende soorten promovendi hun status binnen de universiteit ervaren. Ook wordt bij de tussenevaluatie nagegaan of de deelnemende universiteiten goed met promotieonderwijs omgaan en het niet uitsluitend als kostenbesparend instrument gebruiken.

De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd naar de effecten door verdringing van de werknemer-promovendi door de promotiestudenten in de tussentijdse en latere evaluatie. Er zal naar de mening van deze leden zeer nauwlettend in de gaten moeten worden gehouden of de universiteiten vanwege financiële voordelen en arbeidsmarktrechtelijke voordelen vaker zullen kiezen voor een promotiestudent dan een werknemer-promovendus.

Het is inderdaad de bedoeling dat de genoemde vragen in de evaluaties aan de orde komen. Verder verwijs ik naar eerdere antwoorden met betrekking tot dit onderwerp.

Deze leden zijn dan ook benieuwd hoe de Minister wil gaan onderzoeken of dit effect plaatsvindt, gezien de maximering van 2.000 promovendi-studenten. Gaarne ontvangen deze leden een nadere toelichting.

Ik wil een experiment dat beperkt is maar tegelijkertijd groot genoeg om zinvol onderzoek te kunnen doen naar de effecten. Daarom is gekozen voor een maximum van 2.000 deelnemers wat neerkomt op ongeveer 10 procent van het aantal promovendi. Ik zal lopende het experiment de verhouding tussen de door de universiteiten aangetrokken werknemer-promovendi en promotiestudenten goed in de gaten houden.

Zoals ik hiervoor heb vermeld kan ik het experiment bij een universiteit beëindigen als deze het promotieonderwijs uitsluitend als kostenbesparend middel inzet.

7. Deelname

De leden van de PvdA-fractie hebben zorgen over de omvang van het voorgestelde experiment, waarbij de komende jaren tien procent van de promovendi een promotiestudent kan zijn. Zij vragen of de Minister van mening is dat bij een dergelijke omvang nog wel gesproken kan worden over een experiment en waarom er niet voor gekozen is om de omvang te beperken tot tien procent van het totaal aantal werknemer-promovendi (de voormalige assistent in opleiding).

De leden van de GroenLinks-fractie vragen mij uit te leggen waarom is gekozen voor 2.000 beschikbare plekken.

Deze leden vragen of dit experiment niet te groot is, ervan uitgaande dat – volgens de VSNU – in 2013 zo’n 8.700 promovendi in dienst van Nederlandse Universiteiten waren.

Net als bij het experiment BSA in latere jaren, waarin voor de omvang van het experiment op verzoek van de Kamer is uitgegaan van 10 procent van het totaal aantal in een bepaald jaar ingeschreven studenten, heb ik voor de bepaling van het maximum aantal aan het experiment deelnemende promotiestudenten willen uitgaan van 10 procent van het totale aantal promovendi in een peiljaar. Dat betreft alle soorten promovendi, dus werknemer-promovendi, buitenpromovendi en promovendi die met een beurs van een derde instantie promoveren. Deze berekening is uitgegaan van het aantal promoties in peiljaar 2011 en dat vermenigvuldigd met de gemiddelde duur van een promotietraject (5 jaar). Dat maakt een aantal van iets meer dan 19.000. Met een afronding naar boven is tien procent van dat aantal 2.000. Het overgrote deel van de promovendi wordt zo niet met het experiment geconfronteerd, maar het aantal is wel dusdanig dat er ruimte is om te experimenteren met verschillende vormen van promotieonderwijs om goede conclusies te trekken, gebaseerd op vragen als: maakt het uit of de promotiestudenten voorkomen bij alle disciplines (wetenschapsgebieden) van de instelling of maar bij één of enkele? Wordt het vooral toegepast bij bepaalde disciplines? Is het een vorm waarmee de internationale promovendi (beter) kunnen worden aangetrokken? Of en welke rol speelt de vormgeving van het onderwijs gedurende het promotietraject?

Ook vragen de leden van de PvdA-fractie of er daarnaast per faculteit ook een begrenzing is op het maximale aantal promotiestudenten dat zij aanstellen? De leden zouden het namelijk zorgelijk vinden als op sommige instellingen c.q. faculteiten het aantal promotiestudenten te groot zou worden en/of het aantal werknemer-promovendi zou overstijgen, omdat dit het experimentele karakter van de voorgestelde maatregel ook ernstig zou ondergraven.

