Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201129911 nr. 52

29 911 Bestrijding georganiseerde criminaliteit

Nr. 52 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2011

Tijdens het algemeen overleg Financieel Economische Criminaliteit (FINEC) en Georganiseerde criminaliteit dat op 27 april 2011 plaats had (kamerstuk 29 911, nr. 50), heb ik aan uw Kamer toegezegd schriftelijk te zullen reageren op de notitie «Bedrog bij bankroet» van het lid Gesthuizen van de SP. Met deze brief doe ik deze toezegging gestand.

1. Inleiding

Het nemen van risico maakt inherent onderdeel uit van het vrije ondernemersklimaat zoals wij dit in Nederland kennen. Uit genomen risico’s vloeien successen, maar ook mislukkingen voort. Wanneer een onderneming onherstelbare betalingsproblemen heeft, kan een faillissement worden aangevraagd. Het faillissement is een procedure waarin de resterende baten over de schuldeisers worden verdeeld en de vennootschap wordt ontbonden. Het faillissement is bedoeld om een einde te maken aan financiële onmacht en om een nieuw begin met een schone lei mogelijk te maken. In de meeste faillissementen wordt rechtmatig gehandeld. In sommige gevallen wordt de mogelijkheid van faillissement echter misbruikt om financieel gewin te behalen. In dergelijke gevallen wordt gesproken van faillissementsfraude. Schattingen over in hoeveel gevallen hier sprake van is, lopen uiteen. Er bestaan twee hoofdverschijningsvormen van faillissementsfraude. Onderscheid kan worden gemaakt tussen gelegenheidsfraudeurs, die wederrechtelijk voordeel trachten te halen uit een niet vooropgezet faillissement en beroepsfraudeurs, waarvoor het faillissement een doelbewust instrument is om op onrechtmatige wijze vermogen aan de boedel te onttrekken.

Terwijl de mogelijkheid om faillissement aan te vragen een onmisbaar instrument is binnen het economische stelsel, is fraude bij faillissementen een vorm van criminaliteit die datzelfde stelsel ondermijnt. Het kabinet wil dat malafide ondernemers die profiteren van faillissementen worden gestopt. Van wezenlijk belang voor het bedrijfsleven, voor werknemers en voor de belastingbetaler, is dat bij faillissementen zoveel mogelijk middelen in de boedel blijven. Uit de boedel kunnen immers schuldeisers, waaronder leveranciers en de Belastingdienst, betaald worden en worden voormalige werknemers van failliete ondernemingen betaald voor geleverde arbeid. Als fraudeurs er in slagen middelen aan de boedel van failliete rechtspersonen te onttrekken, zijn het deze partijen die hun geld mislopen en daardoor slachtoffer worden.

De notitie «Bedrog bij bankroet» van het lid Gesthuizen bevat voorstellen ten aanzien van de inzet van capaciteit bij de opsporing, het uitwisselen van relevante informatie tussen betrokken instanties, het stimuleren en faciliteren van faillissementscuratoren om signalen af te geven over faillissementsfraude, bestuursverboden en het afnemen van onrechtmatig verkregen voordeel.

Eerder heb ik aangegeven (TK nr. 1230, vergaderjaar 2010–2011) dat de afgelopen jaren is geinvesteerd in de aanpak van faillissementsfraude, onder andere door de opbouw van expertise bij het Openbaar Ministerie en de politie. Verdere verbetering is mogelijk en nodig onder andere op het punt van informatie-uitwisseling en de samenwerking tussen de betrokken organisaties. De drempels voor samenwerking en het delen van informatie tussen verschillende betrokken partijen kunnen worden verlaagd. Curatoren kunnen meer worden gestimuleerd om signalen af te geven over onrechtmatigheden en het aangifte- en meldingenproces kan worden verbeterd.

In de aanpak van verschillende organisaties in de opsporing kan meer samenhang worden aangebracht. De politie, de Fiscale Inlichtingen- Opsporingsdienst (FIOD) en het Openbaar Ministerie behandelen zaken op het gebied van faillissementsfraude, maar de focus op faillissementsfraude kan sterker en er is ruimte voor verbetering in de inrichting en aansturing van de opsporing op dit terrein.

