29 628 Politie

Nr. 396 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 4 juni 2013

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 23 april 2013 overleg gevoerd met minister Opstelten van Veiligheid en Justitie over:

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 8 april 2013 betreffende aanbieding adviesrapport-Vogelzang en adviesrapport-Wallage over de Politieacademie (Kamerstuk 29 628, nr. 378);

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 8 maart 2013 over het onderzoek van de Inspectie Veiligheid en Justitie naar de locatie Rotterdam van de Politieacademie (Kamerstuk 29 628, nr. 370);

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 19 april 2013 met de beleidsreactie op het adviesrapport-Wallage over de Politieacademie (Kamerstuk 29 628, nr. 388).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Jadnanansing

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Nava

Voorzitter: Jadnanansing

Griffier: Tielens-Tripels

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Jadnanansing, Bontes, Dijkhoff, Berndsen-Jansen, Kooiman, Segers, Oskam en Marcouch,

en minister Opstelten van Veiligheid en Justitie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 17.00 uur

De voorzitter: Voor dit overleg is een spreektijd afgesproken van vijf minuten. Ik heet de mensen op de publieke tribune, de minister, zijn ambtenaren en mijn collega's van harte welkom.

De heer Bontes (PVV): Voorzitter. Alles wat fout kan gaan op de Politieacademie op het gebied van leiderschap, is helaas fout gegaan. Of ik nu kijk naar resultaten, plan-do-check-act of vertrouwen, alles wat fout kon gaan, is fout gegaan. Mijn fractie heeft er altijd voor gepleit om het college van bestuur te vervangen. De minister heeft de daad bij het woord gevoegd, want het college van bestuur is vervangen. Dat is op zich een goede zaak. Het is treurig voor die mensen, maar dit is wel een goede zaak voor de politie en voor de Politieacademie.

Met betrekking tot de vraag hoe we nu verdergaan, ben ik minder blij. Ik koppel daarbij beide dossiers van Wallage en Vogelzang aan elkaar. Dat brengt mij tot de conclusie dat de Politieacademie toch op afstand blijft staan van de Nationale Politie. Ik zou veel liever zien dat de academie volledig wordt geïntegreerd in de Nationale Politie. Waarom die afstand? Die afstand is de bron van de slechte samenwerking geweest. Men gaf elkaar over en weer de schuld van zaken. De toenmalige korpsen – inmiddels is er natuurlijk de Nationale Politie – verweten de academie dat de coördinatie en de planning op naamsniveau niet goed waren. Er werd gewoon niet goed gecoördineerd. De Politieacademie zei: wat is nou het vergezicht op het punt van de strategische personeelsplanning en hoeveel mensen moeten we opleiden? Al dat gedoe met die 800 agenten en met die stop heeft hier ook mee te maken. Dat voorkom je als je de academie integreert in de Nationale Politie.

Wat is de reden om de academie op afstand te plaatsen? Op grond van de stukken van de twee heren kom ik dan niet verder dan het civiele effect. Wat is nou het civiele effect? Dat is iets met een marginaal effect. Dat betekent dat het mbo-diploma van een politieman of -vrouw gelijkwaardig is aan een mbo-diploma in het civiele leven, maar is dat dan van zo'n doorslaggevend belang? Welke beroepsgroepen zitten te wachten op specifiek dit mbo- politiediploma? Wat is de reden om daaraan zo hard vast te houden? Dat is mij niet duidelijk. Misschien kan de minister dat toelichten. Ik heb in het verleden heel veel collega's meegemaakt die dachten dat zij beter konden, die ook beter wilden en die iets anders wilden gaan doen. Die mensen verlieten de politie, gingen bijvoorbeeld rechten studeren en werden advocaat. Of zij werden makelaar of zij zochten een ander vak waarvoor zij zich speciaal lieten opleiden. Waarom wordt er dan zo sterk gehecht aan dat civiele effect?

Verder heb ik een platte organisatie voor ogen, dus geen zbo-status, maar een dunne managementlaag. De korpschef is de toezichthouder. Ik pleit dus voor een dunne managementlaag, een platte organisatie en een veel slanker kenniscentrum. Er zijn te veel lectoren. Het is te elitair geworden. Men moet zich richten op de kerntaken. Onderzoekstaken kunnen over naar het COT, het Crisisonderzoeksteam. Waarom moeten die allemaal bij de academie blijven liggen? De praktische onderzoeken zijn waardevol; denk aan de strandrellen in Hoek van Holland. Natuurlijk zijn die onderzoeken waardevol; daar kun je in de praktijk je voordeel mee doen, maar niet met dat zware kenniscentrum met lectoren. Dat is te elitair. De Politieacademie moet zich gaan richten op de kerntaken: mensen opleiden voor noodhulp, recherchewerk, opsporing, intake en service en wijkzorg. Dat zijn de kerntaken en daar moet je mensen voor opleiden; er is geen reden voor dat zwaar opgetuigde geheel.

Als je dan toch een nieuwe start maakt met de academie en met een ander model – ik heb daarbij een ander model voor ogen dan het model in de brieven – doe dan gelijk ook iets aan de cultuur. Dat begint bij werving en selectie en natuurlijk ook in en tijdens de opleiding. Ik zeg maar even heel direct hoe ik het in de beeldvorming zou willen zien: van een straatwerkerscultuur naar een marinierscultuur. Kijkend naar de minister denk ik dat hij begrijpt welke kant ik op wil. Voor ons is cultuurverandering belangrijk.

We hebben eerder debatten gevoerd over de lage pakkans en een laag oplossingspercentage. Die moeten allebei omhoog. Dat betekent dat je keuzes moet maken op het punt van de capaciteit. Die keuzes wil mijn fractie wel maken. Niet dat alles vroeger beter was, maar waarom moet de opleiding nu drie jaar zijn, zeker als je niet vasthoudt aan die zbo-constructie en aan dat civiele effect? Ik kan mij herinneren dat een aantal jaren geleden mensen aan mijn bureau stonden te klagen: de opleiding duurt te lang, is te traag en is te saai. Het kostte de begeleiders veel te veel energie. Zij zeiden dat zij veel beter werk konden doen in de wijk. Het was ooit anderhalf jaar. Heel veel politiemensen hebben de opleiding in een jaar gedaan, met daaraan gekoppeld een ME-opleiding en een praktijkklas. Binnen anderhalf jaar was je klaar en ging je met een mentor de straat op. Dat scheelt anderhalf jaar capaciteit; dat scheelt dus heel veel capaciteit, want bij de aspiranten is geen sprake van een volledige benutting van de uren in de praktijk. Dat is gewoon zo. Die discussie hebben wij hier eerder gevoerd.

De voorzitter: Mijnheer Bontes, u hebt nog een halve minuut.

De heer Bontes (PVV): De opleiding kan dus korter, simpeler en krachtiger.

Hoe ziet de vertrekregeling voor de top eruit? Een aantal leden van het college van bestuur vertrekken immers. Hoe ziet hun vertrekregeling eruit en wat kost dat de organisatie? Daar ben ik benieuwd naar en daar krijg ik van de minister graag een toelichting op.

Wat de locatie van de Politieacademie in Rotterdam betreft: de inspectie constateert nog steeds onvoldoende verbeteringen, met name op die locatie. Wat wordt nu de aanpak? In de praktijk verandert er namelijk weinig. Alles blijft in stand; er komen alleen een paar nieuwe poppetjes boven te staan. Wat wordt nu de aanpak bij de locatie Rotterdam?

De heer Dijkhoff (VVD): Voorzitter. Terugkijkend naar de ontwikkelingen in de afgelopen twee jaar bij de Politieacademie, moet je constateren dat het behoorlijk uit de hand is gelopen. Ik citeer een aantal zware woorden uit de rapporten die wij nu hebben: «vertrouwensbreuk», «een ernstige en urgente situatie» en «crisis». Het is dus niet gek dat een stevig ingrijpen nodig was en dat dit stevige personele consequenties heeft gehad. Het beeld doemt op dat de Politieacademie de afgelopen jaren tussen wal en schip zat, tussen enerzijds eigen ambities en prestige en anderzijds de korpsen, waar zij een beetje een stiefkindje van was. Er was te veel beleid en te weinig oog voor de vloer. Er was ook te veel aandacht voor de positie en status van de organisatie en te weinig voor de docenten en de aspiranten. Er waren te veel managers. Er was een cirkel van rapporten, evaluaties, weer rapporten en weer evaluaties. Vogelzang gebruikte een mooie typering: «een spiraal van klassieke bureaucratische mechanismen die fout gaat». Een rapport dat begint met het aankondigen van de eigen overbodigheid, zie je ook niet vaak. Er was dus alle reden om in te grijpen. De VVD is blij dat de minister dat heeft gedaan.

Ik denk dat het tijd is om nu vanuit onze politieke rol uit die cyclus te stappen: er gaat iets fout, dat valt op, steeds meer mensen bemoeien zich ermee en er wordt steeds meer over gepraat en geschreven, maar het wordt niet per se beter. Het is tijd voor een nieuwe start, die je ook rust moet gunnen. De Politieacademie moet wat de VVD betreft ook terug naar de kern. Wij als Kamer hijgen de Politieacademie de komende tijd, waarin dat proces bezig is, hopelijk niet te veel in de nek en gooien daar niet steeds weer extra meningen en wensen bovenop. Hoe ziet de minister dit? Onderkent hij de noodzaak van die rust? Wij willen natuurlijk wel op de hoogte blijven; dat geldt voor de minister, maar ook voor de Kamer. Hoe kleden wij dat in? Op de weg naar verbetering zal men immers vast nog wel een hobbel tegenkomen, maar dan moeten we niet meteen weer allemaal in de stress schieten, over elkaar heen vallen en nieuwe druk leggen op een organisatie die zichzelf aan het herpakken is.

De adviezen van Vogelzang en Wallage zijn duidelijk: haal de vrijblijvendheid uit de relatie tussen de Politieacademie en de Nationale Politie. Dat onderstrepen wij van harte. In de praktijk en materieel zouden wij zeggen: trek de Politieacademie zo veel mogelijk de Nationale Politie in. De kern is gewoon een goede opleiding voor politiepersoneel. Mijn fractie is een beetje terughoudend met het meteen poneren van een zeer stellige mening over de vraag hoe je dit formeel vormgeeft. Een van de dingen die volgens ons fout zijn gegaan, is immers juist dat er zo veel focus zat op de status en de formele positie. Daar ging te veel energie in zitten en dat leidde af van waar het eigenlijk om draait. Als ik het pleidooi van de heer Bontes beluister, snap ik de neiging om flink te kappen, maar aan de andere kant wil mijn fractie niet zomaar de maatschappelijke waardering weggooien die in de burgermaatschappij bestaat voor de opleiding die de agenten hebben gevolgd. Wij zoeken naar een vorm waarin dit behouden wordt, zodat er geen opleiding ontstaat die heel waardevol is maar die alleen binnen de politie wordt erkend. Als dit eisen stelt aan het onderwijs, moeten die worden meegewogen.

In de praktijk kun je dit flink naar elkaar toe trekken door bijvoorbeeld het uitwisselen van personeel. Die mogelijkheid wordt ook genoemd. Ik onderstreep van harte dat die uitwisseling twee kanten moet opgaan en dat die een verrijking moet zijn. De praktijk moet zaken kunnen terugbrengen naar de academie en de kennis die een docent van de academie opdoet, moet weer kunnen worden toegepast in de praktijk.

Voor de onafhankelijkheid van het onderzoek is ook weer een mengvorm gezocht die volgens mijn fractie goed kan werken. Het onderzoek blijft onafhankelijk, maar de onderzoekagenda wordt wel gezamenlijk besproken. Het onderzoek moet praktisch nut hebben. Het wordt voor een betere politie uitgevoerd en niet voor de boekenkast. Steeds moet het doel voor ogen worden gehouden dat een academie zo goed mogelijk wil opleiden, een aspirant zo goed mogelijk wil zijn opgeleid en Nederlanders zo goed mogelijk opgeleide politieagenten willen. Volgens mij moeten wij het niet moeilijker maken dan dit.

De formele structuur is niet de hoofdzaak voor de VVD-fractie. Die erkenning willen wij graag behouden en de waardering moet blijven. De minister schrijft dat dit alleen mogelijk is met een lichte zbo. Na het regeerakkoord hebben wij deze variant vaker gezien. Het is een zbo sui generis, maar zonder raad van toezicht en sneller onder de minister. De heer Wallage zegt dat een stichting wetstechnisch ook mogelijk is voor de erkenning van de opleidingen, maar dan zou de afstand te groot zijn. Kan de minister toelichten waarom zo'n model niet te verkiezen is of echt niet kan? Ik heb de indruk dat een stichting de afstand juist kleiner maakt. Ik kan dit niet helemaal plaatsen.

Ik verwijs ter vergelijking naar Defensie, waar de bulk van de opleidingen intern is, terwijl een deel van de opleidingen is ondergebracht in een stichting voor de accreditatie-eisen van het Nederlands-Vlaams Accreditatieorgaan, waar bijvoorbeeld de masters in zitten. Wat is er zo anders bij de politie dat dit model daar niet kan worden toegepast?

Ik onderstreep namens mijn fractie dat het geld voor de Politieacademie ook voor die academie bestemd moet blijven. De minister heeft dit ook duidelijk gemaakt, maar dit kan niet vaak genoeg worden bevestigd. Er mag geen verwatering van de budgetten optreden doordat de organisaties naar elkaar worden toe getrokken.

