Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201328286 nr. 592

28 286 Dierenwelzijn

29 683 Dierziektebeleid

Nr. 592 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE EN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 oktober 2012

In deze brief komen wij terug op de toezeggingen uit het Algemeen Overleg over dierziekten en antibiotica in de veehouderij van 5 juli 2012 (Kamerstuk 29 683, nr. 139) betreffende het gebruik van antibiotica in de veehouderij, geven wij aan hoe de uitvoering van de motie 28 286 nr. 557 over de risico’s van ESBL’s voor de volksgezondheid ter hand is genomen. Tot slot geven wij een overzicht van de voortgang van de regelgeving over antibioticagebruik.

Onderzoek naar alternatieven voor gebruik van antibiotica

In het Algemeen Overleg is toegezegd te onderzoeken of de ontwikkeling van alternatieven voor antibiotica, en met name van prebiotica, probiotica en fytotherapeutica, kan worden meegenomen in Europese onderzoeksprogramma’s, in het ZonMw-programma en/of binnen de topsectoren.

Allereerst willen wij nogmaals benadrukken dat de vermindering van antibioticumgebruik niet begint bij vervanging van antibiotica, maar bij goed diergezondheidsmanagement en bij een verduurzaming van de veehouderij. Daarbij gaat het om sterkere dieren, kwalitatief hoogwaardige diervoeders, goede kwaliteit van het drinkwater, betere huisvestingsomstandigheden en meer oog voor hygiëne. Om het gunstige effect daarvan op het antibioticumgebruik te demonstreren, investeert het ministerie van EL&I onder andere in het Innovatieprogramma Antibioticumvrije ketens.

Dat neemt niet weg dat het belangrijk is om alternatieven voor antibiotica te ontwikkelen en te benutten. We moeten echt zuinig zijn met de antibiotica die we hebben, en alternatieven stimuleren. Ook prebiotica1, probiotica2 en fytotherapeutica3 kunnen daarbij een rol spelen.

Het 7e Europese Kaderprogramma

In het 7e Kaderprogramma, dat loopt van 2006 tot en met 2013 is 1,9 miljard euro beschikbaar gesteld voor het thema voedsel en landbouw. Er is niet één focus binnen de thema’s; bij voedsel en landbouw gaat het om verschillende onderwerpen zoals verduurzaming van de landbouw en diergezondheid. Er zijn ook mogelijkheden voor onderzoek naar prebiotica, probiotica en fytotherapeutica

Het programma van het 7e kaderprogramma voor 2013 ligt vast op hoofdlijnen. Onderzoeksgroepen kunnen dit najaar voorstellen voor onderzoek indienen. Het opnemen van een of meerdere MKB’s is soms een vereiste en in elk geval een pre.

ZonMw

Het ministerie van VWS investeert – gedurende 10 jaar – 14 miljoen euro in het ZonMw programma «Priority Medicines en Antimicröbiele resistentie» dat in 2009 van start is gegaan. Het programma heeft de volgende doelstellingen:

  • het terugdringen van resistentie tegen antibiotica,

  • het ontwikkelen van mechanismen om aanwezige resistentie in bacteriën te overwinnen, en

  • het ontwikkelen van chemische verbindingen die zouden kunnen leiden tot nieuwe antibiotica.

De derde ronde van dit programma zal in 2013 plaatsvinden. In deze ronde is 2,2 miljoen euro beschikbaar. De programmacommissie heeft nog geen besluit genomen over de vorm en prioritering van deze ronde. De commissie juicht aanvragen van projectideeën over alternatieven van antibiotica toe en is zeker van zins deze te honoreren wanneer de wetenschappelijke kwaliteit en de relevantie zodanig is dat ze in de competitie met andere projecten overeind blijven. Op dit moment zijn zeven projecten op het gebied van prebiotica, probiotica en fytotherapeutica door ZonMw gehonoreerd.

Topsectoren

Binnen het Topsectorenbeleid bepalen bedrijfsleven, onderzoekinstellingen en de overheid gezamenlijk welke richting het onderzoek uitgaat. Het Topsectorenbeleid is nog volop in ontwikkeling. De Topsector AgroFood is de Topsector met de meeste aanknopingspunten voor onderzoek naar alternatieven voor antibiotica voor de veehouderij. Recentelijk zijn projectvoorstellen getoetst door experts. Bij het onderdeel AgroFood is een onderzoek ingediend dat zich richt op bevordering van de diergezondheid door de inzet van natuurlijke middelen, waaronder kruiden. In oktober 2012 vindt besluitvorming over de ingediende voorstellen plaats.

Conclusie

Binnen de genoemde drie sporen van onderzoeksfinanciering door de overheid zijn zeker mogelijkheden voor het onderzoek naar probiotica, prebiotica en fytotherapeutica. Het is aan onderzoeksgroepen en bedrijven zelf om hier onderzoeksvoorstellen voor in te dienen.