In het vervolg van deze brief beschrijf ik wat vanuit het specifieke beleidsterrein van Veiligheid en Justitie de bijdrage kan zijn aan het geheel van een geïntegreerde aanpak. Hierbij licht ik toe wat onder een geïntegreerde aanpak wordt verstaan (paragraaf 2). Daarna zet ik uiteen welke versterking ik voor ogen heb in de aanpak op het gebied van preventie, toezicht en civielrechtelijke instrumenten (paragraaf 3). Tot slot ga ik in de brief in op de strafrechtelijke handhaving (paragraaf 4).

2. Geïntegreerde aanpak

In de Beleidsbrief voor de BOD-en (TK nr. 32 715, nr. 1 vergaderjaar 2010–2011) heb ik de Kamer aangegeven dat dit kabinet bij de bestrijding van criminaliteit en in het beperken van de manoeuvreerruimte van criminelen inzet op een geïntegreerde aanpak. Er dient aandacht te zijn voor zowel preventie, toezicht als voor bestuurlijke- en strafrechtelijke handhaving. Voorwaarde voor een effectieve inzet van deze combinatie van verschillende instrumenten is een goede samenwerking tussen alle betrokken organisaties. Iedere partner vormt een onmisbare schakel in de keten en partijen stemmen de aanpak met elkaar af, zodat optimaal gebruik wordt gemaakt van elkaars capaciteit, informatie, deskundigheid en bevoegdheden.

Fraudestrategie

Om de bestrijding van faillissementsfraude zo effectief mogelijk te organiseren is het essentieel dat duidelijk is hoe de verantwoordelijkheden onder de betrokkenen zijn verdeeld en welke verwachtingen op basis van deze verantwoordelijkheden kunnen worden waargemaakt.

In de aanpak van fraude wil het kabinet toewerken naar een coherente strategie die wordt uitgewerkt en toegepast, in nauwe samenwerking met bestaande publieke en private initiatieven. Hiervoor is een beleidskader ontwikkeld aan de hand waarvan taken en verantwoordelijkheden helder worden gemaakt en een gerichte keuze kan worden gemaakt voor de te volgen interventiestrategie. Het fraudekader is vormgegeven aan de hand van twee dimensies, te weten: gelegenheidsbeperking en de impact op de samenleving. Door deze uitgangspunten in een afwegingskader te plaatsen kan zichtbaar worden gemaakt welke interventie het meest effectief zal zijn. Inzet van het strafrecht zal in principe alleen aan de orde zijn wanneer de opgeworpen barrières adequaat zijn en de impact op de samenleving groot. In een dergelijke strategie voor faillissementsfraude kunnen tevens afspraken worden opgenomen met betrokken partijen, waaronder het bedrijfsleven, INSOLAD, de Nederlandse Vereniging van Insolventierechtadvocaten, en RECOFA, het landelijk overlegorgaan van rechters-commissarissen in faillissementen en surseances van betaling.

Figuur 1.1. Fraudekader; De geïntegreerde aanpak vormt een geheel van maatregelen op het gebied van preventie, toezicht, civielrechtelijke, bestuurlijke en strafrechtelijke aanpak.

Figuur 1.1. Fraudekader; De geïntegreerde aanpak vormt een geheel van maatregelen op het gebied van preventie, toezicht, civielrechtelijke, bestuurlijke en strafrechtelijke aanpak.

3. Preventie, toezicht en civielrechtelijke instrumenten

Faillissementsfraude kan het meest effectief worden bestreden door preventie, hierbij staat de civielrechtelijke aanpak voorop.

In deze paragraaf licht ik toe hoe ik daar vanuit mijn rol als minister van Veiligheid en Justitie een bijdrage aan lever. In de notitie van lid Gesthuizen wordt in dit verband ingegaan op het uitwisselen van relevante informatie tussen betrokken instanties, het stimuleren van curatoren om signalen van misstanden te onderzoeken en het ontrekken van fraudeurs aan het handelsverkeer om fraude te voorkomen.

