Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201931066 nr. 444

31 066 Belastingdienst

Nr. 444 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 4 december 2018

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van 31 oktober 2018 inzake de 22e halfjaarsrapportage Belastingdienst (Kamerstuk 31 066, nr. 438).

De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 3 december 2018. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Anne Mulder

Adjunct-griffier van de commissie, Freriks

1. Waar zijn de cijfers met betrekking tot de aantallen auto’s die als gevolg van de parallelimport ons land binnenkomen gezien de eerdere toezegging van uw voorganger dat deze cijfers voortaan worden meegenomen in de halfjaarsrapportage van de Belastingdienst (Kamerstuk 34 775 IX, nr. 8)?

In de 20e Halfjaarrapportage is aangegeven dat de cijfers over de parallelimport jaarlijks beschikbaar komen.1 De cijfers over 2017 zijn opgenomen in de 21e Halfjaarsrapportage van afgelopen april2. Voor de volgende jaren geldt dezelfde systematiek, dus opname in de halfjaarrapportage na afloop van het betreffende jaar. Dit houdt in dat de cijfers over 2018 in het voorjaar 2019 beschikbaar zijn en worden opgenomen in de 23e Halfjaarrapportage en daarna in de voortgangsrapportages. Uw Kamer wordt uiterlijk januari 2019 geïnformeerd over de problematiek ten aanzien van parallelimport. Ik verwacht in aanvulling op de jaarlijkse rapportage ook een tussentijdse rapportage te leveren over de cijfers parallelimport.

2. De regering gaf eerder aan dat er ongeveer 30.000 huishoudens zijn met inwonende kinderen, waarvoor geldt dat het inkomen van de jongere leidt tot een verlaging van de huurtoeslag en dat de effecten kunnen worden verminderd door een vergoeding voor kost en inwoning te vragen; hoe werkt dit precies? Kan het gehele effect van de verlaagde huurtoeslag worden weggenomen?

Het recht op huurtoeslag op het adres waarop de huurtoeslag is aangevraagd hangt mede af van het inkomen van alle bewoners samen, dus inclusief de thuiswonende kinderen. Voor thuiswonende kinderen die een inkomen hebben boven het vrijstellingsbedrag € 4.827 of 23 jaar of ouder zijn heeft de wetgever vastgelegd dat zij geacht worden bij te dragen aan het huishoudinkomen. De effecten voor de ouders van een lagere huurtoeslag kunnen worden verminderd als ouders van hun kinderen een vergoeding voor kost en inwoning vragen. Of het gehele effect van de verlaagde huurtoeslag weggenomen wordt, is afhankelijk van de hoogte van de vergoeding die ouders aan hun inwonende kinderen vragen. Hoeveel ouders een vergoeding aan hun kinderen vragen is niet bekend.

3. Zijn er signalen binnen de Belastingdienst dat huishoudens worden overvallen door het beleid om te korten op de huurtoeslag vanwege thuiswonende kinderen die geld verdienen? Zo ja, hoeveel signalen?

Ik heb geen signalen ontvangen van huishoudens dat men overvallen wordt door dit beleid.

4. Zou het helpen als thuiswonende afstuderende kinderen actief worden geïnformeerd over de gevolgen voor de huurtoeslag van hun ouders, bijvoorbeeld wanneer ze worden geïnformeerd over het stopzetten van hun OV-reisrecht?

Sinds begin 2018 benadert de Belastingdienst de aanvrager van een toeslag wanneer, volgens onze gegevens, een kind binnen het huishouden substantieel meer is gaan verdienen. Meestal is de ouder de aanvrager van de huurtoeslag. De Belastingdienst attendeert de ouder dat dit hogere inkomen gevolgen kan hebben voor de toeslag(en). Hoeveel toeslag de aanvrager krijgt, hangt namelijk af van de hoogte van de jaarinkomens van alle mensen in het huishouden. De Belastingdienst weet niet hoe hoog het gezamenlijk inkomen gaat worden. Daarom wordt de aanvrager van een toeslag gevraagd om het gewijzigde inkomen zo snel mogelijk aan de Belastingdienst door te geven, zodat hij zo min mogelijk moet terugbetalen.

