Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202030012 nr. 122

30 012 Leven Lang Leren

Nr. 122 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP EN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 oktober 2019

Inleiding

Het kabinet wil mensen stimuleren om zelf regie te nemen op hun loopbaan en hun leven, zodat zij zich kunnen blijven ontwikkelen en hun eigen keuzes kunnen maken.1 Leven Lang Ontwikkelen (LLO) speelt daarin een belangrijke rol. Mensen moeten kunnen beschikken over middelen die naar eigen inzicht kunnen worden besteed aan opleiding en ontwikkeling zodat zij duurzaam inzetbaar blijven op de arbeidsmarkt. Het kabinet wil meer eigen regie stimuleren door duidelijkheid te bieden aan private partijen over de fiscale behandeling van individuele leer- en ontwikkelbudgetten.2 Daarnaast werkt het kabinet aan een regeling voor een publiek leer- en ontwikkelbudget3, het zogenoemde «STAP-budget»4, dat mensen de (financiële) mogelijkheid geeft stappen te zetten in hun ontwikkeling om duurzaam inzetbaar te blijven en vitaal de pensioenleeftijd te behalen. Om het makkelijker te maken om eigen regie te pakken, verkent het kabinet de haalbaarheid van een digitaal overzicht voor scholingsmogelijkheden, ook financieel. Verder lopen er regionale pilots die aanknopingspunten moeten opleveren om de ondersteuning van werkenden, werkzoekenden en werkgevers te verbeteren. Ook is er gericht aandacht voor het stimuleren van leven lang ontwikkelen in het mkb en in de landbouw-, horeca- en recreatiesector, waarvoor een subsidieregeling in de maak is5. En tot slot werkt het kabinet actief aan het flexibeler maken van het opleidingsaanbod, zodat een opleiding ook goed te combineren is met werk en privéleven.

Met deze brief informeren wij uw Kamer in het bijzonder over een aantal onderwerpen die samenhangen met het opleidingsaanbod6. Over de diverse onderwerpen is constructief overleg gevoerd met betrokken stakeholders. In november ontvangt u nog een brief over de voortgang van LLO, met daarin o.a. de STAP-regeling met de uitvoeringstoets, de subsidieregeling voor LLO in het mkb en in de landbouw,- horeca- en recreatiesector7 en de stand van zaken van de andere onderwerpen8. Over de motie van de leden Brenk en Van den Hul over het dekkend aanbod en bereikbaarheid voor het vavo9 is uw Kamer geïnformeerd in de kabinetsreactie op het interdepartementaal beleidsonderzoek naar jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt.10 Hierna gaan we achtereenvolgens in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs derde leerweg.

  • 2. Uitwerking resultaten Leven Lang Leren Lab.

  • 3. Laaggeletterdheid: gewijzigde moties Wiersma c.s. en Wiersma en Van Kuik11.

  • 4. Wetsvoorstel Nederlands kwalificatiekader (NLQF).

  • 5. Uitwerking alumnibeleid en mbo-APK: motie van het lid Van der Molen12.

  • 6. Onderzoek «Bedrijfsscholen voor mbo-opleidingen-een eerste verkenning»: motie van de leden Wiersma en Van den Hul13.

  • 7. Verschil tussen mbo-certificaat en mbo-verklaring: gewijzigde motie van de leden Van Kuik en El Yassini14.

  • 8. Validering van leer- en werkervaring: motie van het lid Wiersma15.

  • 9. Vormgeving experiment vraagfinanciering voor het mbo.

  • 10. Voorstel voor invoering van leerrechten.

1. Subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs derde leerweg mbo

Met de subsidieregeling voor het stimuleren van verdere flexibilisering van het mbo16 stelt het kabinet verdeeld over vier jaar, € 20 miljoen beschikbaar voor de ontwikkeling van innovatieve en flexibele onderwijsprogramma’s in het mbo voor werkenden en werkzoekenden17. Samenwerkingsverbanden van bekostigde en niet-bekostigde mbo-scholen in de derde leerweg18 komen voor de middelen in aanmerking. Het kabinet wil zo stimuleren dat de krachten van publieke en private mbo-instellingen worden gebundeld en er nieuwe (regionale) samenwerkingsvormen ontstaan. De onderwijsprogramma’s, werkwijzen en materialen die met de subsidie worden ontwikkeld, worden breed verspreid zodat ook andere mbo-instellingen hiervan kunnen profiteren. Daarnaast wordt van de publieke en private mbo-instellingen verwacht dat zij de doelgroep betrekken bij de ontwikkeling van de onderwijsprogramma’s. De subsidie is ook bestemd voor activiteiten of instrumenten, die nodig zijn om de doelgroep te bereiken en te motiveren een (deel van de) mbo-opleiding te volgen. Onze verwachting is dat de subsidieregeling een verdere impuls zal geven aan het ontwikkelen van een (regionaal) flexibel en aantrekkelijk opleidingsaanbod voor werkenden en werkzoekenden.

