Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201528286 nr. 772

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 772 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 november 2014

Met deze brief informeer ik u, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie, nader over mijn standpunt ten aanzien van de door de RDA in het rapport «Verantwoord Honden Houden» opgenomen aanbevelingen.

In mijn brief van 4 april jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 729) heb ik u geïnformeerd over het rapport «Verantwoord Honden Houden» van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA). Ik heb hierin aangegeven dat ik het standpunt van de RDA onderschrijf dat adequaat beleid ten aanzien van bijtincidenten enerzijds gericht moet zijn op preventie en anderzijds op het waarborgen van veiligheid van mens en dier door middel van een effectieve doelgerichte reactie nadat een bijtincident is opgetreden. Adequaat beleid zal alleen mogelijk zijn indien het palet aan mogelijk te nemen maatregelen afdoende is om naast de goedwillende ook de kwaadwillende eigenaar op hun verantwoordelijkheid te wijzen en de kosten te laten waar ze behoren te liggen.

Uit de gevoerde gesprekken met een aantal gemeenten komt duidelijk naar voren dat zij de gemeentelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van beleid rondom bijtincidenten volledig onderschrijven. Ook is uit nadere analyse gebleken dat voor gemeenten bestuursrechtelijk meer maatregelen mogelijk zijn dan algemeen wordt aangenomen. Met de bestaande handhavingsinstrumenten kunnen gemeenten effectief de genoemde problemen aanpakken. Het aanpassen van de Wet dieren op dit punt is dan ook niet noodzakelijk. Voor een overzicht verwijs ik u naar de bijlage bij deze brief.

Ik zal hieronder nader ingaan op de RDA-aanbevelingen.

De Raad adviseert kwalitatief goede voorlichting op te (laten) stellen en het bewerkstelligen van bewustwording door middel van het beter en meer toegankelijk maken van kennis voor (toekomstige) houders/eigenaren en stelt daarom voor te onderzoeken of aan het houden van honden voorwaarden zouden moeten worden verbonden. Daartoe zou de hond volgens de positieflijstsystematiek moeten worden beoordeeld.

Het opstellen van goede voorlichting en het bewerkstelligen van een betere bewustwording is een taak waarvoor het Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren (LICG) bij uitstek geschikt is en deze ook uitvoert. Zo heeft het LICG bijvoorbeeld een videocursus ontwikkeld over het houden van honden (http://www.licg.nl/636/cursus-houden-van-honden.html).

In mijn brief over de stand van zaken van de positieflijst heb ik aangegeven dat de aangewezen diersoorten, inclusief de productiediersoorten, hond en kat, op de positieflijst geplaatst worden. Voor de productiediersoorten, honden en katten is niet zozeer de vraag van belang of ze gehouden kunnen worden, maar onder welke voorwaarden. Aan het houden van hond en kat zijn in het Besluit houders van dieren al aanvullende voorwaarden verbonden. Voor productiedieren gelden naast de algemene voorwaarden de diersoortspecifieke Europese welzijnsregels.

De RDA geeft aan dat fokbeleid gericht dient te zijn op het tegengaan/voorkomen van eventuele erfelijke aanleg op verhoogde agressie en dat elke fokker pups goed dient te socialiseren.

Het per 1 juli 2014 in werking getreden artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren gaat over het fokken met gezelschapsdieren en stelt dat degene die met een gezelschapsdier fokt, voor zover mogelijk voorkomt dat de gezondheid en het welzijn van de nakomelingen of het ouderdier wordt benadeeld en ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen, door de wijze waarop met het dier wordt gefokt. Hiermee wordt voldaan aan de RDA-aanbeveling.

De RDA adviseert er zorg voor te dragen dat afgekeurde politiehonden niet in handen kunnen komen van particulieren.

Honden die ongeschikt blijken te zijn als politiehond zijn niet perse ongeschikt om als huisdier te functioneren. Het is afhankelijk van de hond en eigenaar of de hond plaatsbaar is. De aanbeveling van de RDA zal ik niet overnemen.

De RDA stelt voor om de identificatie en registratie van honden verplicht te koppelen aan de eigenaar na een bijtincident in combinatie met een landelijke databank voor bijtincidenten die gelinkt is met de landelijke I&R databank voor honden. Deze databank zou toegankelijk moeten zijn voor gemeenten en politie.

Op grond van het Besluit identificatie en registratie van dieren is het verplicht dat honden geboren na 1 april 2013 geïdentificeerd en geregistreerd worden in een aangewezen databank. Honden geboren voor die datum hoeven niet verplicht geïdentificeerd en geregistreerd te worden.

