31 089 Urgentieprogramma Randstad

Nr. 118 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 21 mei 2015

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Milieu over de brief van 21 november 2014 over aanbieding «Voorstel informatievoorziening Vervolg RRAAM aan de Tweede Kamer» (Kamerstuk 31 089, nr. 113), over de brief van 15 december 2014 over aanbieding accountantsrapport bij geactualiseerde Basisrapportage RRAAM (Kamerstuk 31 089, nr. 114), over de brief van 26 januari 2015 over aanvullende informatie inzake het Voorstel informatievoorziening Vervolg RRAAM (Kamerstuk 31 089, nr. 115), over de brief van 26 maart 2015 over Aanbieding van de tweede herziene uitgangspuntennotitie informatie voorziening Groot Project RRAAM (Kamerstuk 31 089, nr. 116) en over de brief van 20 april 2015 over de reactie op de tweede herziene uitgangspuntennotitie informatievoorziening Groot Project RRAAM (Kamerstuk 31 089, nr. 117).

De vragen en opmerkingen zijn op 30 april 2015 aan de Minister van Infrastructuur en Milieu voorgelegd. Bij brief van 20 mei 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Van Dekken

De adjunct-griffier van de commissie, Jansma

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inhoudsopgave

blz.

   

Inleiding

2

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

2

Inbreng van de leden van de PvdA-fractie

3

Inbreng van de leden van de SP-fractie

3

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

5

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de informatievoorziening inzake het Groot Project Rijk-regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM) en hebben nog enkele vragen aan de Minister.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de tweede herziene uitgangspuntennotitie informatievoorziening Groot Project RRAAM en de reactie hierop. Deze leden hebben enkele vragen en opmerkingen waarop ze de Minister verzoeken in te gaan.

De leden van de SP-fractie hebben met enige verbazing kennis genomen van de voorliggende stukken over de informatievoorziening. Deze leden menen enige tegenstrijdigheden te lezen, wat vragen oproept bij deze leden.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de brief van 21 november 2014 over het voorstel informatievoorziening Vervolg RRAAM aan de Tweede Kamer en de daarbij behorende stukken inzake informatievoorziening over het vervolg van RRAAM.

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie merken op dat met de vaststelling van de Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer de eerste fase van de MIRT-verkenning voltooid is. Een vervolg op de MIRT-verkenning naar verdere infrastructuurmaatregelen wordt gestart als er voldoende stedelijke druk is opgebouwd. Kan de Minister toelichten wat zij onder voldoende stedelijke druk verstaat? Is dit beperkt tot het bouwen van 25.000 nieuwe woningen in Almere en het in zicht zijn van de realisatie van IJburg? Zo nee, welke indicatoren worden daarnaast gehanteerd?

De leden van de VVD-fractie merken op dat OV SAAL Lange Termijn onderdeel uitmaakt van RRAAM. In hoeverre kunnen de lange termijn doelstellingen uit OV SAAL op basis van de toekomstige MIRT verkenning nog worden aangepast?

De leden van de VVD-fractie merken op dat het regime voor de transformatie binnen de 20 Kosteneenheid (Ke)-contour rondom Schiphol mogelijk wordt versoepeld. Kan de Minister dit nader toelichten? Wanneer komt hier duidelijkheid over?

De leden van de VVD-fractie merken op dat in de verdere uitwerking en uitvoering van het in de Rijksstructuurvisie beschreven toekomstperspectief er gekozen is voor een organische, gefaseerde en adaptieve aanpak. Welk hard kader gaat hier gelden? Met het oog op de latere fasen van de uitvoering van de Rijksstructuurvisie is nog financiële dekking nodig. Wanneer wordt hierover besloten? Een belangrijk instrument voor de financiële dekking van de gebiedsontwikkeling zal het Fonds Verstedelijking Almere (FVA) zijn. Verwacht de Minister dat de in dit Fonds beschikbare middelen voldoende zijn? Zijn er ook nog andere bronnen die worden aangesproken voor de gebiedsontwikkeling?

De leden van de VVD-fractie lezen in het accountantsrapport de opmerking dat de uitwerking van de informatiecategorie «De reikwijdte van het project» geen heldere beschrijving van de reikwijdte (scope) bevat. Kan de Minister op deze uitspraak reageren? Is de Minister voornemens een heldere beschrijving van de reikwijdte van het project op te nemen?

De leden van de VVD-fractie merken op dat de Basisrapportage de integrale financiën moet bevatten. Het reeds genoemde accountantsrapport bij deze Basisrapportage geeft aan dat de informatiecategorie «De financiën van het project» zich beperkt tot de Rijksfinanciën. Kan de Minister een overzicht geven van de integrale financiën?

Voorts merken deze leden op dat in de geactualiseerde Basisrapportage niet is aangegeven wat de rol van het regievoerend Ministerie van Infrastructuur en Milieu precies inhoudt en hoe het ministerie deze rol in wil gaan vullen. Ook is er nog geen vastgesteld project specifiek beheersplan waarin dit is beschreven. Kan de Minister aangeven wanneer er duidelijkheid komt over deze drie aspecten?

De leden van de VVD-fractie merken op dat in de reactie op de Aanbieding van de tweede herziene uitgangspuntennotitie informatie voorziening Groot Project RRAAM geschreven staat dat er in deel B nog een toelichting op de ecologische ambitie nodig is waaruit blijkt welke financiële uitgaven hiermee gemoeid zijn; wat de verschillende ontvangers van deze uitgaven zijn en wat de verantwoording over- en controle van deze financiële bedragen inhoudt. Wat is hier tot nu toe over geleverd of bekend? Heeft de Minister informatie over deze aspecten?