2. Uitwerking resultaten Leven Lang Leren Lab

In het najaar van 2018 hebben circa 100 volwassenen met maximaal een mbo-opleiding deelgenomen aan het Leven Lang Leren Lab. Onder professionele begeleiding hebben zij in negen groepjes verspreid over Nederland voorstellen ontwikkeld om deelname aan non-formeel en formeel onderwijs voor hun doelgroep aantrekkelijker te maken. Enkele voorstellen worden momenteel verder uitgewerkt. Daarnaast gaat de Koninklijke Bibliotheek aan de slag met het voorstel om op lokaal niveau een laagdrempelige inloopvoorziening voor non-formeel onderwijs te realiseren. Door middel van een pilot in verschillende steden wordt de komende tijd onderzocht of bibliotheken een rol als inloopplek voor laagdrempelige non-formeel scholingsaanbod kunnen vervullen.

3. Laaggeletterdheid

Op 18 maart jl. is de Kamer geïnformeerd over de verlenging van het meerjarenprogramma voor de aanpak van laaggeletterdheid. Het kabinet heeft onlangs bestuurlijke afspraken met de VNG gemaakt over de rol die gemeenten gaan spelen bij de voorgenomen kwaliteitsverbetering en vergroting van het bereik van laaggeletterden.19 In de bestuurlijke afspraken wordt ook de inrichting van een nieuw expertisepunt Basisvaardigheden aangekondigd, waarvoor inmiddels een verkenning loopt. De Kamer zal later dit jaar apart worden geïnformeerd over de resultaten van deze verkenning. Ook zal het kabinet de Kamer informeren over de kaders van een nieuw landelijk monitoringssysteem en over nieuwe kwaliteitsrichtlijnen voor het cursusaanbod voor laaggeletterden. Voor het ontwikkelen hiervan ontvangt Nederland steun van de European Structural Reform Support Service van de Europese Commissie en de OESO. Zo worden ook buitenlandse ervaringen en goede voorbeelden benut. Bij het uitwerken van de verschillende maatregelen wordt niet alleen nauw samengewerkt met gemeenten, maar ook met andere betrokkenen zoals de sociale partners. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Wiersma c.s. over het maken van concrete, meetbare afspraken met gemeenten; de motie van de leden Wiersma en Kuik over specifieke aandacht voor het ondersteunen van het MKB; en de motie van de leden Kuik en Wiersma over specifieke doelstellingen voor sectoren waarin veel laaggeletterdheid voorkomt20.

4. Het Nederlands kwalificatiekader (NLQF)

Uw Kamer heeft verzocht om een reactie op het advies van de Onderwijsraad over het wetsvoorstel NLQF21. Het wetsvoorstel NLQF geeft een wettelijke grondslag aan (de niveaus van) het Nederlands Kwalificatiekader voor de inschaling van kwalificaties. In april jl. is de Onderwijsraad om advies gevraagd over het wetsvoorstel NLQF en de raad heeft vervolgens op 29 mei jl. zijn advies uitgebracht. Naar aanleiding van dit advies heeft de Minister van OCW besloten om dit wetsvoorstel niet fundamenteel te wijzigen. Zo wordt het non-formeel onderwijs binnen de reikwijdte van het wetsvoorstel gehouden en niet daarbuiten geplaatst zoals de Onderwijsraad voorstelt. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel wordt hier nader op ingaan. De verwachting is dat het wetsvoorstel NLQF begin 2020 ter advisering aan de Raad van State kan worden voorgelegd.

