29 214 Subsidiebeleid VWS

Nr. 65 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 4 oktober 2012

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 18 juni 2012 inzake Aanpassing subsidiekader patiënten- en gehandicaptenorganisaties (Kamerstuk 29 214, nr. 64).

De op 13 juli 2012 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de minister bij brief van 3 oktober 2012 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie, Elias

Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp

Inhoudsopgave

   

Blz.

     

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II

Reactie van de minister

5

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over de aanpassing van het subsidiekader PG-organisaties. Deze leden vinden nog steeds, dat het korten van het budget voor de PG-organisaties met 40 procent niet proportioneel is. Zij hebben menigmaal beklemtoond, dat sterke pg-organisaties onontbeerlijk zijn. Genoemde leden pleiten voor een regionale organisatie van de zorg, waarbij alle betrokkenen binnen een regio samen het optimale zorgaanbod vaststellen. Dit voorstel sluit aan bij een ontwikkeling die nu al in het veld wordt gewenst en plaatsvindt. Deze leden menen dat juist ook in het licht van een dergelijke organisatie van de zorg sterke pg-organisaties een belangrijke rol zullen spelen bij de democratische legitimering van het vaststellen van het zorgaanbod.

De leden van de PvdA-fractie achten het overigens positief, dat de minister, in tweede instantie, een langere overgangstermijn wil gaan hanteren voor het bouwen van samenwerkingsconstructies tussen PG-organisaties. Zij vinden het terecht dat het veld meer ruimte en tijd krijgt om samenwerking vorm te geven. Verschillende organisaties maken zich zorgen over de definitie van het begrip aandoening en beperking en de gevolgen van een te strikte hantering van de definitie. Kan aangegeven worden welke organisaties met name problemen verwachten te ondervinden ten gevolge van de nieuwe werkwijze en op welke wijze hier mee omgegaan kan worden?

De leden van de PvdA-fractie willen specifieke aandacht vragen voor KansPlus. Dit is een organisatie, die eigenlijk trendsettend was als het gaat om de eisen ten aanzien van samenwerking, die nu worden gesteld. Genoemde leden zijn blij dat organisaties die hun krachten al eerder hebben gebundeld door te fuseren daarvoor niet worden gestraft. De grens die nu bij het jaar 2009 wordt gelegd vinden deze leden echter arbitrair. WOI en VOGG zijn al in 2007 gefuseerd tot de nieuwe Vereniging KansPlus, met nu 10 000 leden en KansPlus onderhoudt structureel contacten met VWS en verzekeraars. De wens om tot organisaties te komen met een brede achterban die een stevige gesprekspartner kunnen vormen voor overheid, zorgaanbieders en verzekeraars onderschrijven deze leden. Daarom vragen zij de minister om haar oordeel omtrent KansPlus te heroverwegen en deze organisatie toch voor subsidie in aanmerking te laten komen. Zij zien graag een uitgebreide argumentatie waarom KansPlus niet voor subsidie in aanmerking zou komen, gezien het uiteindelijke doel van de regeling.

De ontwikkelingen rond het aanvragen en benutten van de zogenaamde vouchers zullen door deze leden nauwlettend worden gevolgd. Tot slot willen zij benadrukken, dat de expertise van de PG-organisaties bij de totstandkoming van een nieuw kabinet dient te worden benut.

Vragen en opmerkingen van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de minister, waarin zij aangeeft dat patiënten- en gehandicaptenorganisaties meer ruimte en tijd krijgen om tot krachtenbundeling te komen. Wat voor deze leden echter onduidelijk blijft, is of er nu sprake is van een tijdelijke versoepeling van het beleidskader voor 2013, of dat er sprake is van een langdurige wijziging van het beleidskader. Kan de minister dit toelichten?

Vervolgens geeft de minister aan dat er in de toekomst nog maximaal één organisatie per aandoening of beperking voor subsidie in aanmerking zal komen. Maar een groot aantal organisaties heeft hun zorgen, ook richting deze leden, geuit over de definitie van het begrip aandoening en beperking en de consequenties van een te strikte hantering van deze begrippen. Kan de minister een toelichting geven hoe zij de begrippen aandoening en beperking, in het licht van de subsidievoorwaarden, ziet? Betekent dit dat meerdere organisaties die zich voor een bepaalde doelgroep (achterban) hard maken voor een subsidie in 2013 (alsnog) in aanmerking komen?