Inbreng leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie vinden de minder zware rapportage inzake het project RRAAM gepast en zijn van mening in de gekozen modus voldoende inzicht te houden over de voortgang van het project RRAAM.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de Minister nader in te gaan op de uitwerking van de motie De Vries (Kamerstuk 31 089, nr. 106) over een uitvoeringsovereenkomst met de regio, waarin bindende afspraken over de voeding van het FVA zijn vastgelegd.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de Minister in te gaan op de stand van zaken rondom het aanpassen van de verdeelsleutel in het gemeentefonds met betrekking tot de voeding van het FVA.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de Minister te reageren op het accountantsrapport waarin wordt opgemerkt dat de doelstelling van het groot project RRAAM – het realiseren van de stedelijke ontwikkeling van Almere – niet specifiek en meetbaar is geformuleerd.

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd wat de stand van zaken is omtrent de fondsenwerving voor het project Marker Wadden.

Inbreng leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie begrijpen dat de informatievoorziening inzake RRAAM afwijkt van de gebruikelijke Basisrapportages. Het is naar mening van deze leden immers een «uitgekleed» Groot Project. De crisis heeft een grote streep gezet door een groot aantal van de plannen, waarbij eigenlijk alleen een deel van de infrastructurele projecten over is gebleven. Deze projecten vinden naar mening van deze leden hun plek in het MIRT. Daarnaast wordt een aantal ecologische projecten op een andere wijze gemonitord. Deze leden begrijpen – vanuit een historisch perspectief – de behoefte aan een rapporteur. Maar deze leden vragen of de status van Groot Project in dit geval niet een maat te groot is. Temeer omdat deze leden lezen dat de rol van het Rijk voornamelijk faciliterend en kaderstellend zal zijn en dat afgesproken is de administratieve last te beperken. Daarnaast heeft de rapporteur van het Groot Project ook nog aangegeven dat er ruimte is voor maatwerk wat zich onder meer uit door verschillende artikelen van de Regeling Grote Projecten niet van toepassing te verklaren. Moet er met al deze feiten op een rijtje niet van de Grote Project-status afgezien worden?

De leden van de SP-fractie merken op dat de status van Groot Project ook een accountantsrapportage inhoudt. Dat is zo lezen deze leden, vooral een uitwerking van feitelijke bevindingen geworden en bevat daarom geen oordelen. Wat wordt in het accountantsrapport bedoeld met de opmerking dat »er voor een belangrijk deel van de geactualiseerde basisrapportage onvoldoende aanvaarde normen beschikbaar zijn»? Waarom is er geen control-, beoordelings- of andere assurance opdracht uitgevoerd? Wat zou er wellicht aan andere onderwerpen zijn geconstateerd indien er wel een controle- of een beoordelingsopdracht zou zijn uitgevoerd? Waarom is voor deze wijze van rapporteren gekozen? Hoe kwalificeert de Minister voorliggend accountantsrapport, zo vragen deze leden.

De leden van de SP-fractie vragen tevens waarom het realiseren van de stedelijke ontwikkeling – dé doelstelling van het grote project RRAAM – niet specifiek meetbaar geformuleerd is. Lag nu net in de schaalsprong van 60.000 woningen in Almere niet de reden besloten om dit hele project überhaupt aan te gaan?

Op welke wijze zal tegemoet gekomen worden aan de Regeling Grote Projecten dat de doelstellingen vanaf nu wel specifiek, meetbaar, realistisch en tijdgebonden worden geformuleerd? Waarom is er geen heldere beschrijving van de reikwijdte (de scope) gegeven? Waarom is de Minister akkoord met deze werkwijze?

De leden van de SP-fractie vragen of indien gekozen wordt voor een «organische en adaptieve aanpak» er dan niet gewoon toegegeven moet worden dat er geen te monitoren plan ligt. De wijze waarop nu inzicht wordt gegeven in dit onderdeel van de Rijksfinanciën is volstrekt onvoldoende. Is de taxatie vanuit 2013, voor een periode van 20 jaar, nog wel toereikend, in het licht dat in het hele land gemeenten en provincies grote bedragen afschrijven op hun grondexploitaties? Er wordt volgens het accountantsrapport niet ingegaan op de wijze waarop het geraamde bedrag van 130 miljoen euro voor de opbrengst uit de verkoop van Rijksgronden in Almere Oostwold tot stand is gekomen. Hoe is die tot stand gekomen? Waarom is die onduidelijkheid er? Is de gewenste bouw van 25.000 woningen in 2025 realistisch? Kan uitgebreider worden ingegaan op de geschetste risico’s? Waarom zijn de risico’s voor rekening van het Rijk wanneer de investeringen in het FVA niet of onvoldoende leiden tot een beter vestigingsklimaat? Wat leveren de Rijksinvesteringen op qua banen? Deze leden hechten er aan dat op al deze punten meer duidelijkheid wordt verschaft.

De leden van de SP-fractie willen graag een uitgebreidere beschrijving van het aspect «Governance» van dit project. Waaruit bestaat de regievoering van het ministerie? Hoe zal deze rol worden ingevuld? Waarom ligt er geen vastgesteld project specifiek beheersplan? Kan de opzet van het aspect Governance met spoed wel gaan voldoen aan de eisen zoals gesteld in de Regeling Grote Projecten? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie vragen of er in verband met de (door de accountant genoemde) vijf punten waar sprake is van onvoldoende beschikbare informatie, wel iemand is die enig idee heeft waar men in het project RRAAM mee bezigis. Deze leden zien uit naar een uitgebreide toelichting van de Minister.