5. Alumnibeleid

De motie van het lid Van der Molen22 vraagt om een concrete uitwerking van de vormgeving van alumnibeleid en mbo-APK. Alumnibeleid is een prioritair thema binnen het actieprogramma Leven Lang Ontwikkelen in het mbo van OCW waarover uw Kamer eerder is geïnformeerd.23 In het mbo-veld is in toenemende mate aandacht voor alumnibeleid zichtbaar, mede vanuit de beweging om hun aanbod voor leven lang ontwikkelen uit te breiden. Dit is ook terug te zien in (een groot deel van) de plannen van scholen voor de kwaliteitsafspraken 2019–2022.24 Scholen zijn o.a. bezig met het opzetten van een alumni-volgsysteem, het opzetten van een (digitale) community en het in kaart brengen van de vraag onder alumni voor bij- en omscholing zodat het aanbod op de vraag kan worden afgestemd. Op 17 september jl. hebben mbo-scholentijdens een goedbezochte bijeenkomst met elkaar kennis en ervaring gedeeld over de meerwaarde van alumnibeleid en LLO. De opbrengsten van de bijeenkomst zijn op de website van het Kennispunt MBO Leven Lang Ontwikkelen beschikbaar gesteld.

Ook wordt vanuit de eerder genoemde regeling «Flexibel beroepsonderwijs derde leerweg» het alumnibeleid gestimuleerd; samenwerkingsverbanden van publieke en private scholen kunnen subsidie ontvangen voor het ontwikkelen van beleid gericht op het informeren van alumni over het aanbod van flexibele opleidingstrajecten.

Citaverde College (Zuid Oost Nederland) zet sterk in op alumni. Door nauwe contacten te onderhouden met oud studenten en het regionale bedrijfsleven, zijn er jaarlijks rond de 4.500 deelnemers binnen het LLO. Citaverde ziet alumni als een essentieel middel om tot een passend scholingsaanbod te komen voor LLO, dat aansluit op de behoefte. Zo organiseert men, met ingang van 2019, structureel specifieke activiteiten voor alumni. Elke afgestudeerde kan in contact blijven met de school door zich aan te sluiten bij de community. Naast digitaal contact worden er ook maandelijks bijeenkomsten georganiseerd met een bepaald thema, hier zijn ook andere belangstellenden welkom. Daarnaast wordt een aantal oud-studenten ingezet als gastdocent.

Met de motie Van der Molen c.s. is de regering verzocht om in te gaan op het idee van een mbo-apk. De gedachte hierachter is interessant. Met «loopbaan-apk’s» wordt meestal gedoeld op (digitale) instrumenten gericht op zelfonderzoek in combinatie met één of meerdere loopbaangesprekken. Vanuit de bestuurlijke Ambitie-agenda LOB (2018–2021) wordt ingezet op een 2e-lijnsvoorziening binnen iedere instelling, waar studenten terecht kunnen met specifieke vragen over hun loopbaan. Ook alumni zouden hier in de toekomst baat bij kunnen hebben.

Voorts laat recent onderzoek naar instrumenten voor loopbaanontwikkeling van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en Saxion zien dat er veel verschillende instrumenten zijn voor werkenden en niet-werkenden om zich te oriënteren op hun arbeidsmarktpositie en de ontwikkeling daarvan. Het kabinet zal de samenhang bewaken met het vervolg op de verkenning naar het digitaal scholingsoverzicht en de vormgeving van de adviesfunctie binnen de STAP-regeling.

6. Ondersteuning bedrijfsscholen voor MKB in het mbo

Hieronder wordt u geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek naar bedrijfsscholen, mede met het oog op de motie Wiersma/Van den Hul25 waarin uw Kamer vraagt hoe de beweging naar bedrijfsscholen kan worden ondersteund26. In het onderzoek dat ECBO heeft uitgevoerd27 is uitgegaan van de volgende definitie van een bedrijfsschool:

  • In een bedrijfsschool verzorgt een bedrijf een belangrijk deel van de vakopleiding van nieuw en/of zittend personeel.

  • In een bedrijfsschool wordt opleiden tot een erkend mbo-diploma en dat vraagt derhalve om samenwerken met een bekostigde of niet-bekostigde mbo-instelling. Ook moet de bedrijfsschool zich als zodanig presenteren.

  • Ook moet er sprake zijn van het opleiden van groepen studenten.