Over de markttoelating van alternatieven voor antibiotica verwijzen wij u naar de passage die wij hierover hebben geschreven in de brief die wij op 1 juni 2012 aan de Tweede Kamer hebben gestuurd (TK 29 863 nr 124).

Formularia en smal- en breedspectrumantibiotica

In het Algemeen Overleg is toegezegd om de Kamer te informeren over de inzet van breed- en smalspectrumantibiotica en de aanwezigheid van een vangnet in formularia.

Zoals aangegeven in onze brief naar aanleiding van het advies van de Gezondheidsraad (TK 29 683, nr. 104) hebben wij de Werkgroep Veterinair Antibioticumbeleid (WVAB) verzocht om de formularia naar aanleiding van het advies aan te passen. Het advies van de Gezondheidsraad heeft in de nieuwe formularia een leidende rol gekregen. Wij verwijzen u naar de WVAB4 voor de nieuwe richtlijnen en een deskundige uitleg over de nieuwe indeling en behandelmogelijkheden.

Formularia zijn de behandelrichtlijnen van de WVAB. Hierin worden antibiotica door deskundigen op basis van de eigenschappen en risico’s ingedeeld, waarbij een vangnet-constructie wordt gehanteerd wanneer het voorkeursmiddel niet gebruikt kan worden. Middelen worden in eerste instantie ingedeeld op basis van het advies van de Gezondheidsraad. Binnen deze indeling speelt het werkingsspectrum (smal of breed) een rol bij de keuzevolgorde, waarbij de voorkeur uitgaat naar een smalspectrum antibioticum. Ingeval het nodig is om niet conform de eerste voorkeur te behandelen, om bijvoorbeeld ernstig dierenleed te voorkomen, dan bieden de formularia voldoende mogelijkheden om onderbouwd uit te wijken naar andere middelen.

Motie Ormel: aanpak ESBL producerende bacteriën

Op 7 maart 2012 ( Handelingen II, 2011–2012, nr.60, item 12, blz 75–81)heeft uw Kamer de regering bij motie verzocht een plan van aanpak op te stellen om de risico’s voor de volksgezondheid veroorzaakt door ESBL producerende bacteriën te verminderen en de Kamer jaarlijks te rapporteren over de voortgang (TK 28 286, nr. 557).

In het VAO van 7 maart hebben wij toegelicht dat er momenteel beperkte kennis beschikbaar is over de diverse transmissieroutes van ESBL’s en de mogelijke bijdrage van deze routes aan de ESBL problematiek. Daarom heeft kennisontwikkeling de hoogste prioriteit in onze aanpak. Deze aanpak is gericht op het verkrijgen van kennis over:

  • het vóórkomen van deze bacteriën (surveillance);

  • het ontstaan van ESBL’s;

  • de wijze waarop overdracht van ESBL’s plaatsvindt;

  • maatschappelijke effecten.

Deze onderdelen zijn belangrijk om de zorgwekkende problematiek op het terrein van ESBL’s aan te kunnen pakken. In de bijlage bij deze brief vindt u een uitgebreid overzicht van het lopende onderzoek naar ESBL-producerende bacteriën dat wordt uitgevoerd in opdracht van de rijksoverheid *). Het onderzoek wordt uitgevoerd door onder andere het RIVM, de NVWA en via ZonMw. Hieronder zal ik kort ingaan op deze onderdelen.

Surveillance

Een belangrijk onderzoek op dit terrein is het onderzoek van het RIVM/CIb. RIVM/CIb onderzoekt de prevalentie van ESBL-producerende bacteriën en de risicofactoren voor dragerschap bij personen uit de Nederlandse bevolking die woonachtig zijn in pluimveerijke en pluimveearme gebieden. Onderzoeksresultaten zullen vergeleken worden met de resultaten van een studie uitgevoerd door de Vrije Universiteit Amsterdam waarbij de prevalentie en risicofactoren van ESBL-producerende bacteriën in de open bevolking (buiten de ziekenhuizen) in kaart gebracht worden.

Daarnaast vinden er nog vele onderzoeken plaats naar het aanwezig zijn van ESBL-producerende bacteriën zoals bijvoorbeeld in recreatiewater en in groente en fruit.

Het ontstaan van ESBL

In diverse onderzoeken, waaronder het onderzoek naar antibioticaresistentie in de kalverhouderij wordt onderzoek gedaan naar resistentieontwikkeling en de risicofactoren die daarbij een rol spelen. Inzicht in deze risicofactoren biedt aangrijpingspunten om de risico’s op resistentieontwikkeling te beperken.

De overdracht van ESBL’s

Het is van belang om inzicht te krijgen in de manieren waarop overdracht van ESBL’s plaats kan vinden. Een voorbeeld van een onderzoek dat zich hierop richt is het onderzoek naar ESBL’s in kippen. Waarom verspreiden ESBL’s zich in kippen? Dit onderzoek wil een antwoord op deze vraag om risico´s van mogelijke verspreiding vanuit de kip naar de mens in de toekomst te beperken.