Herziening van het toezicht op rechtspersonen

Faillissementsfraude kan plaats vinden door misbruik van rechtspersonen. Om dit misbruik tegen te gaan, zal de Wet controle op rechtspersonen in werking treden. Daarmee start een nieuwe wijze van toezicht op rechtspersonen op 1 juli 2011. De nieuwe wijze van toezicht maakt het mogelijk dat op relevante levensloopmomenten van een rechtspersoon een screening wordt uitgevoerd door de Dienst Justis van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Ook stichtingen en buitenlandse bedrijven worden meegenomen in het nieuwe toezicht. Door de Dienst Justis van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is een nieuw werkproces en een ondersteunend systeem gerealiseerd op grond waarvan het – kort samengevat – mogelijk wordt om grote hoeveelheden informatie over rechtspersonen automatisch en in samenhang te bekijken en daarmee rechtspersonen doorlopend te screenen. De screening zal bestaan uit een automatische analyse en een nadere analyse. Als uit de aanvullende analyse blijkt dat er inderdaad een verhoogd risico is op misbruik van rechtspersonen, verstuurt de Dienst Justis een risicomelding aan relevante organisaties zoals de Belastingdienst, Politie, de bijzondere opsporingsdiensten, AFM, DNB, Arbeidsinspectie en het OM. Juist de gepresenteerde samenhang van gegevens biedt de instanties met een publiekrechtelijke taak die de risicomeldingen gaan ontvangen, de mogelijkheid om het misbruik van rechtspersonen aan te pakken. De afnemers gaan op zoek naar de juiste mix van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen om het misbruik van rechtspersonen aan te pakken en te voorkomen.

De doorlopende controle van rechtspersonen draagt op deze manier bij aan een effectievere en efficiëntere bestrijding en voorkoming van financieel-economische criminaliteit en faillissementsfraude en levert daarmee een positieve bijdrage aan het Nederlandse ondernemingsklimaat.

Garantstelling faillissementscuratoren

Om het belang van werknemers, schuldeisers en andere mogelijke gedupeerden van faillissementsfraude te dienen, wil het kabinet het zo eenvoudig en aantrekkelijk mogelijk maken voor de curator om onderzoek te verrichten naar mogelijk onbehoorlijk bestuur. Met het oog daarop wordt de Garantstellingsregeling Curatoren 2005 dit jaar herzien. Deze regeling heeft tot doel de faillissementscurator in staat te stellen een rechtsvordering in te stellen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid of faillissementspauliana of een onderzoek daarnaar in te stellen, indien hij een lege boedel aantreft. Doordat de overheid garant staat voor de kosten van de curator, kan de curator onder meer de bestuurder die zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en waarbij die onbehoorlijke taakvervulling tot een faillissement heeft geleid, aansprakelijk stellen. De regeling heeft van 1987 tot heden € 4.6 miljoen gekost. Daar staat tegenover dat de regeling ertoe heeft geleid dat € 28,4 miljoen euro door de curatoren is teruggeleid naar de boedel ten gunste van schuldeisers van failliete ondernemingen. Daarnaast is een stijging waar te nemen in het aantal nieuwe aanvragen. Terwijl het aantal nieuwe aanvragen in 2005 nog 74 bedroeg, werden er in 2010, 159 nieuwe aanvragen ingediend. De Garantstellingsregeling werpt zijn vruchten af. Tegelijkertijd zie ik mogelijkheden om de regeling te verbeteren. Ten eerste wordt de toegankelijkheid van de regeling vergroot door extra middelen ter beschikking te stellen binnen de financiële kaders die hiervoor zijn gesteld in de begroting en ten tweede worden de administratieve lasten teruggedrongen. Zo zal ik onder andere de mogelijkheid bezien om bepaalde kosten die reeds zijn gemaakt vóór de aanvraag voor een garantstelling is ingediend, onder de reikwijdte van de garantie te brengen. Daarnaast zal ik in overleg met de Nederlandse Vereniging van Insolventierechtadvocaten aandacht besteden aan het zo gebruiksvriendelijk mogelijk maken van de regeling.

Preventie en bewustwording

Een bestuurder die in ernstige mate zijn verplichtingen als bestuurder heeft geschonden, kan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, naast andere sancties, een strafrechtelijk bestuursverbod opgelegd krijgen. Met een dergelijk verbod kunnen bestuurders van rechtspersonen voor bepaalde tijd het recht worden ontzegd direct of indirect invloed uit te oefenen op het beleid van een rechtspersoon. Het bestuursverbod is voornamelijk gericht op preventie van faillissementsfraude door de aanpak van systematische faillissementsfraudeurs. Deze fraudeurs worden de mogelijkheid ontnomen ondernemingen te besturen, zodat ze geen faillissementsfraude meer kunnen plegen. Momenteel wordt ook de mogelijkheid bezien om te komen tot een civielrechtelijk bestuursverbod, waardoor in gevallen waarin geen strafzaak wordt gestart maar waarin wel sprake is van ernstig misbruik of wanbeheer, snel kan worden ingegrepen door de civiele rechter.

