Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201428844 nr. 75

28 844 Integriteitsbeleid openbaar bestuur en politie

Nr. 75 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 november 2013

Aanleiding

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de uitvoering van twee moties op het terrein van integriteit in het openbaar bestuur. Het gaat om de aangenomen motie van de leden Schouw en Klein (Kamerstuk 28 844, nr. 71) in het VAO Integriteit openbaar bestuur van 6 maart 2013 (Handelingen II 2012/13, nr. 58, item 3, blz. 3–5) en de motie Heijnen c.s., aangenomen tijdens de plenaire behandeling van het begrotingshoofdstuk Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het jaar 2013 (Kamerstukken II 33 400 VII nr. 18). Bij de behandeling van de BZK-begroting op 19 december 2013 evenals in het Algemeen Overleg over integriteit in het openbaar bestuur dat ik met uw Kamer had op 13 februari 2013 (Kamerstuk 28 844, nr. 73) gevolgd door het VAO op 6 maart 2013, heb ik over dit thema tevens enkele toezeggingen gedaan waarover ik u in deze brief rapporteer.

1. Motie Schouw en Klein: jaarlijks agenderen van en rapporteren over integriteit binnen gemeenten, provincies en waterschappen

De door de Tweede Kamer aangenomen motie Schouw en Klein verzoekt de regering om een bestuurlijke afspraak te maken met de waterschappen, provincies en gemeenten om ten minste een keer per jaar het onderwerp integriteit te agenderen en hierover in het jaarverslag te rapporteren en tevens om de verantwoordelijkheid hiervoor neer te leggen bij de voorzitter van het betreffende gremium.

In het Algemeen Overleg met uw Kamer op 13 februari 2013 heb ik reeds kenbaar gemaakt de suggesties van het Kamerlid Schouw te zullen bespreken met de voorzitters van de koepels. Tevens heb ik gemeld dat de inhoud van de motie in het verlengde ligt van hetgeen al wordt beoogd en dat ik de motie derhalve als een ondersteuning van beleid beschouw.

Met een brief heb ik de voorzitters en leden van de besturen van de koepelorganisaties IPO, VNG en Unie van Waterschappen op 25 april jl. gevraagd om het in de motie gevraagde traject bij hun aangesloten leden te bevorderen. In deze brief heb ik gerefereerd aan onze gezamenlijke opvatting die bovendien kan rekenen op brede instemming van uw Kamer, dat het integriteitsbeleid de komende jaren niet gebaat is met meer regels en voorschriften, maar dat de inspanningen de komende jaren gericht moeten zijn op het borgen van integriteit in de organisatie. Tevens, dat de commissaris van de Koning, de burgemeester en voorzitters van de waterschappen hierbij een belangrijke rol kunnen spelen. In de brief aan de koepels heb ik kenbaar gemaakt dat het jaarverslag zich naar mijn mening zeer goed leent voor de jaarlijkse rapportage, maar dat het mij een juiste benadering lijkt om, in het verlengde van de eigen verantwoordelijkheid, de vorm waarin de rapportage plaatsvindt aan de decentrale overheden zelf over te laten. Voorts, dat de handreiking Integriteitsrapportage van BIOS met aanbevelingen en suggesties bij het rapporteren over beleid hierbij behulpzaam kan zijn.