Er is geen beperking op het niveau van faculteiten voorzien. Het maximale aantal betreft het aantal promotiestudenten bij de deelnemende universiteiten. Een beperking per faculteit zou te veel sturing geven aan het experiment.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat wanneer het aantal gehonoreerde aanvragen het totaal aantal promotieplaatsen van 2.000 in 2018 niet heeft bereikt er dan een nieuwe aanvraagronde kan worden opengesteld. Echter, als het aantal aanmeldingen niet het voorgestelde maximum zou halen, kan dan niet worden gesteld dat het experiment als zodanig niet is geslaagd, zo vragen deze leden. Immers, een beperkt animo bij universiteiten zou hier op kunnen wijzen. Zij vragen of ik deze opvatting deel en zo nee, waarom niet.

Ik heb de mogelijkheid voor een tweede aanvraagronde opgenomen om universiteiten die nog niet voorbereid zijn om in de eerste ronde deel te nemen, later te kunnen laten instappen. Immers, promotietrajecten starten niet volgens zo’n strikt regime op één vast moment, zoals opleidingen. Bovendien borg ik op deze manier dat kwaliteit van de promotietrajecten boven de snelheid waarmee deze worden ingericht respectievelijk gevuld gaat. Ik deel de conclusie niet dat op grond van het aantal aanmeldingen voor de start van het experiment een oordeel over het wel of niet slagen van een experiment kan worden getrokken.

Aanvullend horen de leden van de PvdA-fractie graag of alle universiteiten deel willen nemen aan het experiment met promotieonderwijs en zo nee, welke instellingen afzien van deelname en waarom.

Het ontwerp-Besluit voor het experiment is op 10 februari gepubliceerd. Ik heb van de VSNU vernomen dat zeven, zowel algemene als technische, universiteiten positief staan ten aanzien van deelname aan het experiment en dit met hun medezeggenschap zullen bespreken.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er ook een minimumaantal aanmeldingen zijn geformuleerd? Want als er slechts zeer beperkte animo is vanuit aspirant-promovendi en/of instellingen, dan lijkt het de leden niet meer dan logisch om het experiment te heroverwegen.

Ik zie geen reden om aan te nemen dat er slechts zeer beperkt animo is vanuit aspirant-promovendi en/of instellingen. Zie ook mijn antwoord op de vorige vraag.

De leden van de SP-fractie merken op dat de omvang van het experiment meer weg lijkt te hebben van een gefaseerde invoer, dan van een daadwerkelijk experiment. Een deelnamemaximum van tien procent noemen zij erg hoog voor een experiment met een looptijd van acht jaar, waarvan de uitkomsten onzeker zijn en met een groot risico op nadelige effecten. Deze leden vragen mij om een reactie.

Ik verwijs naar mijn antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of bij een omvang van 10 procent van het aantal promovendi nog wel van een experiment kan worden gesproken.

Ook vragen deze leden waarom niet is gekozen om van tien procent van de daadwerkelijke (werknemer-)promovendi uit te gaan, waarmee de omvang van het experiment geen 2.000 maar rond de 750 studentpromovendi zou omvatten.

Ik verwijs naar mijn antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of bij een omvang van 10 procent van het aantal promovendi nog wel van een experiment kan worden gesproken.

Verder vragen deze leden wat het gevolg is wanneer er onvoldoende belangstelling blijkt vanuit de universiteiten om zich aan te melden voor dit experiment. Zal de Minister dan overgaan tot het aanwijzen van instellingen en opleidingen, of wordt dit experiment dan afgeblazen?

Ik heb op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat de belangstelling gering zal zijn. Op grond van het ontwerp-Besluit heb ik niet de bevoegdheid om instellingen aan te wijzen. Dat wil ik ook niet. Experimenten als deze lenen zich er niet voor om daaraan anders dan op vrijwillige basis deel te nemen.

De leden van de SP-fractie wijzen ook op de medezeggenschapsraden en vragen wat het gevolg is wanneer de medezeggenschap niet instemt met deelname. Betekent dat dat de betreffende universiteit niet zal deelnemen aan het experiment?