Ik zie graag dat de Politieacademie zo snel mogelijk terug kan naar de kern: zo goed mogelijk opgeleide agenten voor de veiligheid van Nederland.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. De misstanden bij de Politieacademie waren geen geheim voor de Tweede Kamer, maar na het lezen van het rapport Bouwen aan vertrouwen ben ik geschokt. De situatie is nog veel erger dan gedacht. Het is onbestaanbaar dat dit zo lang heeft kunnen duren. Dit is niet alleen de verantwoordelijkheid van het college van bestuur en de raad van toezicht, maar ook het ministerie van Veiligheid en Justitie is in gebreke gebleven. Zo zijn de vele eerdere adviezen en verbeterplannen nooit uitgevoerd en heeft het departement niet ingegrepen. D66 wil daarom duidelijkheid van minister Opstelten over de rol die hij en zijn ministerie nu wel of niet hadden moeten spelen.

«Ministerie medeschuldig aan crisis Politieacademie», kopte de NRC. Zo kwam de Tweede Kamer meer te weten over de verantwoordelijkheden in de crisis bij de Politieacademie. Dit riep veel vragen op over de geheimzinnigheid van de minister over het rapport van Vogelzang. Waarvoor was minister Opstelten verantwoordelijk? Wat wist zijn departement en waarom is er niet eerder ingegrepen? Waarom zijn de verbeterplannen nooit uitgevoerd? Waarom heeft de minister de voorzitter van het college van bestuur niet eerder op het matje geroepen?

In het rapport van Vogelzang staat dat er geen filter zat op verzoeken die van het ministerie kwamen. Daarnaast zijn de enorme bezuinigingen en de veranderingen in de instroom van studenten van invloed geweest op de situatie. Ik citeer uit het rapport: «De ene financiële taakstelling volgt de andere op. Dit heeft de Politieacademie voor een opgave gesteld die niet onderschat mag worden.»

Zestig rapporten en documenten in de afgelopen twee jaar, maar de acties bleven uit. De signalen zijn niet opgepakt met als resultaat een langzaam desintegrerende organisatie. De voorzitter van het college van bestuur is na veel gedoe opgestapt. Zijn rol in de crisis is ons inmiddels bekend. Ik lees echter weinig over de raad van toezicht. Welke rol heeft die raad gespeeld of had hij eigenlijk moeten spelen? Wij hebben een uitvoerige brief ontvangen van de raad van toezicht. Daarin staat dat de leden van de raad zich in een heleboel punten van het rapport niet herkennen.

De werknemers van de Politieacademie, de leerlingen en indirect alle burgers die gebaat zijn bij een goed opgeleide politie, hebben te veel last gehad van een slecht functionerende organisatie. Het is hoog tijd voor stabiliteit. De Politieacademie moet weer van de politie worden. Hier is een passende en duidelijke structuur voor nodig. Die organiseert de minister helaas niet. Medewerkers van de Politieacademie vallen onder de cao Politie, maar alleen docenten, onderzoekers en de directe ondersteuners van het primaire proces blijven in dienst van de Politieacademie. Mensen die werken voor het ondersteunend beheer, vallen op hun beurt onder de Nationale Politie.

De bestuurlijke positionering die de minister voorstelt, leidt volgens mij tot nog meer onzekerheid en onduidelijkheden. De minister wil namelijk een zbo-status zonder raad van toezicht, zoals de heer Dijkhoff al zei, maar wel onder verantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie met twee blauwe petten: minister van politie en minister van politieonderwijs. De minister belooft wel dat beide rollen zich niet zullen vermengen. Dat lijkt mij een nogal schizofrene situatie.

Voor een complete aansluiting van het onderwijs op de dagelijkse praktijk van de politie is het logischer dat de Politieacademie onderdeel wordt van de Nationale Politie. Deze aansluiting is de laatste jaren volledig zoekgeraakt. De heer Wallage spreekt over de spanning tussen: «… de vereiste autonomie van de Politieacademie ten bate van de civiele diplomaerkenning en accreditatie van het politieonderwijs enerzijds en de behoefte aan een zo groot mogelijke verankering van het onderwijs in de beroepspraktijk van de politie anderzijds.» Waarom kan de Politieacademie niet autonoom genoeg opereren onder de Nationale Politie? Wat is precies het probleem voor de accreditatie als de bestuurlijke positionering bij de Nationale Politie plaatsvindt? Deze positionering sluit immers naadloos aan bij het beroepenveld en de governancecode van de minister van OCW. Ook in andere landen zien wij dat deze instellingen onderdeel uitmaken van de Nationale Politie. Dit zou in Nederland heel goed kunnen onder leiding van een chief learning officer, die dan deel uitmaakt van de korpsleiding van de Nationale Politie.

Anders dan de heer Bontes hecht ik zeer aan diplomaequivalentie. Het is juist heel goed dat er sprake is van een mbo- en een hbo-opleiding en dat er een bachelor- en masteropleiding is. Mijn fractie is echter van mening dat dit ook kan als die opleidingen worden gepositioneerd binnen de Nationale Politie als apart onderdeel onder verantwoordelijkheid van zo'n chief learning officer.

De heer Bontes (PVV): Ik krijg hierop graag een toelichting. Ook volgens de theorie kan dit niet. Het zou wel een opleiding kunnen zijn, maar als je de zbo-structuur loslaat, laat je die drie jaar erkenning ook los.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Dat hoeft helemaal niet. Als ik de brief van minister Bussemaker lees over de governancecode en de aansluiting bij het beroepenveld, is dit naar mijn mening wel degelijk mogelijk. Ik vraag de minister om dit uit te zoeken. De wetgeving moet nog worden aangepast. Dit is een eerste debat hierover. Ik ben van mening dat het heel goed zou zijn om het zo te doen, maar dan wel onder de voorwaarden van diplomaequivalentie en de accreditatiemogelijkheden. Ik hoor hierover graag de mening van de minister. Wellicht kunnen wij hierover ook nog iets horen van de minister van Onderwijs.

Ik heb van de ondernemingsraad van de Politieacademie begrepen dat hij de kwaliteit van het onderwijs wil versterken door het systeem te vereenvoudigen. Onderwijs moet weer centraal staan bij de Politieacademie. Mijn fractie is het hier volledig mee eens. Het is hoog tijd voor rust voor alle mensen in de organisatie. Het is hoog tijd voor kwaliteit in het onderwijs zodat wij snel weer trots kunnen zijn op onze Politieacademie.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Wij hebben al jaren gewaarschuwd voor de bende bij de Politieacademie. De SP heeft jaar in jaar uit gewaarschuwd voor de ellende. Ik heb tegen de minister gezegd: «Pas op, de roosters zijn niet op orde». Ik heb gesproken over de examens, de kwaliteit van het onderwijs en de certificaten die niet op tijd werden uitgereikt, en over de geringe verbinding tussen de academie en de korpsen. De minister antwoordde: «Het komt goed. Wacht maar, ik zal dit scherp volgen.» Pas toen de ondernemingsraad aan de bel trok en het vertrouwen in het bestuur opzegde, werd de minister wakker. Er moest maar eens een onderzoekje komen. Mijn eerste vraag aan de minister is dan ook: praten wij tegen een dikke muur? Wat doe ik hier als de minister niet wil luisteren? In de rapporten staan conclusies die ik ook al eerder aan deze minister heb voorgelegd. Wanneer gaat de minister de politiek serieus nemen? Er ligt nu een vernietigend rapport van Vogelzang. Hij zegt in zijn rapport: inhoudelijk en qua analyse zijn er zoveel documenten die tot dezelfde bevindingen leiden, dat de inhoud van deze rapportage niet verrassend zal zijn. Ook concludeert Vogelzang dat de raad van toezicht en het ministerie van Veiligheid en Justitie onvoldoende effectief zijn geweest in hun reactie op de tekortkomingen die worden genoemd in diverse rapportages. Ik vraag de minister, hierop te reageren. Is de minister bereid om in de spiegel te kijken en te erkennen dat er fouten zijn gemaakt? Hij was natuurlijk ook verantwoordelijk voor de bende op de Politieacademie. Ik wil graag een duidelijk antwoord.

De minister lijkt zijn eigen verantwoordelijkheid weg te moffelen in zijn reactie op het rapport-Vogelzang. Hij zegt namelijk dat hij het jammer vindt dat de verbeterafspraken die hij na ieder rapport van de Politieacademie heeft gemaakt niet of in onvoldoende mate zijn uitgevoerd. Maar hij was er toch ook verantwoordelijk voor? Hoe gaat de minister dit dan straks oppakken? Ik wil graag van de minister de toezegging dat hij, behalve dat hij zorgt voor rust op de Politieacademie, de Kamer elk kwartaal op de hoogte houdt van de verbeteringen.

Niet alleen de minister is verantwoordelijk. Ook het systeem en het toezicht – waarvoor ook de raad van toezicht verantwoordelijk was – hebben gefaald. Men heeft rapport na rapport over de bende bij de Politieacademie voorbij zien komen. Het is zoals Vogelzang en ook de minister zeiden: verbeteringen bleven uit. De toezichthouders hebben een taak tegenover het ministerie om toezicht te houden op de verbeteringen. Het gaat vandaag om het herstel van draagvlak en vertrouwen. Ik vraag de minister of hij het met Vogelzang eens is dat ook de raad van toezicht onvoldoende effectief heeft gehandeld en welke conclusies hij hieruit trekt. Kan de minister zeggen hoeveel draagvlak er nog is voor de huidige raad van toezicht?

Ik zie dat de minister de huidige raad van bestuur vervangt. Het is goed dat hij ingrijpt, maar wat mij in het verkeerde keelgat is geschoten, is dat de minister op de website van het ministerie over het aftreden van bestuurder Van Baal zegt: ik spreek mijn waardering uit voor het werk dat de heer Van Baal de afgelopen jaren heeft verricht voor de Politieacademie. Waardering? Voor de troep die hij heeft achtergelaten? Is de minister het met mij eens dat dit niet zo'n slimme uitspraak is geweest? Kan de minister aangeven waar de oud-bestuurders straks in de politieorganisatie komen te werken? Ik sluit mij aan bij de woorden van de heer Bontes. Ook ik zou graag willen weten hoe de ontslagregeling in elkaar steekt.

Het moge duidelijk zijn dat de link tussen de politie en het politieonderwijs moet verbeteren. Het gat tussen de praktijk en de academie moet worden gedicht. Daarover is iedereen het eens, maar niet over de manier waarop wij dat moeten doen. Zoals de minister misschien weet, wil de ondernemingsraad graag dat de Politieacademie gaat vallen onder de Nationale Politie. Ik sluit mij daarbij aan. Het moet dus geen zbo zijn. Het probleem zit hem namelijk in het verschil in rechtspersoonlijkheid. Uitwisseling van personeel tussen de Politieacademie en de Nationale Politie moet gemakkelijker worden, zonder bureaucratie en met behoud van gelijke rechten. Dat kan door de academie onder de Nationale Politie te brengen, zegt de ondernemingsraad. Die zorgen snap ik. Daarom vraag ik de minister, hoe hij in de aanloop naar het wetsvoorstel hierover de ondernemingsraad erbij gaat betrekken. Ik zou daarvan graag op de hoogte worden gesteld.

De heer Segers (ChristenUnie): Voorzitter. Wij spreken over een ernstig ontwrichte situatie bij de Politieacademie. Die situatie is niet ontwricht geraakt door een gebrek aan toezicht. In het tweede hoofdstuk van het rapport van Vogelzang, paragraaf 2.2.4, komen allerlei externe actoren langs. Je hebt interne actoren, zoals de ondernemingsraad, maar er zijn ook externe actoren, zoals de Politieonderwijsraad, accreditatiecommissies, een commissie in het kader van de evaluatie van de kwaliteitszorg, visitatiecommissies, de raad van toezicht, de inspectie die toezicht houdt op het politieonderwijs, de korpsleiding van de Nationale Politie en het departement van Veiligheid en Justitie. Er is dus heel veel feedback en heel veel kritiek. Wat is ermee gedaan? Welnu, er staat: veel van de feedbackrapporten die deze instanties hebben geproduceerd zijn kritisch van toon. Hoewel er vanuit de Politieacademie altijd wordt gereageerd op de externe feedback, blijft heel vaak toch onduidelijk wat er feitelijk gebeurt met de aangedragen punten. Uit geen van de documenten blijkt dat deze actiepunten daadwerkelijk door de Politieacademie worden uitgevoerd. Er is dus geen gebrek aan toezicht en geen gebrek aan feedback, maar een enorm gebrek aan daadkracht en opvolging.

Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Dat lijkt mij de cruciale vraag, nu het toezicht zo zwaar is opgetuigd, terwijl er maar zo weinig van terechtkomt. Welke reden heeft de minister om aan te nemen dat dit patroon wordt doorbroken? Dat lijkt mij eerder een probleem van cultuur dan van structuur.

Naar aanleiding van de vertrouwenscrisis bij de Politieacademie heeft de minister ingegrepen door een nieuw college van bestuur aan te stellen. Had de minister niet eerder kunnen en moeten ingrijpen? Het rapport van Vogelzang is zeer duidelijk. De minister omarmt dit nu, maar waarom gaat de minister niet in op de rol van het ministerie zelf, dat een van de toezichthouders was? Vogelzang zegt expliciet dat ook het ministerie er onvoldoende op heeft toegezien of eerdere adviezen daadwerkelijk werden uitgevoerd en dat de problemen al twee jaar bekend waren bij het ministerie.

Bijzonder is ook het feit dat de minister de situatie van binnenuit goed kent, omdat hij zelf deel heeft uitgemaakt van de raad van toezicht. Hoe kijkt hij terug op die rol en het functioneren toen?

De minister kiest ervoor, de huidige raad van toezicht te laten zitten. Mijn vraag is, of dit gebeurt met instemming van de ondernemingsraad en de bonden. Is er draagvlak voor? Wat geeft de minister aanleiding om te veronderstellen dat, waar het eerder mis ging, het nu goed zal gaan met het toezicht?