5. Hoe verhouden de ontslagen bij de Belastingdienst vanwege het niet nakomen van fiscale verplichtingen over de periode 2017–2018 zich ten opzichte van eerdere jaren? Hoe verhouden deze aantallen zich tot het aantal integriteitsschendingen met een financiële overtreding bij de rest van de rijksoverheid?

In de jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk zijn integriteitscijfers over de periode 2013 tot en met 2017 opgenomen (Kamerstuk 31 490, nr. 239). Dit geeft het volgende beeld. Er is in de rijksbrede cijfers geen koppeling gemaakt tussen het type schending en de eventueel opgelegde sanctie. Daarmee kan niet gezegd worden hoe de cijfers zich verhouden tot andere ministeries of andere uitvoeringsorganisaties.

Tabel 1. Jaarrapportage bedrijfsvoering Rijk 2017 en interne registratie Belastingdienst.

Geconstateerde schendingen

2013

2014

2015

2016

2017

totaal Rijksbreed

566

607

555

488

414

           

Disciplinaire sancties

2013

2014

2015

2016

2017

Totaal Rijksbreed

276

284

231

208

220

waarvan strafontslag Rijksbreed

132

121

105

102

90

waarvan strafontslagen bij de Belastingdienst

38

33

38

30

18

Op verzoek heeft de Belastingdienst voor 2017 en 2018 alle strafontslagen handmatig nagekeken om de aard en inhoud van integriteitschending te duiden. Een deel van het totale aantal strafontslagen is opgelegd aan medewerkers wegens het niet nakomen van de fiscale verplichtingen. Het gaat om zes medewerkers in 2017 en tien medewerkers tot 1 november 2018. Voor geheel 2018 wordt een stabiele lijn verwacht in het totale aantal op te leggen strafontslagen in vergelijking met de jaren 2013 tot en met 2016. Omdat het totaal over de jaren heen niet sterk fluctueert, is er geen indicatie dat er naar aard van integriteitschendingen een verschuiving heeft plaatsgevonden. Juist voor een uitvoeringsorganisatie die zich dagelijks bezighoudt met belastingheffing, -inning en het uitbetalen van Toeslagen is het belang om op te treden tegen medewerkers die integriteitschendingen begaan, onverminderd groot.

6. Welke «andere beschikbare instrumenten» worden er gebruikt voor de controle op het privégebruik auto?

7. Hoe ziet de mix van controle-instrumenten eruit die onderdeel uitmaken van het reguliere toezicht?

In geval van een controle beoordeelt de Belastingdienst eerst of een auto van de zaak ter beschikking is gesteld. Als dit het geval is en er voldoende bewijs wordt geleverd dat de auto op (kalender)jaarbasis niet voor meer dan 500 kilometer privé is gebruikt, wordt de bijtelling op nihil gesteld.

De Belastingdienst beoordeelt het bewijs met een mix aan controle-instrumenten. Het gaat hierbij om alle mogelijke instrumenten die behulpzaam kunnen zijn. Veel gebruikte instrumenten zijn onder meer de beschikbare administratie, de rittenregistratie en bij werknemers de gemaakte afspraken over het privégebruik van de auto.

8. Wordt de volledige werving voor Douane doorgezet wanneer er definitief een akkoord is tussen het Verenigd Koninkrijk en Europa?

Er is nog geen zekerheid over de definitieve uitkomst van de onderhandelingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie. De Douane volgt de ontwikkelingen nauwlettend. Totdat het zeker is dat het terugtrekkingsakkoord in werking zal kunnen treden, gaat het kabinet onverminderd door met de voorbereidingen op alle scenario’s, inclusief die op het no deal scenario. Als de uitkomst van de onderhandelingen niet aansluit bij de huidige snelheid of omvang van het wervingstraject, past de Douane haar voorbereidingen daarop aan. Bij een definitieve deal heeft de Douane weliswaar meer tijd, maar ongeacht de uiteindelijke handelsrelatie komen er douaneformaliteiten en controles.

9. Hoe heeft het aantal ingediende bezwaren per dienstonderdeel zich de afgelopen jaren ontwikkeld?

In onderstaande tabel is de ontwikkeling van het aantal ingediende bezwaren weergeven naar de onderdelen Belastingen, Douane en Toeslagen. De cijfers zijn, zoals in de recente Kamerbrief over de vertraging in de bezwaarbehandeling beschreven, niet volledig betrouwbaar.3 Er is onvoldoende betrouwbare managementinformatie beschikbaar.