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie menen dat de drievoudige doelstelling op het terrein van verstedelijking, bereikbaarheid, natuur en recreatie heel goed door de betrokken provincies opgepakt kan worden. Is daar met de betrokken provincies over gesproken en wat is hun visie daarop, zo vragen zij.

De leden van de CDA-fractie zijn in dat kader ook benieuwd of de onderlinge verhoudingen van provinciebestuurders daarbij ook een rol spelen, en of dat wellicht veranderd is na de Provinciale Statenverkiezingen.

De leden van de CDA-fractie hadden graag gezien dat het project niet langer onder de Regeling Grote Projecten zou vallen. Een meerderheid van de Kamer deelt die gedachte niet, daarom wordt de thans voorgestane werkwijze gewaardeerd omdat verschillende artikelen van de Regeling Grote Projecten niet van toepassing worden verklaard op RRAAM. Een nog verdergaande vereenvoudiging van de procedure zouden deze leden zeker waarderen. Kan de Minister aangeven of zij daartoe bereid is?

De leden van de CDA-fractie vragen of het nodig en wenselijk is dat de doelstelling van het project RRAAM alsnog specifieker en meetbaar wordt geherformuleerd.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de inschatting thans is dat er op zijn vroegst in 2025 25.000 nieuwe woningen in Almere ten opzichte van 2010 gerealiseerd zijn (schaalsprong Almere). Houdt dat in dat normaliter ook dan pas het eindpunt van het onderhavige groot project in beeld is? Kan dat eindpunt verschuiven bij verdere vertraging of versnelling van het project?

De leden van de CDA-fractie vragen of de interne controlfunctie van de projectorganisatie versterkt kan worden omdat de projectorganisatie momenteel steunt op de concerncontroller van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

II Reactie van de bewindspersoon

Hierbij ontvangt u mijn reactie op de vragen en opmerkingen van uw vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu van 30 april 2015.

1.

De leden van de VVD-fractie merken op dat met de vaststelling van de Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer de eerste fase van de MIRT-verkenning voltooid is. Een vervolg op de MIRT-verkenning naar verdere infrastructuurmaatregelen wordt gestart als er voldoende stedelijke druk is opgebouwd. Kan de Minister toelichten wat zij onder voldoende stedelijke druk verstaat? Is dit beperkt tot het bouwen van 25.000 nieuwe woningen in Almere en het in zicht zijn van de realisatie van IJburg? Zo nee, welke indicatoren worden daarnaast gehanteerd?

Antwoord:

Als indicator voor voldoende stedelijke druk wordt hier inderdaad de norm gehanteerd van 25.000 nieuwe woningen in Almere t.o.v. 2010 en het in zicht zijn van afronding van de realisatie van IJburg II. Daarnaast zijn voor voldoende stedelijke druk een aantal kwalitatieve zaken van belang, zoals vestigingsklimaat en voorzieningenniveau, maar voor een vervolg op de MIRT-verkenning worden hier geen criteria voor gehanteerd.

2.

De leden van de VVD-fractie merken op dat OV SAAL Lange Termijn onderdeel uitmaakt van RRAAM. In hoeverre kunnen de lange termijn doelstellingen uit OV SAAL op basis van de toekomstige MIRT verkenning nog worden aangepast?

Antwoord:

Op het moment dat er voldoende stedelijke druk is opgebouwd (rond 2025–2030) zal er een vervolgonderzoek naar verdere infrastructuurmaatregelen moeten plaatsvinden. Op basis van de dan geldende probleemstelling zouden de doelen voor OV-SAAL aangepast kunnen worden. De verkenning zal vervolgens de verschillende mogelijke oplossingsrichtingen in beeld moeten brengen, resulterend in een voorkeursbesluit.

3.

De leden van de VVD-fractie merken op dat het regime voor de transformatie binnen de 20 Kosteneenheid (Ke)-contour rondom Schiphol mogelijk wordt versoepeld. Kan de Minister dit nader toelichten? Wanneer komt hier duidelijkheid over?

Antwoord:

Op dit moment is transformatie, oftewel functiewijziging in de bestemming van een locatie of gebied naar wonen, binnen de zogeheten 20Ke-contour rond Schiphol niet toegestaan. In het kader van het rijksprogramma SMASH heeft de Staatssecretaris van IenM aangeven hier iets soepeler in te willen worden en transformatie binnen de 20Ke-contour onder voorwaarden toe te staan. Over de invulling van de voorwaarden vindt nog overleg plaats. Dit vraagstuk raakt de kern van het spanningsveld tussen aan de ene kant de economische groei van Nederland en aan de andere kant de kwaliteit van de leefomgeving. Een goede balans tussen beide aspecten is belangrijk. Zodra hierover een besluit genomen is wordt uw Kamer daarover geïnformeerd middels de beleidsnota Mainport en Metropool met daarin de belangrijkste resultaten van SMASH.

4.

De leden van de VVD-fractie merken op dat in de verdere uitwerking en uitvoering van het in de Rijksstructuurvisie beschreven toekomstperspectief er gekozen is voor een organische, gefaseerde en adaptieve aanpak. Welk hard kader gaat hier gelden?

Antwoord:

Om tot gezamenlijke realisatie van de drievoudige ambitie te komen hebben Rijk en regio in de Bestuursovereenkomst RRAAM, de Uitvoeringsovereenkomst Almere 2.0 en in de Nadere uitwerking van de Uitvoeringsovereenkomst Almere 2.0 afspraken gemaakt. Deze documenten vormen het kader voor de aanpak.

5.