Ondanks eerdere kritische inspectierapporten is er nog veel mis met het politieonderwijs op de locatie Rotterdam. Er is nu een extra manager op gezet. Heeft de minister er vertrouwen in dat het nu wel goed gaat komen, en waarop baseert hij dit dan?

Uit het rapport-Wallage is een degelijk advies voortgekomen over de toekomst van de Politieacademie. De minister neemt een groot aantal aanbevelingen over, maar ook een aantal niet. Ik vraag naar de onderbouwing van die keuzes. Zo adviseert Wallage om een raad van toezicht te handhaven, juist omdat een al te eenvoudige ministeriële interventie kan worden gezien als een inperking van de autonomie van de instelling, waardoor de accreditatie van de Politieacademie in gevaar kan komen. De minister overweegt echter, de raad van toezicht op te heffen, omdat dit een steeds minder geëigende constructie zou zijn, zo zegt hij in een reactie. Waarom? Kan de minister ingaan op de argumentatie van Wallage dat er juist wel een raad van toezicht moet blijven? Ook adviseert Wallage, de onderwijsinspectie een rol te geven. Volgens de minister is dit al zo, maar dat geldt alleen voor het hoger onderwijs. Wallage adviseert juist, de onderwijsinspectie ook een rol te geven in het mbo-politieonderwijs. Waarom neemt de minister dit advies niet over?

Ten slotte adviseert Wallage, de wet aan te scherpen, zodat er een duidelijke procedure komt, waarin de Nationale Politie haar behoefte aan onderwijs formuleert, de Politieacademie daarop reageert en de minister beslist indien er geen overeenstemming wordt bereikt. De minister wil hiervoor wel procesvoorschriften vaststellen, maar gaat hij straks ook de knopen doorhakken?

Met betrekking tot de toekomst is het onduidelijk of de Politieacademie de hele opleiding, van begin tot eind, in eigen huis zou moeten verzorgen. Dat is een vraag die ik hier maar even op tafel leg. Het zou heel goed denkbaar zijn dat een deel van de opleiding elders wordt gevolgd, terwijl een korter, specifiek politiedeel van de opleiding door de Politieacademie wordt verzorgd. Voor de ChristenUnie is dat in ieder geval een reële optie. Ik vraag de minister om dat soort opties, evenals de relatie tot de Nationale Politie, op een rij te zetten en de Kamer daarover te informeren. Dan kunnen wij het debat aangaan over definitieve keuzes. Dat geeft ons allemaal de tijd om bij alle ingrijpende veranderingen, ook met betrekking tot de nationale Politie, weloverwogen keuzes te maken.

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. De CDA-fractie vindt goed politieonderwijs van het grootste belang. De duizenden dienders die onze veiligheid bewaken, moeten goed toegerust en opgeleid zijn. Er komt steeds meer druk te staan op politiemensen. Er worden steeds hogere eisen gesteld aan de professionaliteit van dienders. De operationele resultaten van de politie moeten verbeteren. Daarover hebben wij al vaker gesproken. De politie moet zich ervan bewust zijn dat het hebben van een groot onderwijs- en expertisecentrum als de Politieacademie uniek en waardevol is voor de politieprofessie. Nederland zou daarop trots moeten kunnen zijn. Van Baal schreef echter in het voorwoord van het jaarverslag van de Politieacademie dat het jaar 2012 een turbulent jaar was voor de Politieacademie. Dat lijkt mij een understatement, want het was één grote puinhoop. Dat raakt het vertrouwen in de leiding, het vertrouwen in het toezicht, maar ook het vertrouwen in de opleiding zelf. Er is voortdurend negatieve publiciteit. Wij spreken er in de Kamer over, dan komt er een brief van de minister en even later is er weer gedoe. Ik maak mij daar zorgen over, net als mijn collega's Wat zijn de gevolgen van de problemen met de politieopleidingen voor de praktijk? Al je het vraag aan de politiebonden, dan zeggen zij dat de opsporing te leiden heeft onder het gedoe bij de Politieacademie. Herkent de minister dat beeld?

Er is een lichtpuntje. In alle, soms vernietigende, rapporten die de laatste tijd over de Politieacademie zijn verschenen, is de rode draad dat in meer of mindere mate duidelijk is dat het onderwijs zelf wel deugt. Er staat dat het op orde is, maar dat het juist gaat om de organisatie eromheen: de planning, de begeleiding van de studenten in het korps, de examens en de financiën. Er is gedoe met de ondernemingsraad over de te varen koers. Dat is niet wenselijk.

Het is goed dat de minister nu heeft ingegrepen in de top van de Politieacademie, maar de vraag is of dat niet eerder had gemoeten. Wat is er in de lijn gebeurd? Ik doel op de lijn van Politieacademie, college van bestuur en raad van toezicht, waar anderen ook al iets over hebben gezegd. Ik noem ook de Directie Politie. Waarom is er niet ingegrepen en waarom heeft men zo lang gewacht dat de minister uiteindelijk moest ingrijpen? De minister wist al langer van de problemen, omdat hij zelf tot 2010 voorzitter is geweest van de raad van toezicht. Hij kende ook de mensen die erin zaten. In de Kamer is echter steeds gezegd dat het onder controle was en dat het beter ging.

Nu is er echter toch fors ingegrepen, door de heer Kuijs te benoemen tot voorzitter van het college van bestuur. Ik denk dat dit een goede keuze is. De minister heeft gekozen voor een zwaargewicht. De vraag is echter of dit voldoende is. Al het gedoe rond de Politieacademie is slecht voor de uitstraling van de politie. Het motiveert de medewerkers en de docenten van de Politieacademie niet. Die willen gewoon hun werk kunnen doen. Ik vraag de minister waarom hij nu pas heeft ingegrepen en of het wel genoeg is. Had hij ook niet de raad van toezicht moeten aanpakken? Hij heeft een nieuw idee, namelijk om de raad van toezicht helemaal op te heffen. Daar komen wij straks nog over te spreken. Is het genoeg om alleen Kuijs daar neer te zetten met wat nieuwe mensen in het college van bestuur of is de boel zo ziek dat er meer moet gebeuren?

Zowel in het rapport van Cohen uit juni 2012, in de andere inspectierapporten als in het rapport van Vogelzang wordt gesproken over een gebrek aan sturing en een gebrek aan management- en veranderkracht. Dat lijkt mij een breed probleem in de organisatie van de Politieacademie. Wat gaat de minister doen om de verander- en managementkracht te vergroten, naast het aanstellen van een nieuwe top? Hoe zorgt hij ervoor dat constructieve signalen van binnen en buiten de Politieacademie en ook van de ondernemingsraad voortaan wel voldoende worden opgepakt? Ik hoor hier graag een concrete reactie op van de minister.

In de beleidsreactie heeft de minister aangegeven hoe hij de Politieacademie wil positioneren in het nieuwe bestel en hoe hij de verbinding tussen de praktijk en het onderwijs en de relatie met de Nationale Politie wil verstevigen. Zoals gezegd, is de minister er voorstander van er een zbo van de maken. Ik kan mij daar wel iets bij voorstellen, ook om het onderwijs een stevige positie te geven. Het CDA heeft echter nog geen keuze gemaakt. Met even goede argumenten zou je er immers voor kunnen kiezen de academie onderdeel te maken van de Nationale Politie, zoals de korpsleiding voor ogen staat. Politiewerk is een vak en vergt een gedegen beroepsopleiding. Daarom is die positionering van wezenlijk belang. Dat is de reden dat ik morgen in de procedurevergadering – ik zeg het maar alvast – een verzoek zal indienen om een hoorzitting te houden met mensen uit de politiewereld en de onderwijswereld over de vraag wat nu een goede constructie is. Als je stappen zet, zoals de minister wil, om er een zbo van te maken zonder toezicht, en dat de verkeerde stappen blijken zijn, zitten wij hier immers volgens jaar weer. Dat is mijn idee erover.

Ik wil ook nog even een compliment maken aan mijn voorganger Çörüz, die kennelijk een vooruitziende blik had toen hij sprak over de plaats van de Politieacademie in het politiebestel. Hij heeft een amendement op de Politiewet ingediend in 2012 dat het mogelijk heeft gemaakt dat de Politieacademie executieve politiemensen in dienst kan hebben. Daardoor is er er een goede mix ontstaan tussen de praktijkmensen en het politieonderwijs. Die uitruil geeft heel praktisch invulling aan de relatie tussen de politie en de Politieacademie. De relatie moet wat het CDA betreft worden verstevigd. Dat zou kunnen door zo spoedig mogelijk tot een nationaal politieonderwijsplan te komen, opgesteld door de politie in samenspraak met het Politieonderwijsraad en de Politieacademie. Dit plan kan goed aansluiten bij de uitkomsten van het onderzoek naar de functies in Politie Nederland en het inrichtingsplan waar wij de komende tijd mee bezig zullen zijn. Zo'n onderwijsplan moet wat de CDA-fractie betreft in de eerste plaats stabiliteit, voorspelbaarheid en duidelijkheid uitstralen. De pieken en dalen in de eerste instroom van de afgelopen jaren hebben voor te veel onrust gezorgd bij het personeel, maar ook in omgeving. Daarbij kost het veel capaciteit om de kwaliteit hoog te houden.

Ik lees in de beleidsbrief dat de verantwoordelijkheid voor werving en selectie voor de Politieacademie per 1 januari 2013 is overgegaan naar de korpschef. Ik roep nog even ons vorige algemeen overleg in herinnering, enkele weken geleden, waarin het ging over een vermeende opleidingsstop bij de Politieacademie. Dat kwam er nog even tussendoor. Toen was de minister veel stelliger over de verantwoordelijkheid dan nu in zijn brief. Ik wil concreet van hem weten wie erover gaat, hoe het eruit ziet en wie wij ter verantwoording kunnen roepen als blijkt dat er onvoldoende aspiranten, vrijwilligers, wijkagenten, rechercheurs en noem maar op in de schoolbanken van de politieacademie zitten.

Ik zie dat de voorzitter een beetje boos naar mij kijkt, dus ik ga afronden. Mijn laatste punt is dat het mij bevreemdt dat in de voorstellen van de minister niet wordt gesproken over geld. Het klinkt wellicht raar uit de mond van de oppositie, maar ik wil de minister graag helpen. Dat wil ik eigenlijk altijd wel. Hij heeft ons vorig jaar verteld over de businesscase «Onderwijs, kennis en onderzoek». Het rapport daarover zouden wij krijgen, maar wij hebben het nog niet ontvangen. Ik hoor in de wandelgangen dat er bijna 50 miljoen kan worden bezuinigd als de behoeftestelling voor onderwijs eenduidiger wordt geformuleerd, als er sturing komt op de uitgaven aan onderwijs in het korps en als er meer wordt gestuurd op het vormen van één onderwijsorganisatie. Waarom heeft de minister deze businesscase niet in zijn plannen betrokken? Het kan zijn dat hij dat wel heeft gedaan, maar dat wij dat niet weten. Mocht het wel het geval het geval zijn, wordt dat bedrag van 50 miljoen dat nu over is, ingezet voor meer rechercheurs, voor meer blauw op straat of gaat het gewoon in de pot bij minister Dijsselbloem? Ik hoor hier graag een reactie op van de minister.

De heer Marchouch (PvdA): Voorzitter. Zoals gezegd, is of was de Politieacademie in crisis. Ik wil de opstellers van de twee rapporten die wij hebben complimenteren voor de scherpe analyses die zij hebben gemaakt en de aanbevelingen die zij hebben gedaan. Ik complimenteer ook de minister met zijn snelle reactie hierop, door heel snel na de publicatie van die rapporten in te grijpen.

De Politieacademie is een politieopleidingsinstituut dat vroeger alleen de officieren opleidde, maar tegenwoordig ook de basisagenten. Zij leidt bovendien niet alleen de agenten op, maar werft en selecteert ze ook. In die zin is het een belangrijk instituut, een slagader voor de politieorganisatie. Wij willen beter blauw en wij willen dat agenten goed worden voorbereid op het werkt dat zij moeten doen. Politiewerk is een vak dat niet iedereen kan. Daarom is de selectie heel zwaar. Daarom moet ook de opleiding zodanig zijn dat die daadwerkelijk voorbereidt op het doen van dat politiewerk.

De dynamiek, of beter gezegd de turbulentie, waarin de Politieacademie de afgelopen jaren terecht is gekomen, dateert naar mijn idee van 2002, toen sprake was van grote veranderingen. Toen kreeg de Politieacademie er allerlei taken bij, zoals werving. De academie was ook een instituut dat niet zoals vandaag de dag ten dienste stond van één korps, maar van vele korpsen die op hun manier allerlei wensen hadden. Dat leidt natuurlijk tot onrust en onzekerheden in het werk dat moet worden gedaan.

Over de interne ontwikkelingen zijn de rapporten die wij hebben gekregen heel erg helder en duidelijk. De aanbevelingen zijn ook duidelijk. Ik lees in de beleidsreactie van de minister dat hij die ter harte neemt en dat hij er hoogstpersoonlijk op gaat toezien dat het beter gaat. Ik zou graag van hem willen horen of hij ook vindt dat wij naast de beleidsreactie eigenlijk een scherpere visie, misschien op te stellen met het nieuw aangestelde college, op de toekomst van de academie en op het politieonderwijs nodig hebben.