Voor een aantal organisaties is in 2011 besloten dat zij geen onderdeel meer uit zouden maken van de nieuwe systematiek en dat de subsidierelatie in 2 jaar wordt afgebouwd, zoals de ouderenorganisaties & VCP. Heeft de verruiming van het beleidskader voor deze organisaties (en andere organisaties in hetzelfde schuitje) nog consequenties?

In de brief schrijft de minister dat zij organisaties, die meerdere aandoeningen vertegenwoordigen, wil belonen als zij al een slag in de gewenste richting van krachtenbundeling hebben gemaakt door te fuseren. Kan de minister aangeven waarom de grens hiervoor bij het jaar 2009 is gelegd?

Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met onvrede kennisgenomen van de brief over het beleidskader voor de subsidiering van patiënten- en gehandicaptenorganisaties. Zij stellen vast dat er mooie woorden worden gesproken over het belang van de beweging, maar dat dit niet wordt gevolgd door middelen en beleid. Graag horen zij hoe de minister op deze vaststelling reageert.

De leden van de SP-fractie constateren dat patiënten- en gehandicaptenorganisaties gekort worden en onder het motto van die korting op zoek moeten gaan naar bundeling van krachten. De genoemde leden vinden deze bezuinigingsmaatregel waarin patiëntenorganisaties gekort worden door middel van krachtenbundeling een eufemistische zalving van de kaalslag die zal plaatsvinden. Zij vragen of het de bedoeling is om de veelzijdigheid van de PG-beweging definitief de nek om te draaien. Zij vragen de minister eerlijk te zijn over de bezuiniging en niet meer met grote woorden te spreken over het belang van de patiënten en gehandicaptenorganisaties.

Herkent de minister de belangen van de patiëntenorganisaties voldoende? Met welke reden bezuinigt zij dan op de patiëntenorganisaties? Deze leden vragen de minister of zij het wenselijk acht dat organisaties als KansPlus straks moeten verdwijnen door deze bezuinigingsmaatregel. Zij wensen hier graag een reactie op te ontvangen. Hoe legt de minister deze forse korting uit aan patiënten die niet meer gehoord dreigen te worden, zodra organisaties onvoldoende middelen krijgen deze mensen te helpen? Genoemde leden vragen hoe de minister ervoor gaat zorgen dat organisaties hun contributies niet moeten verhogen, zodat mensen gebruik kunnen blijven maken van deze organisaties. Erkent de minister nu wel dat een contributieverhoging ertoe kan leiden dat organisaties leden verliezen, met het gevolg dat zij niet voldoende leden overhouden voor subsidie? Hoe gaat de minister dit voorkomen?

De leden van de SP-fractie willen weten hoeveel patiënten- en gehandicaptenorganisaties werken met vouchers. Zij willen daarbij weten wat de ervaringen zijn van organisaties met het werken van deze vouchers.

Voorts vragen deze leden op basis van welke gegevens in 2015 een oordeel gegeven gaat worden over het wel of niet aanpassen van een subsidiekader. Zij willen weten hoe dit toetsingskader eruit ziet en willen hier meer duidelijkheid over.

De leden van de SP-fractie willen weten of alle patiënten- en gehandicaptenorganisaties een vereenvoudiging krijgen voor het activiteitenplan en de begroting die zij bij de subsidieaanvraag moeten indienen, of dat dit bestemd is voor een beperkte groep. Indien dit een beperkte groep is, willen genoemde leden weten welke organisaties hieraan werken.

Tot slot vragen zij de minister geen contracten af te sluiten totdat de nieuwe verhouding van een volgend kabinet duidelijk is.

Vragen en opmerkingen van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief inzake aanpassing van het subsidiekader voor patiënten- en gehandicaptenorganisaties. Zij hebben nog behoefte aan het stellen van vragen.

Genoemde leden begrijpen dat de minister organisaties die tussen 2009 en 2011 een slag gemaakt hebben in de gewenste richting van krachtenbundeling wil belonen. Zij vragen de minister waarom ervoor gekozen is alleen organisaties die tussen 2009 en 2011 gefuseerd zijn toch in aanmerking te laten komen voor instellingssubsidies en vouchers. Is er gekeken naar organisaties die al eerder, dus voor 2009 deze slag hebben gemaakt en door het stellen van deze grens mogelijk in problemen komen? De leden van de GroenLinks-fractie krijgen hiervoor graag een nadere onderbouwing en vragen of daarmee bewust organisaties zijn uitgesloten die al voor 2009 gefuseerd zijn en of de minister zicht heeft op voor hoeveel organisaties dit geldt. Is de minister bereid te kijken of ook die organisaties in aanmerking kunnen blijven komen voor instellingsubsidies of vouchers?

