Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201531239 nr. 178

31 239 Stimulering duurzame energieproductie

Nr. 178 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 24 september 2014

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken over de brief van 30 juni 2014 over het Besluit experimenten decentrale duurzame elektriciteitsopwekking (Kamerstuk 31 239, nr. 177).

De vragen en opmerkingen zijn op 4 september 2014 aan de Minister van Economische Zaken voorgelegd. Bij brief van 22 september 2014 zijn ze door hem beantwoord.

De voorzitter van de commissie voor Economische Zaken, Vermeij

Adjunct-griffier van de commissie voor Economische Zaken, De Vos

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennis genomen van het ontwerpbesluit houdende het bij wege van experiment afwijken van de Elektriciteitswet 1998 voor decentrale opwekking van duurzame elektriciteit (Besluit experimenten decentrale duurzame elektriciteitsopwekking). Deze leden hebben zelf via het aangenomen amendement van de leden Van der Werf en Leegte (TK 32 814, nr. 20) bijgedragen aan het tot stand komen van dit besluit. De mogelijkheid om te kunnen experimenteren met andere vormen van beheer van delen van ons energiesysteem, zoals het optimaliseren van vraag en aanbod of het aanleggen van een projectnet voor decentrale energie, kan leiden tot meer efficiëntie en betrokkenheid op lokaal niveau.

Een belangrijke doelstelling voor deze regeling is het bevorderen van meer duurzame lokale opwekking van elektriciteit. Toch beperkt deze regeling zich tot lokale initiatieven van coöperaties en verenigingen van eigenaars (VvE’s). De leden van de VVD-fractie vragen of ook andere partijen (marktpartijen) een rol zouden kunnen spelen bij de ontwikkeling van duurzame lokale opwekking. Waarom wordt aan andere partijen niet toegestaan om op basis van een ontheffing experimenten uit te voeren? In hoeverre leidt het vereiste om een vereniging of coöperatie te zijn tot extra lasten of kosten, bijvoorbeeld inzake het opzetten en beheren van de juridische samenwerkingsvorm?

Het Besluit beoogt bij te dragen aan de toename van het decentrale energieaanbod. Nu is het zo dat dit aanbod erg fluctueert; als de zon schijnt wordt er decentraal veel zonnestroom opgewekt. Op andere momenten is er niet of nauwelijks opbrengst. De leden denken dat het goed is dat dit decentrale aanbod ook aan een marktlogica wordt onderworpen. Met andere woorden, dat duurzaam opgewekte decentrale elektriciteit een vergoeding krijgt die in overeenstemming is met de prijs voor elektriciteit van dat moment. Als ‘s middags de prijs op de elektriciteitsmarkt laag, of zelfs negatief is, de aanbieder een lage prijs terugkrijgt of zelfs moet betalen voor zijn aangeboden stroom. Door ook lokale decentrale duurzame elektriciteit een verantwoordelijkheid te geven voor onbalans, zal een prikkel ontstaan voor opslag van elektriciteit, waardoor uiteindelijke de systeemkosten voor elektriciteitsopwekking omlaag zullen gaan. Deelt de Minister dit uitgangspunt? Waarom wel of niet? En zo ja, hoe gaat hij dit bewerkstelligen? Wat is de rol van de slimme meter en de «killer app» waar bij motie van de leden Jansen en Leegte (TK 31 239, nr. 160) om is gevraagd?

Het Besluit biedt aan coöperaties en verenigingen de mogelijkheid een ontheffing aan te vragen van een wettelijke plicht. Is het overal duidelijk wie die verplichte taak -waarvoor ontheffing wordt aangevraagd- dan in de nieuwe situatie moet uitvoeren, zo vragen de VVD-fractieleden. In hoeverre kunnen de betrouwbaarheid, leveringszekerheid, betaalbaarheid, veiligheid en bescherming van consumenten in het gedrang komen door het verlenen van ontheffing van wettelijke taken? Bestaat er een risico dat belangrijke systeemdiensten in gevaar komen als het sluitende systeem van programmaverantwoordelijkheid wordt gecompliceerd of wordt verstoord door een ontheffing in het kader van een experiment?

De Minister schrijft dat hij de komende vier jaar gaat kijken in hoeverre dit besluit daadwerkelijk tot resultaten leidt, zo lezen deze leden. Zijn oordeel zal hij dan aan de Kamer voorleggen, waarbij betrouwbaarheid, betaalbaarheid en veiligheid van de elektriciteitsvoorziening en de bescherming van consumenten meewegen. Kan de Minister nader ingaan op zijn beoordelingscriteria? Heeft hij al een beoordelingskader opgesteld voor de evaluatie van dit Besluit? Welke effecten gaat hij meten en hoe gaat hij de criteria wegen? Wie voert de beoordeling uit? De achterliggende gedachte is dat deelnemers aan de experimenten van te voren een eigen betrouwbare inschatting kunnen maken over de uiteindelijke doorzetting. Een duidelijk beoordelingskader vooraf voorkomt willekeur achteraf.

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van het voorliggende ontwerpbesluit experimenten decentrale duurzame elektriciteitsopwekking en zij zijn in beginsel groot voorstander. Zij vragen de Minister nog op enkele vragen in te gaan.

De leden vragen de Minister om toe te lichten of projecten die gebruik maken van deze experimenteerregeling tevens gebruik mogen maken van de subsidieregeling duurzame energieproductie (SDE+-regeling) en/ of de regeling verlaagd tarief energiebelasting (EB)? Zo nee, waarom niet?

De leden vragen of het klopt dat de Minister er voor heeft gekozen om de «projectnetten» slechts een jaar te laten duren. Zo nee, mogen ze dan net als de grotere experimenten maximaal tien jaar duren?

De leden vragen of er al aanvragen zijn voor beide in het voorstel genoemde categorieën. Heeft de Minister al concrete aanvragen ontvangen? Is er een indicatie dat er voldoende aanvragen komen in de nabije toekomst? Graag een toelichting.

Vragen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit experimenten decentrale duurzame elektriciteitsopwekking en hebben hier nog een aantal vragen over.

Deze leden vinden de mogelijkheid om op decentrale manier energie op te wekken een belangrijk onderdeel van het streven naar meer duurzame energie, zoals vastgesteld in het Energieakkoord. Experimenten hiermee zijn dan ook zeer welkom. Wel willen de leden graag weten waarom er gekozen is om dit experiment te beperken tot maximaal 10.000 afnemers. Graag hierop van de Minister een antwoord.

De leden van de SP-fractie vinden dat te allen tijde moet worden ingezet op zo veel mogelijk duurzame energie in het systeem, los van of dit via een directe aansluiting bij de netbeheerder wordt «terug geleverd» of dat dit in een los eigen systeem gebeurt. Waarom kiest de Minister ervoor om geen ontheffing te verlenen als niet alle afnemers bij hetzelfde midden- of laagspanningsnet zijn aangesloten? Graag een uitgebreide toelichting op deze keuze.

Voorts zijn deze leden van mening dat het begrenzen van de experimentenwet tot elektriciteit een keuze is die vrij arbitrair lijkt. Het momenteel niet aanwezig zijn van plannen tot experiment met betrekking tot de Gaswet is geen reden om geen experimenten op dit terrein toe te staan. Waarom kiest de Minister voor de beperking van (slechts) elektriciteit?

De leden van de SP-fractie vinden een heldere visie op de gebieden van energie en warmte van groot belang om de afspraken in het Energieakkoord te verwezenlijken. Deze leden zijn bezorgd over het uitblijven van een heldere Energievisie en een heldere Warmtevisie van dit kabinet. De leden van de SP-fractie vragen aan de Minister wanneer deze visies te verwachten zijn.

De leden constateren dat de warmtenetten bungelen. Deze netten zijn momenteel gebaseerd op restwarmte, terwijl geothermie en warmte-koude-opslag compleet andere systemen zijn. Hiervoor is naar mening van de leden nieuwe wet- en regelgeving nodig. Wanneer valt hier nieuwe regelgeving over te verwachten? Als leden van de SP-fractie zien wij veel potentieel in de transitie naar warmtenetten. Deze transitie verloopt soepeler via een nieuwe governance-structuur. Is de Minister bereid om te kijken naar nieuwe governance-structuren? Zo nee, waarom niet?