Ik kan mij heel goed voorstellen dat het op dit moment voor de Nationale Politie niet te doen is om er ook nog eens een Politieacademie bij te hebben. De politieorganisatie kan echter niet zonder de Politieacademie. Het is in die zin een papieren werkelijkheid om ze los van elkaar te zien. Zij hebben gewoon met elkaar te maken. Ik kan mij voorstellen dat de minister het nu niet ziet zitten om die twee bij elkaar te brengen. Op termijn zou dat echter heel goed kunnen. Ik vind dat wenselijk. De politieopleiding is namelijk nu eenmaal geen reguliere hbo- of mbo-opleiding, maar een opleiding die opleidt tot een specifieke baan die alleen maar bij de politie uit te voeren is.

Waarom moet de politie een zelfstandige hbo- of mbo-opleiding hebben? Ik begrijp heel goed dat de politiemensen die daar worden opgeleid een breder perspectief nodig hebben. Dat is goed voor de doorstroming en de mobiliteit. Daar is mijn fractie heel erg voor. Er zijn echter heel goede constructies te bedenken waarin de reguliere onderdelen van deze mbo- of hbo-opleiding binnen een reguliere mbo- of hbo-opleiding worden gevolgd. Daarmee wordt de Politieacademie slechts belast met een heel specifieke onderdeel – dat is de kernopdracht van de academie – namelijk het opleiden van politieagenten op een zodanige wijze dat zij in staat zijn om het politiespecifieke werk te doen. Mijns inziens zal dat vele tientallen politiemensen schelen die voor de klas moeten staan om allerlei algemene vakken te geven waarvoor hun politieachtergrond geen specifieke meerwaarde heeft.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): De heer Marcouch begon zijn bijdrage met de start van het duale politieonderwijs in 2002. Ik hoor hem nu zeggen dat hij vindt dat het sinds die tijd niet goed gegaan is. Het is een gedoe geworden, volgens hem. Breekt hij nu een lans voor het afschaffen van het duale stelsel in het politieonderwijs? Waarom vindt hij diplomaequivalentie niet van belang voor politiemensen?

De heer Marcouch (PvdA): Ik ben bang dat mevrouw Berndsen mij verkeerd begrepen heeft. Ik vind dat wel van belang. Ik vind alleen dat de Politieacademie de kerntaak moet hebben om politieagenten op te leiden. Het andere onderwijs kunnen instituten die daar goed of misschien zelfs beter in zijn, bijvoorbeeld reguliere hbo's en mbo's, ook heel goed aanbieden. We kunnen de hbo- en mbo-studenten die relevante opleidingen hebben gedaan, innemen in de academie om hun specifieke politieopleiding, waarvoor zij kennelijk geschikt zijn, op de academie te doen. Het hoeft dus niet allemaal op de Politieacademie te gebeuren. Je kunt daarvoor heel goed met de andere onderwijsvelden samenwerken.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Ik begrijp dit niet helemaal, want mensen met een mbo- of hbo-niveau of -opleiding stromen als zijinstromer in bij de Politieacademie. Zij kunnen een verkorte opleiding krijgen om «blauw geverfd» te worden. Ik bedoelde echter iets anders toen ik over diplomaequivalentie sprak. Dat heeft ermee te maken dat mensen met een mbo-politieopleiding ook gekwalificeerd zijn om andere mbo-functies uit te voeren. Dat is het belang van een politieopleiding op dat niveau. Met alle respect, maar als je het gaat doen zoals de heer Marcouch nu voorstelt – eerst naar een mbo- of hbo-opleiding om er daarna een stukje blauw bij te krijgen – dan doorkruis je het systeem van het duale werken en leren. Ik heb het gevoel dat de heer Marcouch een heel ander systeem aan het introduceren is. Het laatste waarop we nu zitten te wachten, is een verandering in het stelsel van het politieonderwijs. Als je echt onrust wilt hebben, dan moet je dat nu op de schop nemen.

De heer Marcouch (PvdA): Ik vind dat de Politieacademie politieagenten moet opleiden. Die hebben heel specifieke beroepsvaardigheden nodig. Daarom vraag ik de minister waarom we niet kiezen voor mensen met een relevante mbo- of hbo-opleiding waar we dan nog een politiespecifieke opleiding aan toevoegen. Dan kan de Politieacademie een opleiding organiseren die specifiek voor de politie nodig is. Studenten kunnen dan bij andere mbo's en hbo's de reguliere competenties verkrijgen. Mijns inziens scheelt dat tientallen politiemensen en leidt dat ertoe dat de Politieacademie kan focussen op datgene waarvoor ze is opgericht, namelijk het opleiden van politieagenten.

De politie investeert mijns inziens te weinig in de opleiding van nieuwe mensen door bijvoorbeeld niet de beste mensen naar de academie toe te sturen om voor de klas te staan. Waarom nemen we de component van het lesgeven niet mee in de loopbaan van de operationele experts? Leidinggevenden zouden enige tijd les moeten geven om enige ontwikkeling of carrièreperspectief te hebben bij de politie.

De heer Bontes (PVV): De heer Marcouch pleit voor lessen op het mbo. Mag ik hem er echter op wijzen dat dit in bijvoorbeeld Rotterdam Rijnmond gedaan is, maar dat dat vechten werd? Dat is een totaal mislukt project. Wat de heer Marcouch wil, gaat echt geen prijzen winnen hoor.

De heer Marcouch (PvdA): Ik begrijp de vraag van collega Bontes niet. Mij gaat het erom dat het onderwijs de slagader is voor de politieorganisatie. Dan moet je natuurlijk wel de beste mensen voor de klas zetten. Dat constateren de onderzoekers ook. Om dat aantrekkelijk te maken lijkt het mij van belang – dat is ook mijn suggestie – om voor de carrièrestappen van politieagenten het al dan niet voor de klas staan, mee te laten tellen in de waardering.

De heer Bontes (PVV): Misschien moet ik mijn opmerking toelichten. Als je politiemensen in het regulier mbo-onderwijs vakken laat volgen, gaat dat niet goed samen met andere leerlingen. Zij worden door een groot deel van de mbo-leerlingen gezien als een niet-vriendelijke groep mensen, als vijandig zelfs. Dat betekent dat je problemen, vechtpartijen en onenigheid krijgt binnen die scholen. Begrijpt de heer Marcouch nu beter wat het probleem is? Datgene waarvoor hij pleit, gaat fout.

De heer Marcouch (PvdA): Ik begrijp collega Bontes nu, denk ik. Dit slaat op de opmerking die ik eerder maakte dat delen van de mbo- of hbo-opleiding op een reguliere school gevolgd kunnen worden. Ik denk dat het voor politiemensen juist heel goed is om niet geïsoleerd opgeleid te worden. Zij moeten gewoon midden in de samenleving worden opgeleid met studenten die niet per se de ambitie hebben om agent te worden, maar allerlei andere ambities hebben. Uiteindelijk sta je als politieagent ook midden in de samenleving met al die mensen samen te werken. Ik denk dat het dus alleen maar verrijkend is voor de ontwikkeling van de aspiranten. Het lijkt mij een tekortkoming als je in een kazerneachtige context wordt opgeleid in plaats van tussen allerlei andere studenten. Ik zie het dus niet meteen als een probleem, maar juist als een voordeel.

De heer Bontes (PVV): Dat is uitgeprobeerd, maar mislukt. Je gaat toch niet twee keer een mislukking creëren?

De heer Marcouch (PvdA): Ik zie dat we in dit land gewoon heel veel mbo-studenten hebben. De helft van onze leerlingpopulatie is mbo-student. Mijn pleidooi is: haal die jongens binnen, ook hbo'ers, en zorg ervoor dat de academie kan doen waar zij goed in is, namelijk politieagenten opleiden. Laat de reguliere mbo- of hbo-opleidingen de reguliere kwalificaties verzorgen. Ik denk dat we het politieonderwijs daarmee veel efficiënter en effectiever kunnen organiseren. Voor de politie is het vooral van belang dat het beroepspecifieke en politiespecifieke onderwijs op de Politieacademie wordt georganiseerd.

Wat betreft de zijinstroom zou ik heel graag willen zien dat we meer rechtstreekse instroom in de opsporing mogelijk maken. Ik ben benieuwd hoe de minister hiertegen aankijkt. Een mbo'er of hbo'er kan dan direct instromen na relevant onderwijs te hebben genoten. Iemand hoeft niet per se jarenlange blauwe ervaring te hebben om in de opsporing terecht te komen. Met een relevante mbo- of hbo-opleiding zou je sneller in de opsporing terecht moeten kunnen komen.

De vergadering wordt van 17.50 uur tot 17.55 uur geschorst.

De voorzitter: We zijn toe aan het antwoord van de minister in eerste termijn. We hanteren twee interrupties per persoon.

Minister Opstelten: Mevrouw de voorzitter. Ik dank de leden van de commissie voor hun bijdrage. Het is een belangrijk debat. Ik heb een aantal van de leden daarover gehoord. Er moet niet alleen teruggekeken worden naar het verleden. Daarop zal ik terugkomen. Ook leeft er de duidelijke wens – dat is ook mijn wens – om rust te creëren om de Politieacademie de positie terug te geven die zij moet hebben. Dat is heel belangrijk voor ons land en voor de politie en de kwaliteit daarvan. In verschillende fasen van mijn leven heb ik rollen gespeeld bij de Politieacademie. Heel jong was ik al lid van het curatorium. Veel ouder, nadat ik in een andere functie afscheid had genomen, werd ik gevraagd om voorzitter van de raad van toezicht te worden. Mij werd de tijd niet gegund om dat af te maken, want toen werd ik minister. De academie heeft mijn hart absoluut. De opmerkingen van de leden en de wijze waarop zij in het debat zitten, zijn van groot belang. Het hart gaat uit naar de kwaliteit. Die moet terug, net als de rust.

We moeten niet vergeten dat de stelselwijziging bij de politie een rol heeft gespeeld. Laten we daar eerlijk over zijn. Ik hoop dat iedereen dit ook herkent. Het blijkt uit alle rapporten dat een systeem van 25 regio's iets anders is dan de aansturing van de Nationale Politie. De vrijblijvendheid is er daardoor uit. Die is niet meer mogelijk. De Politieacademie doet geen zaken meer met 25 regio's, die overigens niet altijd allemaal wilden, maar met de Nationale Politie. Zij draagt de Politieacademie een warm hart toe. Wat in mijn brief staat, is natuurlijk ook de visie van de korpsleiding van de Nationale Politie.

We komen nog te spreken over de structuur. Ik neem alle opmerkingen van de Kamer serieus. Mijn eigen visie is echter ook belangrijk. Het is het waard om daarover een goed debat te voeren. De visie van Wallage is natuurlijk ook belangrijk. Ik kom daar zo dadelijk op terug door te zeggen: ik ga nog eens alles daaromtrent op een rij zetten. Sommige leden hebben daarover gesproken. Ik denk dat we met elkaar enige stuurmanskunst moeten opbrengen om alles eens op een rij te zetten en voor de zomervakantie met een goede brief daarover te komen, waarover we vervolgens een debat kunnen voeren. Ik zeg dat niet omdat ik zou twijfelen aan mijn eigen standpunt daarover, maar omdat ik ruimte wil geven aan de nieuwe leiding van de Politieacademie om aan de slag te gaan om met haar gremia, zoals de raad van toezicht en de ondernemingsraad, met de organisatie en de externe partijen, zoals de Politieonderwijsraad, tot een duidelijke visie te komen. De nieuwe leiding moet de kans krijgen om haar eigen visie daarop te kunnen geven. Ik kom daar voor de zomer bij de Kamer op terug.

Als de Kamer het wil, wil ik wel herhalen welke rapporten er zijn verschenen. Het zijn er wel een stuk minder dan sommigen denken. Er wordt soms over een aantal van 60 gesproken. Ik bleef maar tellen, maar ik kom bij lange na niet aan die 60. Er is een inspectierapport verschenen. Sommige woordvoerders wezen daarop. De inspectie zei twee dingen. Met de kwaliteit van het onderwijs gaat het eigenlijk niet zo slecht, het gaat eigenlijk wel goed. Alleen, op het punt van de sturing moet er een aantal accenten worden gelegd. Hoe leidt dat tot sturing? De raad van toezicht komt na een gesprek op het departement met een verbeterplan dat het college van bestuur moet uitvoeren. De raad legt dat op tafel. Vervolgens gaat men ermee aan de slag. De sturing is er wel geweest in de verschillende gremia. Je kunt altijd zeggen – ik ben zelfs de eerste om dat te zeggen – dat we met de kennis van nu misschien eerder iets hadden moeten doen met elkaar. Ik denk echter dat dit niet helemaal terecht is. Je moet zorgvuldig met mensen en het instituut omgaan.

Toen het INK-visitatieonderzoek werd uitgevoerd door Job Cohen, die ik laatst nog heb gesproken, was er van een vertrouwenscrisis of iets wat daarop wees, nog helemaal geen sprake. Dat is nog niet zo lang geleden. Vervolgens kwam er wel een vertrouwenscrisis. Uit mijn hoofd gezegd was dat in december. Men zei: alle troepen verzamelen, aan tafel! De raad van toezicht heeft toen met iedereen gesproken, ook op het departement en met mij. Daaruit is gekomen dat Vogelzang gevraagd zou worden om een onafhankelijk rapport te schrijven. Dat is prima. Dat is de verdienste van de raad van toezicht. Dat is kanaliserend en baanbrekend geweest voor de oplossing waarop we nu uitkomen. Vanuit mijn verantwoordelijkheid heb ik vervolgens gezegd: we gaan eerst met de Nationale Politie van start. Die keuze is altijd gemaakt. Dat wist de Kamer, dat wist heel Nederland, dat wist de politie. Je kunt er voor of tegen zijn, maar we zouden eerst met de Nationale Politie van start gaan. Daarna zou de positie van de Politieacademie komen. Dat liep niet gelijk op; dat wist iedereen. Daarover bestond onrust op de Politieacademie, maar het waren wel de feiten.