Vragen en opmerkingen van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de aanpassing subsidiekader patiënten- en gehandicaptenorganisaties. Patiënten- en gehandicaptenorganisaties krijgen tot 2015 zelf de ruimte om te kunnen bepalen hoe zij verdere krachtenbundeling willen realiseren. De forse bezuiniging op patiënten- en gehandicaptenorganisaties komt hard aan. Dat er ruimer de tijd wordt genomen om het veld te reorganiseren is van groot belang. De stem van de «derde partij» moet ook in de toekomst gehoord worden. Deze leden hebben hierover enkele vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met waardering kennisgenomen, dat de minister de opmerkingen van het veld ter harte heeft genomen en daarom heeft besloten om het beleid te versoepelen. Als in 2015 blijkt dat de samenwerking niet (of onvoldoende) tot stand is gekomen zal het subsidiekader zo worden aangepast dat de samenwerking alsnog meer directief wordt voorgeschreven. Welke criteria worden er gehandhaafd om te kunnen bepalen of een samenwerking voldoende tot stand gekomen is?

Genoemde leden lezen dat pg-organisaties die tussen 2009 en 2011 zijn gefuseerd in aanmerking komen voor een instellingsubsidie en vouchers op basis van het oorspronkelijke aantal organisaties, hoe zit dit met organisaties die voor 2009 zijn gefuseerd? Zo is bijvoorbeeld de organisatie KansPlus reeds in 2007 gefuseerd; komt deze organisatie ook in aanmerking voor een dubbele instellingsubsidie?

Deze leden vragen voorts hoeveel van de 240 organisaties nu niet voldoen aan het criteria voor het minimum aantal leden. Wat is de visie van de minister op het lokaal ondersteunen van cliënten? Hoe zal in de toekomst lokale belangenbehartiging plaatsvinden?

Ten slotte lezen de leden van de ChristenUnie-fractie in de nieuwsbrief van het Fonds PGO van mei jl., dat het Fonds PGO samen met patiënten- en gehandicaptenorganisaties heeft nagedacht over het herdefiniëren van de termen «aandoening» en «beperking». Op basis van deze definities zou er eventueel een hergroepering van pg-organisaties plaatsvinden. Deze leden vragen de minister wat de uitkomst van deze discussie is.

II. Reactie van de minister

Het verheugt mij dat de leden van de fracties positief reageren op de versoepelingen binnen het beleidskader. Ik concludeer hieruit dat de aanpassing van het beleidskader wordt gesteund.

In de inbreng van de verschillende fracties worden ook opmerkingen gemaakt over de eerder doorgevoerde bezuiniging op het budget voor patiënten- en gehandicaptenorganisaties (pg-organisaties). Deze bezuiniging staat op dit moment niet ter discussie. In de brief «Bundel je kracht, samen sterk» van 25 mei 2011wordt de visie van dit kabinet op de maatschappelijke rol van pg-organisaties toegelicht, met een bijpassende financieringssystematiek. Over deze visie en financieringssystematiek heb ik vervolgens met u gedebatteerd op 29 juni 2011, wat heeft geleid tot het beleidskader voor pg-organisaties dat is vastgesteld op 1 juli 20111.

Reactie op de vragen van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie wijzen op het belang van pg-organisaties om bij aanbodgestuurde zorg een rol te kunnen spelen in een democratische legitimatie van het vast te stellen zorgaanbod.

Zoals u bekend is, ben ik geen voorstander van aanbodgestuurde zorg. De ervaringen in het verleden met aanbodsturing laten zien dat dit onder meer leidt tot lange wachttijden en dat aanbodsturing geen positieve invloed heeft op innovatie in de zorg. Ik ben van mening dat zorg moet aansluiten op de zorgbehoefte van mensen. De rol die ik daarbij voor pg-organisaties zie is dat zij een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de vraag wat gepaste zorg is en wanneer er sprake is van over- en onderbehandeling. Pg-organisaties kunnen op basis van hun ervaringsdeskundigheid vanuit het cliëntperspectief bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit en de cliëntvriendelijkheid van de zorg.