Deze leden hebben geconstateerd dat gebruikers van warmtepompen momenteel financieel nadelige gevolgen ondervinden van het verschil in belasting tussen gas en elektriciteit. Hierdoor betalen zij zo’n 500 a 600 euro per jaar extra voor hun energie. Het potentieel voor warmtepompen op jaarbasis is 15 PJ; hiervan wordt momenteel 5–6 PJ gehaald. Hier valt dus veel te winnen, zeker gezien de grote ambitie van 186 PJ duurzame energie zoals dit in het Energieakkoord is vastgelegd.

Warmtepompen zijn een alternatief voor stoken op gas, maar doordat de belasting die wordt geheven op de elektriciteit die gebruikt wordt om de pomp te laten draaien hoger is dan de belasting op gas zijn deze gebruikers op jaarbasis enkele honderden euro’s nadeliger uit dan gebruikers van gas. Kan dit probleem aangepakt worden door het te vereffenen in de rekening via hetzelfde register als saldering, te weten het Product Informatie Register (PIR)? Gaat de Minister dit regelen? Zo ja, op welke manier?

De leden van de SP-fractie zien het belang van het inzetten op lokale duurzame energieproductie binnen energiecoöperaties. Niet alleen krijg je hiermee meer duurzame energie in het systeem, ook stimuleert het het sociale kapitaal binnen een gemeenschap. De experimenten op het gebied van decentrale duurzame energieopwekking kunnen heel belangrijk zijn voor deze coöperaties. Door de regelgeving dat slechts consumenten volgens de definitie in Art.5, eerste lid, burgerlijk wetboek 7 mogen deelnemen aan de projecten worden dit soort initiatieven mogelijk op achterstand gezet, net als bijvoorbeeld boeren en woningcorporaties die deel willen nemen. Waarom heeft de Minister gekozen voor deze beperkende stap?

Deze leden zijn van mening dat van de voortgang van de experimenten op regelmatige basis verslag moet worden gedaan, ook om beleid eventueel bij te sturen mits het gekozen pad niet genoeg resultaat levert. Momenteel kiest de Minister ervoor om dit na vier tenderrondes te doen. Naar mening van deze leden moeten de experimenten eerst geëvalueerd worden voordat er getenderd kan worden. Waarom kiest de Minister hier niet voor?

In het huidige beleid naar 186 PJ duurzame energie mist er nog zeker 80 PJ. Deze leden van de SP-fractie weten dat de potentiële groei tussen 2020 en 2050 voornamelijk zit in zonne-energie en bodemenergie. Wat is het concrete beleid van de Minister om deze bronnen zo effectief mogelijk te gaan gebruiken? Als dit beleid er nog niet is, wanneer mag dit dan verwacht worden?

Via een Heffing Opslag Duurzame Energie betalen burgers mee aan de SDE+-regeling. Deze leden zijn van mening dat dit geld besteed dient te worden voor de stimulering van de Nederlandse economie en werkgelegenheid. Bovendien is naar mening van de leden onze onafhankelijkheid van energie beter gewaarborgd als de gelden van de SDE+ in Nederland blijven. Wat is de visie van de Minister hierop? Graag een uitgebreide toelichting.

De postcoderoos is als middel voor stimulering van collectieve opwek van duurzame energie hoopvol, al vinden de leden van de SP-fractie wel dat er goed gemonitord dient te worden of het ook op de lange termijn effectief is. Hoeveel budget is er in de Miljoenennota opzij gezet voor stimuleren van postcoderoos-regelingen?

Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het besluit experimenten decentrale duurzame elektriciteitsopwekking. Ten aanzien van het besluit hebben deze leden nog enkele vragen.

Ten algemene vragen de leden van de CDA-fractie hoe het besluit zich verhoudt met de energiebelasting en kortingsregelingen ten behoeve van het stimuleren van het opwekken van decentrale duurzame energie, de salderingsregeling en de regeling voor energiecoöperaties. Bij «projectnetten» betreft het een gesloten net met een zelfvoorzienende duurzame energielevering waaraan maximaal 500 afnemers aangesloten zijn. Dienen deze afnemers dan energiebelasting te betalen over de energie die zij aan zichzelf leveren? Of is het mogelijk voor de leden van de coöperatie om een soort van collectief salderen toe te passen?

Bij «grote experimenten» betreft het een coöperatie van maximaal 10.000 leden die gezamenlijk duurzame energie opwekken en dat leveren en afnemen van eenzelfde regionaal net. Is deze korte samenvatting correct? Is het mogelijk om gebruik te maken van de ontheffing «grote experimenten» en eveneens gebruik te maken van de korting voor coöperatieven die decentrale duurzame energie opwekken op de energiebelasting? Is de Minister voornemens de zogenoemde postcoderoosregeling aan te passen zodat projecten die een ontheffing krijgen onder de «grote experimenten» regeling hiervan gebruik kunnen maken?

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of er ook een minimum aantal deelnemers vereist is voor een experiment (projectnet en groot experiment).

De leden vragen de Minister om uit te leggen wat de prikkels zijn in dit besluit voor energiecoöperaties om in zetten op een lagere piekbelasting van het regionale net, via bijvoorbeeld smartgrids of een betere aansluiting tussen gebruik en aanbod. Zijn netbeheerders bereid om een financiële compensatie te geven voor een lagere belasting van het net? Kunnen netbeheerders deelnemen aan een energiecoöperatie, zoals beschreven in dit besluit?

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) een grote rol krijgt in de tarifering voor afnemers bij experimenten. Deze leden vragen de Minister aan welke criteria de tariefsystematiek voorgesteld door de coöperaties worden getoetst? Wordt de coöperaties hier veel ruimte in gelaten? Wordt de reguliere tarifering vergeleken met die van experimenten (2.3.4 Nota van Toelichting)? Op pagina vier wordt gesteld dat de ACM een rol kan spelen indien regionale netbeheerders weigeren mee te werken. Kan de ACM in een dergelijk geval de medewerking van de netbeheerder verplichten?

De leden van de CDA-fractie vragen ten aanzien van artikel 5 of de Minister inzicht kan geven wanneer en bij welke instantie aanvragen voor ontheffing kunnen worden ingediend.

Ten aanzien van de evaluatie vragen de leden van de CDA-fractie zich af of het mogelijk is om de Kamer elk jaar op de hoogte te houden over het aantal ontheffingen, het aantal aanvragen voor ontheffingen en de aard en omvang van ontheven projecten. Daarnaast achten deze leden het moment van een grote evaluatie na vier jaar aan de vroege kant aangezien projecten een ontheffing krijgen voor tien jaar en er ontheffingen gegeven gaan worden in de komende vier jaar. Deze leden horen graag van de Minister waarom hij ervoor kiest om na vier jaar te evalueren.

Vragen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben met frisse tegenzin kennis genomen van het voorliggende besluit. Dit besluit stelt consumenten in staat om buiten de wettelijke regelgeving om decentrale duurzame experimenten uit te voeren. De leden vinden het typerend dat er gemarchandeerd wordt met wetten en regelgeving zo lang het maar past binnen het duurzaamheidsmantra. Hetzelfde hebben deze leden immers onlangs geconstateerd bij de voorgenomen sluiting van de kolencentrales. Terwijl zodra een wat soepelere toepassing van de wet en regelgeving gewenst is voor andere zaken, zoals een breed gedragen wens van de Kamer om de banen van Aldel te behouden, deze regering krampachtig vasthoudt aan nationale of Europese regelgeving. Kan de Minister aangeven waarom zij met twee maten meet en alleen bereid is om bestaande wetten en regels te buigen indien dit past binnen het duurzaamheidskader?

De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister een voorbeeld kan geven van de consumentenbescherming waaraan leden van een vereniging zich bij een experiment onttrekken en welke potentiele consequenties dat kan hebben. Verder constateren de leden dat er van volledig zelfbeheer geen sprake is zolang de vereniging of coöperatie bij een tekort aan zelf opgewekte elektriciteit terug moet vallen op het net. Deze leden vragen bij wie de verantwoordelijkheid en kosten liggen om vooraf een juiste inschatting te maken van de balans tussen opgewekte en verbruikte energie? Immers, indien een netbeheerder plots geconfronteerd wordt met 10.000 gebruikers die een beroep moeten doen op stroom van het net dan brengt dat een flinke kostenpost met zich mee. De leden vragen of deze kosten volledig kunnen worden afgewenteld op het experiment dat verantwoordelijk is voor deze onbalans. En zo niet, betekent dat dan dat deze kosten worden doorberekend aan de overige gebruikers?