Bij de inventarisatie werden 132 bedrijfsscholen in het mbo geïdentificeerd. Deze bevonden zich met name in de technische branches, de branche voedsel, groen en gastvrijheid en in de handel. Volgens een voorzichtige berekening stromen jaarlijks tussen 7.000 en 12.000 mbo-studenten in bij een bedrijfsschool. De totale jaarlijkse instroom in het (bekostigd en niet-bekostigd) mbo is circa 180.000 studenten, waarvan 50.000 in de bbl.

Het onderzoek laat zien dat het werven van nieuw personeel en het binden van zittend personeel de voornaamste reden is waarom bedrijfsscholen worden opgericht. Een andere veel genoemde reden is dat personeel meer bedrijfsspecifiek kan worden opgeleid, waardoor medewerkers sneller inzetbaar zijn dan medewerkers die van een reguliere opleiding komen. Een bedrijfsschool kan daarnaast meer maatwerk en flexibiliteit bieden. Voorts heeft een bedrijf in een bedrijfsschool meer regie op de organisatie van de opleiding.

Voor studenten heeft het volgen van een opleiding aan een bedrijfsschool onder meer het voordeel dat het vaak gaat om kwalitatief hoogwaardige opleidingen met baangarantie. Ook zijn studenten van bedrijfsscholen vaak zeer gewild bij andere bedrijven.

In het onderzoek zijn de volgende nadelen van bedrijfsscholen geïdentificeerd: Bedrijven moeten extra kosten maken voor begeleiding, aanvullende lesstof en/of speciale praktijkruimtes, met het risico dat studenten na de opleiding voor een andere baan kiezen. Ook de conjunctuurgevoeligheid en de verantwoordelijkheid van de bedrijfsschool voor de kwaliteit van de opleiding worden als nadeel gezien. Een nadeel voor studenten is dat de selectieprocedure relatief streng en ondoorzichtig kan zijn. Verder geeft iets meer dan de helft van de in het onderzoek bevraagde bedrijfsscholen aan dat er weinig belemmeringen worden ervaren bij het continueren van de bedrijfsschool en dat er voldoende mogelijkheden zijn voor doorontwikkeling. Een belangrijke aanvulling daarop is dat de Subsidieregeling praktijkleren wordt gezien als een voorwaarde voor het kunnen continueren van de bedrijfsschool. Dit geldt met name voor het mkb.

Het kabinet benadrukt dat bedrijfsscholen een zeer gewaardeerde onderwijsvorm vormen binnen het stelsel. Zo leveren zij in termen van kwaliteit en aansluiting van het onderwijs op de praktijk zeer goede prestaties. Bedrijfsscholen zijn daarmee een welkome aanvulling op voltijdsonderwijs en reguliere bbl-opleidingen. De grote mate van variëteit binnen het huidige stelsel, mede door het bestaan van bedrijfsscholen, is een groot goed. Hierdoor kunnen studenten met verschillende interesses, talenten en achtergronden kiezen wat het beste bij hen past. Het belang van de regeling praktijkleren wordt onderschreven, voor zowel bedrijfsscholen als de reguliere bbl-opleidingen. In dit verband is het ook goed op te merken dat de leden Wiersma c.s. in een motie verzocht hebben om € 48 miljoen structureel in te zetten voor onder meer het stimuleren van een leven lang ontwikkelen in het mkb, waaronder bedrijfsscholen.28 Naar aanleiding van die motie werkt SZW momenteel een subsidieregeling uit, waarover uw Kamer in november wordt geïnformeerd: streven is in november te starten met de internetconsultatie, opdat de regeling in december kan worden gepubliceerd en in 2020 kan worden opengesteld.

Verder wordt in het onderzoek nog gewezen op vraagstukken met betrekking tot de bekostiging. Deze vraagstukken worden meegenomen in de brede verkenning naar een toekomstbestendige bekostiging van het mbo.

7. Verschil tussen mbo-certificaat en mbo-verklaring

Onderwijsinstellingen in het mbo kunnen een mbo-certificaat of een mbo-verklaring verstrekken aan specifieke groepen studenten die de opleiding zonder mbo-diploma verlaten,. Doel van deze maatregelen is dat mensen gemakkelijker aan een (andere) baan komen en/of, op een later moment kunnen instromen in een vervolgopleiding in het mbo. Het is van belang dat voor studenten, scholen en werkveld het verschil en de samenhang tussen de verschillende documenten (mbo-diploma, mbo-certificaat, mbo-verklaring) helder is. Hiertoe is een overzicht beschikbaar gesteld waarin de verschillen worden uitgelegd29. Hierin wordt onder meer beschreven dat een mbo-certificaat alleen wordt uitgereikt als een student het examen heeft behaald van het betreffende onderdeel waaraan een certificaat is verbonden. De mbo-verklaring heeft het karakter van een portfolio. De inhoud verschilt per student en betreft een opsomming van behaalde examens en/of een praktijkverklaring met een positief oordeel beroepspraktijkvorming.