Bij een geïntegreerde aanpak van faillissementen speelt het bedrijfsleven een belangrijke rol. Bedrijven kunnen bijvoorbeeld controleren of de partijen waar zij handel mee drijven bekend staan als onbetrouwbare partij om te voorkomen dat zij slachtoffer worden van faillissementsfraude. Branche- en koepelorganisaties kunnen een belangrijke rol spelen om bedrijven hierin te stimuleren. Het Centraal Insolventieregister, raadpleegbaar via Rechtspraak.nl bevat de gegevens van faillissementen, surseances van betaling en schuldsaneringen van natuurlijke personen die in de lokale registers bij de verschillende rechtbanken worden bijgehouden.

Om het fraudebewustzijn te versterken en academische kennis over faillissementsfraude te vergroten, draagt het ministerie van Veiligheid en Justitie sinds 2011 bij aan de financiering van een leerstoel Faillissementsfraude die door de Universiteit van Nijmegen is ingesteld. Door dit soort initiatieven en door met de betrokken partijen in gesprek te blijven wordt continu nagedacht over nieuwe maatregelen en instrumenten die kunnen bijdragen aan de bemoeilijking van faillissementsfraude.

4. Gerichte inzet van het strafrecht

Tijdens het Algemeen Overleg Financieel Economische en Georganiseerde Criminaliteit van 27 april 2011 en in de notitie «Bedrog bij bankroet» van het lid Gesthuizen zijn suggesties gedaan voor een effectieve inzet van het strafrecht in de bestrijding van faillissementsfraude. In deze paragraaf informeer ik uw Kamer nader over de strafrechtelijke aanpak van faillissementsfraude en maatregelen die ik neem op het gebied van prioriteitstelling, sturing en inrichting van de opsporing.

Uitgangspunt voor de inzet van het strafrecht binnen de geïntegreerde aanpak is dat het een beperkte, complementaire rol heeft naast preventieve en civielrechtelijke instrumenten. In de regel wordt er pas voor het strafrecht gekozen indien preventie en toezicht niet doeltreffend blijken of indien de ernst van de fraude een strafrechtelijke aanpak vergt.

Verdere versterking van de aanpak van financieel economische criminaliteit

De aanpak van financieel economische criminaliteit is de afgelopen jaren aanzienlijk versterkt. Naast een flinke vergroting van de capaciteit is vorm gegeven aan een gezamenlijke, geïntegreerde aanpak. Voor fraudebestrijding heeft dit significante verbeteringen tot gevolg gehad in de inrichting, capaciteit en expertise bij de Politie, de FIOD en het Openbaar Ministerie. Dit is een goede ontwikkeling die door dit kabinet met kracht wordt voortgezet. In de landelijke prioriteiten (TK nr. 29 628, nr. 237 vergaderjaar 2010–2011) van de politie vormt ondermijnende criminaliteit één van de nationale prioriteiten van de politie. De aanpak van faillissementsfraude maakt daar nadrukkelijk onderdeel van uit. Bij de inrichting van de Nationale Politie wordt de opsporingscapaciteit op het gebied van financieel economische criminaliteit verder versterkt. De politie trekt professionals aan met de juiste achtergrond om fraude en andere vormen van financieel economisch criminaliteit tegen te gaan. Dit waarborgt dat de politie over de juiste kennis en deskundigheid beschikt – en daarover blijft beschikken – om faillissementsfraude op te sporen en aan te pakken.

Verbetering van het meldingen- en aangifteproces

In veel gevallen is de curator bij faillissementen degene die misstanden signaleert. Cruciaal is in dergelijke gevallen dat de curator melding maakt van signalen van (mogelijke) fraude. Op basis van deze signalen kan eventueel opsporing en vervolging plaats vinden. Om het doen van aangiften en het maken van meldingen te vereenvoudigen maken politie, FIOD en Openbaar Ministerie afspraken de bestaande fraudemeldpunten door te ontwikkelen naar één centraal meldpunt voor faillissementsfraude. Daarnaast streven het Openbaar Ministerie, de politie en de FIOD ernaar dit najaar met de vereniging van faillissementscuratoren, INSOLAD, afspraken te maken over meldingen. Uitgangspunt hierbij is dat curatoren bij vermoeden van fraude in beginsel uitsluitend op eenvoudige en snelle wijze melding maken bij het centrale meldpunt. Op basis van deze voor curatoren eenvoudiger en minder tijdrovende meldingen zullen politie en Openbaar Ministerie afwegen in welke gevallen het doen van aangifte zinvol is. Hierin worden curatoren in dergelijke gevallen ondersteund.