Op het moment dat een dier in beslag wordt genomen en niet meer terug gaat naar de eigenaar worden ook de oudere dieren in het opvangcentrum op vrijwillige basis gechipt en in het I&R-systeem geregistreerd.

De toegevoegde waarde van een landelijke databank voor bijtincidenten bij het terugdringen van het aantal bijtincidenten wil ik verder onderzoeken. Deze zal ik afwegen tegen de kosten hiervan en van de invoering van een I&R-verplichting voor honden die een bijtincident hebben veroorzaakt.

De RDA is van mening dat het wetenschappelijk onderbouwen en volledig valideren van een hondengedragstest gericht op het voorspellen van agressief gedrag niet tot de mogelijkheden behoort. De RDA adviseert om kwaliteitsnormen voor hondengedragstesten op te gaan stellen en stelt voor vakbekwaamheidseisen voor hondengedragstesters en -gedragstherapeuten op te gaan stellen.

Een gedragstest (assessment) wordt als instrument ingezet om een goede inschatting te kunnen maken van het te verwachten gedrag van de hond in bepaalde omstandigheden. Het volledig valideren van een gedragstest gericht op alleen bijtincidenten is inderdaad zeer moeilijk uitvoerbaar.

In het kader van in beslag name van honden die verwaarloosd of mishandeld zijn, behoort het valideren van een assessment waarmee de mentale toestand en het te verwachten gedrag van een hond kan worden ingeschat, wel tot de mogelijkheden. Op basis hiervan kan onder meer vastgesteld worden welke training een hond nodig heeft en welke leefsituatie voor de hond gecreëerd moet worden (plaatsbaarheid) gelet op de veiligheid voor mens en dier en het welzijn van de hond. Voor het kunnen beoordelen van de welzijn- en gezondheidsstatus van in beslag genomen honden op grond van dierverwaarlozing of diermishandeling heb ik opdracht gegeven tot het ontwikkelen van een in de praktijk toepasbare, betaalbare en gevalideerde assessment methode.

Een dergelijk assessment kan in het geval van een bijtincident mogelijk aanvullende informatie opleveren. In samenwerking met gedragstherapeuten zal na ontwikkeling van het assessment bezien worden in hoeverre deze methode complementair is aan de agressietest waardoor een nauwkeuriger beeld van de mogelijkheden voor een individuele hond kan worden gerealiseerd dan bij het gebruik van een agressietest alleen.

De RDA adviseert om in de Wet dieren bepalingen op te nemen die een wettelijke basis bieden voor het bestuursrechtelijke optreden van gemeenten, politie en Openbaar Ministerie inzake bijtincidenten.

Gemeenten hebben op grond van de Algemene wet bestuursrecht, Gemeentewet en de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) afdoende mogelijkheden om adequaat bestuursrechtelijk op te treden nadat een bijtincident heeft plaatsgevonden.

Het gemeentebestuur is bevoegd om in de APV-maatregelen op te nemen ten aanzien van bijtincidenten met honden. Zo kan er bepaald worden dat een hond een muilkorf moet dragen of kort aangelijnd moet zijn in de openbare ruimte. Andere voorbeelden zijn het verplicht aanpassen van erfafscheidingen om het ontsnappen van honden onmogelijk te maken en het opleggen van een gedragstest.

Indien dergelijke maatregelen niet worden nageleefd, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om bestuursrechtelijk te handhaven op grond van de Gemeentewet. Zo kan bijvoorbeeld door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang een hond in beslag worden genomen indien een eerder opgelegd muilkorfgebod niet wordt nageleefd (Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2014:2380). De kosten die gemaakt worden bij de bestuursrechtelijke handhaving kunnen verhaald worden op de eigenaar.

De burgemeester kan tevens gebruik maken van de mogelijkheid die artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet biedt om op te treden bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan.

Een overzicht van de bestuursrechtelijke mogelijkheden is als bijlage toegevoegd.

De RDA adviseert te borgen dat opgelegde maatregelen een landelijke geldigheid hebben.