De leden van de PVV-fractie vragen waarom meer dan 20% kleine bedrijven een risico vormen voor de belasting van het net van de regionale netbeheerder en de betrouwbaarheid van de energievoorziening? Immers deze kleine bedrijven maken nu toch reeds gebruik van datzelfde net en de regering veronderstelt juist dat de experimenten zorgen voor een verlaging van de piekbelasting en daarmee dus zorgen voor meer stabiliteit van het net? Deze leden vinden dat overigens een twijfelachtige veronderstelling, want indien bijvoorbeeld bij wijze van experiment 10.000 huishoudens overgaan op zonne-energie, dan zal men bij onverwachts slecht weer juist terug moeten vallen om stroom van het net, waardoor de piekbelasting juist wordt vergroot. Deelt de Minister deze redenering en zo nee, waarom niet?

Deze leden zijn benieuwd waarom initiatiefnemers in staat moeten worden gesteld om hun eigen projectnet aan te leggen? Welke potentiele voordelen levert dat op? Deze leden vrezen dat de kwaliteit van het net in gevaar komt, indien netten worden aangelegd door andere partijen dan de netbeheerder. Datzelfde gaat op voor het beheer van het net, wederom vragen de leden zich af of het splitsen van asset management en system operation het beheer van het net niet gecompliceerder maakt? Waarom denkt de Minister dat deze afwijking van de wet nuttig kan zijn? Verder zijn deze leden benieuwd hoe het zit met overschotten. Volgens deze leden is het aannemelijk dat deze overschotten (in het geval van wind/zon) zich niet beperken tot het experiment, maar zich ook uitstrekken tot het regionale en zelfs landelijke net. Dat roept de vraag op wie er verantwoordelijk is voor het opvangen van het overschot op het net, indien het beheer van het net (deels) door het experiment is overgenomen van de regionale netbeheerder?

De leden van de PVV-fractie vinden dat het kabinet nogal gemakzuchtig omgaat met de kosten voor netbeheerders. Weliswaar maakt het op het totale inkomsten van het landelijke netbeheer een beperkte impact, maar indien een regionale netbeheerder geconfronteerd wordt met meerdere experimenten dan kan dat wel degelijk behoorlijke financiële consequenties hebben. Zeker voor de wat kleinere regionale netbeheerders. Deze leden vragen of het verlies aan inkomsten kan worden afgewenteld op de overige gebruikers in de regio? Verder verbazen de leden zich dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) inschat dat de administratie en organisatie via verenigingen en coöperaties circa 40% goedkoper kan zijn dan de gangbare combinatie van energieleverantie en netbeheer. Kan de Minister specificeren waar dit kostenvoordeel behaald wordt?

De leden van de PVV-fractie vinden het goed dat de derden toegang gegarandeerd blijft, zodat consumenten niet gedwongen worden tot deelname aan het experiment van hun VvE. De leden vragen echter wel hoe het zit met de verdeling van de kosten. Normaal gesproken betaalt een ieder een vaste maandelijkse bijdrage aan zijn/haar VvE. Worden de experimentkosten ook hierin verwerkt of worden deze apart aan de deelnemers in rekening gebracht? Indien de experimentkosten onderdeel uitmaken van de vaste bijdrage dan betaalt in feite ieder lid van een VvE mee aan het experiment, ook indien hij/zij daar niet aan wenst deel te nemen. Deze leden vragen of hierdoor de keuzevrijheid niet in het geding komt? Bovendien vragen deze leden zich af of het via deze weg meebetalen aan een experiment dat in de privéstroomvoorziening moet voorzien niet vastgelegd dient te worden in de splitsingsakte? Zoals dat dus ook voor de warmtewet het geval is. Deze leden beredeneren dat indien een dergelijke collectieve stroomvoorziening niet is vastgelegd in de splitsingsakte, één individuele appartement houder dus op geen enkele wijze mee zou moeten betalen aan deze voorziening (dus ook geen regeldrukkosten), indien hij/zij daar niet aan wenst deel te nemen. Kan de Minister de leden van de PVV-fractie geruststellen dat dit het geval is?

Vragen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met grote belangstelling kennis genomen van het ontwerpbesluit experimenten decentrale duurzame energieopwekking, en willen de regering nog enkele vragen voorleggen.

De leden van de D66-fractie vragen welke kennis de Minister op wil doen met de experimentenregeling, wat in de ogen van deze leden zo nauwkeurig mogelijk geformuleerd moet worden ten einde de regeling na verloop van tijd zinvol te evalueren, en eventueel aan te passen of te verlengen. Deze leden zijn van mening dat het creëren van enkel experimenteerruimte voor elektriciteit geen recht doet aan de brede behoefte aan deze ruimte op het gehele gebied van energie, en vragen de Minister dan ook om de toezegging de regeling op korte termijn uit te breiden naar in ieder geval gas, warmte en alle denkbare opties voor opslag van energie.

De leden van de D66-fractie vragen hoe de Minister lokale overheden actief wil gaan begeleiden bij het vinden van een antwoord op de vraag hoe zij de experimentenregeling kunnen gebruiken voor hun lokale ambities. Deze leden willen ook graag de toezegging dat lokale overheden te zijner tijd bij de evaluatie van de regeling worden betrokken.

De leden van de D66-fractie vragen waar de beperkingen in omvang en aantal experimenten op gebaseerd zijn, en horen graag van de Minister of hij het niet logischer acht om deze te baseren op de impact op de netstabiliteit, en dus bijvoorbeeld uit te drukken in vermogen. Vind de Minister dan niet ook dat meer recht kan worden gedaan aan geografisch verschillende behoeften voor aard en omvang van experimenteerruimte? Is de Minister bereid om zo’n afbakening te hanteren in plaats van de huidig voorgestelde, en de mogelijkheid in de regeling op te nemen deze ruimte tussentijds uit te breiden? Kan de Minister toezeggen dat MKB, boeren en kleinere bedrijven ook lid mogen zijn van coöperaties in het kader van projectnetten?

De leden van D66 vragen of de standaardontheffing van 10 jaar niet te beperkend is, ook al is er mogelijkheid tot verlenging. Voor een goede business case in het kader van duurzame energieopwekking kan een langere termijn vereist zijn, en deze leden zouden dan ook graag de toezegging van de Minister krijgen dat de regeling zo wordt aangepast dat ook langere ontheffingstermijnen ineens kunnen worden verleend.

De leden horen graag van de Minister of netbeheerders ook bij projectnetten betrokken kunnen zijn, zonder technisch beheer te doen, dus bijvoorbeeld als adviseur of onderzoekspartner op het gebied van vraagsturing of vraagreductie. Bovendien kunnen deze leden zich voorstellen dat de netbeheerders een rol spelen op het gebied van delen van best practices, en dat de netbeheerders een rol kunnen spelen in het bij elkaar brengen van bijvoorbeeld kennispartijen. Graag een reactie van de Minister op de behoefte hieraan en de mogelijkheden hiertoe.

De leden van de D66-fractie horen verder graag van de Minister hoe hij de goede uitkomsten van experimenten wil verwerken in regelgeving, en of hij bereid is om – indien een experiment al overtuigend succesvol is tijdens de looptijd – al tijdens de experimenteertijd regelgeving aan te passen om bredere uitrol van beproefde ideeën mogelijk te maken.

II Antwoord / Reactie van de Minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie vroegen welke marktpartijen een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van lokale opwekking van duurzame elektriciteit en waarom aan andere partijen dan verenigingen van eigenaars en coöperaties geen ontheffing wordt verleend. Voor de beantwoording van die vragen is het van belang verschillende rollen te onderscheiden. De verenigingen en coöperaties zijn de initiatiefnemers van de experimenten voor de opwekking van decentrale duurzame elektriciteit. Zij dragen de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de experimenten in financiële, organisatorische en juridische zin. In elk geval bij grote experimenten zullen zij de netbeheerder moeten betrekken; bij projecten tot 500 deelnemers staat het hen vrij ervoor te kiezen, de rol van netbeheerder zelf te vervullen. De aanvrager van een ontheffing dient de rol van de betrokken netbeheerder en energieleverancier in het experiment duidelijk te benoemen, en wel om twee redenen:

  • 1. de continuïteit van de projecten op langere termijn als het project als experiment mogelijk beëindigd wordt, en

  • 2. de kennis en expertise die deze marktpartijen kunnen inbrengen.