Met het oog op de latere fasen van de uitvoering van de Rijksstructuurvisie is nog financiële dekking nodig. Wanneer wordt hierover besloten?

Antwoord:

Voor de realisatie van het toekomstperspectief is een gefaseerde aanpak het uitgangspunt. Voor nieuwe investeringsbeslissingen zullen op termijn nieuwe verkenningen en besluitvormingsprocedures doorlopen moeten worden, zoals bijvoorbeeld de hierboven genoemde MIRT-verkenning naar verdere infrastructuurmaatregelen. De samenhang tussen de verschillende ontwikkelingen en ambities is weergegeven in een zogenaamd «spoorboekje» in de Rijksstructuurvisie. Het maakt beeldend inzichtelijk wanneer die samenhang in de toekomst om (nieuwe) beslissingen vraagt.

6.

Een belangrijk instrument voor de financiële dekking van de gebiedsontwikkeling zal het Fonds Verstedelijking Almere zijn. Verwacht de Minister dat de in dit Fonds beschikbare middelen voldoende zijn? Zijn er ook nog andere bronnen die worden aangesproken voor de gebiedsontwikkeling?

Antwoord:

Het Fonds Verstedelijking Almere (Fonds VA) draagt bij aan de stedelijke ontwikkeling van Almere. Of de middelen voldoende zijn is nog niet te zeggen omdat voor de vulling van het Fonds de marktvraag naar woningen en bedrijfslocaties hier leidend is. Naast het Fonds zijn er ook andere financieringsbronnen, zowel voor de stedelijke ontwikkeling als voor de natuurontwikkeling in het Markermeer-IJmeer (bv. project Luwtemaatregelen Hoornse Hop).

7.

De leden van de VVD-fractie lezen in het accountantsrapport de opmerking dat de uitwerking van de informatiecategorie «De reikwijdte van het project» geen heldere beschrijving van de reikwijdte (scope) bevat. Kan de Minister op deze uitspraak reageren? Is de Minister voornemens een heldere beschrijving van de reikwijdte van het project op te nemen?

Antwoord:

De Auditdienst Rijk merkt in haar rapport terecht op dat de «light» maatwerkinvulling van de eisen uit de Regeling niet is geoperationaliseerd. Er bestaat met andere woorden geen «Regeling grote projecten light». Het accountantsrapport is derhalve gebaseerd op de eisen uit de vigerende Regeling grote projecten die door de Tweede Kamer is vastgesteld op 22 juni 2006. Uw Kamer acht een afzonderlijke accountantscontrole door de Auditdienst Rijk niet langer nodig.

Onze nieuwe afspraken over de maatwerkinvulling betreffen een minder zware proces- en beheersverantwoording, waardoor ook opmerkingen uit het accountantsrapport in een ander daglicht komen. Ik stel daarom voor als de scope van het Groot Project de drievoudige ambitie van RRAAM, zoals beschreven in de Rijksstructuurvisie, te hanteren.

8.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de Basisrapportage de integrale financiën moet bevatten. Het reeds genoemde accountantsrapport bij deze Basisrapportage geeft aan dat de informatiecategorie «De financiën van het project» zich beperkt tot de Rijksfinanciën. Kan de Minister een overzicht geven van de integrale financiën?

Antwoord:

Ik zal dit doen op basis van de afspraken met uw Kamer over de maatwerkinvulling door in de voortgangsrapportages d.m.v. dynamische verwijzingen ook de financiën voor zover mogelijk integraal te schetsen (dat wil zeggen, gebruikmakend van internetverwijzingen en niet de informatie zelf bijvoegen). Hierbij wil ik wel benadrukken dat het Rijk alleen gaat over de rijksbijdrage en dat controle op bijdrage van andere overheden ligt bij de desbetreffende Gemeenteraad en provinciale staten.

9.

Voorts merken deze leden op dat in de geactualiseerde Basisrapportage niet is aangegeven wat de rol van het regievoerend Ministerie van Infrastructuur en Milieu precies inhoudt en hoe het ministerie deze rol in wil gaan vullen. Ook is er nog geen vastgesteld projectspecifiek beheersplan waarin dit is beschreven. Kan de Minister aangeven wanneer er duidelijkheid komt over deze drie aspecten?

Antwoord:

De governance is al vastgelegd in eerdere documenten, zoals de Bestuursovereenkomst RRAAM. In mijn voorstel voor informatievoorziening beschrijf ik de governance daarom meer op hoofdlijnen: met name in deel A en iets beperkter in deel B. Daarbij ga ik conform de vereisten van de Regeling Grote projecten en indachtig de light-aanpak ook op hoofdlijnen in op het beheer en de beheersing van het Grote Project.

Bij RRAAM is de rol van het Rijk in deze fase een faciliterende, bijdragende en kaderstellende rol. Dat doet het Rijk door het scheppen van de juiste condities, mee te denken en te werken met de regio, de voortgang te monitoren en door bijvoorbeeld de inbreng van de opbrengsten van verkoop van rijksgronden in het Fonds VA. De samenwerking is uitvoeringsgericht vormgegeven. Dit betekent dat sturing zoveel mogelijk direct door de partijen en dicht op de projecten gebeurt. Zo is voor een goede gezamenlijke, integrale en gecoördineerde aanpak van de stedelijke ontwikkeling van Almere het Overleg Almere 2.0 ingesteld, waaraan – onder voorzitterschap van het Ministerie van IenM – de gemeente Almere, de provincie Flevoland en een aantal rijksvertegenwoordigers deelnemen. Voor het Markermeer-IJmeer is een Stuurgroep onder leiding van het Ministerie van EZ ingesteld om tot de gewenste ecologische versterking van het Markermeer-IJmeer te komen.