Tabel 2. Aantal ontvangen bezwaarschriften per dienstonderdeel.
 

2013

2014

2015

2016

2017

Belastingen

510.189

554.078

597.155

624.814

543.740

Douane

4.048

3.764

4.198

6.404

n.b.

Toeslagen

59.230

89.926

76.791

73.231

37.587

Totaal

573.467

647.768

678.144

704.449

581.327 + n.b.

De Douane heeft het oude automatiseringssysteem voor de behandeling van bezwaar in 2017 vervangen. Daardoor is over 2017 geen betrouwbare stuurinformatie beschikbaar.

Toeslagen heeft de instroom van bezwaren in 2016 en 2017 teruggedrongen. Enerzijds door procesverbeteringen te implementeren waardoor er minder productieverstoringen optraden. Anderzijds door de kwaliteit van de onderliggende toeslagbeschikking te verbeteren. De ontwikkeling van kennis en technieken heeft gezorgd voor een beter gerichte handmatige behandeling. Samen met de verbeterde toeslagbeschikking is hierdoor geleidelijk minder instroom aan bezwaren ontstaan.

10. Wat zijn de personele gevolgen geweest van de vertrekregeling voor de Belastingtelefoon?

Als gevolg van de vertrekregeling zijn bij de Belastingtelefoon acht medewerkers uitgestroomd over de periode 2016 tot en met de eerste helft van 2018. Naar verwachting stromen tot eind 2020 nog twaalf Belastingtelefoon-medewerkers uit als gevolg van de vertrekregeling.4 Deze beperkte uitstroom kan worden opgevangen in het lopende proces. De aantallen zijn vergelijkbaar met een natuurlijk verloop.

11. Hoe onderzoekt u precies de oorzaken van de te lage Algemene wet bestuursrecht (Awb)-score bij de omzetbelasting en de Douane?

Over het onderzoek en het resultaat daarvan heb ik u geïnformeerd in mijn brief over de vertraagde bezwaarbehandeling van 26 november 2018.5

12. Welke Awb-score wordt er gehaald bij de inning van de erf- en schenkbelasting?

13. Hoeveel bezwaren zijn er met betrekking tot de schenk- en erfbelasting ingediend per maand in 2018?

In mijn brief over de vertraging in de bezwaarbehandeling heb ik u geïnformeerd over het percentage bezwaren dat tijdig wordt afgedaan.6 Het gaat om bezwaren tegen aanslagen voor verschillende belastingmiddelen. Daarbij heb ik ook aangegeven dat bij een aantal kleine belastingmiddelen geen goede managementinformatie beschikbaar is. Dat geldt ook voor de bezwaarbehandeling bij de erf- en schenkbelasting. Helaas is daarom ten aanzien van deze vragen nog geen gevalideerde informatie beschikbaar. De Belastingdienst werkt aan de managementinformatie voor erf- en schenkbelasting. Hier ben ik nader op ingegaan in mijn brief van 29 november7. Daarnaast wordt in het kader van Beheerst vernieuwen gewerkt aan een structurele aanpak van de managementinformatie.

14. Van welke afdelingen/processen komen de extra fte's die aan het team erfbelasting zijn toegevoegd? Hoe lang blijven zij daar? Hoe wordt dat opgevangen binnen de afdelingen waar zij vandaan komen?

De extra medewerkers van de zomertaskforce komen voor het grootste deel uit het toezicht op de inkomensheffing. De inzet van deze medewerkers heeft ertoe geleid dat in de zomer minder aangiften inkomensheffing zijn behandeld. De jaardoelstelling uit de rijksbegroting wordt naar verwachting wel nog gehaald. Verder is het behandelen van de steekproefposten voor het bepalen van het nalevingstekort vertraagd. Het nalevingstekort van de inkomensheffing is ook een indicator uit de begroting.