Dit advies is ingegeven vanuit de wens dat een opgelegd aanlijn- en muilkorfgebod ook zou moeten gelden bij het overschrijden van de gemeentegrens. Het beleid hoe om te gaan met bijtincidenten is aan de gemeente. Elke gemeente heeft zelf de bevoegdheid om uit het palet aan bestuursrechtelijke maatregelen die maatregelen te kiezen die zij voor dat bepaalde incident geschikt acht. Een landelijke dekking zou inhouden dat elke gemeente zich moet conformeren aan de maatregelen die de gemeente waar het bijtincident heeft plaatsgevonden, heeft opgelegd. Dit heeft niet mijn voorkeur en is tevens in strijd met de gemeentelijke autonomie.

Dit laat onverlet dat gemeenten elkaar wel kunnen informeren over de door hen opgelegde maatregelen.

De RDA adviseert daarnaast ook het Wetboek van Strafrecht (WvS) en Wetboek van Strafvordering (WvSv) aan te passen:

  • Aanpassen art. 14b WvS waarmee ook een houdverbod mogelijk wordt voor houders op grond van een bijtincident

  • Aanpassen art. 425 WvS waardoor ook het ophitsen van honden tegen andere dieren strafbaar wordt en een inbreuk van art. 425 WvS te bestempelen als een misdrijf en niet als een overtreding zoals thans het geval is om zo inbeslagneming van het dier ook mogelijk te maken buiten gevallen van ontdekking op heterdaad.

  • Het houdverbod als gedragsaanwijzing onder art. 509hh Wetboek van Strafvordering mogelijk maken.

Gezien de aard en de ernst van de schade die bijtincidenten kunnen opleveren, is het ook in mijn ogen van belang om het ophitsen van een dier als misdrijf strafbaar te stellen. Ook is het van belang om het ophitsen van een dier niet alleen strafbaar te laten zijn wanneer dit is gericht tegen een mens, maar ook wanneer dit tegen een ander dier is gericht. In dat laatste geval bestaan er nu onvoldoende mogelijkheden om de houder te bestraffen. Voorts onderken ik het belang om in geval van een bijtincident de inbeslagneming van het dier tevens mogelijk te maken in gevallen waarbij geen sprake is van ontdekking op heterdaad. De Minister van Veiligheid en Justitie is voornemens om een aldus verruimde strafbaarstelling als misdrijf en verruiming van de mogelijkheden tot inbeslagneming via een wijziging van het Wetboek van Strafrecht vorm te geven.

Met betrekking tot de aanbevelingen van de RDA over de mogelijkheden tot oplegging van een houdverbod, verwijs ik naar de antwoorden op vragen van de leden Van Gerven (SP) en Schouw (D66) over het houdverbod als zelfstandige straf (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 2239, dd. 18 juni 2014). Daarbij is aangegeven dat het belang van het komen tot een houdverbod als zelfstandige maatregel wordt onderschreven. Ook is aangegeven dat de voorgenomen evaluatie van de wet van 30 augustus 2012, Stb. 392 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht waardoor de termijn waarvoor een houdverbod als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling kan worden opgelegd is verruimd, zal worden vervroegd naar 2015. De uitkomsten van deze evaluatie kunnen bij de inrichting van het houdverbod als zelfstandige maatregel worden benut.

De hierboven aangekondigde wijzigingen met betrekking tot de strafbaarstelling en de inbeslagneming kunnen in dat kader worden meegenomen.

Voor het beoogde pakket aan wijzigingen zal een samenhangend wetsvoorstel in procedure worden gebracht, nadat de uitkomsten van de bedoelde evaluatie beschikbaar zijn gekomen.

Tijdens het Algemeen Overleg Huiselijk geweld en dierenwelzijn van 16 oktober jl. heb ik toegezegd u te informeren over mijn standpunt inzake het door de Raad van Beheer opgesteld projectplan Gezonde en Sociale Hond in Nederland (Fairfok). Ofschoon in beide gevallen de verantwoordelijkheid van de eigenaar een bepalende factor is, is de onderliggende problematiek van een andere orde. Eind november a.s. wordt het projectplan van de Raad van Beheer aan mij aangeboden. Zo spoedig mogelijk daarna ontvangt u separaat mijn reactie op genoemd projectplan.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

Overzicht mogelijkheden bestuursrechtelijke maatregelen door de gemeente

Bevoegdheid tot opleggen van bestuursdwang

Artikel 125 Gemeentewet juncto afdeling 5.3.1 Algemene wet bestuursrecht

   

Handhaving openbare orde

Artikel 172, eerste en derde lid, Gemeentewet

   

Algemene plaatselijke verordening

Voorbeelden: muilkorfgebod, aanlijngebod, aanpassen erfafscheidingen om ontsnappen van honden onmogelijk te maken, opleggen van een gedragstest.