Een mooi voorbeeld van een mbo-certificaat: Op 30 september jl. is het eerste mbo-certificaat bij ROC Mondriaan uitgereikt aan 34 medewerkers van de thuiszorgorganisatie Haagse Wijk- en Woonzorg. De medewerkers haalden al eerder het diploma Helpende zorg en welzijn op niveau 2. Na het behalen van een mbo-certificaat voor een onderdeel van de opleiding Verzorgende IG op niveau 3, is hun inzetbaarheid vergroot.30

Het overzicht is tot stand gekomen in samenwerking met de MBO-raad en SBB en gezamenlijk met hen zal worden gemonitord wat de ervaringen zijn en of vervolgstappen nodig zijn. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van de leden Kuik en El Yassini, die de regering verzoekt om in samenspraak met studenten, mbo-scholen en bedrijfsleven te onderzoeken of het verschil tussen de mbo-verklaring en mbo-certificaat duidelijk genoeg is of dat ze eventueel gebundeld moet worden tot één getuigschrift waarin de meerwaarde voor de arbeidsmarkt duidelijk wordt.31

8. Validering leer- en werkervaring

Validering van leer- werkervaring is een belangrijke impuls om leven lang ontwikkelen te stimuleren en realiseren. In de gewijzigde motie van het lid Wiersma c.s.32 vraagt uw Kamer om de validering van werkervaring te vereenvoudigen, meer bekendheid te geven aan de mogelijkheden op het gebied van validering, de validering te monitoren, en de samenwerking tussen EVC-aanbieders en examencommissies te versterken en verbeteren. In de motie wordt tevens verzocht de onderwijskoepels hierbij te betrekken evenals het lopende onderzoek naar EVC op de arbeidsmarkt. Hieronder beschrijven we hoe deze motie is uitgevoerd.

Inzet vereenvoudiging validering leer- en werkervaring

De ambitie van het kabinet is dat een volwassene die de nodige leer- of werkervaring heeft, de keuze heeft om voor vrijstellingen en verkorting van een opleiding een EVC-procedure te doorlopen bij een EVC-aanbieder, ofwel zich rechtstreeks kan wenden tot een onderwijsinstelling. De ingezette activiteiten gericht op het stimuleren van onderwijsinstellingen om eigen instrumenten in te zetten, worden voortgezet33. Zo werken hogescholen sinds 2016 met de regeling «flexibel hoger onderwijs voor volwassenen» en het experiment leeruitkomsten, met eigen instrumenten voor de validering van werkervaring als integraal onderdeel van het flexibel inrichten van opleidingstrajecten voor volwassenen. De pilotscholen wisselen praktijkvoorbeelden uit en OCW monitort de bevindingen.

Ook in het mbo wordt door het Kennispunt Leven Lang Ontwikkelen gestimuleerd dat scholen eigen instrumenten opstellen voor het valideren van leer- en werkervaring. Zo is in 2018 een handreiking verkorting van opleidingen gepubliceerd34 en worden in conferenties en op de website praktijkvoorbeelden gepresenteerd. Ook wordt met de onlangs gepubliceerde subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs derde leerweg, gestimuleerd dat scholen de validering van leer- en werkervaring verder vormgeven.

Vergroten bekendheid en verbetering samenwerking EVC-aanbieder en onderwijsinstelling

Om in het mbo de samenwerking tussen EVC-aanbieders en examencommissies te verbeteren en de bekendheid van valideringsinstrumenten te vergroten, organiseert OCW, samen met de MBO Raad en Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO), sinds 2016 verschillende landelijke bijeenkomsten. Zo gingen op 21 mei jl. in een conferentie (bezocht door 150 deelnemers) publieke, private mbo-scholen en EVC-aanbieders met elkaar in gesprek en zijn verschillende praktijkvoorbeelden van validering met elkaar uitgewisseld. De opbrengsten van de conferentie zijn op de website van het Kennispunt LLO beschikbaar gesteld. In het voorjaar van 2020, organiseert OCW, met betrokkenheid van de onderwijskoepels en EVC-aanbieders, een vervolgbijeenkomst.