15. Hoe zien de vijf vernieuwingsprojecten eruit? Wat is het doel van deze vijf projecten?

In de brief Beheerst Vernieuwen van 26 april jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de vijf projecten die onder de nieuwe veranderaanpak zijn gestart (Kamerstuk 31 066, nr. 403). Voor Bezwaar is er sprake van twee projecten. De eerste is de nieuwe online-bezwaarvoorziening. Deze biedt particulieren, en uiteindelijk ook gemachtigden, de mogelijkheid om digitaal bezwaar in te dienen. Deze voorziening is in het voorjaar van 2018 beschikbaar gekomen voor het middel inkomstenbelasting. Het aantal belastingen waarvoor de voorziening kan worden gebruikt wordt de komende jaren uitgebreid. De tweede is het vereenvoudigen van bezwaar. Dit zorgt ervoor dat door particulieren ingediende aangiftewijzigingen en aanvullingen op een aangifte, voor zover mogelijk, bij de vaststelling van de aanslag worden meegenomen. Nieuwe informatie die wordt ontvangen nadat de aanslag is vastgesteld kan leiden tot ambtshalve vermindering en wordt in dat geval niet meer als bezwaar behandeld. Hiermee wordt het proces eenvoudiger en minder tijdrovend, zonder dat de rechtsbescherming van de burger wordt aangetast.

Voor Inning is er eveneens sprake van twee projecten. De eerste is de doorontwikkeling van dynamisch monitoren, zodat alle vorderingen van de Belastingdienst op belastingschuldigen continu worden gemonitord. Het dynamisch monitoren zorgt ervoor dat de belastingschuldigen kunnen worden gekoppeld aan bij de Belastingdienst bekende verhaalmogelijkheden. Vervolgens kan de Belastingdienst dan bewust kiezen welke inningsactie prioriteit krijgt. Het tweede project heeft betrekking op de ondersteuning van de medewerker inning. Hiermee wordt alle benodigde inningsinformatie aangeboden in één scherm. Hierdoor krijgen medewerkers steeds beter inzicht in de betaal- en vermogensposities en ontstaat er een meer eenduidige klantbehandeling door deze informatie.

Voor Auto is er sprake van één project. Er wordt gestart met het vereenvoudigen van de communicatie, waardoor fouten bij het indienen worden voorkomen.

16. Wat zijn de gevolgen als de onderhandelingen over het onderhoudscontract van het Entreprise Tax Management (ETM)-systeem vastlopen?

Het verheugt mij uw Kamer te informeren dat onlangs met de leverancier van Enterprise Tax Management (ETM) een akkoord is bereikt. De ondersteuning van ETM wordt verlengd tot en met 31 december 2022. De continuïteit van de inning van de in ETM ondersteunde middelen is daarmee geborgd. De lengte van de contractduur geeft mij vertrouwen dat voor het einde van deze verlenging alle in ETM geautomatiseerde middelen op een verantwoorde manier gemigreerd zullen zijn naar nieuwe omgevingen.

17. Wanneer kan de Belastingdienst het nieuwe systeem voor de motorrijtuigenbelasting (MRB) in gebruik nemen?

18. Heeft de Belastingdienst genoeg tijd om het nieuwe MRB-systeem eigen te maken alvorens wordt gestart met de invoering van de toeslag op 1 januari 2020?

De invoering van de toeslag voor vervuilende diesels is onderdeel van een nieuw heffingssysteem. Dit nieuwe systeem voor de motorrijtuigenbelasting is naar verwachting in het vierde kwartaal van 2019 operationeel. Dat is op tijd voor het uitvoeren van de toeslag op de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2020. Zoals ook in de 22ste Halfjaarsrapportage aangegeven, stel ik alles in het werk om een tijdige implementatie van de MRB-toeslag, en dus het MRB-systeem, te realiseren (Kamerstuk 31 066, nr. 438). In deze tijdsplanning heeft de Belastingdienst ookgenoeg tijd ingeruimd om het nieuwe MRB-systeem eigen te maken. Een tijdige invoering van de toeslag is een zeer complex traject, zo bevestigt de Audit Dienst Rijk. De Belastingdienst monitort de voortgang daarom nauwlettend.

19. Hoe wordt in het kader van de Panama Papers fiscale relevantie gedefinieerd? Wanneer is er sprake van geen of geringe fiscale relevantie? In hoeveel dossiers waarbij de internationale structuur fiscaal bekend is, is een belastingaanslag opgelegd?