10.

De leden van de VVD-fractie merken op dat in de reactie op de Aanbieding van de tweede herziene uitgangspuntennotitie informatie voorziening Groot Project RRAAM geschreven staat dat er in deel B nog een toelichting op de ecologische ambitie nodig is waaruit blijkt welke financiële uitgaven hiermee gemoeid zijn; wat de verschillende ontvangers van deze uitgaven zijn en wat de verantwoording over- en controle van deze financiële bedragen inhoudt. Wat is hier tot nu toe over geleverd of bekend? Heeft de Minister informatie over deze aspecten?

Antwoord:

Conform de wens van uw Kamer zal ik u jaarlijks informeren over de voortgang van de ecologische ambitie, inclusief mogelijke verwijzing naar relevante financiële informatie. Met onze nieuwe afspraken over de maatwerkinvulling zal ik in de voortgangsrapportages d.m.v. dynamische verwijzingen ook de financiën integraal schetsen.

11.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de Minister nader in te gaan op de uitwerking van de motie De Vries (Kamerstuk 31 089, nr. 106) over een uitvoeringsovereenkomst met de regio, waarin bindende afspraken over de voeding van het FVA zijn vastgelegd.

Antwoord:

Tezamen met de Rijksstructuurvisie zijn ook twee overeenkomsten tussen Rijk en regio afgesloten. Een van die twee is de uitvoeringsovereenkomst Almere 2.0. Deze is afgesloten tussen Rijk, provincie Flevoland en de gemeente Almere. Hierin zijn onder andere afspraken gemaakt over de spelregels die voor het Fonds Verstedelijking Almere (Fonds VA) gelden. Hierin is ook concreet vastgelegd hoe de gemeente en het Rijk het fonds voeden. Het Rijk heeft afgesproken de opbrengsten uit de verkoop van Rijksgronden in Almere Oosterwold in te brengen. Over de provinciale bijdrage aan het Fonds VA zijn later zijn in de Nadere Uitwerking van de uitvoeringsovereenkomst Almere 2.0 afspraken gemaakt.

12.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de Minister in te gaan op de stand van zaken rondom het aanpassen van de verdeelsleutel in het gemeentefonds met betrekking tot de voeding van het FVA.

Antwoord:

Een eerste aanpassing van de verdeling van het gemeentefonds is doorgevoerd in 2015, een tweede aanpassing is voorzien voor 2016. Omdat de bijzondere groeikosten van Almere niet via de reguliere systematiek van het gemeentefonds kunnen worden bekostigd, is bij de eerste aanpassing besloten tot de instelling van een decentralisatie-uitkering voor Almere. Aanpassing van de verdeelsleutel van het gemeentefonds heeft dus geen invloed op de decentralisatie-uitkering.

In de meicirculaire 2014 is de decentralisatie-uitkering Groeiopgave Almere opgenomen (€ 7 mln per jaar met accres, met ingang van 2015), zoals aangekondigd in de brief «Urgentieprogramma Randstad» van de Minister van IenM van 20 november 2013 (Kamerstuk 31 089, nr. 108) en de brief van de Minister van BZK van 22 mei 2014 over het groot onderhoud gemeentefonds (Kamerstuk 33 750 B, nr. 15). Deze decentralisatie-uitkering stelt de gemeente in staat om op een financieel verantwoorde wijze invulling te geven aan de groeiopgave/schaalsprong. In beginsel is deze decentralisatie-uitkering voor de gemeente Almere vrij besteedbaar. De gemeente heeft toegezegd deze in te brengen in het Fonds VA. De decentralisatie-uitkering wordt elke 5 jaar geëvalueerd.

13.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de Minister te reageren op het accountantsrapport waarin wordt opgemerkt dat de doelstelling van het groot project RRAAM – het realiseren van de stedelijke ontwikkeling van Almere – niet specifiek en meetbaar is geformuleerd.

Antwoord:

In de Rijksstructuurvisie Amsterdam–Almere–Markermeer is gekozen voor een organische strategie en een adaptieve aanpak. Dit betekent dat de marktvraag naar woningen en bedrijfslocaties sturend is voor de stedelijke ontwikkeling. Het vervolg-RRAAM kent dan ook geen eenduidig projectbesluit zoals dat bij andere grote projecten wel het geval is. Het is een programmatische aanpak met verschillende trajecten die naar aanleiding van de marktvraag eerder of later kunnen beginnen. Maar er kunnen zich ook kansen voordoen en/of andere maatregelen nodig zijn die nu niet te voorzien zijn. Daarom is het niet mogelijk de stedelijke ontwikkeling vooraf specifiek en meetbaar te formuleren, maar met monitoring kan ik uw Kamer jaarlijks laten zien hoe een en ander zich ontwikkelt.

14.

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd wat de stand van zaken is omtrent de fondsenwerving voor het project Marker Wadden.

Antwoord:

In 2016 start Natuurmonumenten een fondsenwervende campagne (www.natuurmonumenten.nl/steun-marker-wadden).

15.