In het hbo heeft OCW, in overleg met de Vereniging Hogescholen (VH) en de NRTO), onderwijsinstellingen verzocht de bekendheid over validering te vergroten door te zorgen voor heldere informatie (op de website en andere communicatiekanalen) en één (digitaal) loket voor vragen rondom validering en EVC per onderwijsinstelling. Volwassenen kunnen dan via het (digitale) loket contact leggen met de examencommissies van opleidingen en/of contactpersonen voor validering van werkervaring. In periodieke overleggen tussen OCW en de onderwijskoepels zal worden gemonitord of de ingezette maatregelen daadwerkelijk leiden tot een toename van mogelijkheden voor volwassenen om hun leer- en werkervaring om te zetten naar een verkorte route richting een diploma.

Versterking EVC op de arbeidsmarkt

Het valideren van leer- en werkervaring is ook van belang bij het zetten van een volgende stap op de arbeidsmarkt. In 2018 is een onderzoek uitgevoerd naar de ervaringen ofwel «klantreis» van werkenden en werkgevers bij het gebruik van EVC op de arbeidsmarkt, om meer inzicht te krijgen in de redenen voor het achterblijvende gebruik35. De uitkomsten van dit onderzoek bevestigen de noodzaak tot verdere vereenvoudiging van het valideren van leer- en werkervaring, het belang van een grotere bekendheid en transparante informatie en dienstverlening. Tegelijkertijd is een ontwikkeling gaande, waarin steeds meer verschillende valideringsinstrumenten in omloop komen, waardoor het voor werkenden en werkgevers alsmaar onoverzichtelijker wordt welk instrument waarvoor geschikt is. Daarom zullen de convenantpartijen uit 201636 – mede op basis van de bevindingen van het onderzoek – de lopende afspraken tussen OCW, SZW, EZK en sociale partners evalueren om in relatie tot deze maatschappelijke ontwikkelingen te komen tot versterking van de validering van eerder verworven competenties. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het creëren van transparantie over de rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende betrokken partijen (overheid, sociale partners en anderen). Ook kwaliteitsborging is een aandachtspunt. Dit mede in relatie tot het STAP-budget. In de conceptregeling is opgenomen dat het STAP budget ook kan worden ingezet voor scholings- en ontwikkelingsactiviteiten waaronder EVC-procedures. Alleen EVC-procedures van goede kwaliteit zullen worden opgenomen in het nog op te zetten scholingsregister van het STAP-budget.

9. Vormgeving experiment vraagfinanciering voor het mbo

Vraagfinanciering kan helpen een doorbraak op leven lang ontwikkelen te realiseren. In het Regeerakkoord staat daarom ook dat het experiment vraagfinanciering in het hoger onderwijs wordt uitgebreid naar het middelbaar beroepsonderwijs. Door vraagfinanciering kunnen volwassenen de beschikbare middelen gericht inzetten voor de scholing die bij hen past. Denk hierbij aan een opleiding die aansluit op wat je al kent en kunt, bij voorkeur aangeboden op de werkplek, met zo nodig digitale ondersteuning en/of contactonderwijs, flexibel in tijd en plaats. Eerder is toegezegd uw Kamer nader te informeren hoe, zo mogelijk binnen de context van het STAP-budget, het experiment vraagfinanciering in het mbo kan worden vormgegeven37.

Het kabinet wil het experiment vormgeven binnen de regeling STAP, waar onder andere de mogelijkheid bestaat om met het STAP-budget mbo-onderwijs te volgen dat is vormgegeven via de zogenaamde derde leerweg38. In de derde leerweg kunnen volwassenen een volwaardige mbo-opleiding volgen, gericht op het behalen van een mbo-diploma, maar ook een deel van de mbo-opleiding, gericht op het behalen van een door OCW erkend mbo-certificaat. Omdat in de derde leerweg geen wettelijke voorschriften voor onderwijstijd en onderwijsduur van toepassing zijn, hebben onderwijsinstellingen meer ruimte voor een flexibel onderwijsaanbod. Daarmee is deze leerweg aantrekkelijk voor volwassenen en bestaat er een gelijk speelveld tussen publiek bekostigde instellingen en private instellingen. Binnen de regeling STAP bestaat de mogelijkheid een meerjarige opleiding te financieren. Meerjarige opleidingen zullen ook voorrang krijgen. De omvang van het STAP-budget kent een maximum van € 1.000 euro per jaar.