In de 22ste Halfjaarsrapportage is opgenomen dat 56% van de aan Nederland gelinkte dossiers uit de Panama Papers inhoudelijk is behandeld door de Belastingdienst (Kamerstuk 31 066, nr. 438). In de overige 44% van de gevallen worden geen vervolgstappen ondernomen vanwege geen of geringe fiscale relevantie. Met deze fiscale relevantie wordt gedoeld op een Nederlands heffingsbelang. Er is geen of geringe fiscale relevantie wanneer er bijvoorbeeld:

  • vooraf of uit onderzoek blijkt er geen sprake is van Nederlandse belastingplicht of op grond van verdragen de heffing in het buitenland belegd is;

  • de structuur reeds bij de Belastingdienst bekend is en de Panama Papers geen nieuwe feiten aan het licht hebben gebracht;

  • de termijnen voor het opleggen van aanslagen reeds verstreken zijn omdat de casus heeft plaatsgevonden in jaren die buiten de wettelijke termijnen voor het opleggen van aanslagen vallen.

De Belastingdienst heeft meer dan 200 dossiers gevonden met een fiscaal belang voor Nederland. Ongeveer de helft van de in behandeling genomen dossiers is afgerond of in een ver gevorderd stadium van behandeling. Naar aanleiding van de informatie uit de Panama Papers heeft de Belastingdienst in deze dossiers tot nu toe ongeveer 50 aanslagen opgelegd met een bedrag inmiddels per saldo ruim € 8 miljoen (inclusief boetes en rente).

In de 22ste Halfjaarsrapportage is een bedrag van € 7,2 miljoen genoemd (Kamerstuk 31 066, nr. 438). Dit getal is inmiddels opgelopen tot € 8 miljoen (inclusief boetes en rente). Het aantal aanslagen zal oplopen wanneer de behandeling van meer dossiers wordt afgerond. In één dossier kunnen meerdere aanslagen worden opgelegd, bijvoorbeeld voor verschillende jaren.

20. Wanneer is de risicoselectie op de in Nederland ingediende landenrapporten naar verwachting afgerond?

Het risicoselectieproces is in de afrondende fase. De landenrapporten over het verslagjaar 2016 die in Nederland werden ingediend zijn in 2017 ontvangen door de Belastingdienst. Dit jaar heeft de Belastingdienst de Nederlandse landenrapporten die de Belastingdienst gekregen heeft in het kader van country-by-country reporting op risico’s geselecteerd. De landenrapporten bevatten informatie over de winsten die in verschillende landen zijn behaald, de omzet van transacties, betaalde belasting, aantal medewerkers, waarde van vaste activa en een beschrijving van de lokale activiteiten. De risicoselectie op de overige in Nederland ingediende landenrapporten vindt gezamenlijk plaats met de uit het buitenland ontvangen landenrapporten, die pas later in dit jaar zijn ontvangen. Voor deze risicoselectie worden de bevindingen uit de analyse van de eerste genoemde landenrapporten gebruikt.

Naast deze risicoselectie zal de Belastingdienst tevens handmatig op basis van een deelwaarneming de landenrapporten bekijken om vast te stellen of de parameters in de automatische risicoselectie juist zijn ingesteld. Aangezien landenrapporten jaarlijks door kwalificerende multinationale groepen ingediend dienen te worden, is de risicoanalyse van de landenrapporten een continu proces.

21. Kunt u het aantal klachten over het handelen van de Belastingdienst uitsplitsen naar onderwerp van de klacht?

Het aantal klachten in de eerste helft van 2018 bedroeg 6212. Daarvan hadden 2961 klachten betrekking op het organisatieonderdeel Belastingen, 1348 klachten op Toeslagen en 1903 op de andere organisatieonderdelen, waaronder Klantinteractie en Services. De meest voorkomende onderwerpen zijn zorgvuldigheid, informatieverstrekking en tijdigheid.

22. Kunt u een overzicht geven van het percentage van de inning van invorderingsposten binnen een jaar van de afgelopen tien jaar?

De prestatie-indicator «inning invorderingsposten binnen een jaar» is vanaf 2016 opgenomen in de begroting. De meetwaarde (het percentage niet tijdig betaalde belastingvorderingen dat binnen een jaar alsnog geïnd kan worden) is beschikbaar vanaf 2013. De streefwaarde voor 2018 bedraagt 55–65%.