De leden van de SP-fractie begrijpen dat de informatievoorziening inzake RRAAM afwijkt van de gebruikelijke Basisrapportages. Het is naar mening van deze leden immers een «uitgekleed» Groot Project. De crisis heeft een grote streep gezet door een groot aantal van de plannen, waarbij eigenlijk alleen een deel van de infrastructurele projecten over is gebleven. Deze projecten vinden naar mening van deze leden hun plek in het MIRT. Daarnaast wordt een aantal ecologische projecten op een andere wijze gemonitord. Deze leden begrijpen – vanuit een historisch perspectief – de behoefte aan een rapporteur. Maar deze leden vragen of de status van Groot Project in dit geval niet een maat te groot is. Temeer omdat deze leden lezen dat de rol van het Rijk voornamelijk faciliterend en kaderstellend zal zijn en dat afgesproken is de administratieve last te beperken. Daarnaast heeft de rapporteur van het Groot Project ook nog aangegeven dat er ruimte is voor maatwerk wat zich onder meer uit door verschillende artikelen van de Regeling Grote Projecten niet van toepassing te verklaren. Moet er met al deze feiten op een rijtje niet van de Grote Project-status afgezien worden?

Antwoord:

Dat is aan uw Kamer, die gaat over welke projecten onder de regeling vallen.

16.

De leden van de SP-fractie merken op dat de status van Groot Project ook een accountantsrapportage inhoudt. Dat is zo lezen deze leden, vooral een uitwerking van feitelijke bevindingen geworden en bevat daarom geen oordelen. Wat wordt in het accountantsrapport bedoeld met de opmerking dat »er voor een belangrijk deel van de geactualiseerde basisrapportage onvoldoende aanvaarde normen beschikbaar zijn»? Waarom is er geen control-, beoordelings- of andere assurance opdracht uitgevoerd? Wat zou er wellicht aan andere onderwerpen zijn geconstateerd indien er wel een controle- of een beoordelingsopdracht zou zijn uitgevoerd? Waarom is voor deze wijze van rapporteren gekozen? Hoe kwalificeert de Minister voorliggend accountantsrapport, zo vragen deze leden.

Antwoord:

Het accountantsrapport is gebaseerd op de eisen uit de vigerende Regeling grote projecten die door de Tweede Kamer is vastgesteld op 22 juni 2006. De Auditdienst Rijk stelt in haar rapport terecht dat de «light» maatwerkinvulling van de eisen uit de Regeling niet is geoperationaliseerd. Er bestaat met andere woorden geen «Regeling grote projecten light». Onze nieuwe afspraken over de maatwerkinvulling betreffen een minder zware proces- en beheersverantwoording, waardoor ook opmerkingen uit het accountantsrapport in een ander daglicht komen. Als ik het Voorstel informatievoorziening van november 2014 conform de Tweede Herziene Uitgangspuntennotitie had geschreven, dan had de Auditdienst Rijk geen accountantsrapport bij (deel B van) het voorstel hoeven schrijven. Immers deze bepalingen heeft uw Kamer geschrapt.

17.

De leden van de SP-fractie vragen tevens waarom het realiseren van de stedelijke ontwikkeling – dé doelstelling van het grote project RRAAM- niet specifiek meetbaar geformuleerd is. Lag nu net in de schaalsprong van 60.000 woningen in Almere niet de reden besloten om dit hele project überhaupt aan te gaan? Op welke wijze zal tegemoet gekomen worden aan de Regeling Grote Projecten dat de doelstellingen vanaf nu wel specifiek, meetbaar, realistisch en tijdgebonden worden geformuleerd? Waarom is er geen heldere beschrijving van de reikwijdte (de scope) gegeven? Waarom is de Minister akkoord met deze werkwijze?

Antwoord:

Zie antwoorden vraag 7 en vraag 13.

18.

De leden van de SP-fractie vragen of indien gekozen wordt voor een «organische en adaptieve aanpak» er dan niet gewoon toegegeven moet worden dat er geen te monitoren plan ligt. De wijze waarop nu inzicht wordt gegeven in dit onderdeel van de Rijksfinanciën is volstrekt onvoldoende. Is de taxatie vanuit 2013, voor een periode van 20 jaar, nog wel toereikend, in het licht dat in het hele land gemeenten en provincies grote bedragen afschrijven op hun grondexploitaties? Er wordt volgens het accountantsrapport niet ingegaan op de wijze waarop het geraamde bedrag van 130 miljoen euro voor de opbrengst uit de verkoop van Rijksgronden in Almere Oostwold tot stand is gekomen. Hoe is die tot stand gekomen? Waarom is die onduidelijkheid er? Is de gewenste bouw van 25.000 woningen in 2025 realistisch? Kan uitgebreider worden ingegaan op de geschetste risico’s? Waarom zijn de risico’s voor rekening van het Rijk wanneer de investeringen in het FVA niet of onvoldoende leiden tot een beter vestigingsklimaat? Wat leveren de Rijksinvesteringen op qua banen? Deze leden hechten er aan dat op al deze punten meer duidelijkheid wordt verschaft.

Antwoord:

Er kan wel degelijk gemonitord worden. Zoals ik heb aangegeven in mijn reactie op de Tweede Herziene Uitgangspuntennotitie zal ik uw Kamer in de voortgangrapportages jaarlijks laten zien wat de bijdrage van RRAAM is aan de ontwikkeling van de Noordvleugel (incl. woningbouwontwikkeling en ontwikkeling werkgelegenheid) middels reflectie op de monitorgegevens over de Gebiedsagenda Noord-Holland, Utrecht en Flevoland. Ook zal ik de voortgang in de realisatie van RRAAM laten zien afgezet tegen de ontwikkeling van de drievoudige ambitie uit de Rijksstructuurvisie RRAAM op basis van de monitor Gebiedsagenda, de monitor Almere en de voortgangsinformatie van projecten. Het gaat dan zowel over de verstedelijking, de natuurambitie als de bereikbaarheid. Met onze nieuwe afspraken over de maatwerkinvulling zal ik in de voortgangsrapportages d.m.v. dynamische verwijzingen ook de financiën voor zover mogelijk integraal schetsen.