Doelstelling van het experiment vraagfinanciering mbo is dat meer volwassenen zich met succes en met plezier gaan bij- of omscholen met behulp van een mbo-opleiding. Het kabinet wil met dit experiment (1) onderzoeken of en hoe vraagfinanciering (met het STAP budget) bijdraagt aan extra deelname van volwassenen het mbo, hun studiesucces en tevredenheid over het mbo-onderwijs en (2) onderzoeken of er aanwijzingen zijn dat vraagfinanciering ertoe bijdraagt dat mbo-instellingen (ongeacht of zij nu een bekostigde of niet-bekostigde mbo-instelling zijn) opleidingen aanbieden die nog beter aansluiten op de vraag van volwassenen.

De MBO Raad, NRTO en VNO-NCW/MKB Nederland kunnen zich vinden in de uitwerking van de vormgeving van het experiment vraagfinanciering mbo binnen de context van de regeling STAP. Deze partijen hebben de oproep gedaan om in de volgende kabinetsperiode met een vorm van leerrechten aan de slag te gaan. FNV en CNV hebben aangegeven tegen een experiment vraagfinanciering te zijn. Ook hebben zij geen voorkeur voor vormgeving binnen het STAP-budget. Het invoeren van een systeem van leerrechten vinden ook zij aantrekkelijker (zie verder onder 10). In dat kader is het belangrijk om op te merken dat de Minister van OCW met de MBO Raad een verkenning uitvoert naar een toekomstbestendige bekostiging van het mbo39. Deze verkenning zal eind 2020 worden afgerond. Omdat ook leven lang ontwikkelen onderdeel is van deze verkenning, wordt NRTO hierbij betrokken voor zover het om leven lang ontwikkelen gaat.

10. Voorstel invoering van leerrechten

In het VAO LLO van 27 juni 2019 is toegezegd een eerste reactie te geven op het voorstel voor de invoering van leerrechten voor het financieren van scholing van volwassen werkenden en werkzoekenden. Ook tijdens het AO Techniekpact van 8 oktober jl. is door uw Kamer gevraagd naar een standpunt op dit voorstel. Het kabinet waardeert dat MBO Raad, NRTO en Stichting van de Arbeid (met sociale partners) er in zijn geslaagd om gezamenlijk een voorstel te ontwikkelen voor het financieren van de scholing van volwassenen.

Het spreken in termen van leerrechten kan mensen mogelijk inspireren gebruik te maken van de mogelijkheden om beschikbare financiering te gebruiken voor deelname aan scholing en opleiding. Het voorstel is een interessante bijdrage aan de discussie over een toekomstbestendige wijze van financiering van de scholing van volwassen werkenden en werkzoekenden.

Wel is het kabinet van mening dat in het voorstel voor leerrechten enkele aandachtspunten zijn die nader bekeken moeten worden, zoals de verhouding tussen een systeem met leerrechten en reguliere publieke bekostiging van het formele onderwijs (in relatie tot toegankelijkheid en effecten op deelname en diplomering), het type onderwijs waar de leerrechten voor kunnen worden benut, de kosten voor de overheid, de effecten op verdringing van private investeringen (dead weight loss), de timing van de initiële investeringen en het tempo waarin de baten van leerrechten zich manifesteren.

Daarom zal het voorstel de komende maanden worden betrokken bij diverse lopende trajecten, zoals het doordenken van een toekomstbestendige bekostiging van het formeel hoger onderwijs voor volwassenen, in het verlengde van het advies van de commissie Van Rijn. Hier wordt eind dit jaar op teruggekomen in de strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek. Het voorstel voor leerrechten wordt daarnaast ook betrokken bij de eerder genoemde verkenning naar de toekomstige bekostiging van het mbo. Verder wordt in het kader van de brede maatschappelijke heroverwegingen «talenten benutten op de arbeidsmarkt» ook gekeken naar alternatieven voor de huidige bekostiging van diplomagerichte trajecten voor volwassenen. Op verzoek van de MBO Raad, NRTO en VNO-NCW/MKB Nederland zal hierbij ook het concept van leerrechten worden betrokken.