Tabel 3. Inningspercentage over de jaren heen.
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Inningspercentage

57,0%

58,5%

57,0%

57,2%

54,5%

56,9%

24. Hoe komt het dat de doelstelling voor 2018 ten aanzien van de bruto correctieopbrengsten aangiftenbehandeling IH (betreffende particulieren en mkb) zoals vermeld in de halfjaarsrapportage (1,6 miljard euro) 700 miljoen euro lager ligt dan de waarde van 2017 zoals vermeld in het Jaarplan (2,3 miljard euro)?

De streefwaarde voor de bruto correctieopbrengsten aangiftebehandeling IH is in het jaarplan per abuis op € 2,3 miljard gesteld. Dit betreft echter de realisatie van 2017 (streefwaard was toen € 1,8 miljard. De juiste streefwaarde 2018, € 1,68 miljard, staat vermeld in begroting IX 2018. De verlaging van de streefwaarden in 2019 ten opzichte van 2018 is toegelicht in begroting IX 2019 en houdt met name verband met de verbeterde kwaliteit van de vooringevulde aangifte, waardoor minder aangiften behoeven te worden gecorrigeerd.

25. Wanneer verwacht u dat de achterstand aan invordering een dalende trend gaat laten zien?

Het percentage «achterstand in de invordering» is een indicator voor de relatieve omvang van de betalingsachterstanden die burgers en bedrijven hebben bij de Belastingdienst.

Vanaf 2015 volgt de Belastingdienst niet-direct inbare vorderingen via dynamisch monitoren op nieuwe verhaalsmogelijkheden, waar ze vroeger na enige tijd administratief werden afgeboekt als oninbaar. De Belastingdienst controleert daarbij of de financiële situatie van de debiteur is veranderd en er mogelijk toch kan worden geïncasseerd.

Zoals toegelicht in de begroting IX 2019leidt het dynamisch monitoren tot een structurele stijging van het achterstandspercentage, omdat schulden langere tijd worden gevolgd en daarmee het aantal openstaande (langlopende) vorderingen toeneemt.8 Vooralsnog wordt hierin geen dalende trend voorzien, wel op termijn een stabilisatie.

26. Wat verklaart de toename in het percentage nabetalingen van te weinig ontvangen toeslagen bij de zorgtoeslag, en in mindere mate het kindgebonden budget, wanneer het toeslagjaar 2017 wordt vergeleken met het toeslagjaar 2016?

Deze toename van het percentage nabetalingen kan worden verklaard door de systematiek van het vaststellen van de voorschot inkomens bij het automatisch continueren van de toeslagen zoals deze eind 2016 is toegepast door de Belastingdienst. Hierbij werd gebruik gemaakt van bij de Belastingdienst bekende inkomensgegevens en werden inkomens geïndexeerd. Daardoor is het aantal terugvorderingen gedaald en het aantal nabetalingen iets gestegen.

27. Wat is de reden dat maar 0,63 miljoen euro ten opzichte van de (minimale) doelstelling van 83,3 miljoen euro aan incasso-opbrengsten is gerealiseerd? Waarom is de verwachting dat in het tweede half jaar van 2018 voldoende opbrengsten zullen worden gerealiseerd om de doelstelling meer dan voldoende te halen?

Gedurende het eerste halfjaar van 2018 is veel capaciteit en aandacht vanuit de FIOD en OM besteed aan de eindfase en afronding van het grootschalige ING-onderzoek. Dit sluit aan bij de aanpak van de FIOD en OM, waar bij het selecteren van aanmeldingen voor strafrechtelijk onderzoek prioriteit wordt gegeven aan zaken met impact en effect. Dit onderzoek heeft uiteindelijk in september 2018 tot een incasso van 775 miljoen euro geleid met de nodige impact op de financiële sector. Door deze incasso is de doelstelling van 83,3 miljoen euro aan incasso-opbrengsten ruimschoots gerealiseerd.


X Noot
1

Kamerstuk 31 066, nr. 389.

X Noot
2

Kamerstuk 31 066, nr. 401

X Noot
3

Kamerstuk 31 066, nr. 441.

X Noot
4

Aanhangsel Handelingen 2017/18, nr. 3033.

X Noot
5

Kamerstuk 31 066, nr. 441.

X Noot
6

Kamerstuk 31 066, nr. 441.

X Noot
7

Kamerstuk 31 066, nr. 443

X Noot
8

Kamerstuk 35 000 IX, nr. 2, pag. 64.