31 239 Stimulering duurzame energieproductie

Nr. 142 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 december 2012

Het kabinet heeft in het regeerakkoord de lijnen uitgezet voor een ambitieus en stabiel duurzaam energiebeleid. Het kabinet kiest voor een aandeel duurzame energie van 16% in 2020 en heeft de middelen beschikbaar gesteld die nodig zijn om dit doel te halen1. Continuïteit van het beleidsinstrumentarium is daarbij belangrijk. Het gaat immers om investeringen met een lange voorbereidings- en terugverdientijd. Als ondernemers vooruit kunnen kijken, draagt dat bij aan het stabiele investeringsklimaat dat nodig is om de vereiste stappen te zetten richting een duurzame energievoorziening. In 2013 zal ik de SDE+ continueren. Ondernemers hebben laten zien uitstekend in staat te zijn om in onderlinge concurrentie een kosteneffectieve invulling van de doelstelling te bewerkstelligen. Met het oog op continuïteit zal ik slechts beperkt wijzigingen aanbrengen die de efficiëntie van de SDE+ verbeteren.

Om de ambitie van 16% duurzame energie in 2020 te halen moet fors geïntensiveerd worden. Ik trek dan ook meer geld uit voor de SDE+. Daarnaast onderzoek ik of in aanvulling op het beleid een leveranciersverplichting en/ of bijmengverplichtingen effectief zijn. Ook bekijk ik hoe ik bij- en meestook van biomassa in kolencentrales het beste kan stimuleren. Ik zal uw Kamer daar uiterlijk komend voorjaar over informeren.

Openstelling SDE+ 2013

Om de doelstelling van 16% duurzame energie in 2020 te halen, ga ik direct aan de slag door de SDE+ 2013 open te stellen. Ik stel in 2013 een budget van € 3 miljard beschikbaar. De SDE+ gaat open op 4 april 2013. Op verzoek van ondernemers publiceer ik de regeling ruim voor de openstelling eind januari. Indien uw Kamer voorafgaand aan publicatie hierover met mij van gedachten wil wisselen, dan zou dat, gelet op bovenstaande planning, medio januari kunnen plaatsvinden. Daarmee hebben ondernemers meer gelegenheid om de businesscase van projecten uit te werken en goede aanvragen voor te bereiden. In de bijlage zijn tabellen opgenomen met de basisbedragen per technologie en de bijbehorende fase2.

De systematiek van de SDE+ blijft in 2013 gehandhaafd:

  • één integraal budgetplafond;

  • een maximum basisbedrag van € 0,15/kWh voor duurzame elektriciteit,

  • € 1,035/Nm3 voor groen gas en € 41,7/GJ voor duurzame warmte;

  • gefaseerde openstelling;

  • de vrije categorie.

Wel voer ik een aantal aanscherpingen door om de efficiëntie en effectiviteit van de SDE+ te vergroten.

Extra fase

In 2013 introduceer ik een extra fase van € 0,08/kWh3. De openstellingen van 2011 en 2012 hebben laten zien dat er veel potentieel is voor kosteneffectieve projecten en dat er veel belangstelling is om in de vrije categorie subsidie aan te vragen. De stap van € 0,09/kWh naar € 0,07/kWh is voor een aantal projecten mogelijk te groot. Met de extra fase van € 0,08/kWh geef ik meer projecten de mogelijkheid om aan te vragen voor een bedrag dat lager is dan het gemiddelde basisbedrag dat voor de betreffende technologie is berekend. Met deze aanscherping maak ik de SDE+ nog kosteneffectiever.

Winddifferentiatie

De benodigde subsidie voor windenergie is afhankelijk van het windaanbod op de locatie. Windprojecten op een windrijke locatie hebben een lager basisbedrag nodig dan projecten op een windarme locatie, omdat ze meer vollasturen kunnen draaien. Op verzoek van uw Kamer4 ga ik binnen de kaders van de SDE+ winddifferentiatie toepassen. Vanaf 2013 geef ik windenergie de gelegenheid om te kunnen concurreren in de SDE+ door te differentiëren naar het aantal vollasturen in de vrije categorie. In tabel 1 staan de basisbedragen en de bijbehorende vollasturen voor de twee categorieën wind op land.

Tabel 1: basisbedragen SDE+ categorieën wind op land5
 

Wind op land < 6 MW

Wind op land ≥ 6 MW

Basisbedrag

Vollasturen

Basisbedrag

Vollasturen

Fase I

€ 0,070/kWh

3 300

€ 0,070/kWh

3 600

Fase II

€ 0,080/kWh

2 800

€ 0,080/kWh

3 600

Fase III

€ 0,090/kWh

2 400

€ 0,090/kWh

3 130

Fase IV, V en VI

€ 0,095/kWh

2 200

€ 0,093/kWh

3 000

Een hoger aantal vollasturen gaat gepaard met een lager basisbedrag en vice versa. Deze vorm van winddifferentiatie doet recht aan de variatie in windaanbod bij verschillende projecten en voorkomt onnodige complexiteit en bijbehorende uitvoeringskosten. ECN en DNV KEMA hebben deze systematiek geconsulteerd bij de sector, wat heeft geleid tot dit advies.