Vogelzang heeft een rapport uitgebracht. Het is echt de verdienste van de raad van toezicht dat hij dit voor elkaar heeft gekregen. Vervolgens heb ik Wallage gevraagd om een advies te schrijven over de toekomstige structuur. Wallage heeft dat in hoog tempo gedaan. We hebben daar per ommegaande op gereageerd en de maatregelen genomen die nodig zijn. Je kunt dan zeggen dat het eerder kon, maar het had ook later gekund. We hebben het gedaan op het moment dat het duidelijk was.

De heer Segers (ChristenUnie): Wat de minister nu zegt, staat enigszins in contrast met de eerste conclusie van Vogelzang. Er staat dat de raad van toezicht en het ministerie van Veiligheid en Justitie onvoldoende effectief zijn geweest in hun reactie op de tekortkomingen zoals genoemd in diverse rapportages. Verder staat er dat het begin van een vertrouwenscrisis binnen de organisatie laat is onderkend. Dat staat toch wel in contrast met wat de minister nu zegt: ach, het had nog wel later gekund; eigenlijk hebben we het best goed gedaan.

Minister Opstelten: Vogelzang schrijft dat; ik heb dat ook gelezen. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Over vertrouwen kun je niet veel discussiëren. Als er geen vertrouwen meer is, moet er een oplossing voor worden gevonden. Tot het moment dat dit werd uitgesproken, hebben wij niet onderkend dat er een vertrouwenscrisis was. Dat was in december. Ook andere onderzoekers hebben dit niet gezien. Er was ook geen sprake van, maar de vertrouwenscrisis kwam er op dat moment. Toen is ingegrepen en is Vogelzang van stal gehaald. Hij heeft toen conclusies getrokken en dat is goed. Daardoor komen wij nu tot een oplossing. Het siert degenen die het aangaat, de leden van het college van bestuur, dat zij geen moment geaarzeld hebben om hun posten vrij te maken. Er was geen minister nodig die hun de wacht moest aanzeggen. Men vindt het prettig om te horen dat dit wel gebeurd is omdat het daadkrachtig is, maar de leden van het college van bestuur hebben dit zelfstandig gedaan omdat zij wisten dat zij ruimte moesten creëren. Wij zijn hier netjes uit gekomen.

De heer Segers (ChristenUnie): De heer Vogelzang zegt dat het ministerie de crisis laat zag aankomen. De crisis had eerder kunnen worden opgemerkt. Daarnaast is het ministerie onvoldoende effectief geweest in de reactie op de tekortkomingen die in diverse rapportages genoemd zijn. Daarbij gaat het niet om vertrouwen, wat een heel vaag begrip is, maar om harde rapportages die op tafel lagen. Daarin is het ministerie tekortgeschoten.

Minister Opstelten: Ik stel hier tegenover wat ik al eerder zei. Dit is over een paar jaar verspreid gebeurd. Telkens was er een inspectierapport en een INK-rapport. Vervolgens is er telkens een verbeterplan geëist en gekomen. Het is opgesteld door het college van bestuur, dat hiertoe was aangezet door de raad van toezicht. Daarna is uiteindelijk de vertrouwenscrisis ontstaan. Wij hebben een structuur met een college van bestuur, een raad van toezicht en uiteindelijk een departement. Wij zitten niet allemaal de hele dag aan dezelfde knoppen te draaien. Dat is ook belangrijk. Je kunt zeggen dat het rapport-Vogelzang duidelijk heeft gemaakt dat er een vertrouwenscrisis was, dat die opgelost moet worden en waar die lag. Degenen die dit aanging, hebben de consequenties hiervan getrokken door ruimte te creëren om nieuwe mensen te laten komen in plaats van hen. De wens was dat dit iemand uit de politie zou zijn. Dat hebben wij meteen gedaan. De betrokkene, de heer Kuijs, is afgelopen maandag tot tevredenheid van iedereen gestart.

Mevrouw Kooiman (SP): Mij wordt niet duidelijk of de minister ziet welke rol hij hierin heeft gespeeld. Vogelzang stelt heel duidelijk dat het ministerie ook onvoldoende effectief is geweest. Hoe ziet de minister zijn rol hierin?

Minister Opstelten: Ik heb net gezegd wat wij hebben gedaan, en op zichzelf is dat juist. De Kamer heeft de verschillende inspectierapporten gekregen en wij hebben erover gesproken. Wij hebben gezegd wat wij hebben gedaan en ook daarover hebben wij gesproken. Dit alles is in een korte periode gebeurd. Wij spreken over een inspectierapport over 2011 en de staat van het onderwijs in 2012. Daarin concludeerde de inspectie dat het beter ging met het onderwijs, maar dat er meer sturing moest komen. Wij hebben iedereen bij elkaar geroepen en gezegd dat wij een verbeterplan wilden. Dat is er gekomen. Vervolgens heeft de visitatiecommissie van de heer Cohen met betrokkenen gesproken en dezelfde zaken gerapporteerd. Vervolgens is er een vertrouwenscrisis vastgesteld. Toen is ingegrepen en hebben wij Vogelzang daarheen gestuurd om dit te bekijken. Zo hebben wij geopereerd. De heer Vogelzang kan dit zeggen, maar ik kan zeggen wat wij hebben gedaan. De raad van toezicht en het departement hebben tijdig geopereerd. Op het moment dat duidelijk was dat er een vertrouwenscrisis was, hebben wij ruimte gecreëerd en onmiddellijk ingegrepen.

Mevrouw Kooiman (SP): Keer op keer hebben wij hierover gesproken. Keer op keer hebben wij aangegeven dat het een bende was. Het heeft zo ver moeten komen dat het helemaal uit de hand liep en dat de ondernemingsraad uiteindelijk aan de bel moest trekken. Ik vind dit nogal gemakkelijk. Ik heb destijds over het visitatierapport van Cohen gezegd dat er behoorlijke opdrachten lagen, ook voor het ministerie. Vogelzang concludeert dat het hier is misgegaan, ook bij het ministerie en de raad van toezicht. Erkent de minister dat? Ik zou dat graag uit zijn mond horen.

Minister Opstelten: Ik respecteer zeer wat de ondernemingsraad heeft gezegd. Die heeft hierover in december een uitspraak gedaan. Toen is daarop meteen geacteerd door de raad van toezicht, ook naar ons toe. Wij hebben de heer Vogelzang toen direct gevraagd om te rapporteren. Daarom hebben wij nu een nieuwe voorzitter van het college van bestuur.

Naar aanleiding van de ernstige bevindingen in het rapport van de Inspectie OOV «Politieonderwijs, kwaliteit afgestudeerden geborgd?» heb ik afspraken gemaakt met de Politieacademie. Een van die afspraken was dat de inspectie medio 2011 een onderzoek zou doen naar de uitvoering van die maatregelen. Dat heeft de inspectie gedaan en daaruit is het rapport uit 2012 voortgekomen. Dit is geen cyclus van tien jaar, maar van twee jaar. Er is telkens in alle scherpte onafhankelijk gerapporteerd. Vervolgens zijn de juiste conclusies getrokken. Dat heeft de Kamer niet gedaan, maar dat heeft het ministerie uiteindelijk gedaan. Daarom hebben wij nu de kans om samen rust te creëren en de Politieacademie sterk en duidelijk te laten sturen. De raad van toezicht zal worden voortgezet. Er zullen twee vacatures worden gevuld met extra mensen. Dat is belangrijk. Als het de zbo-structuur wordt die ik voorsta, is het een kwestie van anderhalf jaar en hebben wij daarna geen raad van toezicht meer. Als het een andere structuur wordt, nadat wij hierover voor de zomer nog een debat hebben gevoerd, kunnen wij bekijken wat wij doen. Volgens het kabinetsbeleid willen wij lichte zbo-structuren en in dezen ben ik het dus niet met Wallage eens. Wij willen geen raad van toezicht meer hebben, maar in feite direct vanuit het departement sturing geven aan en toezicht houden op het college van bestuur.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Ik vind ook dat de minister wegloopt voor zijn verantwoordelijkheid. Vogelzang constateert dat rapport op rapport is geschreven, dat verbeterplan op verbeterplan is ontwikkeld. Het ene verbeterplan werd steeds alweer ingehaald door het andere. Er waren al signalen. Het opzeggen van vertrouwen is het sluitstuk, maar in de aanloop daarnaartoe is er heel veel gebeurd. Wij spreken hierover vandaag niet voor het eerst. Mijn collega Kooiman – ere wie ere toekomt – heeft keer op keer aandacht gevraagd voor de problemen die er waren. Als er zo veel rapporten liggen, wordt er toch gemonitord? Hoe kan het dan dat de raad van toezicht schrijft dat de businesscase sinds juli 2012 bij het ministerie ligt en dat de besluitvorming daarover nog steeds niet heeft plaatsgevonden? Naar mijn idee is er wel degelijk ook bij het ministerie het nodige mis. Ik vind terugblikken altijd wel nuttig, maar wel om daarna vooruit te kunnen kijken. Want als de Politieacademie een nieuwe kans gaat krijgen – ik hoop van harte dat dat nu goed gaat lukken – dan betekent dat wel dat de minister, die die politiepet op zijn eigen hoofd zet, de vinger veel meer aan de pols moet houden. Ziet de minister in dat hijzelf ook wel anders had kunnen acteren?

Minister Opstelten: Ik ben ermee begonnen te verwijzen naar de kennis van nu. Ik wil dit in de goede context zien. Het is de verdienste van Vogelzang – ik ken hem heel goed – dat hij dit zo onafhankelijk, baanbrekend en katalyserend heeft opgeschreven. Daar ben ik hem dankbaar voor. Wel wil ik zeggen dat er geen sprake is van 60 rapporten die het functioneren van de academie betreffen, maar van een stuk of 10. Misschien waren dat er wel te veel. Ik noem het inspectierapport over de locatie Rotterdam uit 2011, de herhaling daarvan in 2013, het inspectierapport «Politieonderwijs, kwaliteit afgestudeerden geborgd?» uit 2010, net voordat ik aantrad, de vierjaarlijkse evaluatie van het politieonderwijs, genaamd De Staat van het Nederlandse Politieonderwijs 2012, de summatieve evaluatie van de POR, het onderzoek naar de bekostiging van het politieonderwijs en -onderzoek uit 2011, het onderzoek naar de bekostiging van het politieonderwijs en de Politieacademie, het adviesrapport van de Businesscase onderwijs, kennis en onderzoek uit 2012, de INK-visitatiecommissie van de heer Cohen, het advies van de heer Vogelzang en dat van de heer Wallage. Nu liggen we op koers. Ik ben me ervan bewust dat met de keuze die ik maak qua opzet, een grotere aap op mijn schouders zit. Dat vind ik ook terecht. Uiteindelijk zal ik nooit weglopen voor mijn totale politieke verantwoordelijkheid voor het proces, die ik wil en moet dragen. Geen enkel misverstand daarover. Ik schuif het niet weg naar de anderen. Wel mag ik op een rij zetten wat er is gebeurd, ik mag zeggen dat we er allemaal bij waren en dat ik de Kamer daarover heb geïnformeerd. We moeten nu vooruitkijken. De korpsleiding in al zijn geledingen en de politiebonden hebben hier allemaal hun eigen ideeën over. Ik hoop dat de or daarin een goede, constructieve rol speelt. Ik ben ervan overtuigd dat dat kan gebeuren. Natuurlijk noem ik ook de nieuwe leiding. De heer Kuijs gaat aan de slag. Er zal nog een tweede man of vrouw worden benoemd die op de onderwijstechnische zaken gaat letten. We maken daarmee ruimte om verder te komen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): De minister wil wel erg snel naar de toekomst toe. Maar als je een rapport laat opmaken met de strekking van het nu voorliggende rapport, dan gaat het om het afleggen van verantwoording. Daar heb ik het nu over. Niet met de kennis van nu, nee, met de kennis van zeker de afgelopen anderhalf jaar. We kunnen de notulen erop nalezen: het is stelselmatig aan de orde geweest en er is door deze commissie stelselmatig aandacht voor gevraagd. Maar wat is er dan met de signalen vanuit deze commissie gedaan? Ik doel niet op het rapport, nee, ik doel op de signalen die al veel eerder kwamen over Rotterdam, de or enzovoorts. Ik accepteer gewoon niet dat de minister wegloopt voor zijn eigen verantwoordelijkheid, een grote sprong voorwaarts maakt en spreekt van een aap op zijn schouder. Dat weten we allemaal wel. Het gaat ook om het afleggen van verantwoording.

Minister Opstelten: Dat ben ik helemaal met u eens. Ik neem de totale verantwoordelijkheid, wat ik ook net heb gezegd. Geen enkel misverstand daarover, dat is duidelijk. Ik heb net die rapporten op een rij gezet, waarvan het grootste deel in mijn periode aan de orde was. We hebben telkens aangegeven wat er moet worden verbeterd, ook na signalen van de kant van de Kamer. Vervolgens is over die verbeterplannen een inspectierapport verschenen. Ik kan alleen zeggen – daarvoor draag ik de verantwoordelijkheid – dat dat onvoldoende effect heeft gehad. Dat is juist. Ik houd er totaal niet van om het eigen straatje schoon te vegen. Ik sta voor al die mensen die het werk hebben gedaan. Ik ben daarvoor verantwoordelijk, en niemand anders. De ingrepen die ik voor iedereen opkomend heb gedaan, hebben onvoldoende effect gehad. Natuurlijk, we zijn niet gek, daar is de Politieacademie me veel te lief voor. Die is ontzettend belangrijk. Maar nogmaals, die ingrepen hebben onvoldoende effect gehad, en dat neem ik voor mijn rekening. Dat is de conclusie die ik trek.