Door de besturen van de koepels is instemmend gereageerd op mijn verzoek. Het verzoek sluit aan bij de doelen die ook de koepels nastreven. De mening is dat het agenderen, bespreken en verantwoording afleggen een logische plek innemen binnen het integraal integriteitsbeleid. Het bestuur van het IPO heeft er daarbij op gewezen dat de jaarlijkse agendering en rapportage in provincies al de bestaande praktijk is. De VNG heeft mij aanvullend geïnformeerd over haar ambities voor de komende tijd. Het faciliteren van de dialoog en met elkaar het gesprek aangaan worden door het bestuur van de VNG als zeer belangrijk beschouwd bij het vergroten van het integriteitsbewustzijn. In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen wordt gewerkt aan een programma. In dat kader worden goede praktijken bij gemeenten voor andere gemeenten beschikbaar gesteld. Tevens zet de VNG in op het beter positioneren van sleutelfiguren op het terrein van integriteit. Ook de waterschappen hebben de afgelopen tijd stevig geïnvesteerd in een integriteitsbewust klimaat. De waterschappen kunnen gebruik maken van een Toolkit Integriteit die dit jaar voor de waterschappen beschikbaar is gekomen. Deze communicatietoolkit omvat diverse instrumenten voor het ontwikkelen, actualiseren, toetsen en borgen van integriteitsbeleid. Met deze toolkit kunnen de waterschappen op diverse niveaus aan de slag met herijking en borging van hun integriteitsbeleid door te monitoren en evalueren en hierover te rapporteren. In de visie van de waterschappen wordt integer handelen gezien als een kenmerk van kwaliteit van het werk. Aandacht voor integriteit maakt onderdeel uit van de reguliere werkprocessen bij de waterschappen.

Aldus wordt uitvoering gegeven aan de motie Schouw c.s. Het past bij de gezamenlijke opdracht die wij onszelf, koepels en ministerie, stellen dat we de ontwikkelingen bij de decentrale overheden op dit punt ook gaan volgen door middel van de vierjaarlijkse Monitor Integriteit.

In het Algemeen overleg op 13 februari 2013 is ook aan de orde gesteld dat de lokale rekenkamers een rol kunnen spelen bij het thema integriteit. Het is ook om die reden dat de Handreiking integriteit van politiek ambtsdragers hieraan de volgende passage wijdt: «Een rekenkamer (of rekenkamercommissie) kan een belangrijke rol spelen in het doeltreffend, doelmatig en rechtmatig besteden van middelen en kan daarmee ook bijdragen aan de kwaliteit van het integriteitsbeleid. De rekenkamer heeft de bevoegdheid om bij diensten, instellingen en organen alle inlichtingen in te winnen die nodig zijn voor een onderzoek. De rekenkamer bepaalt zelf welke onderwerpen hij onderzoekt. Ook kunnen de raad, Staten en algemeen bestuur vragen om een onderzoek. De rekenkamer legt zijn bevindingen, conclusies en aanbevelingen vast in openbare rapporten.»

2. Stand van zaken overige toezeggingen bestuurlijke integriteit

Bij de begrotingsbehandeling heb ik de volgende activiteiten aangekondigd:

  • een aangepaste handreiking voor bestuurlijke integriteit;

  • een leidraad voor een zorgvuldige aanpak bij onderzoek naar integriteitskwesties, en;

  • subsidies aan beroepsorganisaties voor activiteiten op het gebied van integriteit.

De Handreiking integriteit van politiek ambtsdragers bij gemeenten, provincies en waterschappen is inmiddels geactualiseerd, in samenwerking met IPO, VNG en Unie van Waterschappen. Mede namens de koepelorganisaties is deze tweede gewijzigde versie vervolgens breed onder de aandacht van de decentrale overheden gebracht.

Er wordt door BIOS thans gewerkt aan een leidraad voor een zorgvuldige aanpak bij onderzoek naar integriteitsschendingen door politieke ambtsdragers. Het is de bedoeling dat de leidraad eind december van dit jaar beschikbaar komt voor gebruik. Het geeft onder andere burgemeesters, commissarissen van de Koning en voorzitters van waterschappen een steuntje in de rug wanneer zij in het kader van hun rol op integriteitsgebied ervoor komen te staan dat zij onderzoek moeten entameren naar een integriteitsschending.

In 2012 zijn subsidies verstrekt aan beroepsorganisaties voor activiteiten op het gebied van integriteit. Een van die voorgenomen activiteiten betreft de ontwikkeling van een «pre employment screening» voor politiek ambtsdragers, om te beginnen voor kandidaat-raadsleden door de raadsledenvereniging. Tijdens het AO heb ik toegezegd op korte termijn met deze vereniging in overleg te zullen treden over wanneer dit instrument beschikbaar komt met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van 2014. Door de vereniging is een functioneel ontwerp voor een screeningsinstrument ontwikkeld. Op basis hiervan heeft overleg met de vereniging plaatsgevonden. Besloten is dit ontwerp niet verder te ontwikkelen, omdat omzetting in een bruikbare tool niet haalbaar bleek. Door de vereniging wordt bezien hoe alsnog een product kan worden ontwikkeld waarmee risico’s met betrekking tot de vervulling van het raadslidmaatschap in kaart worden gebracht.