Geothermie

In 2012 konden duurzame warmte projecten voor het eerst meedingen voor SDE+. Bij de ingediende geothermieprojecten is het afgelopen jaar gebleken dat het vermogen van de installatie in de aanvraag sterk afhankelijk is van de grondlagen van de locatie. Indieners van subsidieaanvragen kunnen dit gemakkelijk overschatten. Dat zou kunnen leiden tot overstimulering en onnodig budgetbeslag. De Europese Commissie maakte hierover ook een opmerking in haar beschikking, waarin zij de SDE+ goedkeurde6. Bij de beoordeling van de subsidieaanvragen in 2012 is het aangevraagde vermogen na overleg tussen aanvragers, Agentschap NL en TNO aangepast. Dit proces ging gepaard met aanzienlijke uitvoerings- en administratieve lasten. Daarom schep ik vanaf 2013 meer duidelijkheid door de maximale subsidiabele productie vast te stellen op het niveau dat wordt geadviseerd door ECN en DNV KEMA, met ondersteuning van TNO. Daarnaast stel ik een categorie open voor projecten, waarbij dieper geboord wordt dan 2 700 meter. Voor deze projecten is een hoger basisbedrag berekend. Ook voor deze categorie stel ik de maximale subsidiabele productie vast op het geadviseerde niveau.

Overige aanpassingen

De overige wijzigingen in de SDE+ 2013 zijn:

  • Ik open voor allesvergisters, mestcovergisters en mestmonovergisters geen aparte categorie meer voor hubs en voor solo-installaties, maar voeg deze samen. Uit het advies van ECN en DNV KEMA volgt namelijk dat groen gas hubs niet goedkoper zijn dan solo-installaties. Met dezelfde beschikking mag men zowel een solo-installatie realiseren als zich aansluiten bij een groen gas hub. Producenten krijgen daardoor meer flexibiliteit.

  • Ik sta het gebruik van een bestaande ketel, die bijvoorbeeld gebruikt is om aardgas te verstoken, toe voor de productie van warmte. Gebruik van bestaande warmtekrachtkoppelingsinstallaties wordt tevens toegestaan waar dat technisch mogelijk is, namelijk bij vergisting van biomassa. De categorie ketel op vaste biomassa vormt een uitzondering, omdat aardgasketels niet geschikt zijn om vaste biomassa te verstoken. De berekeningen van ECN en DNV KEMA zijn hier op gericht.

  • Ik neem de volgende extra categorieën op: groen gas productie bij riool- en afvalwaterzuiveringsinstallaties (AWZI/RWZI), vergisters die tenminste 95% mest vergisten (mestmonovergisters groen gas en WKK) en renovatie van bestaande waterkrachtinstallaties (vereist wordt dat tenminste de turbine wordt vervangen).

Directe lijn

Op 20 juli jongstleden is de wet ter implementatie van het derde energiepakket in werking getreden. Met deze wet is per amendement het begrip «directe lijn» geïntroduceerd in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. Dit heeft ook effecten voor de subsidieverstrekking op grond van de SDE en de SDE+. Voor bestaande SDE en SDE+ beschikkingen voor elektriciteit op basis van ministeriële regelingen tot en met 2011 dient de geproduceerde elektriciteit op een net te worden ingevoed. Omdat een directe lijn geen net is, zouden producenten van duurzame elektriciteit geen gebruik kunnen maken van een directe lijn als zij subsidie op grond van hun beschikking ontvangen. Gelet op de doelstelling omtrent het produceren van duurzame energie en het feit dat het begrip directe lijn mede is geïntroduceerd met het oog op duurzame energieproductie, acht ik dit onwenselijk. Om die reden zal ik de koppeling van een directe lijn met een installatie met een SDE of SDE+ beschikking mogelijk maken. Dit doe ik door ook voor bestaande SDE en SDE+ beschikkingen elektriciteit te subsidiëren die niet op een net wordt ingevoed. Hiermee bied ik extra flexibiliteit aan producenten om hun elektriciteit op een directe lijn of elders buiten het elektriciteitsnet te benutten.

Door bovenstaande maatregelen bied ik extra flexibiliteit aan ondernemers en maak ik de SDE+ nog kosteneffectiever. Hierdoor is de SDE+ nog beter geëquipeerd als instrument om 16% duurzame energie in 2020 tegen zo laag mogelijke kosten te realiseren.