De heer Oskam (CDA): Is dat college van bestuur van de Politieacademie uit zichzelf opgestapt of is het weggestuurd of is er nog een tussenvorm, in de zin dat de minister het college van bestuur heeft gevraagd om op te stappen?

Minister Opstelten: Het college van bestuur heeft vrijwillig de conclusies getrokken uit het rapport-Vogelzang. Het siert het college dat het de ruimte heeft genomen die er ook noodzakelijkerwijs moest zijn. Als je zo'n rapport krijgt waaruit blijkt dat het vertrouwen is gebroken, siert het je als je dan zegt: zo kan ik niet verder. Over vertrouwen kun je van alles vinden, maar als dat er niet is, is het er niet.

De heer Bontes (PVV): Punt is dat je zo'n tien onderzoeken verder bent, voordat je echt weet wat er aan de hand is. Zou dat dan niet kunnen liggen aan de methode die gebruikt is bij de onderzoeken? De minister schermt met het INK-model, maar zo'n model zegt nog helemaal niets over cultuur en vertrouwen. Mijn vraag aan de minister is dan ook wat hij er nu van geleerd heeft. Zou hij de volgende keer weer zo'n heel traject van onderzoeken doen, die eigenlijk niets zeggen en die de dieper liggende oorzaken niet naar boven halen?

Minister Opstelten: We hebben een structuur met betrekking tot de wijze waarop je dit aanstuurt, te weten het tripartiete overleg. Het is niet om mijn straatje schoon te vegen, maar we hebben nu de Nationale Politie. Dat is iets anders. Dus de korpsleiding, het departement en het college van bestuur zitten aan tafel in dat tripartiete overleg. Dat stuurt de zaken aan en daar worden conclusies getrokken. Van tijd tot tijd wil ik onafhankelijk niet alleen van de leiding van de Politieacademie of de Nationale Politie informatie krijgen maar wil ik ook een rapport hebben van de inspectie over hoe het staat met de kwaliteit, en dan gevalideerd. Dat is iets waaraan we dus wel moeten vasthouden. Het gaat dan over de kwaliteit van het onderwijs en van de aansturing. Ik wil dat de targets gehaald worden. De kern van het rapport-Vogelzang is dat er te weinig sturing is geweest. En die sturing moeten we terugbrengen.

De heer Bontes (PVV): Met dit soort zaken haal je dit niet boven water. De minister kan dan waarde hechten aan output en kwaliteit, maar de onderliggende oorzaken zoals de machtsstrijd en het gebrek aan vertrouwen, haal je niet naar boven met die onderzoeksrapporten en zeker niet met het INK-model. De hele politie vaart blind op dat model, evenals de Politieacademie, terwijl het duidelijk omissies kent op dat gebied. Gaat de minister er nu voor zorgen dat hij niet voor de tweede keer in zijn eigen mes loopt?

Minister Opstelten: Het is op zichzelf goed de vraag te stellen door wie je de onderzoeksmethodiek laat bepalen. Onze eigen inspectie is er in ieder geval belangrijk in. Dat betreft ook de methodiek die straks in de wet zal worden opgenomen. Verder vind ik het heel belangrijk dat we nu het vertrouwen geven aan de nieuwe leiding. De nieuwe leiding die het vertrouwen heeft van de ondernemingsraad en de Nationale Politie en die groot gezag heeft, gaat het nu opbouwen. De nieuwe leiding heeft natuurlijk ook mijn vertrouwen voor de volle honderd procent. We moeten haar nu de ruimte geven en ik ben er ook van overtuigd dat ze in staat is om dit voor elkaar te krijgen. Het rapport-Vogelzang heeft voor de korte termijn aangegeven wat er moest gebeuren. Niet een interim--leiding, maar direct de definitieve leiding aanwijzen. Dat hebben we gedaan met de steun van iedereen; alle lichten staan op groen. Nu is het van belang dat je voor de langere termijn even rust creëert. De Kamer heeft mij gevraagd om een aantal varianten die zij zelf heeft ingebracht, nog eens goed op een rij te zetten. Ik ben daar gaarne toe bereid. Er is ook gesproken over een Politieacademie-actieprogramma. Dat zou je er in kunnen verwerken maar dan moet je de nieuwe leiding daarvoor wel even de ruimte geven, want die zal dat uiteraard in de eerste plaats moeten gaan bekijken. Ik zou nu overigens niet al die varianten met u willen doornemen. Geef mij de ruimte om dat debat veel scherper en zorgvuldiger te voeren. Ik heb wel zes varianten gezien die bedoeld zijn om het politieonderwijs te verbeteren. Ik neem die zeer serieus en zal ze ook meenemen. Ik ben een overtuigd aanhanger van het accreditatiemodel, omdat ik het gewoon voor het gezag en het aanzien van de Politieacademie ongelofelijk belangrijk vind dat het zo gebeurt. Wellicht zal een vorm waarbij sprake is van een nog sterkere relatie met de Nationale Politie echter niet kunnen omdat je de accreditatie daarvoor niet voor elkaar krijgt, maar dat neemt niet weg dat ik er goed naar wil kijken omdat mevrouw Berndsen mij aangeeft dat het wel kan. Ik ga dat dus gewoon goed bekijken. Natuurlijk zal ik ook kijken naar het door de heer Dijkhoff aangevoerde stichtingsmodel. Verder denk ik aan de punten die de heer Marcouch heeft genoemd. Ik heb aandachtig geluisterd naar het debat maar ik meende te moeten constateren dat niet iedereen het over hetzelfde had maar dat u allen veel dichter bij elkaar ligt dan ogenschijnlijk bleek. Dat betreft dan onder meer de kwestie van de zijinstroom, het voor de klas krijgen van de beste experts en de relatie met het gewone onderwijs. Ik sta voor een heel sterke Politieacademie. Ondanks hetgeen er gebeurd is, heeft de Politieacademie gezag in ons land en dat moeten we vasthouden.

De heer Marcouch (PvdA): De minister vraagt in feite om de nieuwe leiding de ruimte en de tijd te geven om dit alles in te vullen. Begrijp ik goed dat de minister hiermee zegt dat de nieuwe leiding ook gaat kijken naar de inhoud van het onderwijs en daarmee ook naar al die lectoraten en onderzoeken, dus naar de academie als universiteit, zodat we op termijn een visie krijgen op het politieonderwijs?

Minister Opstelten: Absoluut. Ik noem daarbij bijvoorbeeld het punt van de kortere opleiding, waarover de heer Bontes heeft gesproken. Het is de intentie om de opleiding korter te maken. Sommige leden hebben gezegd dat de academie te elitair is. Ik herken dat niet, maar dat neemt niet weg dat ik ook dat punt wel tegen het licht wil laten houden. Het gaat dus om een betere balans tussen de kwaliteit van het echte onderwijs, dat de basis is voor de politie, en het niveau van het onderzoek en de relatie met de Politieonderwijsraad. Die relatie moeten we er wel keihard in houden. Dat betekent dat iemand als Tops, die zich terugtrekt uit het college van bestuur, gelukkig wel bereid is om zijn kwaliteiten in een andere functie in de Politieacademie te laten zien. Hij krijgt daarvoor van mij ook de ruimte, maar dat is in de definitieve vorm straks niet meer als lid van het college van bestuur, zoals hij zelf ook heeft gezegd.

De heer Bontes (PVV): Na alle ernstige zaken die hebben plaatsgevonden, moet je één ding niet doen, namelijk de bestaande machthebbers laten zitten op de academie. Dat geldt zowel voor de huidige functie als voor een andere functie. Als een agent op straat niet goed functioneert, heeft hij een probleem, komt er een disciplinair onderzoek en wordt hij misschien ontslagen. Geef dat soort lui, dat daar de fouten heeft gemaakt, geen nieuwe kans! Nu wordt er weer een soort baan gecreëerd, want «we proberen hem toch te behouden». Ik zou tegen de minister zeggen: maak schoon schip!

Minister Opstelten: Ik denk dat dat niet juist is. Dat wordt ook niet gedeeld. Ik zeg dit bewust, want het is goed dat die functie op een andere manier gepositioneerd wordt in de Politieacademie. Het gaat dus niet om dezelfde positie. Het is juist goed dat hijzelf die conclusie heeft getrokken en straks, wanneer er een nieuwe tweede man of vrouw komt, geheel vrijwillig afscheid neemt om vervolgens op een andere positie zijn werk te kunnen doen. Het is heel onverstandig om allerlei mensen nu te laten vertrekken van wie het vertrek niet goed zou zijn, want er moet natuurlijk een bepaalde kwaliteit worden gehandhaafd. Er moet ook geen grote leegloop plaatsvinden. Daarom zeg ik dat.

De voorzitter: Uw laatste opmerkingen hebben veel vragen bij de leden opgeroepen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Ik heb geen vraag over de laatste opmerking van de minister, maar eigenlijk over de toezegging die hij eerder deed naar aanleiding van alle opmerkingen over het onderwijs als zodanig. Ik wil het graag heel duidelijk hebben: ik hoop niet dat de minister hier toezegt dat het onderwijsstelsel als zodanig gaat veranderen. Als we nog meer onrust willen hebben, moeten we dat boven de markt laten hangen. Dat vraag ik maar even, want ik vond dat dit niet helder werd geformuleerd.

Minister Opstelten: Ik ben blij met die vraag van mevrouw Berndsen, want dat ben ik nou juist niet van plan. Ik wil echter wel de ruimte hebben om te luisteren naar de opmerkingen die door de commissie zijn gemaakt, om daar in een nota op terug te komen en om dus even wat afstand te nemen. Het is duidelijk waar ik sta. Daar zijn een paar opmerkingen over te maken. Ik deel voor een groot deel het standpunt van het onderzoek-Wallage, maar het stelsel ga ik niet veranderen. Wat mij betreft, blijft het duale stelsel.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Oké. Ik wil de bestuurlijke organisatie en het politieonderwijsstelsel niet door elkaar halen.

Minister Opstelten: Zeker, daar hebt u gelijk in. Daar moeten we mee uitkijken, maar dat gebeurt gauw in een debat. Daarom is het goed dat u mij scherp houdt en even corrigeert. Daar ben ik u erkentelijk voor, want dat is juist.

Mevrouw Kooiman (SP): Bij mij blijft het punt van de verantwoordelijkheid van de raad van toezicht hangen. Mogelijk gaat de minister daar nog op in, maar je bent er natuurlijk niet met het vervangen van één poppetje. De minister zegt terecht dat hij aanbeveling na aanbeveling heeft gedaan omdat hij na elk rapport verbeteringen wilde doorvoeren, maar dat daar onvoldoende toezicht op is gehouden. Dan is er iets mis. Ik snap echt niet waarom de minister daar zo gemakkelijk overheen stapt. De minister zegt dat hij verantwoordelijk is. Dat getuigt van lef en ik ben hem erkentelijk voor het feit dat hij dat toegeeft, maar wat gaat hij dan doen met de raad van toezicht?

Minister Opstelten: Ik heb dat een paar keer gezegd. Uiteindelijk ben ik natuurlijk helemaal verantwoordelijk. Daar kunt u mij op aanspreken. Ik vind dat de raad van toezicht als zodanig zijn verantwoordelijkheid op de juiste momenten heeft genomen. Dat wil ik echt zeggen. Je kunt heel veel spreken over raden van toezicht, maar een raad van toezicht is geen college van bestuur. De raad van toezicht moet ingrijpen wanneer er geen vertrouwen in een college van bestuur meer is. Dat heeft de raad van toezicht direct gedaan. Wij hebben dat ook direct gesteund en daar is «Vogelzang» uit gekomen. Daarom hebben we met elkaar een aantal conclusies kunnen trekken en is er nu een nieuwe leiding, met de steun van andere partners in de Politieacademie. Dat is mede te danken aan de raad van toezicht. Ik kan nog meer zeggen over de raad van toezicht, maar ik vind het wenselijk dat de raad van toezicht zijn positie behoudt en zijn werk blijft doen. Wat dat betreft, is het belangrijk om het college van bestuur, dat het hiermee eens is, nu de ruimte te geven, zodat er met de nieuwe man en met de nieuwe leiding, met de OR en de raad van toezicht, genormaliseerde verhoudingen zijn waarbij iedereen alleen de toekomst van de Politieacademie voor ogen heeft.

Mevrouw Kooiman (SP): Wanner de raad van toezicht ons een brief stuurt waarin staat dat de raad zich niet volledig herkent in het rapport van Vogelzang, maak ik mij ernstige zorgen. Wanneer zelfs de minister zegt dat hij destijds keer op keer een rapport heeft gekregen en aanbevelingen heeft gedaan en dat de raad van toezicht heeft gefaald in het toezicht, gaat er iets mis. Ik zou dus graag willen weten of de raad van toezicht voldoende draagvlak heeft, bijvoorbeeld bij de ondernemingsraad en bij de bonden. Dat vind ik heel belangrijk.

Minister Opstelten: Iedereen kan een mening hebben over wat men wil, maar ik heb het vermoeden dat ook de organisatie binnen de Politieacademie wil dat er nu in de normale verhoudingen gewerkt gaat worden en dat er daarvoor ruimte is, los van allerlei andere posities die men eerder misschien heeft ingenomen. Ik heb de stellige indruk dat er nu voor de raad van toezicht ruimte is om met een nieuw college van bestuur en met de ondernemingsraad zaken te doen in het belang van de Politieacademie. Het is heel belangrijk dat wij daar nu aan werken. Ik ben natuurlijk wel voornemens om in mijn voorstellen de raad van toezicht als instituut over anderhalf jaar te schrappen en om dit zelf op mijn nek te nemen, maar daarvoor moet eerst een wet gewijzigd worden. Anders kan dit niet. Volgens de huidige wet is de raad van toezicht nodig. Het lijkt mij niet juist en het lijkt mij onterecht om de raad van toezicht nu te vervangen en daar voor anderhalf jaar volkomen nieuwe mensen in te zetten. Dat lijkt mij niet nodig en niet goed. We gaan de raad van toezicht aanvullen met twee nieuwe mensen. We gaan goed en functioneel bekijken hoe wij die vacatures in overleg met de ondernemingsraad en natuurlijk ook met het college van bestuur kunnen invullen met mensen die wij door hun kwaliteiten nodig hebben.