De leden van de PvdA-fractie vragen of aangegeven kan worden welke organisaties met name problemen verwachten te ondervinden ten gevolge van de nieuwe werkwijze en op welke wijze hiermee omgegaan kan worden ingeval van een strikte hantering van het begrip aandoening en beperking.

Als bij de toekenning van subsidies uitsluitend subsidie zou worden verstrekt aan organisaties die zich op specifieke aandoeningen of beperkingen richten, heeft dit negatieve consequenties voor organisaties die hun doelgroep op een andere wijze hebben afgebakend. Dit betreft met name organisaties die gericht zijn op bepaalde symptomen of bepaalde hulpmiddelen en organisaties die zich op meerdere aandoeningen of beperkingen richten. Zonder de doorgevoerde aanpassing van het subsidiekader zouden deze organisaties, zoals bijvoorbeeld de Stomavereniging, de Vereniging Ouders van een Overleden Kind (VOOK) of Ypsilon vanaf 1 januari 2014 niet meer in aanmerking komen voor subsidie. Om het veld meer tijd en ruimte geven om zelf bundeling en samenwerking tot stand te brengen, heb ik besloten de subsidievoorwaarden te versoepelen.

Desalniettemin komt een beperkt aantal andere organisaties vanaf 1 januari 2014 niet meer in aanmerking voor subsidie uit subsidiestroom 1, omdat zij niet voldoen aan de criteria die de strikte definitie van aandoening of beperking vervangen. Deze criteria zijn:

  • de organisatie richt zich op een groep mensen met een aandoening of beperking (niet noodzakelijkerwijs dezelfde aandoening of beperking);

  • met als doel: de cliënt kan zijn rol in stelsels van zorg en ondersteuning spelen en optimaal maatschappelijk participeren;

  • de organisatie werkt vanuit ervaringsdeskundigheid/ het perspectief van de cliënt.

  • het betreft een bestaande, nationaal werkende organisatie.

De organisaties die dit betreft zijn in juli 2012 hierover geïnformeerd. Zij zijn ook geïnformeerd over welke overgangsregeling voor hen geldt.

De leden van de PvdA-fractie vragen om het oordeel omtrent KansPlus te heroverwegen en deze organisatie toch voor subsidie in aanmerking te laten komen.

Voordat de aanpassing van het beleidskader werd doorgevoerd liep KansPlus het risico om vanaf 1 januari 2013 niet meer in aanmerking te komen voor subsidie. Er zijn immers meerdere organisaties die zich net als KansPlus grotendeels richten op mensen met een verstandelijke beperking (onder meer LFB, Dit Koningskind, VG Netwerken, SIEN (Philadelphia) en Helpende Handen). Door de aanpassing van het beleidskader – waardoor het veld meer tijd en ruimte krijgt om de krachtenbundeling zelf te realiseren – blijft KansPlus de komende jaren in aanmerking komen voor de instellingssubsidie van maximaal € 35 000 voor lotgenotencontact en informatievoorziening en een voucher van € 18 000 voor het gezamenlijk bijdragen aan betere zorg vanuit het cliëntperspectief.

Reactie op de vragen van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vinden het onduidelijk of er nu sprake is van een tijdelijke versoepeling van het beleidskader voor 2013, of dat er sprake is van een langdurige wijziging van het beleidskader?

Ik heb de opmerkingen van de patiënten- en gehandicaptenorganisaties ter harte genomen en besloten om het voornemen om vanaf 1 januari 2014 nog maar maximaal één organisatie per aandoening of beperking te subsidiëren, te versoepelen. Ik wil het veld meer tijd en ruimte geven om zelf bundeling en samenwerking tot stand te brengen. Dat betekent dat zonder actieve aanpassingen van mijzelf of toekomstige bewindslieden van VWS de versoepeling van kracht blijft. De patiënten- en gehandicaptenorganisaties moeten deze uitdaging om de gewenste krachtenbundeling zelf te realiseren, dan wel gaan oppakken. Mede aangezet door de vouchersystematiek en de ondersteuning van PGOsupport zien de staatssecretaris en ik dat pg-organisaties zelf deze nadere samenwerking thans al beginnen te zoeken. Ik heb er vertrouwen in dat die verdere samenwerking en krachtenbundeling tot stand komt.

De leden van de CDA-fractie vragen om een toelichting op de begrippen aandoening en beperking in het licht van de subsidievoorwaarden en of dit betekent dat meerdere organisaties die zich voor een bepaalde doelgroep hard maken (alsnog) in aanmerking komen voor subsidie in 2013.