3. Motie Heijnen over verkenning mogelijkheden nationaal bureau integriteitsonderzoek

Het lid Heijnen (PvdA) heeft op 19 december 2012 tezamen met de leden Litjens (VVD), Schouw (D66), Voortman (GroenLinks) en Van Raak (SP) een motie ingediend met het volgende verzoek:

«De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat (mogelijke) integriteitsschendingen in het openbaar bestuur thans op zeer verschillende wijze en door zeer uiteenlopende instanties en personen wordt onderzocht; van mening dat dit efficiënter en eenduidiger moet; verzoekt de regering, de mogelijkheid te verkennen van een onafhankelijke instelling voor onderzoek naar vermoedelijke integriteitsschendingen in het openbaar bestuur.»

Tijdens het «AO Integriteit van het openbaar bestuur» d.d. 13 februari jl. heb ik laten weten dat ik de problematiek achter de motie herkenbaar vind. Over de specifieke oplossing, wel/geen nationaal onderzoeksinstituut, ervaar ik echter een brede aarzeling binnen zowel de commissie, als onder beroepsgroepen en koepelorganisaties. Dit bleek ook tijdens de hoorzitting die de Tweede Kamer hield over integriteit op 16 januari jl. Ik heb de onderzoeksopdracht op basis van deze constateringen daarom verruimd, zodat in brede zin gesignaleerde knelpunten in kaart worden gebracht. Daarbij is tevens het verzoek gedaan niet alleen te focussen op een landelijk bureau, maar ook andere oplossingen te verkennen.

De verkenning is uitgevoerd door Prof. mr. dr. Stavros Zouridis van de Tilburg University en geeft een heldere schets van het landschap aan onderzoeksinstanties en de variatie daarin, alsmede een inventarisatie van knelpunten en mogelijke oplossingen1. Het onderzoek laat ook goed de breedte en complexiteit van het vraagstuk van integriteitsonderzoek zien.

De onderzoekers doen in hun rapportage geen aanbevelingen. Dit past ook bij mijn wens, zoals aangekondigd aan de Tweede Kamer, om over de bevindingen in gesprek te treden met uw Kamer en de betrokken organisaties en beroepsgroepen in het openbaar bestuur. Wel wil ik graag een eerste indruk geven van mijn bevindingen, mede als opmaat voor de te voeren gesprekken.

Het landschap aan onderzoeksinstanties

Aangezien de vraag van uw Kamer mede voortkwam uit zorgen over de grote diversiteit aan onderzoeksinstanties, ga ik hieronder allereerst in op het landschap, voordat ik de knelpunten en oplossingen bespreek.

De verkenning laat zien dat de veronderstellingen in de motie aan de oppervlakte lijken te worden bevestigd. Er zijn ten minste tientallen verschillende instanties voor integriteitsonderzoek die over eigen werkwijzen, professionele normen en benaderingen beschikken. Zo zijn er ad hoc onderzoeksinstanties die veelal bestaan uit commissies en hoogleraren. Diverse (grotere) overheidsinstanties beschikken over een eigen bureau integriteit dat tevens belast is met onderzoek naar mogelijke schendingen en/of hanteren een eigen onderzoeksprotocol waarin werkwijzen en bevoegdheden zijn neergelegd. Tot slot bestaat er een uiteenlopende lijst van externe bureaus die bovendien kunnen worden opgedeeld in vijf categorieën die betrekking hebben op de specifieke expertise of discipline van waaruit integriteitsonderzoek wordt verricht:

  • Bureaus die alleen integriteitsonderzoek doen;

  • Recherchebureaus;

  • Accountants;

  • Bestuurs- en organisatieadviesbureaus;

  • Juridische dienstverleners en advocaten.