De heer Segers (ChristenUnie): Toch nog eens de vraag van mevrouw Kooiman, die ik in de eerste termijn ook heb gesteld: heeft de raad van toezicht het vertrouwen van de ondernemingsraad en de bonden? Daar ben ik nog wel benieuwd naar.

Minister Opstelten: Ik spreek natuurlijk nooit over dat soort vragen, maar ik heb stellig de indruk dat er ook bij de bonden en de ondernemingsraad bereidheid is om in de nieuwe situatie met elkaar de verhoudingen te normaliseren. Daar gaat het om, dat is mijn impressie. Ik vind dit heel belangrijk en wij moeten dit niet verstoren.

De heer Bontes heeft gevraagd of er niet te veel geld wordt uitgegeven aan onderzoek en of het onderzoek niet te zwaar is opgetuigd. Ik heb daarover al het nodige gezegd. Wij zullen daar goed naar kijken. Als zodanig is dit volgens mij niet het geval, maar ik wil het goed scherp in beeld brengen. Hoe wij dit organiseren, staat in de brief en dat is duidelijk. De Politieacademie is ten dele gericht op de onderwijsfunctie en op lectoraten en daarnaast op toegepast wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de politie. Daarbij wordt ook onderzoek uitbesteed aan universiteiten en andere onderzoeksinstituten. Daar wordt natuurlijk ook gebruik van gemaakt; dat kan. Wij zullen dit wel concentreren.

Voor wetenschappelijk onderzoek door de Politieacademie is in 2013 7,68 miljoen beschikbaar gesteld. De Politieacademie heeft door het huidige en het vorige kabinet forse taakstellingen gekregen voor de komende jaren. Ik denk dat dit weleens wordt vergeten. Het is een moeilijke situatie. De kennis- en onderzoekbudgetten lopen hierin mee. Er ligt dus al een taakstelling op het terrein van kennis en onderzoek.

De heer Oskam heeft gevraagd of de Kamer de businesscase krijgt. Hij vraagt wat hiermee is gebeurd. Verder heeft hij gevraagd naar de taakstelling op de Politieacademie. Medio vorig jaar is een businesscase onderwijs, kennis en onderzoek opgeleverd. Dit onderzoek heeft adviezen opgeleverd over de inbrenging van de Politieacademie in het bestel van de Nationale Politie en over de bezuinigingsmaatregelen van de kabinetten-Rutte I en II. De adviezen over het nieuwe bestel zijn opgenomen in mijn beleidsreactie.

De adviezen over de besparingen zijn verwerkt in het budgettaire kader van zowel de Politieacademie als de Nationale Politie. Bij de Nationale Politie is 30 miljoen ingevuld, onder andere door een andere vorm van trajectbegeleiding, geen dubbele interne opleidingen meer bij de Nationale Politie, betere vraagstelling en personeelsplanning, en geen wetenschappelijk onderzoek meer door de Nationale Politie. Bij de Politieacademie is 15 miljoen ingevuld door een veelheid van maatregelen: geen extra examenopslag meer, bekostiging van daadwerkelijke uitval, herijking van prijzen door vergelijking met het regulier onderwijs en een efficiëntere inzet van het loopbaanbudget. Ik ben bereid deze punten ook in de brief mee te nemen. Zo ontstaat er zicht op een meerjarig budgettair kader en hoe wij dat hebben ingevuld.

De heer Marcouch (PvdA): Ik ga terug naar het begin van dit punt in het betoog van de minister. Hij zegt dat er een taakstelling is voor het onderdeel wetenschappelijk onderzoek, dus al die leerstoelen en lectoraten. Ik ben overigens van mening dat die gewoon op de universiteiten thuishoren. Is dit een onderdeel van de brief die wij nog van de minister ontvangen? Het woord «taakstelling» is een beetje vaag.

Minister Opstelten: Zeker. Ik zal dit meenemen in de brief die de Kamer voor de zomer zal ontvangen. Ik zal daarin ook de nieuwe leiding van de Politieacademie meenemen. Ik zal haar visie vragen en die in de brief opnemen. Ik zal daarin ook de visie van de Nationale Politie duidelijk laten doorklinken. Dit zal herkenbaar gebeuren.

De heer Oskam (CDA): Ik wil niet flauw doen, maar begrijp ik goed dat van de 50 miljoen die kan worden bezuinigd, 45 miljoen weer ten gunste van de politie komt? De vraag is wat er dan met die andere 5 miljoen gebeurt. Weet de minister zeker dat dit geld niet in de algemene middelen is gestopt?

Minister Opstelten: Ik heb gezegd dat dit de taakstelling is van Rutte I en II. Punt! Dit geld gaat niet in de algemene middelen, het is gewoon een taakstelling.

De heer Oskam (CDA): Dat begrijp ik wel, maar dan wordt er bezuinigd en waar gaat dat geld dan heen? Dat is gewoon de taakstelling? De minister zegt dat die 30 miljoen weer naar de politie is gegaan.

Minister Opstelten: Het bedrag van 30 miljoen is de taakstelling voor de Nationale Politie. Dit is binnen de Nationale Politie gevonden. Ik heb al aangegeven op welke manier. Het bedrag van 15 miljoen wordt binnen de Politieacademie gevonden. Ik heb ook aangegeven waar, zij het in hoofdlijnen. Ik zal dit in die brief meenemen. Ik wil de nieuwe leiding de ruimte geven, hier nog eens goed naar te kijken.

De heer Segers heeft een voor mij prettige vraag gesteld, namelijk of ik er vertrouwen in heb dat het goed komt in Rotterdam. Het antwoord op die vraag is in het algemeen «ja». Hij doelde natuurlijk op de locatie van de Politieacademie. Zoals ik al eerder heb gezegd, laat ik mij periodiek informeren over de voortgang. Ik ben niet de enige die dit volgt. Ook de bonden volgen de voortgang. Zij doen hiervan uitgebreid verslag, bijvoorbeeld op hun websites. De signalen die ik ontvang, zijn goed. Zoals al gezegd, is het nu belangrijk om samen te werken aan het goede onderwijs. Dit geldt natuurlijk niet alleen voor de locatie Rotterdam maar voor alle locaties.

De heer Oskam heeft nog gevraagd hoe ik de managementkracht bij de Politieacademie concreet zal versterken. Ik heb al gezegd dat ik blij ben met de komst van de nieuwe leiding. Nu de heer Kuijs voorzitter is geworden, kunnen wij met spoed een goede plaatsvervanger zoeken met onderwijservaring. De nieuwe leiding zal met kracht de aanbevelingen van de heer Vogelzang uitvoeren. Een van de aanbevelingen die de heer Vogelzang bij mij aan tafel heeft gedaan, was op zo kort mogelijke termijn een nieuwe leiding te vinden die uit de politie komt en die in de politie gezag heeft, ook in het politieonderwijs als zodanig. De vraag over de verdere aansturing leg ik dus daar neer. Daar ligt de verantwoordelijkheid. Wij hebben daar goed over nagedacht en wij hebben daar met de nieuwe leiding over gesproken. Er is veel vertrouwen dat zij dat gaat doen.

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. Toch nog even heel concreet.

De voorzitter: U hebt uw twee interrupties verbruikt. Ik heb u zelfs wat meer gegund. Het houdt nu op.

Minister Opstelten: Er is nog gevraagd welke afspraken met de ondernemingsraad zijn gemaakt. Met de ondernemingsraad van de Politieacademie en de vakorganisaties is afgesproken dat de raad van toezicht, het college van bestuur en de ondernemingsraad gezamenlijk afspraken zullen maken over de onderlinge verhoudingen en samenwerking tot aan de wetswijziging. Dan komt er een nieuwe structuur. De ondernemingsraad zet al zijn bezwaren tegen de zbo op een rij. Ik zal die bezien en ik zal ze meenemen in de reactie aan de Kamer.

Diverse woordvoerders hebben gevraagd of ik ervan overtuigd ben dat het nu goed gaat. Er zijn twee basisvragen. De eerste is: heb ik mijn verantwoordelijkheid genomen? Daarop zeg ik ja. De tweede vraag is: zijn alle maatregelen die destijds zijn voorgesteld, altijd goed ingevoerd? Daarop heb ik gezegd: nee. Dat is de conclusie en ik draag daarvoor uiteindelijk de verantwoordelijkheid. Ik ben er echt van overtuigd dat wij, met de discussie die wij nu voeren, met de rapporten van Vogelzang en Wallage in de hand en met de interventies en de grote betrokkenheid van de Kamer, een enorm goede kans maken dat dit nu goed gaat lopen. Ik zal mij daarvoor met mijn hele gewicht inzetten en ben daarop vanzelfsprekend zeer aanspreekbaar. Behalve de brief die voor de zomer komt, zeg ik ook toe dat ik de Kamer tweemaal per jaar een voortgangsrapportage zal toezenden over het functioneren van de Politieacademie en de kwaliteit van het onderwijs.

Hoeveel kost het vertrek van de heer Van Baal? Ik zeg: dat kost niets, want hij gaat gewoon weg. Laat ik het zo zeggen. De heer Van Baal gaat formeel per 1 september weg. Dan is hij weg en dat kost verder niets. Zo simpel is het natuurlijk. De heer Van Baal heeft een dienstverband tot 1 september, maar zijn functie van voorzitter van het college van bestuur is nu vergeven aan de heer Kuijs. Per 1 september valt de heer Van Baal formeel buiten bezwaar van 's Rijks schatkist.

Ik ga ten slotte in op het punt dat mevrouw Kooiman naar voren bracht. Ik hecht er zeer aan om netjes met mensen om te gaan. Wat er op de website heeft gestaan nadat de heer Van Baal zijn verantwoordelijkheid had genomen, is wat wij ook vonden. Er kunnen allerlei dingen niet goed zijn gegaan en het vertrouwen kan zijn weggevallen. Dat is zo, maar er is ook heel veel gebeurd. In een langdurig dienstverband bij de Politieacademie heeft hij grote verdiensten gehad. Ik vind het juist dat wij dat dan ook laten weten.

De voorzitter: Dank u wel, mijnheer de minister.

Daarmee is er een einde gekomen aan de beantwoording door de minister in eerste termijn. Ik constateer dat er behoefte is aan een tweede termijn. De spreektijd is twee minuten en ik sta één interruptie toe.

Het woord is aan de heer Bontes van de PVV

De heer Bontes (PVV): Voorzitter. Er zijn grote fouten gemaakt en er zou een zware sanering op moeten komen. Er vertrekt nu maar één bestuurder, maar volgens mijn informatie vertrekken er meer mensen. Er zijn onlangs contracten verlengd, die afgekocht moeten worden. Is de informatie volledig dat alleen de heer Van Baal aftreedt? Nogmaals, ik hoor andere dingen. Is het niet te schraal, gelet op zo'n groot cultuurprobleem, als alleen de bestuursvoorzitter aftreedt? Ga je daarmee een heel nieuwe cultuur creëren? Daar hebben wij het in feite toch over. Er is jarenlang voortgemodderd. Wij weten toch allemaal hoe het werkt als je alle oude mensen laat zitten, ook al is het in andere posities en functies? Die gaan toch weer hun invloed gebruiken, en voordat je het weet zit je weer in de oude situatie. De actie die nu wordt ondernomen, komt eigenlijk alleen maar neer op het vervangen van één bestuurder. De tweede blijft daar rondlopen met een andere pet op. Ga je met het vervangen van die ene pet dit grote probleem tackelen? Ga je daarmee een cultuurverandering realiseren? Ik plaats daar echt vraagtekens bij. Volgens mij moet er veel zwaarder worden ingegrepen in alle elementen van leiderschap of management of hoe je het ook wilt noemen, om dit te tackelen. De minister zegt: ik neem mijn verantwoordelijkheid voor het verleden, maar geef mij het vertrouwen voor de toekomst. Ik ben daar echter niet gerust op. Ik zou de minister dan moeten geloven op zijn blauwe ogen, maar als ik kijk naar mijn eigen werkervaring, de politie en de Politieacademie kennende, heb ik er een hard hoofd in dat één man daar een totaal nieuwe cultuur gaat neerzetten. Ik zeg dat in relatie tot de Nationale Politie, de studenten en de discipline. Ik plaats er grote vraagtekens bij.

De heer Dijkhoff (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoorden. Ik begrijp de behoefte die ik bij de heer Bontes voel. Er is veel gebeurd, en dat is niet zomaar gerepareerd. Aan de andere kant denk ik: als Kamerlid kan ik het niet allemaal vanuit hier gaan managen. Ik denk wel dat het signaal vanuit de Kamer en vanuit mijn fractie duidelijk is dat het niet iets is in de trant van: wij laten even een paar mensen in een andere functie plaatsen en dan gaan wij gewoon weer verder. Volgens mij is de minister zich daarvan ook terdege bewust. Ik waardeer ook de mate waarin hij de geluiden uit de Kamer serieus neemt, waar het gaat om de structuur. Daar komen wij zeker nog op terug. Als je eenmaal een goed voorbereid besluit hebt genomen dat breed wordt gedragen, kan voor de nieuwe bestuurders de rust ontstaan om de boel weer op orde te brengen en ervoor te zorgen dat de mensen die bij de Politieacademie werken zich kunnen concentreren op datgene waar het om gaat, namelijk het opleiden van goede agenten.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. Ook ik dank de minister voor de beantwoording. Wat mij betreft is dit een eerste debat geweest over de bestuurlijke organisatie. Ik ben blij met de toezegging van de minister dat hij met een brief komt en dat wij er voor het zomerreces nog een keer nadrukkelijk met elkaar over gaan praten. Dan kunnen wij alles op een rijtje zetten. De heer Oskam en ik zullen samen in de procedurevergadering om een hoorzitting vragen, zodat wij ons kunnen oriënteren op de mogelijkheden en onmogelijkheden. De toezegging van een rapportage, twee keer per jaar, over de Politieacademie lijkt mij prima. Dan neemt de minister ons ook mee in het proces.