Ten aanzien van de rijksfinanciën: het Rijksvastgoedbedrijf bezit in Almere Oosterwold 2.000 ha aan gronden. In de Uitvoeringsovereenkomst RRAAM (november 2013) is afgesproken dat de gerealiseerde opbrengst van verkoop van rijksgrond voor maximaal 7.000 standaardkavels in het gebied Oosterwold mag worden gebruikt voor investeringen in de schaalsprong. Het Rijksvastgoedbedrijf brengt de gerealiseerde opbrengsten in het Fonds Verstedelijking Almere. We schatten op dit moment in dat de opbrengsten voor de komende 25 jaar kunnen oplopen tot circa € 130 mln. Tempo en hoogte van de verkoopopbrengsten zijn tevoren moeilijk te voorspellen; dat is in deze vraaggerichte ontwikkelmethode afhankelijk van de belangstelling uit de markt (prijsontwikkeling en tempo afzet).

Ten aanzien van de taxaties: In gezamenlijke opdracht van gemeente Almere en het Rijksvastgoedbedrijf is na een offerteronde uiteindelijk een taxatieopdracht verleend aan Royal Haskonig/DHV. Die heeft de gronden residueel gewaardeerd. Een belangrijk onderdeel van de waardeberekening vormt de agrarische waarde. Deze is separaat gewaardeerd door een onafhankelijk agrarisch taxateur. Op basis hiervan is met behulp van de parameters en het model van RH/DHV de marktconforme waarde vastgesteld zoals deze nu wordt gehanteerd.

Ten aanzien van de woningbouwbehoefte: In totaal tot 2040 zijn er ca. 440.000 nieuwe woningen in de Noordvleugel nodig. In Noord-Holland, Utrecht en Flevoland is aan de ene kant een tekort aan centrumstedelijke en stedelijk vooroorlogse woonmilieus en aan de andere kant aan dorpse en landelijke milieus. In de provincie Flevoland is voldoende ruimte voor de ontwikkeling van landelijke woonmilieus, mede door de ontwikkeling van Oosterwold. In Almere overstijgt de vraag naar groen stedelijk grondgeboden woningen (woonmilieus met veel groen en open ruimtes) de huidige plancapaciteit. Inmiddels zijn er ca 5.000 woningen in Almere bijgebouwd. Zoals u hebt kunnen lezen in de eerste monitoren voor Woningbouw en de gebiedsontwikkeling in de Noordvleugel sluit dit redelijk aan bij wat wij eerder hadden verwacht.

Ten aanzien van de risico’s: Het Fonds VA wordt gevoed door zowel het Rijk als de provincie Flevoland en de gemeente Almere. Daarmee zijn de risico’s niet alleen voor het Rijk. Om te voorkomen dat de investeringen in het Fonds VA niet of onvoldoende leiden tot het beoogde doel om het vestigingsklimaat en de aantrekkelijkheid in dit deel van de Noordvleugel te verbeteren is er een beoordelingskader en een lange termijninvesteringsstrategie, waarbinnen projecten moeten passen. Het risico van onrendabele rijksinvesteringen in Almere 2.0 wordt gemitigeerd door de vraaggestuurde adaptieve ontwikkelingsstrategie, zoals die in de Rijksstructuurvisie RRAAM is vastgesteld. De marktvraag is namelijk sturend voor de voortgang van de stedelijke ontwikkeling. Anders gezegd, als er minder rijksgronden worden verkocht komen er minder rijksmiddelen in het Fonds VA.

19.

De leden van de SP-fractie willen graag een uitgebreidere beschrijving van het aspect «Governance» van dit project. Waaruit bestaat de regievoering van het ministerie? Hoe zal deze rol worden ingevuld? Waarom ligt er geen vastgesteld projectspecifiek beheersplan? Kan de opzet van het aspect Governance met spoed wel gaan voldoen aan de eisen zoals gesteld in de Regeling Grote Projecten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Zie antwoord vragen 7, 9 en 16.

20.

De leden van de SP-fractie vragen of er in verband met de (door de accountant genoemde) vijf punten waar sprake is van onvoldoende beschikbare informatie, wel iemand is die enig idee heeft waar men in het project RRAAM mee bezig is. Deze leden zien uit naar een uitgebreide toelichting van de Minister.

Antwoord:

Ik ben het met u eens dat het (te) veel over procedures en processen gaat. Zoals ook blijkt uit mijn antwoorden op de vragen 7, 9 en 16 wilde ik bij mijn eerdere voorstel voor informatievoorziening en aanvullende informatie niet alles onder de regeling scharen en constateerde de Auditdienst ook terecht dat er geen «Regeling grote projecten light» bestaat. Het accountantsrapport is derhalve gebaseerd op de eisen uit de vigerende Regeling grote projecten. Zoals u hebt kunnen lezen in mijn reactiebrief op de Tweede Herziene Uitgangspuntennotitie ben ik blij met het besluit van uw Kamer voor een verdergaande maatwerkinvulling voor de informatievoorziening. Het gaat daarbij om een minder zware proces- en beheersverantwoording. Gezien de uitvoerende fase van RRAAM zijn wij daar allen bij gebaat. Mijn eerdere voorstel voor informatievoorziening van november 2014 sluit niet langer aan bij deze nieuwe afspraken en gaat wat mij betreft dan ook van tafel. Dat voorstel was gebaseerd op de Eerste Herziene Uitgangspuntennotitie. Nu ik met uw Kamer nieuwe en andere afspraken heb gemaakt over de light-invulling van het groot project RRAAM, zal ik op basis hiervan in het najaar een Voortgangsrapportage opstellen.