Zoals in het vorige antwoord al aangegeven, heb ik besloten het voornemen om vanaf 1 januari 2014 nog maar maximaal één organisatie per aandoening of beperking te subsidiëren, te versoepelen. Één van de voorwaarden om momenteel in aanmerking te komen voor subsidie is dat een organisatie zich moet richten op mensen met een aandoening of beperking. Door de versoepeling van het beleidskader hoeft dit niet een groep mensen te zijn met dezelfde aandoening of beperking. Hierdoor blijven organisaties die zich rond een thema of hulpmiddel georganiseerd hebben in aanmerking komen voor subsidie. Daarnaast kunnen door de versoepeling meerdere organisaties die zich op overlappende doelgroepen richten in aanmerking blijven komen voor subsidie in 2013.

De leden van de CDA-fractie vragen of de verruiming van het beleidskader nog consequenties heeft voor de organisaties waarvan in 2011 is besloten dat de subsidierelatie wordt afgebouwd, zoals de ouderenorganisaties en VCP.

De verruiming van het beleidskader heeft geen consequenties voor de organisaties waarvan in 2011 is vastgesteld dat deze niet onder de reikwijdte van het beleidskader vallen.

De afbouw van de ouderenorganisaties en VCP blijft gehandhaafd.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de grens bij het jaar 2009 is gelegd, bij de beloning van de organisaties die al een slag in de gewenste richting van krachtenbundeling hebben gemaakt.

Naar aanleiding van vragen van uw Kamer2 is besloten om de datum vanaf welke organisaties bij fusie de subsidie behouden naar voren te halen. Daarbij is als grens het jaar 2009 gekozen, omdat dit een duidelijk omslagpunt in het subsidiebeleid voor pg-organisaties markeert. De toenmalige minister van VWS heeft na overleg met uw Kamer eind 2008 bij ministeriele regeling een nieuwe subsidiesystematiek voor de patiënten-, gehandicapten- en ouderenorganisaties vastgesteld, waarin het streven naar meer samenwerking voor het eerst was opgenomen. De kern van de nieuwe systematiek betrof twee te onderscheiden subsidies: instellingssubsidie en projectsubsidie. Tegelijkertijd werd een Programmaraad ingesteld voor de advisering over de projectsubsidies. Ook werden de taken van het zelfstandig bestuursorgaan Stichting Fonds PGO toen aan het agentschap CIBG overgedragen.

Een beperkt aantal organisaties is reeds na de publicatie van de subsidieregeling PGO in 2009 gefuseerd omdat daarin werd opgeroepen tot samenwerking. Dit betrof een tweetal organisaties (VKS en de Hart & Vaatgroep). Het is te rechtvaardigen dat deze organisaties geen nadeel zullen ondervinden van het feit dat zij conform deze oproep hun krachten in 2009 of 2010 gebundeld hebben.

Reactie op de vragen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie vragen een reactie op hun stelling, dat mijn woorden over het belang van de beweging niet worden gevolgd door middelen en beleid.

De staatssecretaris en ik hechten veel waarde aan organisaties van patiënten- en gehandicapten. Wij betrekken deze organisaties bij ons beleid en stellen organisaties in staat om ook op de andere beleidsterreinen invloed uit te oefenen, onder andere door hen te ondersteunen bij het verder professionaliseren van hun inbreng. Ik ben van mening dat het ongericht geven van middelen niet bijdraagt aan het versterken van de cliëntenbeweging. Ik zet mij in om de invloed van de cliëntenbeweging te vergroten, bijvoorbeeld door het cliëntenperspectief te borgen bij de professionele standaarden van het Kwaliteitsinstituut en pg-organisaties meer te betrekken bij de risicoverevening.

De leden van de SP-fractie vragen of het de bedoeling is om de veelzijdigheid van de PG-beweging definitief de nek om te draaien.

Integendeel, pg-organisaties vertegenwoordigen cliënten als sterke partij in het zorgstelsel en leveren daarmee een belangrijke bijdrage aan het bieden van zorg die past bij de individuele cliënt. Met de aangepaste subsidiesystematiek streven wij juist naar effectief en efficiënt werkende organisaties, die samen activiteiten uitvoeren, zodat cliënten hun rol in het zorgstelsel optimaal kunnen spelen.

De SP-leden vragen of het wenselijk wordt geacht dat organisaties als KansPlus straks moeten verdwijnen door deze bezuinigingsmaatregel.

