Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201229628 nr. 274

29 628 Politie

Nr. 274 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 oktober 2011

In mijn beleidsreactie aan uw Kamer, gedateerd 1 april 2011 (Kamerstuk 29 628, nr. 242) bij aanbieding van het rapport van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid over de belemmeringen van de Landelijke Arbeidstijdenregeling politie en rechtspositionele bepalingen ten opzichte van de ATW heb ik aangekondigd een vervolgonderzoek te laten uitvoeren door TNO om het resultaat van dit eerdere onderzoek te kunnen valideren. De uitkomsten van het IOOV-onderzoek betroffen twee korpsen. TNO kreeg de opdracht te onderzoeken of deze uitkomsten ook voor meer korpsen zouden gelden.

Een onderzoek bij alle 26 korpsen was te omvattend, maar ook niet noodzakelijk om een representatief beeld te krijgen. Met mijn instemming heeft TNO bij vijf representatieve korpsen verschillende werkprocessen onderzocht op dezelfde thema’s die ook in het onderzoek door IOOV aan de orde zijn geweest.

Over een periode van 16 weken is aan de hand van de werkelijke roosters en verantwoordingen onderzocht:

  • welke inzet nodig was, (gelet op het werkaanbod),

  • welke inzet aan personeel kon worden geboden op grond van de wet- en regelgeving van de politiesector (Barp en LAR1), en

  • welke ruimte er had kunnen zijn, als voor de sector uitsluitend de Arbeidstijdenwet (ATW) had gegolden.

Bij de keuze van deze vijf korpsen uit de kring van zesentwintig heeft TNO zich gebaseerd op de grootte van de korpsen, de aard (landelijk/stedelijk) en de beschikbaarheid van adequate gegevens op het gebied van capaciteitsmanagement.

De belangrijkste conclusies uit het rapport2 zijn de volgende.

  • Korpsen plannen feitelijk op basis van de beschikbaarheid van personeel, niet op het werkaanbod. Er worden met andere woorden taken niet verricht, gezien het feit dat daarvoor onvoldoende personeel beschikbaar is.

  • Gerelateerd aan het werkaanbod is er in het weekend (donderdagavond tot zondagavond) onderbezetting, op de andere (werk-)dagen overbezetting.

  • De onderbezetting in het weekend is vooral te wijten aan de regeling rond de vrije zondagen en de modaliteiten, die soms ook voor de zondag zijn verleend. TNO wijst weliswaar op de ruimte die het Besluit algemene rechtspositie politie en daarmee ook de Landelijke Arbeidstijdenregeling bieden rond het weekend (bijvoorbeeld de combinatie van vrijdag/zaterdag of zondag/maandag, in plaats van zaterdag/zondag), doch dit is alleen mogelijk met instemming van de medewerker3 en biedt daardoor geen oplossing.

  • de werktijdenmodaliteit (m.a.w. een vaste vrije dag) werkt altijd belemmerend, omdat daarmee het werkaanbod niet kan worden gevolgd; m.a.w. de flexibiliteit gaat door het toekennen van een vaste vrije dag verloren.

  • De gemaakte afspraak dat voorafgaande aan een vrije dag geen dienst mag worden opgedragen later dan 23.00 uur is nog een extra beperking rond het weekend. De praktijk is dat aan die medewerker geen dienst wordt opgelegd tussen vrijdag 17.00 uur en maandag 07.00 uur.

  • TNO wijst erop dat de knelpunten niet enkel voortkomen uit de bestaande regelgeving. Ook de bestaande ruimte in de huidige wet- en regelgeving kan door de werkgever beter worden benut, zoals het bepalen van de gemiddelde arbeidsduur (arbeidsduur niet per week bepalen, maar over een jaar, weekuren worden gemaximeerd door ATW).

  • Met een exclusief gebruik van de Arbeidstijdenwet én schrapping van de aanvullende regels is de flexibiliteit het grootst.

De uitkomsten van dit onderzoek bevestigen het beeld dat in het voorjaar door de IOOV is geschetst. Ook het korpsbeheerdersberaad heeft mij naar aanleiding van de uitkomst van het IOOV-rapport bevestigd dat het beeld klopt. Dit beraad vraagt mij dringend om aanpassing van wet- en regelgeving.

Voor mij is uit de beide onderzoeken meer dan duidelijk dat verandering niet langer kan uit blijven. Er zijn in de afgelopen jaren te veel bepalingen ontstaan die de flexibiliteit bij de inzet van politiepersoneel hebben doen afnemen. Drie redenen tot verandering zijn voor mij doorslaggevend

  • 1. De politiecapaciteit moet beschikbaar zijn op het moment dat het werk dit vraagt. Dat blijkt nu onvoldoende het geval. Voldoende capaciteit op de momenten dat de samenleving daarom vraagt is niet alleen van belang voor de samenleving, maar ook voor de veiligheid en het welzijn van politiemensen zelf.

  • 2. Er resteert, – zo blijkt ook uit het onderzoek – door verschillende individuele afspraken met medewerkers een steeds kleinere groep die steeds moet worden ingezet op minder aantrekkelijke momenten. Hierdoor ontstaat ook binnen de politie een disbalans, waarin het belang van de medewerker versus dat van de organisatie niet met elkaar in evenwicht zijn en ook de mate van inzet van medewerkers onderling niet meer matcht. Het herstel van die balans vraagt naast aanpassing van regels ook een andere houding van management en medewerkers.

  • 3. De invoering van de Arbeidstijdenwet heeft beoogd meer flexibiliteit te realiseren voor de werkgevers én werknemers, terwijl deze binnen de sector politie juist is afgenomen. Deze tegenstrijdigheid moet voor de sector politie gekeerd.

Ik realiseer mij overigens terdege dat een betere inzetbaarheid van de politie niet enkel staat of valt met de beperkingen in tijd die de diverse regelingen stellen. Die inzetbaarheid wordt ook bepaald door andere factoren: de individuele getraindheid en weerbaarheid, de samenwerking binnen de eigen eenheid en de bredere organisatie van het werk. Er dient met andere woorden een betere balans te ontstaan tussen het welzijn van de medewerker en de zorg voor hun veiligheid en gezondheid, en de behoefte vanuit de bedrijfsvoering naar flexibiliteit. Bij de uitvoering van het actieprogramma Weerbaarheid politiepersoneel, waarover ik u eerder informeerde (Kamerstuk 29 628, nr. 262), en bij de inrichting van de nationale politie zal hieraan expliciet aandacht worden besteed.

Ik zal de resultaten van het onderzoek van IOOV gebruiken bij het bepalen van mijn inzet voor het overleg met de politie-vakorganisaties.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


X Noot
1

Barp staat voor Besluit algemene rechtspositie politie; LAR staat voor Landelijke Arbeidstijdenregeling Politie.

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
3

Staatsblad 1997, nr. 497, Nota van toleichting artikel 1 onder D.