Het kabinet zal een definitief standpunt op het voorstel van leerrechten voor de zomer van 2020 innemen, zodat ook de analyse van de brede maatschappelijke heroverweging «talenten benutten op de arbeidsmarkt» hierbij kan worden betrokken.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstuk 30 012, nr. 92.

X Noot
2

Kamerstuk 30 012, nr. 110.

X Noot
3

Dit is een uitwerking van een afspraak in het Regeerakkoord om de fiscale regeling aftrek van scholingsuitgaven te vervangen door een individuele leerrekening.

X Noot
4

De afkorting staat voor STimulans ArbeidsmarktPositie. De concept-regeling is 20 september jl. per brief aan de Kamer toegestuurd. Dit in verband met de relatie tot het Belastingplanpakket 2020.

X Noot
5

N.a.v. de motie van het lid Wiersma c.s., Kamerstuk 35 074, nr. 45 en motie van het lid Heerma c.s. Kamerstuk 35 074, nr. 50.

X Noot
6

Tijdens het AO (Kamerstuk 30 012, nr. 119) en VAO LLO van juni 2019 (Handelingen II 2018/19, nr. 99, item 4) hebben wij toegezegd de Kamer na de zomer te informeren over de voortgang op dit terrein.

X Noot
7

Kamerstuk 35 074, nr. 45 en Kamerstuk 35 074, nr. 50.

X Noot
8

De vervolgstappen van de verkenning naar de haalbaarheid van een digitaal scholingsoverzicht, een verslag van een onderzoek naar de fiscale behandeling van private individuele leerbudgetten naar aanleiding van motie van het lid Van Weyenberg c.s.: Kamerstuk 35 000 XV, nr. 59 en moties en toezeggingen die nog open staan: Kamerstuk 30 012, nrs. 113, 114, 116, 117 en 118.

X Noot
9

Kamerstuk 30 012, nr. 98.

X Noot
10

Kamerstuk 29 544, nr. 952.

X Noot
11

Kamerstuk 28 760, nrs. 95, 88 en 89.

X Noot
12

Kamerstuk 30 012, nr. 106.

X Noot
13

Kamerstuk 30 012, nr. 102.

X Noot
14

Kamerstuk 31 524, nr. 385.

X Noot
15

Kamerstuk 30 112, nr. 108.

X Noot
16

Kamerstuk 30 012, nr. 111.

X Noot
18

De derde leerweg wordt niet door OCW bekostigd. Zowel bekostigde als niet-bekostigde mbo-scholen kunnen een mbo-opleiding in de derde leerweg uitvoeren.

X Noot
20

Kamerstuk 28 760, nrs. 95, 88 en 89.

X Noot
22

Kamerstuk 30 012, nr. 106

X Noot
23

Kamerstuk 30 012, nrs. 92 en 111.

X Noot
25

Kamerstuk 30 012, nr. 102.

X Noot
26

Tevens is bij de Begrotingsbehandeling SZW najaar 2018 een toezegging gedaan aan lid Wiersma (VVD) om bij dit onderzoek ook te kijken naar de regiofunctie van bedrijfsscholen, met name hoe mkb personeel kan worden geschoold bij bedrijfsscholen in de regio. Met het onderzoek is deze toezegging afgedaan. (Handelingen II 2018/19, nr. 30, items 4, 5, 7 en 8.

X Noot
27

Expertisecentrum beroepsonderwijs (ECBO), 26 juli 2019; Een eerste verkenning, Bedrijfsscholen voor mbo-opleidingen, Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
28

Kamerstuk 35 074, nr. 45.

X Noot
31

Kamerstuk 31 524, nr. 385.

X Noot
32

Kamerstuk 30 012, nr. 108.

X Noot
33

Kamerstuk 30 012, nrs. 93 en 111.

X Noot
34

Kamerstuk 30 012, nr. 111.

X Noot
37

Kamerstuk 31 288, nr. 738.

X Noot
38

Een mbo-opleiding kan gevolgd worden in de beroepsopleidende leerweg (BOL) de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) of in de derde leerweg (OVO). Zowel bekostigde als niet-bekostigde mbo-instellingen kunnen een mbo-opleiding in de derde leerweg uitvoeren. Anders dan BOL of BBL wordt de derde leerweg niet door OCW bekostigd.

X Noot
39

Bestuursakkoord OCW-MBO Raad 2018 – 2022: Trots, vertrouwen en lef.