Eén van de opvallendste bevindingen van de onderzoekers is dat, ondanks de grote variëteit aan instanties, de harde kern van het integriteitsonderzoek opmerkelijk uniform is. Integriteitsonderzoek gaat in ieder geval om reconstructie van de feiten en het verzamelen van bewijs voor deze reconstructie. Vrijwel altijd wordt in het onderzoek een normenkader opgesteld, dat doorgaans bestaat uit «harde» bestuursrechtelijke en «zachte» professionele normen. Het normenkader kan daarbij verschillen, maar de «evergreens» domineren (de Algemene wet bestuursrecht, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de Ambtenarenwet, gedragscodes en rechtspositieregelingen).

De verschillen in werkwijze lijken dan ook vooral te zitten in de variatie in de aard van de problematiek en daarmee de discipline van waaruit vermoedelijke integriteitsschendingen worden onderzocht in opdracht van het betreffende bestuursorgaan. Soms is de aanleiding voor een onderzoeksopdracht een vermoedelijke concrete schending, soms gaat om het om bredere vraagstukken. Voor het ene onderzoek ligt de nadruk op organisatiecultuur of leiderschap, voor de ander op juridisch advies over de consequenties van het integriteitsonderzoek of het trekken van lessen om te voorkomen dat de integriteitsschending in de toekomst plaatsvindt (vanuit het perspectief van bedrijfsbeveiliging of administratieve organisatie). De diversiteit in integriteitsonderzoeken die uw Kamer eerder ook al constateerde, lijkt in ieder geval functioneel te zijn. De grote diversiteit in typen integriteitsonderzoek vloeit namelijk onder meer voort uit de specifieke context, de onderzoeksvraag en de benodigde expertise. De verschillen tussen onderzoeken kunnen kortom worden benadrukt, maar betreffen volgens de onderzoekers eerder het «surplus» op integriteitsonderzoek dan de harde kern van dat onderzoek.

De conclusie van de onderzoekers dat, naast de stabiele harde kern, de diversiteit aan onderzoeken functioneel is, vind ik verhelderend en goed passen bij het thema integriteit dat complex is, soms gaat over individuen, soms over cultuur en soms over de weg vinden binnen het grijze gebied.

De knelpunten bij integriteitsonderzoek

In het rapport staan drie soorten knelpunten centraal die hieronder kort worden behandeld. Daarbij merk ik wel op dat de onderzoekers ervoor hebben gekozen om de in het onderzoek aangetroffen knelpunten niet te wegen of te kwantificeren.

I) Professionaliteit en verantwoordelijkheid opdrachtgever

De verkenning laat zien dat met name de professionaliteit aan de kant van bestuursorganen als opdrachtgever verbeterd kan worden. Problemen rond het ordentelijk opzetten van integriteitsonderzoek (inclusief de vraagstelling) lijken zich met name voor te doen bij bestuursorganen die niet beschikken over een zekere mate van routine bij integriteitsonderzoek. Hier ontbreekt vaak ook helder inzicht in het mogelijke aanbod van integriteitsonderzoeken en afstemming tussen het bestuursrechtelijk en strafrechtelijk onderzoek. Bij enkele bestuursorganen die wel beschikken over interne onderzoeksinstanties zijn kwaliteit en routines vaak wel geborgd in de onderzoeksinstantie. Indien alsnog gebruik gemaakt dient te worden van een externe instantie voor onderzoek, kan het interne bureau optreden als gedelegeerd opdrachtgever. Een deel van die interne bureaus kan ook onderzoek doen naar bestuurders, ook al wordt dit vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid vaak niet wenselijk geacht.

In de praktijk beschikken tevens vooral grotere organisaties vaak over een onderzoeksprotocol waarin afspraken zijn vastgelegd over een structureel aanspreek- of coördinatiepunt voor het nemen van besluiten over het al dan niet starten van een onderzoek, de afbakening van de vraagstelling, de keuze voor interne of externe onderzoekers, et cetera.