Een cultuurverandering is iets heel hardnekkigs. Ik denk dat het heel belangrijk is dat de totale top wordt vernieuwd. Ik heb er vertrouwen in dat er goede stappen voorwaarts kunnen worden gezet en dat de minister ons daarover goed zal informeren.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. De minister sprak mij aan over mijn opmerking over Van Baal. Als je een bende achterlaat, vind ik dat niet iets om trots op te zijn. Dat wil ik toch gezegd hebben. Keer op keer heb ik hier in verschillende debatten gewezen op de bende bij de Politieacademie. Ik ben blij dat de minister nu erkent dat er fouten zijn gemaakt. Dat komt mij echter wat te laat. Ik ben blij dat de minister vooruit wil kijken, maar ik blijf hangen op het het punt dat je het probleem niet oplost door één poppetje te vervangen in de organisatie. Geeft de minister de nieuwe bestuurder dan ook het mandaat om schoon schip te maken en de bezem er doorheen te halen? Het gaat erom dat er een structuurverandering op gang komt en dat er eventueel ook andere mensen kunnen volgen, als zij een probleem vormen.

Wat betreft de raad van toezicht, vind ik het lastig dat de ondernemingsraad die rol heeft moeten spelen en er uiteindelijk een vertrouwenskwestie van heeft moeten maken. Ik wil echt antwoord op mijn vraag waar de oude bestuurders, Van Baal en Tops, gaan werken en welke ontslagvergoeding zij eventueel meekrijgen. Als ik daar geen goed antwoord op krijg, vraag ik bij dezen een VAO aan.

De heer Segers (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik onderschrijf de vraag van de heer Bontes over de rapporten. De minister komt tot tien rapporten die op tafel hebben gelegen. Dat is een indrukwekkend aantal. Er is gebleken dat het toezicht faalde. Er staat echter maar één nieuwe leider aan de top. De vraag is of daarmee het lek is gedicht. Ik hoor zeggen dat het er twee zijn, maar de heer Tops blijft in de organisatie. Er is maar één echte nieuweling binnen de leiding van de Politieacademie en er komt een tweede aan. Is zij daarmee gered?

Ik heb ook nog een vraag over de benoeming, die ik vergeten ben in de eerste termijn te stellen. De minister was heel snel met het benoemen van een nieuwe topman. Moet zo'n benoeming echter niet via een algemene bestuursdienst plaatsvinden? De minister heeft dat rechtstreeks gedaan. Ik meen echter dat er een convenant is waarin daar een nette procedure voor is afgesproken.

De impressies over de mate van vrijwilligheid waarmee de heer Van Baal is opgestapt verschillen. Dat laat ik verder rusten, net als het vertrouwen in de raad van toezicht. Wij moeten inderdaad nu vooruit gaan kijken. Ik dank de minister voor zijn toezegging dat hij een brief zal sturen waarin alles op een rij wordt gezet zodat wij het rustig kunnen doorspreken.

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. Ik heb geen reactie gekregen op mijn opmerking dat de politiebonden het breder trekken, dat zij zich zorgen maken over het gedoe bij de Politieacademie en denken dat het consequenties heeft voor de opsporing. Heeft de minister die geluiden ook gehoord en, zo ja, kloppen die?

Ik heb ook gevraagd om concreet aan te geven hoe het management wordt verstevigd. De minister heeft gezegd dat Leon Kuijs komt en dat die leiderschap brengt. Dat herken ik wel. Dat is heel goed. De tweede nieuwe persoon, man of vrouw, gaat zich bezighouden met onderwijs. Dat is natuurlijk ook nodig op de Politieacademie. Daar zit echter niet de pijn. De pijn is dat het organisatorisch een puinhoop is. Mijn vraag is of er ook nog iemand komt die de Politieacademie organisatorisch een boost gaat geven.

De hoorzitting, die mevrouw Berndsen ook al aankondigde, gaat er vast komen. Wij willen weten wat een verstandige keuze is in de positionering. Mijn vraag aan de minister is of hij bereid is om te wachten met vervolgstappen wat betreft de positionering tot die hoorzitting heeft plaatsgevonden. Wij willen daar overigens wel haast mee maken. Het is ook maar net – dat is het mooie van deze casus – op welke plek je zit. Leon Kuijs zat in de korpsleiding. Als je hem twee weken geleden had gevraagd waar de Politieacademie moest komen, had hij gezegd: bij mij. Nu is hij voorzitter van het het college van bestuur en krijgen wij waarschijnlijk hetzelfde antwoord, maar vanuit een andere hoedanigheid. Daarom is het echt goed en belangrijk om iedereen die betrokken is bij goed politieonderwijs daarover te bevragen. Uiteindelijk is het natuurlijk de minister die beslist. Dat begrijp ik heel goed.

De heer Marcouch (PvdA): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen en zijn toezeggingen. Er zijn inderdaad heel veel rapporten verschenen. Er zijn echter uiteindelijk twee belangrijke onderzoeken waaruit blijkt dat het – dat heeft de minister goed opgepakt – nodig is om heel diepgaand te kijken wat er aan de hand is. Aan de hand van die twee rapporten, van Vogelzang en Wallage, wordt er nu een verbetertraject ontwikkeld. Zowel de onderzoekers als de minister constateren dat blauw in de academie heel erg belangrijk is. In die zin wil ik de heer Kuijs feliciteren met zijn benoeming en hem heel veel succes wensen. Ik heb begrepen dat de minister heeft toegezegd dat in de brief die wij voor de zomer krijgen niet alleen naar de organisatie van de academie wordt gekeken, maar ook naar het blauw. De kernopdracht van de academie is immers het opleiden van excellente agenten die van belang zijn voor de bestrijding van de misdaad. Er is maar één instituut dat dit kan, namelijk de Politieacademie. Wat ons betreft moet de academie vooral een politieopleidingsinstituut zijn en geen verkapte mbo-, hbo- of wo-opleiding. Wat mij betreft moet de academie terug naar de kernopdracht.

De voorzitter: Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van de tweede termijn van de Kamer. Ik zie dat de minister meteen kan antwoorden.

Minister Opstelten: Voorzitter. Ik dank de leden voor hun inbreng in tweede termijn en voor hun, naar mijn gevoel, heel constructieve benadering vanuit hun verschillende invalshoeken.

Ik begrijp wat de heer Bontes zegt. De kern van wat wij nu doen, is de kern van het advies van Vogelzang. Er komt een nieuw college. Je moet toch enige sturing hebben. De heer Kuijs zal zo snel mogelijk, samen met ons, moeten bekijken wie de tweede man of vrouw wordt in de raad van toezicht. Wij hebben altijd eerst nummer één en dan nummer twee. De nummer één bepaalt mede wie de nummer twee wordt. Dat gaat gebeuren.

In reactie op mevrouw Kooiman zeg ik dat de heer Kuijs een groot mandaat krijgt, een totaal mandaat. Anders had hij het niet gedaan. Ik heb het hem niet gevraagd, maar hem kennende zou hij het niet gedaan hebben. Hij moet echt een totaal mandaat hebben om de maatregelen te nemen die naar zijn mening noodzakelijk zijn en om daar steun voor te vinden. Daar heeft hij alle ruimte voor. Geef hem dan ook de ruimte om dat te doen en steun hem. Dat betekent, zo zeg ik tegen de heer Bontes, bijvoorbeeld minder managementlagen. De trap moet van bovenaf worden schoongeveegd, door de leiding. Die uitdaging heeft hij nu en die positie krijgt hij ook.

Hiermee heb ik volgens mij ook de vraag van mevrouw Kooiman beantwoord. Ik wil nog opmerken dat de heer Tops ook weggaat. Die blijft functioneel wel in positie, maar niet in het bestuur. Hij zit niet meer in de leiding. Hij heeft een aparte positie. De heer Kuijs zal medebepalen hoe hij die wil hebben. Ik weet dat hij het zeer op prijs stelt als er een positie gevonden kan worden die past bij de kennis en de vaardigheden van professor Tops. Wij geven het college van bestuur de ruimte om dat te doen.

Mevrouw Kooiman vroeg naar regelingen en salarissen. De heren Van Baal en Tops krijgen – ik kan het niet anders zeggen – hun salaris zo lang zij in dienst zijn. Per 1 september is het feitelijke dienstverband met de heer Van Baal formeel afgelopen. Daarna krijgt hij geen salaris meer, punt. Er zijn dus niet allemaal aparte regelingen getroffen, vertrekregelingen of iets van dien aard. Die komen er bij mij niet door. Zo is het en niet anders. Ik kijk nog even nadrukkelijk naar mijn ambtenaren en zie dat zij dit bevestigen.

Mevrouw Berndsen (D66): Toen de minister sprak over de raad van toezicht schoot mij te binnen dat formeel de minister niet benoemt, maar de raad van toezicht. Althans, nu er nog een raad van toezicht zit. In ieder geval moet de nieuwe leiding, het college van bestuur, samenwerken met de raad van toezicht. Dat kan alleen als de raad van toezicht ingestemd heeft met het nieuwe college van bestuur, anders wordt het natuurlijk heel ingewikkeld.

Minister Opstelten: Alle geledingen in de Politieacademie zijn voorstander geweest van de benoeming van de heer Kuijs. Ze zijn ook voorstander van de structuur waarin er naast de heer Kuijs een plaatsvervanger komt die onderwijskundige bekwaamheden heeft. Natuurlijk zal er aan iedereen advies worden gevraagd, zoals we dat in dit land normaal gesproken doen bij dit soort benoemingen, voordat er een kroonbenoeming zal plaatsvinden. Natuurlijk moet het streven zijn dat de neuzen dezelfde kant op staan, want dan pas maak je slagen en krijg je een leiding die iedereen gewild heeft. Daar gaat het in dit verband om.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik ben blij dat de minister openheid van zaken geeft over de ontslagvergoedingen en de vertrekregelingen en dergelijke. Ik heb gevraagd, samen met andere collega's, waar de leden van het oude college van bestuur mogelijk terechtkomen in de politieorganisatie. Dat is misschien moeilijk te zeggen omdat er nog gezocht wordt, maar kan de minister toezeggen dat hij dit meeneemt in zijn brief?

Minister Opstelten: Ik begrijp de vraag niet zo. De heer Van Baal zal per 1 september vertrekken. De heer Tops zal ook zo snel mogelijk uit het college vertrekken en dan in overleg met de heer Kuijs bekijken wat de positionering is van zijn nieuwe functie, die helemaal gericht is op onderzoek en wetenschap. Dat is natuurlijk ook de leest van professor Tops, niet als lid van het college van bestuur.

Mevrouw Kooiman (SP): Begrijp ik goed dat de heer Van Baal niet meer terugkomt in de politieorganisatie?

Minister Opstelten: Hij neemt per 1 september afscheid van de Politieacademie. En dat is het. Dat zijn de feiten.

In reactie op de heer Segers zeg ik dat de benoeming van de heer Kuijs in alle zorgvuldigheid gedaan is. Het is wel snel gegaan. De ABD kan heel snel werken en is daarbij betrokken geweest. Laat daar geen misverstand over bestaan.

De heer Oskam sprak over de signalen van de bonden over de opsporing. Die zijn bekend. De School voor Recherche heeft natuurlijk ook specifieke aandacht. Dit moet namelijk op het kwalitatief hoogste niveau gebeuren. Dat signaal herken ik. Het spijt me dat ik dat in eerste termijn ben vergeten.

Ik denk dat ik voldoende heb gezegd over de organisatie. Het vertrouwen gaat nu naar het nieuwe college van bestuur, dat het mandaat krijgt om te doen wat noodzakelijk is om de Politieacademie weer vlot te trekken. Dat gaat gebeuren. Ik denk niet dat daar nog een aparte functie bij moet komen voor een organisatiemijnheer of -mevrouw. De leiding bepaalt wat zij nodig vindt.

De hoorzitting wacht ik af. Wat zou de Kamer willen? Gaat zij een hoorzitting houden over mijn brief? Of wil zij een hoorzitting voor die brief? Ik zal me er niet mee bemoeien, voorzitter. Ik wacht gewoon af. Als er voor die tijd signalen zijn, is het prima om die te verwerken in de brief. Laten we wat dat betreft niet langs elkaar heen werken.

De heer Marcouch vroeg om blauw in de academie. Dat signaal is goed overgekomen. Dat is natuurlijk ook altijd de cri du coeur van Vogelzang geweest: breng het blauw echt heel scherp terug in de leiding van de Politieacademie. Dat is gebeurd.

De voorzitter: Dank u wel, minister. Ik zal de toezeggingen opnoemen.

  • Er komt voor de zomer een brief over de structuur van de Politieacademie, de nieuwe leiding van de Politieacademie, de nieuwe taakstelling van de politie en de varianten van het politieonderwijs.

  • Twee keer per jaar komt er een voortgangsrapportage over het functioneren van het politieonderwijs en de Politieacademie.

Ik dank iedereen voor zijn aanwezigheid.

Sluiting 19.23 uur.

Naar boven