Er is de afgelopen tijd gelukkig ook veel inhoudelijks en concreets bereikt, zoals ik al aangaf in de korte rapportage over de werkzaamheden in bijlage 3 van mijn in informatievoorstel van november 2014. Concreet gaat het daarbij onder andere om:

  • De monitor Gebiedsagenda Noord-Holland, Utrecht en Flevoland zoals uw Kamer die van mij heeft gekregen is samen met de regio gemaakt; deze is zo opgesteld dat we de ontwikkelingen van de RRAAM-doelstellingen goed kunnen volgen.

  • Almere 2.0 (almere20.almere.nl): diverse afspraken rondom het Fonds Verstedelijking Almere, zoals een beoordelingskader en een lange termijn investeringsstrategie en selectie van de eerste projecten die vanuit het Fonds ondersteund gaan worden.

  • Gebiedsontwikkeling Oosterwold (almere20.almere.nl/gebiedsontwikkeling/oosterwold/) is operationeel geworden. De eerste anterieure overeenkomsten zijn getekend en rond de zomer zullen de eerste rijksgronden worden verkocht waar woningen gebouwd kunnen worden.

  • Recent is de website www.woningbouwatelier.nl de lucht in gegaan als onderdeel van een gezamenlijk op te richten Woningbouwatelier Almere van het Ministerie van BZK (Wonen & Bouwen), het Rijksvastgoedbedrijf en gemeente Almere; bedoeld om experimenten op te zetten en uit te voeren op het gebied van wonen en woningbouw.

  • Overeenkomst tussen het Rijk,Natuurmonumenten en provincie Flevoland over de ontwikkeling van de Markerwadden (www.natuurmonumenten.nl/thema/marker-wadden).

  • In opdracht van de stuurgroep Markermeer-IJmeer (http://www.markermeerijmeer.nl) is een zogenaamde thermometer ontwikkeld die bestuurders, vergunningverleners en de omgeving moet informeren over de toestand van het Markermeer-IJmeer.

  • Momenteel ligt het ontwerp Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren (incl. IJsselmeergebied) ter visie (http://www.rijkswaterstaat.nl/water/plannen_en_projecten/bprw).

21.

De leden van de CDA-fractie menen dat de drievoudige doelstelling op het terrein van verstedelijking, bereikbaarheid, natuur en recreatie heel goed door de betrokken provincies opgepakt kan worden. Is daar met de betrokken provincies over gesproken en wat is hun visie daarop, zo vragen zij.

Antwoord:

Provincies zijn partij in het realiseren van de doelen van de rijksstructuurvisie RRAAM. Dit is onderschreven door Rijk en regio in de Bestuursovereenkomst RRAAM, de Uitvoeringsovereenkomst Almere 2.0 en in de Nadere uitwerking van de uitvoeringsovereenkomst Almere 2.0.

22.

De leden van de CDA-fractie zijn in dat kader ook benieuwd of de onderlinge verhoudingen van provinciebestuurders daarbij ook een rol spelen, en of dat wellicht veranderd is na de Provinciale Statenverkiezingen.

Antwoord:

De collegeprogramma’s vertonen geen wijzigingen op dit vlak en ik heb ook geen signalen ontvangen dat bestuurders een andere invulling willen.

23.

De leden van de CDA-fractie hadden graag gezien dat het project niet langer onder de Regeling Grote Projecten zou vallen. Een meerderheid van de Kamer deelt die gedachte niet, daarom wordt de thans voorgestane werkwijze gewaardeerd omdat verschillende artikelen van de Regeling Grote Projecten niet van toepassing worden verklaard op RRAAM. Een nog verdergaande vereenvoudiging van de procedure zouden deze leden zeker waarderen. Kan de Minister aangeven of zij daartoe bereid is?

Antwoord:

Als uw Kamer daarom vraagt ben ik daartoe bereid.

24.

De leden van de CDA-fractie vragen of het nodig en wenselijk is dat de doelstelling van het project RRAAM alsnog specifieker en meetbaar wordt geherformuleerd.

Antwoord:

Dat is niet mogelijk. Zie ook antwoord vraag 13.

25.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de inschatting thans is dat er op zijn vroegst in 2025 25.000 nieuwe woningen in Almere ten opzichte van 2010 gerealiseerd zijn (schaalsprong Almere). Houdt dat in dat normaliter ook dan pas het eindpunt van het onderhavige groot project in beeld is? Kan dat eindpunt verschuiven bij verdere vertraging of versnelling van het project?

Antwoord:

Het klopt dat het eindpunt van deze op uitvoering gerichte «tussenfase» van RRAAM kan verschuiven, hoewel ik liever niet spreek van vertraging of versnelling, maar over organische ontwikkeling. Op het moment dat er voldoende stedelijke druk is opgebouwd (rond 2025–2030) zal er een vervolgonderzoek naar verdere infrastructuurmaatregelen moeten plaatsvinden (vervolg MIRT-verkenning). Het is aan uw Kamer of de status van Groot Project eindigt of wordt voortgezet.

26.

De leden van de CDA-fractie vragen of de interne controlfunctie van de projectorganisatie versterkt kan worden omdat de projectorganisatie momenteel steunt op de concerncontroller van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Antwoord:

Dit is niet nodig. Binnen het Groot Project is een interne controlfunctie belegd in mijn ministerie. Deze rol was niet nader beschreven in mijn eerdere informatievoorstel, vandaar de opmerking van de Auditdienst in het accountantsrapport.

Naar boven