Terugkoppeling bij meldingen en aangiften

Wanneer er in ernstige gevallen over wordt gegaan tot het doen van aangifte is het voor personen die aangifte doen, veelal curatoren, en voor slachtoffers van faillissementsfraude belangrijk dat zij op de hoogte worden gehouden van wat er met de aangifte wordt gedaan en eventueel van het verloop van het betreffende opsporingsonderzoek. Een situatie waarin duidelijkheid is over wat er met aangiften en meldingen gebeurt, draagt er aan bij dat personen die misstanden signaleren eerder geneigd zijn de verantwoordelijkheid te nemen om deze signalen te delen. De politie, FIOD en Openbaar Ministerie streven ernaar nog dit najaar afspraken te maken met curatoren over de terugkoppeling van wat er met meldingen en aangiften is of wordt gedaan.

Verbetering van de informatiepositie

Door de inrichting van het eerder genoemde centrale meldpunt voor faillissementsfraude kunnen meldingen worden samengevoegd en geanalyseerd. Hierdoor ontstaat een landelijk beeld en wordt intelligence rondom faillissementsfraude inzichtelijker. Het Openbaar Ministerie laat daarnaast de dienst IPOL een actuele Criminaliteitsbeeldanalyse (CBA) opstellen over de aard en omvang van faillissementsfraude. Door de Politieacademie is een kenniskring faillissementsfraude opgezet die samenkomt met het doel kennis over faillissementsfraude te vergroten en te verspreiden onder betrokken partijen. Op basis van een verbeterde informatiepositie kan de opsporing met actuele kennis van zaken zo gericht mogelijk worden ingezet.

Inzet van de opsporing

Bij de bestrijding van faillissementsfraude geldt – zoals ook voor andere vormen van fraude – dat er keuzes gemaakt moeten worden over de inzet van capaciteit. Beperkte middelen dienen slim te worden ingezet om zo een optimaal rendement te behalen. Het strafrecht zal met de juiste focus, gericht worden ingezet. In de opsporing van faillissementsfraude spelen de politie en de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) een hoofdrol. De Aanwijzing Opsporing en Vervolging Faillissementsfraude, die op 1 maart 2009 in werking is getreden, maakt onderscheid tussen eenvoudige, lichte zaken en complexe, zware zaken. De eenvoudige categorie komt in aanmerking voor opsporing door de regiopolitie. De meer complexe categorie komt in aanmerking voor opsporing primair door de FIOD en daarnaast de politie. Om te komen tot een versterking van de aanpak van faillissementsfraude maken het Openbaar Ministerie, de politie en de FIOD voor het einde van dit jaar afspraken waarin deze rolverdeling verder wordt geconcretiseerd en waarin verantwoordelijkheden worden vastgelegd. De opsporing richt zich op die zaken die ertoe doen.

Doeltreffende aanpak van relatief eenvoudige faillissementsfraudezaken

Relatief eenvoudige zaken hebben als kenmerk onder meer het ontbreken van administratie, het niet uitleveren van de bedrijfsadministratie aan de curator en/of het onttrekken van activabestanddelen aan de boedel. Voor de aanpak van dit soort faillissementsfraudezaken maken de politie en het Openbaar Ministerie afspraken om te komen tot een gestandaardiseerde aanpak, gebaseerd op ervaringen met de «korte klap-methode». Hierbij worden gelegenheidsfraudeurs met een kortere doorloopperiode en met inzet van minder capaciteit dan bij de tot op heden gebruikelijke aanpak vervolgd. Deze aanpak wordt landelijk uitgerold om meer faillissementsfraudezaken aan te pakken.