Financiering

De SDE+ wordt gefinancierd via een opslag op de energierekening. Uw Kamer heeft op 29 november 2012 met het wetsvoorstel dat de opslag voor duurzame energie regelt ingestemd. Het wetsvoorstel is in procedure bij de commissie Economische Zaken van de Eerste Kamer. Gestreefd wordt naar inwerkingtreding op 1 januari 2013, ter dekking voor de kasuitgaven die samenhangen met de SDE+.

Resultaten SDE+ 2012

De belangstelling voor de SDE+ 2012 was wederom groot. Dit laat zien dat er veel ondernemerschap is in Nederland op het gebied van duurzame energie. De komende jaren wil ik de innovatieve ideeën die in deze gemotiveerde ondernemers zit optimaal stimuleren en benutten om de doelstelling voor duurzame energie te halen. In totaal is er tot nu toe voor een budget van ruim € 4 miljard aan subsidieaanvragen ingediend in de SDE+ 2012. Het beschikbare budget was € 1,7 miljard. Hiermee kon 99% van de aanvragen, die in de eerste fase zijn ingediend en aan de subsidie-eisen voldeden worden gehonoreerd.

De belangstelling voor de SDE+ kwam van een breed scala aan projecten zoals zon-PV, vergisting en geothermie. In de SDE+ 2012 werd voor het eerst hernieuwbare warmte gestimuleerd. De resultaten laten zien dat hier veel behoefte aan was en dat dit bovendien veel kosteneffectief potentieel ontsluit. Van het beschikbare budget van € 1,7 miljard gaat € 1,2 miljard naar hernieuwbare warmte projecten. Geothermieprojecten hebben hier een aanzienlijk aandeel in, van ruim € 800 miljoen.

De SDE+ heeft laten zien dat het potentieel voor duurzame energie breder is dan alleen elektriciteit. Waar voorheen de nadruk lag op stimulering van elektriciteit kreeg in 2011 groen gas een grotere rol. In 2012 is hernieuwbare warmte opgenomen in de SDE+ en ook hier bleek veel animo voor te zijn. De komende jaren wil ik dan ook al deze energievormen blijven benutten en laten concurreren binnen de SDE+.

Realisatie

De SDE+ is in 2011 gestart. Omdat de meeste projecten vrijwel de volledige realisatietermijn van 4 jaar nodig hebben om hun project te realiseren, kan nu nog geen éénduidig beeld gegeven worden van de realisatie. De nadruk die de SDE+ legt op kostenefficiëntie is noodzakelijk, maar kan een risico vormen voor de realisatiegraad. Ondanks een aantal maatregelen is het onmogelijk om non-realisatie op voorhand volledig uit te sluiten. Daarom is het zaak om eventuele non-realisatie vroegtijdig op te sporen en de betreffende middelen in te zetten voor vervangende projecten. Om dit te bewerkstelligen is in 2011 een ijkmoment geïntroduceerd, één jaar na verlening van de subsidiebeschikking. Op 4 juni 2012 is uw Kamer per brief (31 239, nr. 138) geïnformeerd over het pakket aan maatregelen om non-realisatie zo veel mogelijk te voorkomen in de SDE+, zoals een financiële toets, het niet toestaan van herindienen en een uitvoeringsovereenkomst met bankgarantie voor grote projecten.

Tot slot

Met de SDE+ 2013 zet ik de eerste stap van dit kabinet voor een ambitieus en stabiel duurzame energiebeleid. Ik zal de SDE+ de komende jaren doorzetten en bied zo stabiliteit aan de sector. Daarnaast onderzoek ik of een leveranciersverplichting en bijmengverplichting een aanvullende rol kunnen spelen en hoe ik bij- en meestook in kolencentrales kan stimuleren. Met de SDE+ 2013 wordt, met een verhoging van het budget, direct de versnelling ingezet die nodig is om 16% duurzame energie in 2020 te realiseren.

De minister van Economische Zaken, H. G. J. Kamp


X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

Een fasegrens van € 0,08/kWh voor hernieuwbare elektriciteit is equivalent aan € 0,552/Nm3 voor groen gas en € 22,2/GJ voor hernieuwbare warmte.

X Noot
4

Kamerstukken 29 023, nr. 128

X Noot
5

De genoemde basisbedragen en vollasturen zijn exclusief de windfactor. De basisbedragen worden vermenigvuldigd met en de vollasturen worden gedeeld door de windfactor van 1,25. Dit heeft geen effect op de totale subsidie, maar verkleint het financiële risico voor windprojecten bij een jaar met weinig wind.

X Noot
6

Kamerstukken 31 239, nr. 141

Naar boven