Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201729754 nr. 403

29 754 Terrorismebestrijding

Nr. 403 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 oktober 2016

In het Algemeen Overleg van 7 september jl. (Kamerstukken 29 754 en 27 925, nr. 396) heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over financieel rechercheren, mogelijke belemmeringen rondom artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering, over de voortgang van de gesprekken met het OM aangaande het bezien van de mogelijke strafbaarstelling van verblijf op terroristisch grondgebied.

Daarnaast heb ik toegezegd in het Algemeen Overleg van 7 september jl. om per brief nader in te gaan op de vraag van het lid Recourt (PvdA) of de overheid de bevoegdheid heeft om bijvoorbeeld via bestuursdwang tegen civiele bedrijven te zeggen dat zij hun beveiliging op orde moeten hebben en dat wij het anders op hun kosten zelf doen. Voorts is tevens de vraag van lid Recourt of de overheid kan ingrijpen bij bedrijven die essentieel zijn voor de veiligheid van Nederland.

Aanpak financiële recherche

De huidige regelgeving met betrekking tot de bijzondere opsporingsbevoegdheden stelselmatige inwinning van informatie (SI) en infiltratie schrijft voor dat opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten (BOD-en) en de Koninklijke Marechaussee (Kmar) deze bevoegdheden niet zelfstandig mogen uitoefenen (artikelen 126h en 126j WvSv). In het wetsvoorstel bijzondere procedures strafvordering wordt voorgesteld dat de opsporingsambtenaren van de BOD-en en de Kmar deze bevoegdheden zelfstandig mogen uitoefenen, waarbij wel sprake zal zijn van een nauwe verbinding tussen de organisaties die betrokken zijn bij de uitoefening van SI en infiltratie, waaronder ook de nationale politie. Een van de redenen hiertoe is dat de rol van de BOD-en en de Kmar in het opsporingsbestel de laatste jaren aanmerkelijk is toegenomen. De diensten richten zich steeds vaker op complexe en langdurige strafrechtelijke onderzoeken met diverse criminaliteitsvormen en een omvangrijke maatschappelijke impact. Daartoe is het van belang dat zij de genoemde bevoegdheden zelfstandig kunnen uitoefenen. Daarnaast speelt het probleem van het onderzoek op internet. Indien het onderzoek op internet leidt tot een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene, geschiedt dit onderzoek op grond van een bevel van de officier van justitie tot stelselmatige inwinning van informatie. Naar de letter van de wet mogen de BOD-en en de Kmar dit soort onderzoek, dat veelvuldig voorkomt in hun praktijk, niet zelfstandig uitoefenen. De wijziging van artikel 126j komt ook aan dit probleem tegemoet. Het wetsvoorstel bijzondere procedures strafvordering is thans in voorbereiding.

Strafbaarstelling van verblijf in een door een terroristische organisatie gecontroleerd gebied

Naar aanleiding van de motie van de leden Zijlstra (VVD), Van Haersma Buma (CDA) en Van der Staaij (SGP) (Kamerstukken 29 754 en 27 925, nr. 382) waarin voor een gebiedstrafbaarstelling werd gepleit, ben ik in overleg getreden met het openbaar ministerie over de toegevoerde waarde van een strafbaarstelling als bedoeld in de motie. Het openbaar ministerie bevestigde dat het huidige strafrechtelijke kader in beginsel de mogelijkheid geeft om terugkeerders aan te houden en waar aangewezen te vervolgen. Het openbaar ministerie zag op een ander punt wel meerwaarde: de strafbaarstelling zoals voorgesteld in de motie zou een aanvulling kunnen vormen op het bestaande strafrechtelijke instrumentarium in de zin van een vangnet in die gevallen waarin de terroristische intentie van de betrokken terugkeerder uiteindelijk bij de rechter niet kan worden bewezen (Kamerstukken 29 754 en 27 925, nr. 384).

Naar aanleiding daarvan heb ik besloten de mogelijkheden om te komen tot een strafbaarstelling van verblijf in een door een terroristische organisatie gecontroleerd gebied verder te onderzoeken. Dit heeft inmiddels geleid tot een delictsomschrijving die zal worden opgenomen in het wetsvoorstel tot wijziging van de regeling van voorlopige hechtenis in geval van terroristische misdrijven, dat ik eerder reeds heb aangekondigd (Kamerstukken 29 754, nr. 394). Ik ben voornemens het wetsvoorstel op korte termijn in consultatie te brengen, met het streven om het wetsvoorstel nog voor het einde van dit jaar bij uw Kamer in te dienen.

Bevoegdheden inzake cybersecurity

Tijdens het Algemeen Overleg Terrorismebestrijding ben ik ingegaan op het op 7 september 2016 aan uw Kamer aangeboden Cybersecuritybeeld Nederland 2016 (CSBN 2016).1 Het CSBN 2016 schetst een zorgelijk beeld van de veiligheidssituatie in het digitale domein. De dreigingen richten zich op diefstal en commercieel gewin, maar ook op de ondermijning van politiek en bestuur en het verstoren of saboteren van diensten en processen waarvan overheden en de samenleving afhankelijk zijn. Ik hecht eraan om daarbij te vermelden dat thans de voornaamste digitale dreigingen tegen de nationale veiligheid uitgaan van statelijke actoren en criminelen. Van terroristen is op digitaal gebied nog geen concrete dreiging tegen de nationale veiligheid waargenomen. Deze ontwikkeling en het geschetste dreigingsbeeld vragen om blijvende investeringen in cybersecurity en een doorontwikkeling van de Nederlandse cybersecurityaanpak. Hierover is de Kamer in de beleidsreactie bij het CSBN 2016 geïnformeerd.

Een belangrijk onderdeel van de aanpak om de Nederlandse digitale weerbaarheid te verhogen is de implementatie van de in deze zomer in werking getreden EU-richtlijn inzake Netwerk- en Informatiebeveiliging. De verplichtingen uit deze NIB-richtlijn, die met name ook ten aanzien van aanbieders van essentiële diensten gelden en waarvoor nationale wetgeving nodig is, zijn onder meer het nemen van passende beveiligingsmaatregelen en het melden van ICT-incidenten. Voorts zal in nationale wetgeving moeten worden voorzien in toezicht op de naleving van deze verplichtingen. Hiermee wordt, in aanvulling op de thans bestaande wettelijke kaders, voorzien in de gewenste preventieve maatregelen. Meest recentelijk heeft u op 24 juni 20162 de laatste stand van zaken ontvangen over de NIB-richtlijn.

Ten slotte kan ik u melden dat interventiemogelijkheden uit het fysieke domein ook van toepassing kunnen zijn voor het digitale domein. Bij brief van 6 juli 20123 is de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie hier uitvoerig op ingegaan. In situaties waarbij de nationale veiligheid in het geding is of kan zijn, of die anderszins een grote uitwerking op de maatschappij (kunnen) hebben, kan de nationale crisisstructuur in werking treden. Via de voortgangsbrief Nationale Veiligheid van 16 september 20164 is de Kamer geïnformeerd over de actuele afspraken die het kabinet daarover heeft vastgelegd in het Instellingsbesluit Ministeriële Commissie Crisisbeheersing 2016 (Stcrt. 2016, nr. 48258) en het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Kamerstuk 26 643, nr. 420

X Noot
2

Kamerstuk 33 602, nr. 8

X Noot
3

Kamerstuk 26 643, nr. 247

X Noot
4

Kamerstuk 30 821, nr. 32