Het wordt aan partijen zoals leveranciers, producenten en netbeheerders niet toegestaan, zoals de leden van de VVD-fractie vroegen, om zelf een experiment uit te voeren. De in het ontwerpbesluit gekozen rechtsvormen van de vereniging van eigenaars en coöperaties bieden consumenten en andere kleinverbruikers een mogelijkheid om zelf in eigen lokale kring mogelijkheden van decentrale duurzame elektriciteit te benutten. Dit sluit aan op uitgangspunten die zijn vastgelegd in de kabinetsvisie op lokale duurzame energie (brief van 8 november 2013, Kamerstuk 30 196, nr. 222). Met deze rechtsvormen wordt bescherming aan kleinverbruikers geboden die het mogelijk maakt om de consumentenbescherming in de Elektriciteitswet 1998 te beperken tot een niveau dat volgens de Europese richtlijn 2009/72/EG verplicht is. Marktpartijen kunnen kleinverbruikers uiteraard wel stimuleren tot initiatieven en deze initiatieven ondersteunen.

De leden van de VVD-fractie vroegen of het vereiste, dat deelnemers aan experimenten lid moeten zijn van een vereniging of coöperatie, tot extra kosten leidt. De kosten voor het opzetten van een vereniging of coöperatie zijn in de Nota van Toelichting onder 5.2 (Regeldrukkosten) geschat op € 9.000,–. Deze kosten worden strikt genomen niet veroorzaakt door de regeling, maar door het feit dat voor elke gezamenlijke exploitatie van een productie-installatie altijd een rechtspersoon nodig zal zijn. In geval dat deze al bestaat (bijvoorbeeld een Vereniging van Eigenaren of een coöperatie die is opgericht in het kader van een «Postcoderoos») hoeven hier geen extra kosten voor te worden gemaakt.

Volgens de leden van de VVD-fractie is elektriciteit niet op elk moment evenveel waard en dient ook lokale opwek onderworpen te zijn aan deze marktlogica. Als uitgangspunt wordt deze opvatting onderschreven. In de experimenten kan zowel worden geëxperimenteerd met flexibele leveringstarieven als met variabele netwerktarieven; van het reguliere vaste capaciteitstarief kan dus worden afgeweken. Toepassing van de slimme meter en andere innovaties kan er immers aan bijdragen dat het gebruik beter wordt afgestemd op het aanbod. De resultaten van de experimenten moeten uitwijzen of variabiliteit van tarieven tot een beter gebruik van duurzame energie en tot een efficiënter gebruik van de netten leidt.

De leden van de VVD-fractie vroegen of het overal duidelijk is wie de verplichte taken, na ontheffing, moet uitvoeren. Bij de beoordeling van het project wordt bezien of in het project alle taken op het gebied van productie, distributie en transport, onderhoud, administratie en dergelijke zijn belegd zodat hierover geen onduidelijkheid kan ontstaan. Netbeheerders en leveranciers blijven hun taak behouden, voor zover de ontheffinghouder deze niet overneemt. Om administratieve en fysieke problemen op het net te voorkomen zijn de volgende voorzieningen getroffen. Niet alleen de aanvrager van de ontheffing, de Minister en de toezichthouder, de Autoriteit Consument en Markt (ACM), maar ook alle derden-belanghebbenden zijn gebonden aan de ontheffing. Zij kunnen rechten aan de ontheffing ontlenen (artikel 3, tweede lid) maar krijgen ook verplichtingen opgelegd. Zo zijn netbeheerders niet gehouden de taken uit te voeren, die bij de ontheffing als een taak van de ontheffinghouder is omschreven (artikel 11 van het ontwerpbesluit), maar de netbeheerder blijft verantwoordelijk voor de stabiliteit van het net. De ontheffinghouder heeft daarnaast van rechtswege een vergunning voor het leveren van elektriciteit aan kleinverbruikers (artikel 13 van het ontwerpbesluit). Dat betekent dat de ontheffinghouder ook de verplichtingen heeft die iedere andere leverancier heeft, zoals programmaverantwoordelijkheid. Ook leveranciers zijn niet gehouden de taken uit te voeren, die bij de ontheffing als een taak van de ontheffinghouder zijn omschreven (artikel 14 van het ontwerpbesluit), maar de leverancier blijft verantwoordelijk voor zijn eigen klanten die niet aan het experiment deelnemen. Het is daarom van belang dat bij iedere ontheffing de rollen van netbeheerder, leverancier en producent goed zijn omschreven en dat de documenten waarin de inrichting van het project is beschreven openbaar zijn.

Verder vroegen de leden van de VVD-fractie in hoeverre bijvoorbeeld de betrouwbaarheid in het gedrang kan komen door het verlenen van een ontheffing. Aansluitend vroegen deze leden of er een risico bestaat dat belangrijke systeemdiensten in gevaar komen als, door experimenten, het sluitende systeem van programmaverantwoordelijkheid wordt gecompliceerd of verstoord. Het is bij een experiment, naar zijn aard, nooit helemaal uit te sluiten dat een onderdeel van het systeem in fysieke, administratieve of financiële zin anders functioneert dan verwacht. In het besluit worden de experimenten in omvang, vormgeving en tijd daarom zodanig ingekaderd dat het effect van eventuele fysieke, administratieve of financiële problemen zo beperkt mogelijk blijft. Ook bij de beoordeling van projecten is dit een belangrijk aandachtspunt. Zo wordt bijvoorbeeld aandacht besteed aan de wijze waarop erin is voorzien dat een experiment zo nodig geheel of gedeeltelijk door een netbeheerder of leverancier overgenomen kan worden (artikel 7, eerste lid, onderdelen, x en y van het ontwerpbesluit).

De leden van de VVD-fractie vroegen nadere uitleg over de beoordelingscriteria van de experimenten. Er zijn drie soorten criteria: algemene bepalingen, weigeringsgronden, en rangschikkingscriteria. Een ontheffing wordt niet verleend als de aanvraag om ontheffing in strijd is met een algemene bepaling, bijvoorbeeld artikel 3 van het ontwerpbesluit, dat bepaalt dat het project betrekking heeft op decentraal opgewekte duurzame elektriciteit of elektriciteit opgewekt in een installatie voor warmtekrachtkoppeling (artikel 7, eerste lid, onderdeel a van het ontwerpbesluit). Daarnaast wordt een ontheffing geweigerd voor een project waarvoor de Elektriciteitswet 1998 op andere wijze voorziet in een ontheffing of geen ontheffing nodig is (artikel 7, eerste lid, onderdelen b en c, van het ontwerpbesluit). Verder kan een aanvraag worden geweigerd als er aanwijzingen zijn dat een project in strijd is met algemene uitgangspunten van de Elektriciteitswet 1998, samen te vatten als veiligheid, consumentenbescherming en milieu (artikel 7, eerste lid, onderdelen d en e, van het ontwerpbesluit). In de overige bepalingen van artikel 7 van het ontwerpbesluit is expliciet geformuleerd in welke gevallen in ieder geval geen ontheffing zal worden verleend. Deze bepalingen bakenen de omvang en vorm van de experimenten af. Het betreft het maximum aantal deelnemers, de hoeveelheid op te wekken elektriciteit, de eisen die aan de organisaties worden gesteld zoals kennis, vaardigheden en rechtsvorm. De rangschikkingscriteria zijn alleen van toepassing op grote projecten en niet op projectnetten. Voor grote projecten geldt dat aan de hand van rangschikkingscriteria een lijst wordt opgesteld van projecten die het meest bijdragen aan de doelstelling dat de experimenten bijdragen aan de ontwikkeling van decentrale duurzame elektriciteitsopwekking. Ieder groot project, dat aan de algemene bepalingen van het besluit en na beoordeling aan de hand van de weigeringsgronden voldoet, wordt aan deze criteria getoetst. Het betreft de mate waarin het experiment, kort samengevat:

  • het aandeel duurzame elektriciteit in het totale energieverbruik van de afnemers vergroot;

  • de netbelasting verlaagt door het synchroniseren van de vraag naar elektriciteit met het aanbod van elektriciteit en het sturen van vraag en aanbod;

  • een kans van slagen heeft;

  • herhaalbaar is;

  • leidt tot betrokkenheid van consumenten.