Vooral de verantwoordelijkheid voor bestuurlijke integriteit wordt ervaren als knelpunt. Met de invoering van de wettelijke zorgplicht voor burgemeesters en commissarissen van de Koning wordt dit volgens de onderzoekers slechts deels opgelost, omdat niet duidelijk is welke instrumenten beschikbaar zijn om deze waar te maken. Ook kan het voor burgemeesters lastig zijn om kwesties aan de orde te stellen vanwege het gegeven dat de raad beslist over herbenoeming.

II) Professionaliteit/kwaliteit, capaciteit en transparantie opdrachtnemer

Bij interne instanties lijkt de problematiek tweeledig. Hun effectiviteit lijkt afhankelijk van de prioriteit en aandacht die wordt gegeven aan het onderwerp. Daarbij wordt de beschikbare capaciteit soms als knelpunt ervaren, hetgeen soms te maken heeft met piekbelastingen.

Daarnaast wordt de expertise van onderzoekers (intern en extern) niet altijd als voldoende ervaren. Het uitvoeren van integriteitsonderzoeken naar met name bestuurders en topambtenaren stelt hoge eisen aan de onderzoeksexpertise en kennis van het politieke krachtenveld.

Bij externe instanties lijken met name zorgen rond het ontbreken van uniforme maatstaven leidend te zijn. Er zijn namelijk wel kwaliteitsmaatstaven en protocollen waaraan interne en externe opdrachtnemers dienen te voldoen, maar deze zijn verschillend georganiseerd. Voor accountants en advocatuur is dit tuchtrechtelijk geregeld, voor particuliere recherchebureaus via het vergunningensysteem en voor organisatieadviesbureaus door vrijwillige binding aan een kwaliteitsinstituut/klachtenprocedure.

III) Lacunes in rechtsbescherming en rechtseenheid politieke ambtsdragers

Voor ambtenaren is de rechtsbescherming en rechtseenheid al goed geregeld; voor hen zijn er bezwaar- en beroepsmogelijkheden en door jurisprudentie ontstaat er een normenkader ten aanzien van de procedurele en materiële kaders. Bij integriteitsonderzoek naar politieke ambtsdragers is er echter nauwelijks iets geregeld.

De door de onderzoekers benoemde kwetsbare rechtspositionele positie van politieke ambtsdragers sluit aan bij de politiek-bestuurlijke context waarin zij opereren. Wanneer een politiek bestuurder voorwerp is van integriteitsonderzoek dat negatief uitpakt is het aan het betreffende volksvertegenwoordigende orgaan om het politieke oordeel te vellen, net zoals het aan de ambtsdrager is om consequenties te trekken. De kwetsbare positie moet mijns inziens wel alle redenen geven voor bestuursorganen om in het voortraject en bij het verrichten van het onderzoek uiterst zorgvuldig te opereren, juist ook jegens betrokkene.

Mogelijke oplossingen

De verkenning brengt verschillende oplossingen in kaart inclusief de eventuele voor- en nadelen hiervan. De onderzoekers geven daarbij geen beeld van de urgentie van de knelpunten en van de te nemen maatregelen. Het voert te ver om op alle genoemde mogelijke oplossingen in te gaan, de discussie met uw Kamer en organisaties in het openbaar bestuur kunnen meer scherpte geven aan de voorkeursrichting. Wel wil ik alvast aangeven dat het onderzoek mijns inziens vooral bruikbare mogelijkheden geeft voor professionalisering aan de kant van de bestuursorganen. Dit brengt bovendien met zich mee dat aan de voorkant uniforme kwaliteitseisen worden geformuleerd waaraan externe onderzoeksbureaus zich dienen te conformeren. De verkenning lijkt geen directe aanleiding te bieden tot het nemen van maatregelen gericht op uniformering in kwaliteitsnormen bij externe onderzoeksbureaus, noch is BZK in de positie om daar direct verandering in aan te brengen.