Door de aanpassing van het beleidskader, waardoor het veld meer tijd en ruimte krijgt om de krachtenbundeling zelf te realiseren, blijft KansPlus de komende jaren in aanmerking komen voor de instellingssubsidie voor lotgenotencontact en informatievoorziening van maximaal € 35 000 en een voucher voor het gezamenlijk bijdragen aan betere zorg vanuit het cliëntperspectief van € 18 000.

Ik ben mij er terdege van bewust dat een organisatie als KansPlus voor een grote uitdaging staat. Organisaties zijn echter zelf verantwoordelijk voor hun instandhouding en ontlenen daarbij hun legitimiteit en zeggingskracht aan het feit dat zij leden en donateurs hebben die bereid zijn bij te dragen aan hun instandhouding.

De SP-leden vragen hoe de minister deze forse korting uitlegt aan patiënten die niet meer gehoord dreigen te worden, zodra organisaties onvoldoende middelen krijgen om deze mensen te helpen.

Ik verwijs deze leden daarvoor graag naar de toelichting in mijn eerdergenoemde brief »Bundel je kracht, samen sterk».

De leden van de SP-fractie verzoeken ervoor te zorgen dat pg-organisaties hun contributies niet hoeven te verhogen, omdat dit ertoe kan leiden dat organisaties mogelijk leden verliezen en mogelijk te weinig leden overhouden om in aanmerking te komen voor subsidie.

De eisen dat een organisatie in 2014 (peildatum 1 september 2013) tenminste honderd unieke leden en/of donateurs moet hebben die per kalenderjaar elk tenminste € 25 bijdragen om voor subsidie in aanmerking te komen zijn reeds op

1 juni 2011 vastgesteld en geen onderdeel van de recente aanpassing van het subsidiekader. Deze eisen zijn opgenomen, omdat de staatssecretaris en ik van mening zijn dat de leden/donateurs van een pg-organisatie de activiteiten hiervan zodanig dienen te waarderen dat zij bereid zijn hiervoor een bijdrage te betalen. Dat leden bereid zijn te betalen of te doneren versterkt tevens de zeggingskracht en legitimiteit van pg-organisaties. Bij het vaststellen van de hoogte van de minimale bijdrage is rekening gehouden met de hoogte van de bijdragen die pg-organisaties nu al aan hun leden vragen en de hoogte van de vergoeding van dit soort kosten door verzekeraars. Veel aanvullende verzekeringen vergoeden namelijk de lidmaatschapskosten van pg-organisaties geheel of gedeeltelijk.

Organisaties die niet in staat blijken om honderd leden of donateurs te vinden die jaarlijks € 25 willen betalen komen in 2014 niet meer in aanmerking voor subsidie. Gezien de beperkte omvang van deze organisaties en het gebleken onvermogen om zich goed te organiseren, kunnen deze beter worden geholpen met praktische ondersteuning dan met geld. PGOsupport zal de betreffende organisaties deze ondersteuning bieden.

De leden van de SP-fractie willen weten hoeveel patiënten- en gehandicaptenorganisaties werken met vouchers en wat de ervaringen van deze organisaties met de vouchers zijn.

In totaal hebben bijna 200 patiënten- en gehandicaptenorganisaties ervoor gekozen om te gaan samenwerken en hebben daarvoor hun vouchers ingezet. Er zijn met deze vouchers op dit moment achttien projecten ingediend. Deze projecten worden momenteel beoordeeld door het Fonds PGO. De subsidies worden uiterlijk in oktober 2012 toegekend en de projecten zullen starten per 1 januari 2013.

Voor wat betreft de ervaringen van de organisaties met de vouchers het volgende. Op dit moment zie ik de ontwikkeling dat pg-organisaties samenwerkings-mogelijkheden onderzoeken, mede als gevolg van de vouchers (waardoor minimaal zeven pg-organisaties gezamenlijk projectsubsidies kunnen aanvragen voor de onderwerpen die zij zelf van belang achten) en de inzet van PGOsupport. Ik heb begrepen van PGOsupport dat er een tiental nieuwe samenwerkingsinitiatieven begeleid worden. Ik ben zelf actief geïnformeerd verdergaande samenwerkingsplannen tussen de verschillende organisaties voor doven- en slechthorenden en de voortgang in de bundeling van zeven pg-organisaties in één Oogvereniging. Ik vind dat positieve ontwikkelingen.