Anders dan voor grote projecten geldt voor projectnetten de volgorde van binnenkomst. Ieder jaar worden niet meer dan tien ontheffingen voor projectnetten verleend. Dat betekent dat er in vier jaar voor veertig projectnetten een ontheffing verleend kan worden.

Tenslotte vroegen de leden van de VVD-fractie naar een beoordelingskader voor de evaluatie van het ontwerpbesluit, de meting van de effecten, de criteria en wie de beoordeling uitvoert. Artikel 7a, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 bepaalt dat een experiment moet bijdragen aan «ontwikkelingen op het gebied van de productie, het transport en de levering van decentraal opgewekte duurzame elektriciteit of elektriciteit opgewekt in een installatie voor warmtekrachtkoppelingen en past binnen verantwoorde financiële kaders van het Rijk». Of een experiment aan die doelstelling heeft voldaan, wordt getoetst aan de hand van het verslag van het experiment, waarin de volgende vragen aan de orde komen (artikel 16, derde lid, van het ontwerpbesluit):

  • a. Is het aandeel duurzame energie van het totale eindverbruik van energie bij de afnemers die deelnemen aan het project vergroot?

  • b. Heeft het project geleid tot een significant mindere belasting van het net?

  • c. In welke mate zijn de afnemers tevreden over de geleverde diensten en in hoeverre blijkt dat uit een afname van het percentage afnemers in vergelijking met het totaal aantal afnemers in het betrokken gebied of verandering van het aantal afnemers?

  • d. In het geval het project betrekking heeft op warmtekrachtkoppeling wordt tevens de vraag beantwoord in hoeverre door het gebruik van warmtekrachtkoppeling het rendement van de aangevoerde energiedragers verhoogd is.

De Minister doet vervolgens verslag aan de Tweede Kamer over de experimenten en de voortzetting daarvan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie vroegen of projecten die gebruik maken van deze regeling ook gebruik kunnen maken van de SDE+ of het verlaagde tarief in de energiebelasting. Het antwoord daarop is bevestigend. De projecten dienen dan wel aan de voorwaarde van respectievelijk de SDE+ of het verlaagde tarief te voldoen. Het combineren van SDE+ en het verlaagde tarief voor hetzelfde project is niet toegestaan. Dit is ook nu al het geval.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar de duur van een ontheffing voor projectnetten. Die is voor alle projecten (projectnetten en grote projecten) maximaal tien jaar. Om te voorkomen dat experimenten geen doorgang kunnen vinden vanwege investeringen die een langere afschrijvingstermijn dan tien jaar hebben is in het ontwerp voorzien in een mogelijkheid tot verlenging langer dan tien jaar (artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van het ontwerpbesluit). Daarnaast is het mogelijk dat door experimenten het wettelijk kader wordt aangepast. Dat kan betekenen dat projecten die als experiment zijn begonnen, overgaan naar een reguliere situatie.

De leden van de PvdA-fractie vroegen hoe groot de elektriciteitsvraag momenteel is in de beide in het ontwerpbesluit genoemde categorieën experimenten. Omdat nog niet bekend is welke groepen gebruikers een aanvraag zullen doen voor ontheffingen in het kader van dit ontwerpbesluit, is niet bekend wat de omvang van hun gebruik is. Wel zal daar naar worden gevraagd bij de aanvang van het experiment, om een mogelijk effect op het energiegedrag van de deelnemers en mogelijke energiebesparende effecten te meten. Het huishoudelijk energiegebruik hangt af van het aantal inwoners per huishouden en van hun energiegedrag. Op grond van gemiddeld verbruik per huishouden (bron: NIBUD 2014) zou het verbruik in een experiment met een projectnet momenteel ca. 1,67 GWh per jaar bedragen en van een «groot experiment» ca. 40 GWh (op basis van 80% consumenten en 20% overige Vragen kleinverbruikers).

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie vroegen waarom een experiment beperkt wordt tot 10.000 afnemers. In de voorbereiding van dit voorstel werd aanvankelijk gedacht aan experimentele verzorgingsgebieden ter grootte van een «Gesloten Distributie Systeem» (GDS), dat wil zeggen: 500 aangesloten afnemers. Tijdens de voorbereiding van het Energieakkoord en in de internetconsultatie van het onderhavige besluit, is gebleken dat initiatiefnemers en andere stakeholders een grotere omvang wenselijk achtten. Daarbij moest een afweging worden gemaakt tussen een zinvolle experiment-omvang enerzijds en eisen ten aanzien van systeemveiligheid anderzijds. Op grond hiervan is de keuze gemaakt om de experimenten op 10.000 afnemers te begrenzen. In paragraaf 6.2. van de Nota van Toelichting op het ontwerpbesluit zijn de overwegingen gegeven om de grens te leggen bij 10.000 aansluitingen: er dient een direct verband te kunnen bestaan tussen energieproductie en -gebruik om de verhoopte neveneffecten (verandering van «time of use», energiebesparing) te kunnen realiseren, welk verband problematisch zou worden bij experimenten met veel meer dan 10.000 deelnemers; voorts geldt de overweging dat het ontwerpbesluit een andere vorm van consumentenbescherming biedt dan de algemeen geldende, in de zin dat de deelnemers via hun eigen organisatie afspraken maken en regels stellen, waarbij een organisatie met een omvang van 10.000 deelnemers als maximum is verondersteld om de vereiste ledenrechten nog zinvol te kunnen uitoefenen.

De leden van de SP-fractie vroegen waarom ervoor is gekozen om geen ontheffing te verlenen als de deelnemers niet bij hetzelfde midden- of laagspanningsnet zijn aangesloten. Doel van de experimenten is het bevorderen van betrokkenheid van energiegebruikers bij hun eigen energievoorziening zoals uiteengezet in de visie op lokale energie (Kamerstuk 30 196, nr. 222). Verwacht wordt dat de experimenten leiden tot zuiniger gebruik en een efficiëntere productie van energie. Met dit voorstel wordt tevens beoogd te bezien of er met lokale energieopwekking efficiënter gebruik kan worden gemaakt van de lokale energienetten. Dat is alleen mogelijk als de productie dicht bij de gebruikers plaats vindt, in casu in hetzelfde gebied van laag- of middenspanning.

De leden van SP-fractie vroegen naar de reden van het niet uitvoeren van experimenten met betrekking tot de Gaswet. Bij de consultatiebijeenkomsten en in de internetconsultatie is niet gebleken dat er vraag is naar experimenten met het afwijken van wettelijke bepalingen van de Gaswet. Omdat er geen voorstellen voor experimenten te verwachten zijn, is het ontwikkelen van een regeling in afwijking van de Gaswet niet zinvol geacht.

De leden van de SP-fractie vroegen naar een Energievisie en een Warmtevisie. Ook vroegen zij wanneer nieuwe wetgeving te verwachten is voor warmtenetten in relatie tot geothermie en warmte- en koudeopslag. Ook vroegen zij naar een nieuwe governance-structuur van warmtenetten. De Warmtevisie zal dit najaar aan de Kamer worden gezonden evenals de Nationale Energie Verkenning. Op het gebied van geothermie en warmte- en koudeopslag is vooralsnog geen wetgeving voorzien. In het kader van de warmtevisie wordt bezien of een andere governance-structuur voor warmtenetten noodzakelijk is.

De leden van de SP-fractie vroegen waarom de Minister heeft gekozen voor een beperking tot consumenten waardoor boeren en woningbouwcorporaties niet kunnen deelnemen. Iedere kleinverbruiker (tot 3*80A aansluiting) kan als lid van een coöperatie deelnemen aan een project. Hierdoor worden boeren of woningbouwcorporaties niet op voorhand van deelname uitgesloten. Het aantal kleinverbruikers dat geen consument is, is voor grote projecten beperkt tot 20% van de deelnemers. De reden daarvoor is dat dit ontwerpbesluit in hoofdzaak betrekking heeft op consumenten.

De leden van de SP-fractie vroegen naar de mogelijkheden van vereffening van het verschil in belasting tussen elektriciteit en gas. Eventuele wijzigingen in de manier waarop belasting wordt geheven op elektriciteit en gas zullen worden betrokken bij de toekomstige algehele herziening van het belastingstelsel.