Oplossingen voor opdrachtgevers

Op enkele oplossingen voor de verdere professionalisering van opdrachtgevers wil ik al kort reageren. Voor elke oplossing geldt dat nader overleg met koepels en beroepsorganisaties volgt over hun behoeften en welke invulling zij daarbij het meest gewenst achten. Een overzicht van de mogelijke oplossingen voor professionaliteit bestuursorganen:

  • a) Voor ambtelijke integriteit bestaat al een handreiking integriteitsonderzoek. Voor bestuurlijke integriteit zal een dergelijke handreiking eind 2013 worden uitgebracht door BIOS (Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector), zoals onder punt 2 ook al is vermeld.

  • b) Een modelonderzoeksprotocol kan overwogen worden, indien belangen- en beroepsgroepen signaleren dat dit een meerwaarde heeft. Ik wil deze echter niet verplichten, maar beschikbaar stellen. Een kanttekening die de onderzoekers hierbij plaatsen is dat een onderzoeksprotocol duidelijkheid kan bieden bij het invullen van het opdrachtgeverschap, maar geen garantie is voor een goed integriteitsonderzoek indien de interne routine en expertise niet voldoende gegarandeerd zijn. Dit laatste geldt voornamelijk voor kleinere organisaties en voor kwesties rond bestuurlijke integriteit. Vandaar dat verdere professionalisering dient te worden gestimuleerd.

  • c) Verdere professionalisering stimuleren van de onderzoeken die intern worden uitgevoerd door het opbouwen van routine en praktijkervaring. In de praktijk betreft dit vooral onderzoeken naar ambtelijke integriteit. De opgebouwde routine vertaalt zich echter ook naar het afhandelen van bestuurlijke incidenten. Stimulering van professionalisering kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld d.m.v. een gezamenlijke opleiding van onderzoekers van de interne bureaus, uitwisseling in de vorm van een pool van interne onderzoekers, en samenwerking tussen bestuursorganen bij het instellen van een gedeeld intern bureau integriteit. In overleg met de belangen- en beroepsgroepen wil ik bezien of en hoe BZK hierbij kan ondersteunen.

  • d) De vraag is op welke punten aanvulling op het huidige wettelijke instrumentarium wenselijk is, vooral ten aanzien van de bestuurlijke integriteit. Door het thans bij het parlement aanhangige wetsvoorstel2 wordt het knelpunt van een duidelijke verantwoordelijkheidsstructuur voor bestuurlijke integriteit al geadresseerd, in de vorm van een zorgplicht voor de bevordering van de bestuurlijke integriteit voor burgemeester, commissaris van de Koning, voorzitter van waterschap en gezaghebbers van de BES-eilanden. Het is zinvol om over de invulling hiervan verder het gesprek te voeren met betrokken beroepsorganisaties.

Oplossingen voor de kwetsbare positie van politieke ambtsdragers

De kwetsbare rechtspositionele positie van politieke ambtsdragers sluit aan bij de politiek-bestuurlijke context waarin zij opereren. Het rapport suggereert twee oplossingen voor beide knelpunten: het verbinden van bestaande klachtenprocedures en tuchtrechtelijke procedures die de kwaliteit van de opdrachtnemers moeten garanderen, en een nieuwe instantie voor appèl en rechtseenheid voor integriteitsonderzoek naar politieke ambtsdragers. Aan beide oplossingen kleven voor- en nadelen, zoals het rapport die ook uiteenzet. Een pasklaar antwoord heb ik vooralsnog niet. De vraag moet gesteld worden of inderdaad sprake is van zodanige knelpunten dat er tot dergelijke maatregelen moet worden overgegaan. Wat ik voorts zwaar wil laten wegen is dat we geen zware nieuwe organen of instanties moeten willen optuigen. De nadelen hiervan worden in het onderzoeksrapport zelf al belicht, namelijk dat het landschap van instanties dan onoverzichtelijk wordt en het vraagstuk zich gaat voordoen hoe de nieuwe instantie zich moet verhouden tot andere reeds bestaande tuchtrechtelijke en klachtenprocedures, terwijl voor bestuurders slechts beperkte voordelen worden verwacht. Ik wil hierop nader studeren en hierover het gesprek aangaan met de koepels en beroepsorganisaties.