Ik constateer daarnaast dat het de organisaties de nodige tijd en energie gekost heeft om te komen tot gezamenlijke projecten met minimaal zeven andere organisaties. Ik besef dat samenwerking veel vraagt van organisaties en dat dit niet altijd eenvoudig zal zijn. Samenwerking is echter een essentieel begin om te komen tot de gewenste krachtenbundeling binnen het veld van pg-organisaties voor een sterke vertegenwoordiging van de cliënt in de zorg.

De leden van de SP-fractie vragen op basis van welke gegevens in 2015 een oordeel gegeven gaat worden over het wel of niet aanpassen van het subsidiekader.

In 2015 zal de huidige subsidieregeling worden geëvalueerd. Eén van de onderwerpen die zal worden geëvalueerd, is of er voldoende sprake is van krachtenbundeling. Aangezien de pg-beweging zelf om meer ruimte heeft verzocht om deze krachtenbundeling vorm te geven, verwacht ik dat deze organisaties ook zelf de nodige stappen gaan zetten om dit te realiseren. In de evaluatie zal dus worden gekeken naar de samenwerkingsverbanden, de mate waarin deze samenwerkingsverbanden het totaal van pg-organisaties vertegenwoordigen, de eerste resultaten van de samenwerkingsprojecten (voucherprojecten) en signalen en andere informatie van pg-organisaties zelf.

De leden van de SP-fractie vragen voor welke patiënten- en gehandicaptenorganisaties het eenvoudiger wordt om een subsidieaanvraag in te dienen.

Voor alle patiënten- en gehandicaptenorganisaties die een subsidieaanvraag indienen komt er een vereenvoudiging van de aanvraagprocedure. De eisen die aan het activiteitenplan en de begroting worden gesteld zijn vereenvoudigd. Organisaties moeten op hoofdlijnen inhoudelijk en financieel inzichtelijk maken voor welke activiteiten ze de subsidie zullen aanwenden. Fonds PGO stelt hiervoor een gebruiksvriendelijk aanvraagformulier beschikbaar.

Alleen organisaties die een instellingssubsidie aanvragen voor meer dan

€ 125 000 moeten voldoen aan zwaardere eisen, maar ook die zijn vereenvoudigd. Dit betreft overigens een zeer beperkt aantal organisaties.

De leden van de SP-fractie vragen geen contracten af te sluiten totdat de nieuwe verhouding van een volgend kabinet duidelijk is.

Ik neem aan dat de leden van de SP-fractie hiermee een contract bedoelen als voor de aanbesteding van de kennis- en ondersteuningsfunctie cliëntenorganisaties. De procedure voor de aanbesteding van deze functie is doorlopen en op 10 april 2012 is het contract met PGOsupport getekend. Dit contract geldt voor 2 jaar, met de mogelijkheid voor verlenging. Ik ga ervan uit dat er een nieuw kabinet is aangetreden voordat de besluitvorming hierover opnieuw aan de orde is.

Reactie op de vragen van de GroenLinks -fractie

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom er gekozen is om alleen de organisaties die tussen 2009 en 2011 zijn gefuseerd te belonen en niet naar organisaties die de gewenste slag al eerder hebben gemaakt.

De datum van 1 januari 2009 markeert zoals ik hiervoor reeds in antwoord op vragen van de CDA-fractie heb toegelicht, een duidelijk omslagpunt in de subsidiesystematiek voor pg-organisaties, vanaf welke het streven naar samenwerken in het beleidskader is opgenomen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen daarbij of er zicht is op hoeveel organisaties al voor 2009 zijn gefuseerd en of organisaties bewust zijn uitgesloten. Tot slot vragen zij of deze organisaties ook in aanmerking kunnen blijven komen voor instellingssubsidies of vouchers.

De datum van 1 januari 2009 heb ik bewust gekozen, omdat in de regeling die op die datum in werking trad, voor het eerst de wens tot samenwerking tussen de organisaties in de subsidiesystematiek is opgenomen. Natuurlijk zijn er in de jaren voor die datum organisaties samengegaan of gesplitst; dat stond echter los van een gericht overheidsbeleid. Deze organisaties blijven in aanmerking komen voor een instellingssubsidie en een voucher, niet op extra subsidie of vouchers.

Reactie op de vragen van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke criteria er gebruikt worden om te bepalen of de samenwerking voldoende tot stand is gekomen.