De leden van de SP-fractie vroegen waarom is gekozen voor een beperking tot consumenten, waardoor boeren en woningbouwcorporaties niet aan experimenten kunnen deelnemen. Iedere kleinverbruiker (tot 3*80A aansluiting) kan als lid van een coöperatie deelnemen aan een project. Hierdoor worden boeren of woningbouwcorporaties niet op voorhand van deelname uitgesloten. Het aantal deelnemers dat geen consument is, is voor grote experimenten beperkt tot 20% van de deelnemers.

De leden van de SP-fractie vroegen of het mogelijk is om eerst te evalueren en vervolgens te tenderen. Het is op dit moment niet bekend welke aanvragen voor experimenten er de komende vier jaar zullen zijn. In de consultatiebijeenkomsten en in de internetconsultatie zijn opmerkingen gemaakt en vragen gesteld door diverse organisaties die initiatieven ondernemen. Of deze organisaties een aanvraag om ontheffing in zullen dienen is echter niet bekend. Het is dus niet mogelijk om projecten op voorhand te evalueren.

De leden van de SP-fractie vroegen wat het beleid is om zonne- en bodemenergie zo effectief mogelijk te gebruiken. Onlangs is het versnellingsplan aardwarmte naar de Kamer gestuurd waarin onder andere wordt ingezet op een kennisagenda aardwarmte (Kamerstukken II 2013/14, 32 627, nr. 17). Verder zal de garantieregeling voor aardwarmte wederom beschikbaar komen en wordt de productie van aardwarmte gestimuleerd middels de SDE+. Zonne-energie wordt gestimuleerd in zowel de SDE+ als in de postcoderoosregeling. Momenteel wordt naar aanleiding van het energieakkoord en in het kader van de warmtevisie verkend of het bestaande beleid gericht op zonne- en bodemenergie afdoende is voor het doelbereik in 2020.

Deze zelfde leden informeerden naar de visie van de Minister op de stellingname van de SP dat de opbrengst van de SDE-heffing in Nederland moet blijven. Vooralsnog kunnen alleen projecten in Nederland aanspraak maken op SDE+. Dit zal ook in de SDE+ 2015 het geval blijven. Het steunen van projecten in andere EU-lidstaten is wel een optie die achter de hand wordt gehouden, voor het geval de realisatie van de doelstelling duurzame energie in Nederland achterblijft. In de kamerbrief over de SDE+ 2015 die dit najaar verschijnt wordt u nader geïnformeerd.

Ook stelden de leden van de SP-fractie de vraag hoeveel geld in de Miljoenennota opzij is gezet voor het stimuleren van postcoderoosregelingen. Voor het verlaagd tarief voor lokaal opgewekte duurzame energie is in de Miljoenennota vanaf 2014 structureel 10 miljoen Euro geboekt in de begroting. Na 2017 is naar verwachting extra dekking nodig. Daartoe zal het elektriciteitstarief in de eerste schijf van de energiebelasting worden verhoogd.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vroegen hoe dit besluit zich verhoudt tot financiële regelingen ter stimulering van lokale energieopwekking. Projecten die gebruik maken van deze regeling kunnen ook gebruik maken van de SDE+ of het verlaagde tarief in de energiebelasting. De projecten dienen dan wel aan de voorwaarde van respectievelijk de SDE+ of het verlaagde tarief te voldoen. Het combineren van SDE+ en het verlaagde tarief voor hetzelfde project is niet toegestaan.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de leden van een coöperatie die een projectnet heeft energiebelasting betalen voor de onderling geleverde energie en of het mogelijk is een vorm van collectief salderen toe te passen. Het ontwerpbesluit voorziet niet in een afwijking van de bestaande regels voor salderen. In zijn algemeenheid geldt dat de leden van een vereniging individueel energiebelasting betalen.

De leden van de CDA-fractie vroegen of een «groot experiment» een coöperatie is van maximaal 10.000 leden die gezamenlijk duurzame energie opwekken en dat leveren of afnemen van eenzelfde regionaal net. Deze samenvatting van de CDA-fractie is juist.

De leden van de CDA-fractie stelden de vraag of deelnemers aan een «groot experiment» gebruik kunnen maken van de energiebelastingkorting voor coöperatieven. De deelnemers aan deze experimenten kunnen profiteren van de genoemde energiebelastingkorting, mits zij aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoen.

De leden van de CDA-fractie vroegen of er een minimum aantal deelnemers is aan een experiment. Het ontwerpbesluit stelt geen ondergrens aan het aantal deelnemers.

De leden van de CDA-fractie informeerden daarnaast wat de prikkels voor een coöperatie zijn om in te zetten op een lagere piekbelasting van het net, en of netbeheerders bereid zijn om een tegemoetkoming te verlenen voor lagere belasting van het net. De prikkels voor een mogelijk lagere piekbelasting komen voort uit het prijsverschil in piek- en daluren. Door het elektriciteitsverbruik van de deelnemers af te stemmen op de eigen productie en het restgebruik in te kopen op momenten van een lage APX-prijs, kan men voordelen behalen. Dit voordeel kan nog toenemen als men gebruik zou maken van vormen van energieopslag. Hoe groot het voordeel, dat wil zeggen het verschil tussen dal- en piekprijzen, op den duur zal zijn, valt nu nog niet goed te voorspellen. Naast dit effect kan afstemming van de elektriciteitsvraag op het -aanbod leiden tot een lagere maximale afname en een bijgevolg lagere benodigde netcapaciteit. De waarde hiervan in de praktijk is nog onderwerp van onderzoek bijvoorbeeld in een project dat Enexis in Haaren uitvoert. In een voorlopige ruwe schatting gaat Enexis uit van ongeveer € 20,– per jaar per huishouden, maar er is nog veel onderzoek nodig. Verwacht wordt dat de experimenten op grond van dit ontwerpbesluit aan dat onderzoek zullen bijdragen.

De leden van de CDA-fractie vroegen of netbeheerders kunnen deelnemen aan een energiecoöperatie, zoals beschreven in dit ontwerpbesluit. Netbeheerders kunnen geen lid zijn van de bedoelde coöperatie of vereniging; dit is een samenwerking van energiegebruikers die installaties voor de productie van duurzame elektriciteit in beheer hebben. Voor een uitgebreider antwoord wordt verwezen naar een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de CDA-fractie vroegen aan welke criteria de tariefsystematiek van de coöperaties zal worden getoetst en of de coöperaties daarin veel vrijheid wordt gelaten. Ook vroegen zij of de reguliere tarifering met die van de coöperaties zal worden vergeleken. In artikel 13 van het ontwerpbesluit is bepaald dat de ACM, bij wijze van experiment, jaarlijks alleen de methode tot vaststelling van de tarieven zal toetsen en niet de tarieven zelf. Een experiment kan niet van start gaan alvorens de methode tot tariefvaststelling is goedgekeurd. In de methode tot tariefvaststelling zal men moeten aangeven hoe de kosten en opbrengsten van het experiment worden verdeeld, en wat de rechten en plichten van de deelnemers zijn. In de aanloop naar de opening van de eerste tender voor deze regeling zal van de kant van de uitvoeringsorganisatie (de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, RVO.nl), in overleg met de ACM worden aangegeven aan welke voorwaarden een dergelijke tarievenmethode moet voldoen. De monitoring van de gerealiseerde kosten en opbrengsten, en daarmee de vergelijking van de gerealiseerde tarieven met de gebruikelijke tarieven waar de leden van de CDA-fractie naar vroegen, is onderdeel van de monitoring van de experimenten.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar aanleiding van een passage op bladzijde vier van de nota van toelichting of de ACM een rol kan spelen als regionale netbeheerders weigeren mee te werken. Deze passage gaat over de algemene bevoegdheden van de ACM ten opzichte van netbeheerders. Wanneer een netbeheerder weigert mee te werken aan een experiment waarvoor ontheffing is verleend, kan de ACM de netbeheerder verplichten om bijvoorbeeld een aansluiting te realiseren.

In antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie wanneer en bij wie een aanvraag voor ontheffing voor een project wordt ingediend is in artikel 5 van het ontwerpbesluit bepaald, dat dit bij besluit wordt bepaald. RVO.nl zal het besluit uitvoeren. De inwerkingtreding en daarmee het begin van uitvoering van het besluit is voorzien op 1 maart 2015. Hierbij is rekening gehouden met de voortgang van het overleg met uw Kamer en de te nemen formele stappen, zoals advies van de Afdeling advisering van de Raad van State.