De medezeggenschap heeft instemmingsrecht op condities waaronder aan het experiment wordt deelgenomen, namelijk de voorwaarden voor toelating tot het promotieonderwijs, de inrichting daarvan, de wijze van toetsing van het onderwijs aan de promotiestudent, de criteria voor deelname en beëindiging van het promotieonderwijs, de hoogte van de promotiebeurs en de duur daarvan. Dit betekent dat als het instellingsbestuur en de medezeggenschap het niet eens kunnen worden over deze aspecten geen deelname mogelijk is.

8. Adviezen en overleg

De leden van de SP-fractie vragen mij te reageren op de berichtgeving waaruit blijkt dat meerdere universiteiten, medezeggenschapsraden en verschillende promovendi- en studentenorganisaties, als ook verschillende vakbonden, hebben aangegeven voorliggend experiment zeer onwenselijk te vinden en niet van plan zijn in te stemmen met het experiment.

Ik verwijs naar mijn antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of alle universiteiten willen deelnemen aan het experiment en zo nee, welke instellingen afzien van deelname en waarom.

De universiteiten die deelname overwegen zullen nog met hun medezeggenschapsorganen in overleg moeten over de door het college van bestuur en de decaan op te maken voorwaarden voor deelname aan het experiment. Ik wacht deze besluitvorming af.

Deze leden benadrukken nogmaals de onwenselijkheid van dit experiment en het ontbreken van draagvlak bij de direct betrokkenen en vragen om van dit voorstel af te zien.

Ik meen dat promotieonderwijs onze kennissamenleving ten goede kan komen, zoals uit voorgaande antwoorden blijkt. Daarom vind ik dit experiment waardevol.

De leden van de D66-fractie lezen dat de VSNU te kennen heeft gegeven dat de universiteiten uitgaan van een beurs die gelijk is aan het nettosalaris van een promovendus-werknemer, maar dat artikel 9, derde lid instellingsbesturen de mogelijkheid biedt de hoogte van de beurs zelf te bepalen. Zij vragen of de Minister het mogelijk en wenselijk acht dat een deel van de promovendus-studenten een beurs zal ontvangen die fors lager ligt dat het nettosalaris van een promovendus-werknemer.

Ik verwijs naar mijn antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de PvdA-fractie of ik bereid ben om een minimumvergoeding voor promotiestudenten, ter hoogte van het nettosalaris van een promovendus-werknemer alsnog in het besluit te verankeren.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat enkele belangrijke vakbonden en andere partijen, zoals de Radboud Universiteit Nijmegen, zich verzetten tegen dit experiment en vragen hoe ik de kritiek van de vakbonden duid en of ik nog met de vakbonden in gesprek ga.

Bij de voorbereiding van het ontwerp-Besluit heb ik overleg gevoerd met de AbvaKabo. In dit overleg hebben de vakbonden hun zorgen over een mogelijke verslechtering van de positie van de werknemer-promovendi door dit experiment naar voren gebracht. Ik wil benadrukken dat de positie van de werknemer-promovendi niet verandert dus dat ook de voor de inwerkingtreding van het Besluit aangetrokken werknemer-promovendi die status behouden. Met het experiment wordt een nieuwe vorm promovendus geïntroduceerd. Omdat het een experiment is, wordt gemeten of de verwachte positieve effecten daadwerkelijk zullen plaatsvinden. Pas nadat de evaluatie heeft plaatsgevonden wordt besloten of promotieonderwijs wettelijk zal worden verankerd.


X Noot
2

PhD.: Philosophiae Doctor.

X Noot
3

VSNU: Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten; http://www.vsnu.nl/f_c_personeel_downloads.html.

X Noot
4

http://www.cursor.tue.nl/nieuwsartikel/artikel/niet-alle-universiteiten-voelen-voor-experiment-studentpromovendi/ http://www.vawo.nl/vakbonden-promovendi-en-studenten-bundelen-krachten-tegen-experiment-met-beurspromovendi/_ http://www.hetpnn.nl/on-wetenschappelijk-experiment-met-promovendi/.

X Noot
5

Statistics Netherlands, CDH 2014.

X Noot
6

De Goede, M., Belder, R. & De Jonge, J., 2014. Promoveren in Nederland. Motivatie en loopbaanverwachtingen van promovendi, Den Haag, Rathenau Instituut.

X Noot
7

Eurodoc Survey I, The First Eurodoc Survey on Doctoral Candidates in Twelve European Countries, uitgevoerd in de periode december 2008 tot mei 2011, http:/www.eurodoc.net/.