Zoals ik heb geantwoord op vragen van de SP-fractie hierover zal in 2015 de huidige subsidieregeling worden geëvalueerd. Eén van de onderwerpen die zal worden geëvalueerd is of er voldoende sprake is van krachtenbundeling. In de evaluatie wordt onder meer gekeken naar de samenwerkingsverbanden, de mate waarin deze samenwerkingsverbanden het totaal van pg-organisaties vertegenwoordigen, de eerste resultaten van de samenwerkingsprojecten (voucherprojecten) en signalen en andere informatie van pg-organisaties zelf.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of organisaties die voor 2009 zijn gefuseerd, zoals KansPlus die reeds in 2007 is gefuseerd, in aanmerking komen voor subsidie.

De datum van 1 januari 2009 heb ik bewust gekozen, omdat in de regeling die op die datum in werking trad, voor het eerst de wens tot samenwerking tussen de organisaties in de subsidiesystematiek is opgenomen. Organisaties die voor 2009 zijn gefuseerd, komen in aanmerking voor de instellingssubsidie van maximaal

€ 35 000 voor lotgenotencontact en informatievoorziening en een voucher van

€ 18 000 voor het gezamenlijk bijdragen aan betere zorg vanuit het cliëntperspectief.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoeveel organisaties die nu subsidie ontvangen niet voldoen aan het criterium voor het minimum aantal leden.

De eis dat een organisatie tenminste honderd unieke leden en/of donateurs moet hebben die per kalenderjaar elk tenminste 25 euro bijdragen om voor subsidie in aanmerking te komen, gaat gelden per 2014 (peildatum 1 september 2013).

Op dit moment voldoen tien van de gesubsidieerde organisaties die natuurlijke personen als leden of donateurs hebben niet aan de eis dat zij minimaal 100 leden hebben. Het Fonds PGO en PGOsupport zijn in gesprek met de betreffende organisaties over de eventuele mogelijkheden tot ledenwerving en ledenbehoud.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de visie op de lokale ondersteuning van cliënten en hoe in de toekomst de lokale belangenbehartiging plaats zal vinden.

De lokale belangenbehartiging van de cliënt is in mijn visie een verantwoordelijkheid van de gemeente zoals vastgelegd in artikel 11 van de Wmo (cliëntenparticipatie). Dit artikel omvat vier voorschriften:

  • B en W betrekken de ingezetenen en de belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning;

  • B en W stellen ingezetenen en de belanghebbenden vroegtijdig in de gelegenheid voor dit beleid zelfstandig voorstellen te doen;

  • B en W verschaffen ingezetenen en belanghebbenden de benodigde informatie.

  • Bovendien stellen B en W zich bij de beleidsvoorbereiding ook op de hoogte van de belangen en behoeften van ingezetenen die hun belangen en behoeften niet goed kenbaar kunnen maken.

Omdat de belangenbehartiging op het lokale niveau, onder andere vanwege de decentralisatie van de functie begeleiding, versterking nodig had, heb ik aan de samenwerkende landelijke (koepels van) cliënten- en patiëntenorganisaties en Wmo-raden een tijdelijke subsidie beschikbaar gesteld. Die landelijke koepels (waaronder onder meer NPCF, CG-raad, Landelijk Platform GGZ en Platform VG) hebben een programma opgesteld «Aandacht voor Iedereen» en dat programma is erop gericht de lokale patiënten- en cliëntenorganisaties en de Wmo-raden te versterken.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de uitkomst van de discussie over de herdefiniëring van de termen «aandoening» en «beperking».

De uitkomst van de discussie over de herdefiniëring van de termen «aandoening» en «beperking» is dat het streven om de krachtenbundeling van de pg-organisaties te realiseren op verzoek van de pg-organisaties is gewijzigd. Ik heb de opmerkingen van de patiënten- en gehandicaptenorganisaties ter harte genomen en besloten om het voornemen om vanaf 1 januari 2014 nog maar maximaal één organisatie per aandoening of beperking te subsidiëren, te versoepelen. Ik wil het veld meer tijd en ruimte geven om zelf bundeling en samenwerking tot stand te brengen. Organisaties hoeven zich bovendien niet meer te richten op een doelgroep van mensen met dezelfde aandoening of beperking, maar kunnen zich ook organiseren rond bijvoorbeeld hulpmiddelen of symptomen.


X Noot
1

TK (2010–2011, 29 214 nr. 60)

X Noot
2

TK (2011–2012, 29 214 nr. 63)

Naar boven