Aan de vraag van leden van de CDA-fractie om de Kamer jaarlijks op de hoogte te stellen van de voortgang zal ik graag voldoen.

De leden van de CDA-fractie stelden de vraag of de termijn van evaluatie van een experiment na vier jaar te kort is. De termijn, die deze leden noemden, is niet de enige termijn. Een experiment wordt na vier jaar en drie maanden tussentijds geëvalueerd alsook, zoals artikel 7a, vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998 voorschrijft, na beëindiging van het experiment. Dit betekent dat de eerste experimenten meer dan vier jaar na inwerkingtreden van het besluit tussentijds worden geëvalueerd en de laatste evaluatie na ten minste veertien jaar plaats vindt. Dat is naar verwachting begin 2020, respectievelijk 2030. De resultaten van de experimenten worden gebruikt om een standpunt te bepalen over de voortzetting van het project anders dan als experiment, zoals in artikel 7a, vierde lid van de Elektriciteitswet 1998 is bepaald. Zodra duidelijk is, dat een afwijking van de wet bijdraagt aan de doelstelling van de wet en geen afbreuk doet aan algemene uitgangspunten, samen te vatten als betrouwbaar, betaalbaar en schoon, dan wel aan Europese verplichtingen, is het wenselijk in een permanente wettelijke maatregel te voorzien.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie vroegen waarom wetten en regels alleen worden verbogen als dit past in het duurzaamheidskader. Het ontwerpbesluit is het gevolg van het bepaalde in de Elektriciteitswet 1998, dat experimenten mogelijk moeten worden gemaakt als dit de productie en het gebruik van elektriciteit uit duurzame bron bevordert.

De leden van de PVV-fractie vroegen waarom een hoger percentage niet-consumenten een risico vormt. Aan een project met 10.000 deelnemers kunnen 2.000 kleine bedrijven deelnemen met een aansluiting van 3*80A (ter vergelijking: een aansluiting voor een consument heeft betrekking op maximaal 3*25A). De verwachting is dat er 40 grote experimenten worden gestart. Dat betekent dat 80.000 kleine bedrijven met een aansluiting van 3*80 A de gelegenheid krijgen om aan een experiment deel te nemen.

De leden van de PVV-fractie vroegen of de onbalanskosten volledig door de deelnemers aan het experiment worden betaald. De ontheffingshouder zal als leverancier de programmaverantwoordelijkheid (PV) hebben voor het verbruik van de leden en de productie van de installatie. De PV voor het resterend verbruik moet hij inkopen bij een elektriciteitsleverancier. De facto draagt de ontheffingshouder dus de onbalanskosten en worden deze niet doorberekend aan de overige gebruikers buiten het experiment.

De leden van de PVV-fractie vroegen een specificatie van het berekende kostenvoordeel van leden van verenigingen ten opzichte van de huidige praktijk. Ook vroegen zij hoe de experimentkosten in rekening worden gebracht. Tenslotte willen deze leden de geruststelling dat wie niet mee wil doen aan een experiment, daaraan niet hoeft mee te betalen. In de nota van toelichting is het resultaat opgenomen van een berekening door RVO.nl. Deze berekening ging uit van een handelsmarge bij de energiebedrijven van € 0,02 per kWh. Voor een gemiddeld huishouden (3.500 kWh per jaar) gaat het om € 70 per jaar. De kosten van de vereniging of coöperatie worden in de nota van toelichting geschat op € 40 per jaar. Dit bedrag is berekend op grond van lagere vergoedingen en de inzet van vrijwilligers. Het verschil van € 30 per jaar is de genoemde 40% kostenvoordeel op de handelsmarge. Het is aan elke coöperatie of vereniging zelf om met de leden afspraken te maken over de kosten- en batenverdeling. Beperking van keuzevrijheid is niet aan de orde. Wie niet wil meedoen aan een experiment, hoeft daaraan niet mee te betalen.

De leden van de PVV-fractie vroegen welke consumentenbescherming voor de leden van de vereniging vervalt en bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor een goede inschatting van de balans tussen opgewekte en gebruikte energie. Het ontwerpbesluit geeft aan burgers de mogelijkheid, zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun energievoorziening. Zoals aangegeven in paragraaf 1.5.1. van de Nota van Toelichting bij dit ontwerpbesluit moet deze eigen verantwoordelijkheid en zeggenschap het belang van de consument waarborgen dat nu door de wet en de toezichthouder wordt geboden. De besluiten van de vereniging worden vastgesteld volgens de interne regels van de vereniging. De vereniging is verantwoordelijk voor de infrastructuur, de berekening van de balans tussen opgewekte en gebruikte energie, de administratie etc. Om te voorkomen dat de besluitvorming in de vereniging een democratisch karakter wordt ontnomen worden de statuten van de vereniging bij het aanvragen van de ontheffing getoetst (zie artikel 7, eerste lid, onderdeel k, van het ontwerpbesluit). Als een lid van bijvoorbeeld een vereniging van eigenaars het niet eens is met een door die vereniging genomen besluit, kan het lid de kantonrechter verzoeken dat besluit volgens de regels van het burgerlijk recht te toetsen. Bij de ACM kan een klacht worden ingediend, maar de autoriteit toetst niet het gestelde tarief maar de methode van tariefstelling die de vereniging hanteert (zie artikel 12, derde lid, van het ontwerpbesluit). Deze bepaling is in overeenstemming met het minimum dat de Europese richtlijn 2009/72/EG stelt.

De leden van de PVV-fractie vroegen waarom het nodig is dat de deelnemers aan een projectnet in staat worden gesteld, dit net zelf aan te leggen. Deze leden vrezen voor de kwaliteit van het net. De aanleg van een projectnet is als een mogelijkheid in het ontwerpbesluit opgenomen, naar aanleiding van vragen van partijen die mogelijk geïnteresseerd zijn dit zelf bij wijze van experiment vorm te geven. Ook onder de huidige wet kunnen partijen een eigen net beheren, bijvoorbeeld in het geval van een Gesloten Distributie Systeem. Mochten initiatiefnemers de regionale netbeheerder bereid vinden om de aanleg van een net op zich te nemen, dan kan dat, maar het is niet verplicht. Initiatiefnemers dienen uiteraard de kwaliteitsvoorschriften voor elektrische installaties in acht te nemen.

De leden van de PVV-fractie vroegen waarom de splitsing van «asset management» en «systems operation» nuttig kan zijn. In projectnetten en in «grote experimenten» wordt gepoogd, de vraag naar elektriciteit af te stemmen op het aanbod. Behalve het energiebewustzijn van de deelnemers en financiële prikkels kunnen daarbij ook technische ingrepen, al dan niet van innovatieve aard, behulpzaam zijn. Voor de laatste kunnen andere dienstenaanbieders dan de huidige netbeheerders zich aandienen. In de experimenteergebieden wordt het mogelijk gemaakt dat de deelnemers van zulke nieuwe aanbieders gebruik maken. Het kwaliteitsbeheer van het net («asset management») blijft in de grote experimenten in handen van de netbeheerder; bij «projectnetten» kan ook dit aspect in eigen beheer worden genomen of uitbesteed worden.

De leden van de PVV-fractie vroegen wie verantwoordelijk is voor het opvangen van een overschot aan geproduceerde elektriciteit. Zoals ook aangegeven in antwoord op vragen van de CDA-fractie en de SP-fractie is in het ontwerpbesluit bepaald dat de productie in een experiment in hoofdzaak aan de deelnemers aan dat experiment ten goed zal komen. Toch kan het voorkomen dat er meer wordt geproduceerd dan de actuele vraag. Deze overschotten kan de vereniging, in zijn rol van energieleverancier, buiten het experimenteergebied verkopen. Zoals aangegeven in de nota van toelichting is er voor levering aan consumenten buiten het experimenteergebied een leveringsvergunning vereist. Ook opslag is een optie.

De leden van de PVV-fractie vroegen of een netbeheerder die een of meerdere experimenten in zijn verzorgingsgebied heeft, de financiële gevolgen daarvan kan afwentelen op de andere gebruikers in zijn regio. De kosten van de netbeheerder die een experiment ondersteunt worden in rekening gebracht aan de deelnemers van het experiment. De andere gebruikers in de regio zullen dus geen gevolgen ondervinden.