Mogelijkheden voor een nationaal onderzoeksbureau

De motie richtte zich op het verkennen van de mogelijkheid van een onafhankelijke instelling voor onderzoek naar vermoedelijke integriteitsschendingen in het openbaar bestuur. Gezien de resultaten van het onderzoek gaat mijn voorkeur uit naar ondersteuning van overheidsorganisaties bij hun rol als opdrachtgever. Het rapport maakt niet alleen duidelijk dat er niet voor niets verschillende typen integriteitsonderzoek zijn, het laat tevens zien dat ook een nationaal onderzoeksbureau antwoord zal moeten zien te vinden op dezelfde soort van kwaliteitsvragen als externe opdrachtnemers in de huidige situaties ondervinden. Een centraal onderzoeksbureau in zware vorm, zoals het onderzoeksrapport onderscheidt, roept bovendien veel vragen van principiële aard op die onder meer betrekking hebben op het eigenaarschap voor onderzoek en de beslissingsbevoegdheid die aan (decentrale) overheden zelf toebehoort, gelet op de autonome positie die zij in ons staatsbestel innemen, om onderzoek te doen instellen. Ik wijs in dit verband ook op het eerder genoemde bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel dat voorziet in een centrale rol van commissarissen van de Koning en burgemeesters bij integriteitshandhaving in hun provincie cq. gemeente (en van de gezaghebbers op de BES-eilanden en de dijkgraaf in de waterschappen). De bepaling stelt dat genoemde functionarissen de integriteit in hun provincie, gemeente, openbaar lichaam of waterschap «bevorderen». Deze wetswijziging benadrukt daarmee nogmaals de eigenstandige positie van de decentrale overheden inzake de omgang met integriteit en verschaft, door de heldere belegging van verantwoordelijkheden, tevens duidelijkheid bij enkele gepercipieerde knelpunten die zich voordoen in de aanloop naar een integriteitsonderzoek.

Wel stel ik wel vast dat in ieder geval in een lacune kan worden voorzien door het instellen van een laagdrempelig advies- en expertisepunt waar bestuursorganen terecht kunnen met vragen over de te maken keuzes in de voorfase en voor het inrichten van goed onderzoek. Een soort eerste hulp bij integriteitsonderzoeken. Een dergelijke adviesrol kan op verschillende niveaus worden georganiseerd: lokaal, (inter)regionaal en/of nationaal.

Het Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector (BIOS) vervult momenteel al een dergelijke landelijke vraagbaakfunctie voor veel (decentrale) overheden op het terrein van borging van integriteit(sbeleid). Van mijn kant wil ik daarom graag bezien of een dergelijke adviesrol in de toekomst ook tot de taken van dit bureau kan gaan behoren.

Vervolgstappen en planning

Gezien de resultaten van de verkenning lijkt een nationaal bureau voor het uitvoeren van integriteitsonderzoeken niet de meest voor de hand liggende oplossing voor de gesignaleerde problematiek, maar voordat ik mijn mening hierover definitief bepaal, ga ik graag het gesprek aan met uw Kamer en met organisaties in het openbaar bestuur. De komende periode zal ik daarom in overleg treden met uw Kamer, met koepelorganisaties en beroepsverenigingen, en zeker ook met individuele organisaties, zowel de grotere die bijvoorbeeld over een intern bureau integriteit beschikken, als de kleinere gemeenten. Ook wil ik in gesprek treden met diverse deskundigen. Op die manier wil ik bezien waar eventuele behoefte ligt aan nader onderzoek waarmee de professionalisering verder bevorderd kan worden, knelpunten scherper in beeld kunnen komen, of oplossingen nader uitgewerkt kunnen worden.

Er zijn voldoende concrete stappen die snel genomen kunnen worden, maar juist omdat deze vooral betrekking hebben op de verdere versterking van de professionaliteit van opdrachtgevers, hecht ik veel gewicht aan hun reactie op de bevindingen. Voor die discussie wil ik voldoende tijd nemen. Na de zomer van 2014 zal ik u informeren over mijn bevindingen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Waterschapswet (institutionele bepalingen), Kamerstukken 33 691