Maatschappelijke effecten

Een voorbeeld van een onderzoek dat zich onder andere hierop richt is het onderzoek van het RIVM/CIb naar de rol van het milieu als een plek voor genoverdracht maar ook als een reservoir van antibiotica, antibioticaresistente bacteriën en overdraagbare resistentiegenen. Dit biedt een breder perspectief op de samenhang tussen onze maatschappelijke activiteiten waar antibiotica een rol spelen, in relatie tot het contact met onze leefomgeving.

De resultaten van deze onderzoeken worden door ons gebruikt om onze beleidsinstrumenten zo effectief mogelijk in te zetten. Vanaf 2012 rapporteert het RIVM ons jaarlijks over «stand van de antibioticaresistentie». Hierin wordt op basis van onderzoeksresultaten een vertaling gemaakt naar concrete beleidsadviezen, die door ons gebruikt zullen worden om deze problematiek planmatig aan te pakken. Wij hebben het RIVM gevraagd nadrukkelijk aandacht te besteden aan de ESBL problematiek.

Wij zullen de Kamer jaarlijks rapporteren over de het voorkomen van ESBL’s en de voortgang van onze aanpak. De eerstvolgende rapportage zullen wij u in het najaar van 2013 toesturen.

Voortgang wet- en regelgeving zorgvuldig antibioticagebruik in veehouderij

In eerdere brieven is regelgeving aangekondigd. In het navolgende geven we de voortgang weer bij de ontwikkeling daarvan. Daarbij is het belangrijk dat de Wet dieren in ieder geval voor het onderwerp diergeneesmiddelen per 1 januari 2013 in werking treedt. Daarover bent u al eerder bericht (kamerstukken II, vergaderjaar 2011/12, 28 286, nr. 583). Inmiddels is onder andere op het Besluit diergeneesmiddelen het advies van de Raad van State ontvangen. We streven er dus nog steeds naar de Wet dieren per 1 januari 2013 gedeeltelijk in werking te laten treden. Het is tevens ons streven het Besluit houders van dieren en het Besluit diergeneeskundigen, die thans bij uw Kamer voorliggen in het kader van voorhang, zo spoedig mogelijke inwerking te laten treden.

UDD-maatregel

Deze maatregel houdt in dat alle antibiotica UDD gekanaliseerd worden. Dit betekent dat deze middelen in beginsel door de dierenarts toegediend moeten worden. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor veehouders die een één op één relatie met hun dierenarts hebben. De komende weken zullen de voorwaarden waaronder houders antibiotica mogen toedienen beleidsmatig worden uitgewerkt.

Vervolgens zal het bedrijfsleven geconsulteerd worden over de praktische uitwerking van de randvoorwaarden. Met een overgangstermijn van 6 maanden is inwerkingtreding van het UDD regime voorzien voor de zomer van 2013.

Bij de uitwerking van de voorwaarden wordt de motie Ormel (TK 29 683, nr. 131) betrokken waarbij de regering wordt verzocht om ontheffing te verlenen van het bedrijfsbehandelplan voor hobbydierhouders die wel een één-op-éen relatie hebben met een dierenarts.

Verplichte gevoeligheidsbepaling

Deze maatregel houdt in dat moderne antibiotica behorende tot de groep van derde en vierde generatie cefalosporinen en fluoroquinolonen alleen mogen worden toegepast als uit een gevoeligheidsbepaling blijkt dat andere antibiotica niet werkzaam zijn. Hiervoor is een wijziging van het Besluit diergeneesmiddelen en de Regeling diergeneesmiddelen onder de Wet dieren in voorbereiding. Een concept van de regeling wordt deze maand conform de Europese notificatierichtlijn genotificeerd. Op dat moment gaat een standstill van drie maanden in. Het streven is erop gericht dat de maatregel tegelijk met de Wet dieren op 1 januari 2013 in werking kan treden.

Wetsvoorstel wijziging Wet dieren in verband met centrale administratie antibioticagebruik.

Middels dit wetsvoorstel wordt in de Wet dieren voorzien in een deugdelijke grondslag om vanuit de rijksoverheid regels te stellen over de centrale administratie van diergeneesmiddelen, waaronder het antibioticagebruik.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E. I. Schippers

*) Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer


X Noot
1

Prebiotica zijn niet verteerbare levensmiddeleningrediënten, die selectief de groei en/of de activiteit van één of meerdere soorten bacteriën in de dikke darm stimuleren, en daardoor de gezondheid van de gastheer bevorderen.

X Noot
2

Een probioticum is een preparaat of een product met levende, wel gedefinieerde micro-organismen in voldoende aantallen, dat de microflora in een bepaald orgaan van de gastheer verandert en daarmee een gezondheidsbevorderend effect heeft op de gastheer.

X Noot
3

Fytotherapeutica zijn plantaardige middelen die kunnen worden ingezet om bepaalde gezondheidsklachten te behandelen.

X Noot
4

www.wvab.nl