De leden van de PVV-fractie vroegen of de experimentele stroomvoorziening in de splitsingsakte moet worden opgenomen. In antwoord op deze vraag geldt voor iedere vereniging dat de doelstelling in de akte tot de oprichting van die vereniging in de betrokken activiteiten moet voorzien. Dat betekent dat wellicht in sommige gevallen die aktes moeten worden aangepast. Artikel 139 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een akte kan worden gewijzigd: met vier/vijfde van het aantal stemmen van de appartementseigenaars. Het is aan de leden van de vereniging om daartoe te besluiten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie vroegen wat de Minister van de experimenten wil leren, opdat de evaluatie van de experimenten goed kan verlopen. Het oordeel over het welslagen van de experimenten zal worden geveld aan de hand van de criteria die in het besluit zijn gesteld voor de rangschikking van «grote experimenten». Deze criteria zijn ook de leerdoelen die de regering zich bij deze experimenten stelt, namelijk of de ontheffing van enkele algemeen geldende wettelijke verplichtingen kan leiden tot:

  • een significant hogere benutting van duurzame energie;

  • een significant lagere (piek-) belasting in het netwerk, als gevolg van het synchroniseren van vraag en aanbod van elektriciteit;

  • een significant grotere betrokkenheid van consumenten bij de gezamenlijke energievoorziening dan elders in het land.

De leden van de D66-fractie vroegen de experimenten uit te breiden naar gas, warmte en energieopslag. Het ontwerpbesluit voorziet in het verlenen van ontheffing voor het uitvoeren van experimenten op het gebied van de decentrale duurzame elektriciteitsopwekking. Dat kunnen ook experimenten met opslag van decentraal opgewekte duurzame elektriciteit zijn. Bij de consultatiebijeenkomsten en in de internetconsultatie is niet gebleken van initiatieven om te experimenteren met het afwijken van wettelijke bepalingen van de Gaswet. Het is daarom niet zinvol geacht een regeling voor afwijkingen van de Gaswet op te stellen. Uitbreiding van het ontwerpbesluit naar afwijking van de Warmtewet, zoals leden van D»66 vroegen, is niet mogelijk, omdat die wet niet in experimenten tot afwijking van die wet voorziet.

De leden van de D66fractie vroegen om lokale overheden te begeleiden om de experimenten te gebruiken voor hun lokale duurzaamheidsambities. Het zijn de initiatiefnemers die experimenten uitvoeren en beschikken over de resultaten van de experimenten. Zij kunnen met decentrale overheden in overleg treden over ondersteuning en begeleiding.

De leden van de D66-fractie vroegen of lokale overheden te zijner tijd bij de evaluatie van de regeling worden betrokken. Het eventuele advies van lokale overheden zal worden betrokken bij het eindoordeel over de experimenten, maar het oordeel over de voortzetting van deze experimenten anders dan als experiment is voorbehouden aan de Minister.

De leden van de D66-fractie vroegen naar de achtergronden van de gemaakte keuzes, te weten de omvang en het aantal experimenten en de keuze om de omvang te baseren op het aantal deelnemers en niet op een andere grondslag, bijvoorbeeld het gezamenlijke vermogen. Over de omvang van de experimenten zij verwezen naar het antwoord op de vragen van de CDA- en van de SP-fractie. Het aantal experimenten is gebaseerd op een inschatting van de belangstelling vanuit de markt, de benodigde beoordelingscapaciteit en monitorcapaciteit. Mocht uit de inschrijving op de eerste tender blijken dat de nu genoemde aantallen te beperkt zijn, dan zal dit worden meegewogen bij de keuze voor het aantal experimenten in een volgende tender. Wat betreft de keuze voor aantallen deelnemers in plaats van een andere grondslag, het volgende. Doel van het ontwerpbesluit is om burgers in staat te stellen, zelf, lokaal, in hun energiebehoefte te voorzien. Voorwaarde is dat deze burgers zich voor een dergelijk energieproject verenigen, in een coöperatie of een vereniging. Dit is gedaan om optimale invloed van elke gebruiker op zijn of haar energievoorziening te garanderen en de betrokkenheid van burgers te vergroten. Van tevoren is niet goed vast te stellen hoe groot het energiegebruik zal zijn dat binnen het experimenteergebied valt, noch welke variatie daarin zal optreden. Er is in de regeling ook geen maximum of minimum op gesteld. Als enige conditie is gesteld dat de energieproductie van de gezamenlijke productie-installaties in hoofdzaak voor de eigen behoefte bestemd moet zijn.

De leden van de D66-fractie vroegen de Minister toe te zeggen dat midden- en kleinbedrijf, boeren en kleinere bedrijven ook lid mogen zijn van coöperaties.

Het ontwerpbesluit voorziet er al in dat iedere kleinverbruiker (3*80A aansluiting ter vergelijking: consumenten doorgaans max. 3*25A), waaronder vele kleine bedrijven, als lid van een coöperatie kunnen deelnemen aan een project. Het aantal kleinverbruikers dat geen consument is, is voor grote projecten beperkt tot 20% van de deelnemers.

De leden van de D66-fractie vragen of een ontheffing van 10 jaar niet te beperkend is, of er een mogelijkheid tot verlenging is en toegezegd kan worden dat een langere ontheffingstermijn in eens verleend kan worden.

De duur van de ontheffingen is beperkt tot maximaal 10 jaar. Het is nodig een termijn te stellen om een ontheffing in te kunnen trekken als er zich wanordelijkheden in fysieke of administratieve zin voordoen. Een onbeperkte of een hele lange termijn kan bij intrekking van de ontheffing tot schadevergoeding of nadeelcompensatie leiden. De eventuele kosten daarvan zijn niet duidelijk en zijn niet in overeenstemming met het uitgangspunt van artikel 7a van de Elektriciteitswet 1998 dat het ontwerpbesluit «past binnen verantwoorde financiële kaders van het Rijk». Uitzonderingen op de gestelde termijn zijn wel mogelijk, zoals aangegeven in antwoord op een soortgelijke vraag van de PvdA-fractie.

De leden van de D66-fractie vragen of netbeheerders ook bij projectnetten betrokken zijn, bijvoorbeeld als adviseur of onderzoekspartner dan wel voor het delen van kennis.

In het ontwerpbesluit is de rol van netbeheerders en leveranciers een verplicht onderdeel van de aanvraag voor ontheffing van het project om twee redenen:

  • 1. de continuïteit van de projecten op langere termijn als het project als experiment mogelijk beëindigd wordt, en

  • 2. de kennis en expertise die deze partijen kunnen inbrengen.

Het is derhalve wenselijk dat netbeheerders en leveranciers hun kennis delen met initiatiefnemers tot een experiment en initiatiefnemers zo mogelijk adviseren.

De leden van de D66-fractie vroegen of de Minister bereid is om de regelgeving al tussentijds aan te passen als de experimenten succesvol blijken te zijn. Het uitgangspunt is dat een experiment na vier jaar en drie maanden tussentijds wordt geëvalueerd en, zoals artikel 7a, vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998 voorschrijft, na beëindiging van het experiment. Voor een goede beoordeling van de resultaten van experimenten is het nodig dat deze enige tijd lopen, om niet van toevalligheden afhankelijk te zijn. Een periode van vier jaar en drie maanden lijkt de regering een goede basis voor beoordeling van het verloop van de experimenten. Daarnaast wordt een experiment na afloop geëvalueerd. Dit betekent dat de eerste experimenten meer dan vier jaar na inwerkingtreden van het besluit, naar verwachting begin 2020, tussentijds worden geëvalueerd en de laatste evaluatie na ten minste veertien jaar, plaatsvindt namelijk in 2030. De resultaten van de experimenten worden gebruikt om een standpunt te bepalen over de voortzetting van het project anders dan als experiment, zoals in artikel 7a, vierde lid van de Elektriciteitswet 1998 is bepaald. Zodra duidelijk is, dat een afwijking van de wet bijdraagt aan de doelstelling van de wet en geen afbreuk doet aan algemene uitgangspunten, samen te vatten als veilig, betaalbaar en schoon, is het wenselijk in een permanente wettelijke maatregel te voorzien. Op zijn vroegst is dat dus aan de orde over vier jaar en drie maanden.