Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201129628 nr. 242

29 628 Politie

Nr. 242 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 april 2011

Hierbij bied ik u in het verlengde van het aanvalsplan tegen de bureaucratie «minder regels, meer blauw op straat» (zie brief van 18 februari jl. aan de Kamer, nummer 29 628, nr. 238) de rapportage aan van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid over de belemmeringen van de Landelijke Arbeidstijdenregeling politie en een aantal rechtspositionele bepalingen ten opzichte van de ATW.*

In dit aanvalsplan en eerder in het Regeerakkoord is opgenomen dat het Kabinet met voorstellen komt tot aanpassing van de Arbeidstijdenwet (ATW) en de Landelijke Arbeidstijdenregeling (LAR) die het voor de politie mogelijk maken eenvoudiger meer ruimte te vinden voor de uitvoering van de primaire taken.

Bij de behandeling van dit Regeerakkoord is door de Kamer bij motie 32500/6 van Kamerlid Brinkman gevraagd of ik concreter kan aangeven, hoe ik de Arbeidstijdenwet aanpas (bijv. vermindering bureaucratie en inflexibele werktijden). Ik heb daarop geantwoord dat een paritaire werkgroep bedrijfsvoering ingevolge de met de vakorganisaties over de verlenging van de CAO vorig jaar gemaakte afspraak al bezig is om belemmeringen op de flexibele inzet en de inzetbaarheid in het algemeen in kaart te brengen en voorstellen te doen ter verbetering.

Daarnaast heb ik de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) verzocht onderzoek te doen naar de effecten van de huidige Landelijke Arbeidstijdenregeling op de noodzakelijke inzet ten opzichte van de effecten van de Arbeidstijdenwet op diezelfde inzet. Ik wijs tevens nog op een onderzoek (eveneens bijgaand) dat TNO in 2009/2010 heeft verricht naar toepassing van de Landelijke Arbeidstijdenregeling en de ATW op de specialistische politiediensten.* Daarover heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd bij brief gedateerd 19 april 2010 (kamerstuk 25 883/29 628, nr. 169). In deze brief is aangegeven dat zou worden nagegaan of voor deze bijzondere diensten een ontheffing van bepalingen uit de ATW noodzakelijk is.

De werkzaamheden van de paritaire werkgroep bedrijfsvoering zijn inmiddels ook afgerond. Van werkgeverszijde zijn een aantal knelpunten benoemd waaronder de LAR. In de werkgroep is er geen overeenstemming bereikt over de knelpunten en de daarvoor mogelijke oplossingen.

Uitkomsten Inspectie IOOV

In het onderzoek van IOOV wordt door haar geconcludeerd dat er een aantal beperkende effecten zijn door politiespecifieke bepalingen uit de Landelijke Arbeidstijdenregeling en het Besluit Algemene rechtspositie Politie, die bij opheffing daarvan zullen leiden tot aanzienlijk meer flexibiliteit en dus tot een efficiëntere en effectievere bedrijfsvoering. Afgaand op hetgeen IOOV en TNO hierover schetsen kan ik deze conclusie delen.

De verschillende onderzoeken/rapporten schetsen het beeld van de huidige situatie. Zij tonen ieder op zichzelf aan, dat met de huidige specifiek voor de politiesector geldende regelgeving op het thema arbeidstijd/vrije tijd een regiem is ontstaan aan regelgeving, dat de flexibiliteit rond inzetbaarheid te zeer belemmert. Dit regiem kost bovendien meer geld dan noodzakelijk omdat in gevallen waarin niet op reguliere wijze de behoefte aan inzet bereikt kan worden, deze inzet door overwerk moet worden geregeld.

De maximaal te roosteren arbeidsduur van 9 uur (zoals opgenomen in de LAR) , het aantal vrije zondagen in combinatie met aansluitend een vrije dag én de werktijdmodaliteit (4x9-uur ) zijn de grootste belemmerende factoren op de effectiviteit van de bedrijfsvoering bij de politie. Bijvoorbeeld, de beperking van de in te roosteren arbeidsduur tot 9 uur uit de LAR levert 24% ingeplande uren op zonder dat daar taken tegenover staan. Uit rekenmodellen blijkt dat het werkaanbod onder de ATW door drie personen kan worden verricht, maar door de bepalingen van de LAR én het Besluit algemene rechtspositie politie met vier personen moet geschieden. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat door een maximaal in te roosteren arbeidsduur van 9 uur per dag in combinatie met afspraken van 4x9 uur werken er van flexibiliteit geen sprake is en het niet mogelijk is de capaciteit in evenwicht te brengen met het te verrichten werk.

De weekendrestrictie (26 vrije zondagen per jaar aansluitend aan een vrije dag, doorgaans de zaterdag, in tegenstelling tot de ATW die uitgaat van 13 vrije zondagen) beperkt de korpsen in het inzetten van voldoende medewerkers op de momenten waarop het werkaanbod het grootst is (rond het weekend). De discrepantie die daarmee wordt veroorzaakt tussen de inzet op weekdagen versus de inzet op weekend dagen is structureel. Het rapport toont aan dat het werkaanbod bij het onderzochte korps in het weekend 1,7 x zo hoog is als op werkdagen. Daarvoor zou gemiddeld 38 weekenden moeten worden gewerkt, terwijl maar 26 weekenden beschikbaar zijn.

Ook de 4x9-uurs modaliteit levert een voortdurende beperking op bij het inzetten van medewerkers op het specifieke werkaanbod. Het gaat dan om pieken in het werkaanbod, maar ook om kortdurende inzetten zoals ME-optredens en horecadiensten. Er ontstaat een disbalans tussen het feitelijke werkaanbod en de noodzakelijke arbeidsduur van zes tot negen uurs- diensten zoals de LAR voorschrijft.

Voorlopige reactie op het rapport

De conclusies bevestigen de signalen die mij vanuit het politieveld zijn aangereikt. Het definitieve rapport is inmiddels verzonden aan het korpsbeheerdersberaad met het verzoek hierop te reageren en met een reactie te komen. De gegevens zijn ontleend aan twee korpsen. Ik zal daarom TNO vragen om dit breder te onderzoeken, zodat ik het landelijke beeld compleet krijg.

Als het vervolgonderzoek een vergelijkbaar beeld oplevert, is aanpassing van het huidige regime in mijn ogen onvermijdelijk. Uiteraard hebben politiemedewerkers recht op een goede regeling van hun werk- en rusttijden. Het gat tussen de politieregeling en de voor alle werknemers geldende Arbeidstijdenwet is echter te groot. Zeker nu ook blijkt dat deze regeling onvoldoende aansluit op de momenten waarop daadwerkelijke politie-inzet nodig is. Er is flexibiliteit nodig in een politieorganisatie die 24 uur per dag, 7 dagen per week operationeel moet zijn om de veiligheid op straat en in de wijk te borgen.

In de komende periode zal aan de hand van een vervolgonderzoek het landelijke beeld t.a.v. ATW/LAR worden gecompleteerd. Op basis daarvan en op basis van het eerdere TNO-onderzoek rond de bijzondere politiediensten, alsmede de voorstellen uit de werkgroep bedrijfsvoering zal ik mijn definitieve inzet bepalen en in de loop van dit jaar voorleggen aan de vakorganisaties.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


XNoot
*

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.