Bestrijding van complexe faillissementsfraude

Naast gelegenheidsfraudeurs is er ook een groep beroepsfraudeurs die gebruik maakt van onder andere katvangers en complexe constructies. Op dit soort zware zaken richt de FIOD zich. Het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie en de FIOD hebben een handhavingsarangement waarin prioritaire thema’s benoemd zijn en de werkwijze voor een effectieve aanpak is opgenomen. De deskundigheid van het FP en FIOD richt zich op zaken met een grote maatschappelijke impact. Deze zaken worden, conform de Aanwijzing opsporing en vervolging faillissementsfraude van het Openbaar Ministerie, geselecteerd op basis van de hoogte van het fraudebedrag, de mate van misbruik van rechtspersonen, de aanwezigheid van ondoorzichtige eigendomsverhoudingen of bestuurdersrelaties of het gebruik van een stroman, een georganiseerd verband, een relatie met andere vermogensdelicten, de branche waarin de fraude speelt en de persoon van de verdachte(n).

De voorbeeldfunctie en normbevestigende werking van de aanpak van dit soort zaken is van groot maatschappelijk belang. De aanpak hiervan vergt veel capaciteit en vereist bijzondere financiële kennis. In dat verband streeft de FIOD ernaar om (ten opzichte van voorgaande jaren) een veelvoud aan opsporingsuren in te zetten op het doen van onderzoeken naar faillissementsfraude.

5. Concluderend

De voorstellen die het lid Gesthuizen doet, vertonen op veel punten overeenkomsten met de ontwikkelingen en huidige plannen voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit, waaronder faillissementsfraude, verder te versterken. De afgelopen jaren is de aanpak van financieel-economische criminaliteit versterkt. Naast een flinke vergroting van de capaciteit is vorm gegeven aan een gezamenlijke geïntegreerde aanpak. Voor fraudebestrijding heeft dit significante verbeteringen tot gevolg gehad in de inrichting, capaciteit en expertise bij de Politie, de FIOD en het Openbaar Ministerie. Dit is een goede ontwikkeling die door dit kabinet met kracht wordt voortgezet. Om de bestrijding van faillissementsfraude verder te versterken wordt een combinatie van verschillende instrumenten en maatregelen ingezet die elkaar aanvullen en versterken. Hierbij is er aandacht voor preventie, toezicht, civielrechtelijke instrumenten en strafrechtelijke handhaving. Op het terrein van preventie, toezicht en civielrechtelijke instrumenten gaat ondermeer een nieuw systeem van start voor het toezicht op rechtspersonen en wordt de Garantstellingsregeling Faillissementscuratoren uitgebreid en toegankelijker gemaakt. Daarnaast wordt gewerkt aan bewustwording en verspreiding van kennis en worden nieuwe preventieve instrumenten – naast het inmiddels bestaande strafrechtelijk bestuursverbod – ingericht. Op het terrein van het strafrecht wordt de samenwerking met curatoren verbeterd. Een centraal meldpunt faillissementsfraude wordt ingericht. Afspraken worden gemaakt met de Vereniging van Faillissementscuratoren om in beginsel uitsluitend op een voor de curatoren eenvoudige wijze melding te maken en alleen in relevante gevallen worden aangiften opgenomen. Bovendien wordt de terugkoppeling verbeterd naar degene die melding maakt of aangifte doet. De informatiepositie voor de opsporing en preventie wordt verbeterd door de uitvoering van een Criminaliteitsbeeldanalyse faillissementsfraude. De politie en het Openbaar Ministerie werken aan een landelijke uitrol van een gestandaardiseerde aanpak van relatief eenvoudige faillissementsfraudezaken met het streven meer van dit soort zaken aan te pakken. Tot slot zet de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst in samenwerking met het Openbaar Ministerie significant meer uren in voor de opsporing van complexe zaken. Bij het aanbrengen van verbeteringen in de aanpak van faillissementsfraude heb ik aangegeven dat faillissementsfraude een typisch ketenprobleem is, dat alleen adequaat kan worden aangepakt als alle betrokken partijen samenwerken. Voor een doeltreffende aanpak zijn de overheid en private partijen wederzijds afhankelijk van elkaar. Een geïntegreerde aanpak voorziet in een combinatie van verschillende instrumenten die elkaar aanvullen en versterken, waarbij er aandacht is voor zowel preventie, toezicht, civielrechtelijke instrumenten en strafrechtelijke handhaving.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten