28 286 Dierenwelzijn

Nr. 1130 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 oktober 2020

In de brief over dierenwelzijn van 4 oktober 2018 aan uw Kamer (Kamerstuk 28 286, nr. 991) heb ik mijn ambities op het gebied van dierenwelzijn met uw Kamer gedeeld. Dierenwelzijn betreft een uiteenlopend beleidsterrein waarop zowel nationaal, Europees als internationaal uitdagingen liggen. Deze brief gaat over het dierenwelzijn van dieren in de veehouderij. Gezonde dieren en een goed welzijn zijn onlosmakelijk verbonden met een duurzame veehouderij. Waar er welzijnsproblemen zijn, is het mijn verantwoordelijkheid die samen met de sectoren aan te pakken, waarbij de verantwoordelijkheid voor dierenwelzijn begint bij de eigenaar en houder van dieren. Daarbij staat voorop dat regels worden nageleefd en dat daar effectief op wordt gehandhaafd. De uitwerking van de visie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit «Waardevol en verbonden», waar dierenwelzijn een van de negen toetsstenen in de meetlat is, heeft de kapstok van het beleid gevormd.

In deze brief wordt ingegaan op de manier waarop dierenwelzijn in het brede kader van de verduurzaming van de veehouderij wordt opgepakt en op het internationale beleid op dierenwelzijn. Tevens wordt u geïnformeerd over een aantal onderwerpen met betrekking tot het transport van productiedieren, over de resultaten van de genomen maatregelen om de gevolgen van hitte voor dieren te beperken en de zorg voor jonge dieren. De brief bevat ook een update van mijn beslissing over de verdere inzet van de Mobiele Dodings Unit (MDU). Daarnaast ga ik in op een aantal stappen die gezet zijn ten aanzien van ingrepen bij dieren en gebruik ik deze brief om uw Kamer het rapport over vogelmijt bij pluimvee toe te sturen1, zoals toegezegd tijdens het debat over het rapport van de Commissie Sorgdrager over fipronil op 7 maart 2019. In een aparte brief wordt u nog vóór het algemeen overleg Dieren in de Veehouderij geïnformeerd over meerdere onderwerpen op het gebied van het slachten van dieren.

Het dierenwelzijnsbeleid is de laatste periode gevoerd in de context van de coronacrisis. Dat heeft grote impact, zoals we hebben gezien bij het ruimen van de nertsen. Dat raakt de veehouderij, de sectoren en mij diep. Waar de crisis invloed heeft gehad op de voortgang van dossiers vraag ik uw begrip.

Duurzame veehouderij

Binnen de visie op kringlooplandbouw hebben dieren een belangrijke rol. Dieren kunnen gras en reststromen omzetten in hoogwaardige dierlijke eiwitten voor menselijke consumptie en leveren vervolgens meststoffen voor de teelt van gewassen. De uitwerking van deze visie voor het onderdeel veehouderij gebeurt in het programma duurzame veehouderij (PDV), waarin houders, sectororganisaties, ketenpartijen en dierenwelzijnsorganisaties worden betrokken bij het bewerkstelligen van een integrale aanpak, waarbij de verbetering van het dierenwelzijn een essentieel onderdeel is. Dit komt onder andere tot uiting in de sectorplannen van de verschillende dierlijke sectoren die nu door de verschillende partijen worden uitgevoerd. Onderdeel daarvan is onder andere het ontwikkelen van benchmarks om dierenwelzijn en diergezondheid te monitoren en te verbeteren. U bent recent in een aparte brief over de voortgang van het programma duurzame veehouderij geïnformeerd.

Dierenwelzijn internationaal

Internationaal is de inzet erop gericht om in EU-verband te komen tot verbetering van het dierenwelzijn en dit in een gelijk speelveld in Europa en daarbuiten. Samen met andere voortrekkers in de EU, zoals Duitsland, Denemarken, Zweden en België, gezamenlijk de zogenaamde «Vughtgroep», dringt Nederland al lang aan op verbetering, actualisatie en aanscherping van bestaande EU-regelgeving. De Europese Commissie lijkt dit nu ook van plan te zijn in het kader van haar visie op een duurzaam voedselsysteem, de «Farm to fork» strategie, waarin ze heeft aangekondigd dat de bestaande EU-regelgeving voor dierenwelzijn wordt geëvalueerd en herzien. Dit is een belangrijke kapstok en biedt momentum voor Nederland om samen met gelijkgestemde landende komende jaren verder in te zetten op betere en ambitieuzere normen voor dierenwelzijn in Europees verband.

Samen met de andere Vughtgroeplanden is bij de Europese Commissie gepleit voor een nieuwe EU-strategie voor dierenwelzijn, onder meer gericht op verbetering van dierenwelzijn bij transport en voor de varkenshouderij, maar ook op dierenwelzijnsvoorschriften voor commercieel gehouden en verhandelde diersoorten waarvoor nog geen specifieke EU-regelgeving bestaat. De inzet van Nederland was hier ook richting de vorige Europese Commissie op gericht en die is de afgelopen maanden voortgezet richting de op dit moment zittende Commissie. Hiermee heb ik tevens uitvoering gegeven aan de gewijzigde motie van het lid Bromet van 2 juli 2019 (Kamerstuk 35 000 XIV, nr. 94), waarin de regering werd verzocht om zich binnen de Europese Unie sterk te blijven maken voor ambitieuzere dierenwelzijnsnormen en hiermee haar wereldwijde koploperspositie en voorbeeldfunctie te behouden.

In het kader van het EU-Platform voor dierenwelzijn zijn enkele Europees-brede gidsen en richtsnoeren voor goede welzijnspraktijken (paarden, ezels, kweekvis) afgerond. Aan enkele andere gidsen en richtsnoeren wordt de laatste hand gelegd (opfok-leghennen, honden en katten). Op aandringen van Nederland, andere lidstaten en Europese belangenorganisaties heeft de Europese Commissie eind 2019 besloten de looptijd van het EU-Platform vooralsnog te verlengen tot en met 30 juni 2021. Hiermee wordt er voor gezorgd dat activiteiten en dialogen in dit kader worden voortgezet en verdere gidsdocumenten worden uitgewerkt.

In vervolg op de informele Landbouwraad van 1 september jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1249) zal het Duitse voorzitterschap bezien of er Raadsconclusies over etikettering van dierenwelzijn kunnen worden overeengekomen, met het oogmerk dat de Europese Commissie hier verder aan gaat werken. Aandachtspunten zullen waarschijnlijk zijn: grotere markttransparantie, betere consumentenkeuze en eerlijkere vergoeding voor realisatie van hogere niveaus op dierenwelzijn. De Europese Commissie heeft in de «Farm to fork» strategie ook een aantal initiatieven aangekondigd op het gebied van dierenwelzijn en zal komend jaar een studie laten uitvoeren naar de beste opties voor labeling en beoogt in 2024 met een concreet voorstel te komen. Het is goed dat de Europese Commissie de mogelijkheden voor etikettering nader zal onderzoeken (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1238).

Transport

Het beleid op het transport van productiedieren is dat dieren korter en minder vervoerd zullen gaan worden, dat de condities tijdens diertransporten verder verbeterd worden en dat de regels hieromtrent adequaat worden gehandhaafd.

Met diverse partijen ben ik bezig om de inzet om het vervoer van dieren naar een slachthuis te beperken om te zetten in concrete acties. Op 18 november 2019 is vanuit het ministerie een internationale bijeenkomst georganiseerd, samen met Eurogroup for Animals. Deze organisatie heeft een rapport uitgebracht over «karkasvervoer».2 Momenteel wordt met andere lidstaten en organisaties bekeken hoe een follow up van deze meeting in EU-verband kan worden georganiseerd om concrete ideeën nader te bespreken en uit te werken.

Niet alleen voor slachtdieren wordt gestreefd naar minder en kortere transporten. Er is onderzocht of exporten van fokrunderen naar bestemmingen buiten de EU vervangen zouden kunnen worden door de export van genetisch uitgangsmateriaal, zoals rundersperma. Daarbij is gefocust op Rusland en Marokko. Het huidige bindende handelscertificaat met Marokko voor rundersperma uit Nederland blijkt belemmerend te werken. Hierover wordt op dit moment opnieuw onderhandeld. Voor Rusland is gebleken dat het beperken van de export van fokrunderen lastig ligt. Pas wanneer de Russische rundveebedrijven zelf de vraag binnen eigen land tegemoet kunnen komen, is de verwachting dat de vraag van fokrunderen uit Nederland zal afnemen. In dit verband wordt ook verwezen naar mijn brief van 25 mei jl. aan uw Kamer (Kamerstuk 28 286, nr. 1093) waarin is aangekondigd dat exporten naar bestemmingen buiten de EU, waarbij een rustplaats moet worden aangedaan, zijn opgeschort. Door Vee en Logistiek Nederland is een plan van aanpak opgesteld om de exporten weer mogelijk te maken. Hierover vinden gesprekken plaats. Omdat deze problematiek uiteraard niet alleen in Nederland speelt, is er intensief contact met andere lidstaten over deze problematiek.

De lange transporten van jonge kalveren baren eveneens zorgen. Er wordt ingezet op EU-niveau samen met Duitsland voor betere regels voor transporten van deze jonge kwetsbare dieren en er wordt gepleit voor een maximale transportduur van 8 uur. De urgentie om in die sector verdere stappen te zetten om te verduurzamen is onverminderd groot. Ik verwijs u voor de stappen die ik zet om de sector aan te zetten tot verdere verduurzaming, naar de brief over de voortgang van het programma duurzame veehouderij die binnenkort naar uw Kamer wordt gestuurd.

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) werkt momenteel op mijn verzoek de Europese normen aangaande transportwaardigheid verder uit voor de uitvoeringspraktijk om de uniformiteit bij het beoordelen van de transportwaardigheid bij de export en bij aankomst in het slachthuis te verbeteren. Hierbij wordt gebruik gemaakt van in Europees verband opgestelde richtsnoeren. Naar verwachting zijn de instructies en bijbehorende opleiding in 2021 gerealiseerd.

Hitte

Algemeen

De afgelopen zomer was voor het derde jaar op rij zeer warm. Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) meldt dat deze zomer op de zesde plek staat in de lijst van warmste zomers sinds 1901,3 met zelfs in augustus een hittegolf van 13 aaneengesloten dagen, met daarin 6 tropische dagen (2x record).4

Er zijn dit jaar twee nieuwe maatregelen ingevoerd om dieren tijdens transport te beschermen (Kamerstuk 28 286, nr. 1123). Ten eerste de «beleidsregel diertransport bij extreme temperaturen», die beschrijft dat vervoer van dieren vanaf een buitentemperatuur van 35 graden niet mag plaatsvinden, tenzij het vervoer plaatsvindt met een veewagen met actief koelingssysteem. Ten tweede heeft de NVWA vanaf 2 juli jl., in navolging van de oproep van de Europese Commissie, geen exporten met een transporttijd van meer dan 8 uur toegestaan als de voorspelde temperatuur onderweg boven de 30 graden was. Ook hier geldt een uitzondering voor veewagens met actieve koeling.

Inspectieresultaten en capaciteit NVWA

De NVWA heeft tijdens de hitteperioden in 2020 bijna 400 hitte gerelateerde meldingen gekregen over dieren op veehouderijen of tijdens transport. Bij 57% van de ontvangen meldingen heeft de NVWA een vervolgactie ingezet, bestaande uit telefonisch contact met de houder en/of fysieke inspecties op de gemelde locatie.

Toezicht op het eventueel optreden van hittestress bij dieren in stallen en weiden is onderdeel van het reguliere takenpakket van de NVWA. In de zomer wordt tijdens een hitteperiode de nadruk van de werkzaamheden gelegd op inspecties naar aanleiding van meldingen. Op jaarbasis is 10fte beschikbaar voor de beoordeling en afhandeling van dierenwelzijnsmeldingen.

In de warme periode in 2019 zijn 34 bedrijven gecontroleerd en in 2020 zijn in totaal 118 bedrijven gecontroleerd. De NVWA heeft tijdens de hittegolf in augustus 103 inspecties uitgevoerd, 62% hiervan betroffen schapen die niet goed werden beschermd tegen het extreme weer. Inspecteurs hebben bij negen schapenhouders en twee paardenhouders een rapport van bevindingen (bestuurlijke maatregel) of proces-verbaal opgemaakt, omdat de dieren tijdens de inspectie onvoldoende waren beschermd tegen de extreme weersomstandigheden. Bij één schapenhouder heeft de NVWA ook opgetreden omdat de schapen onvoldoende toegang hadden tot een toereikende hoeveelheid water.

Toezicht op hittestress bij dieren die worden getransporteerd is ook onderdeel van het reguliere takenpakket van de NVWA. In de zomer wordt tijdens een periode waarbij het warmer is dan 27 graden Celsius prioriteit gegeven aan inspectie van veetransporten. Op jaarbasis is 2fte beschikbaar voor vervoerscontroles, dit is apart van het toezicht op dieren in stallen en weiden.

Daarnaast geeft de NVWA bij de levende keuring van dieren bij aanvoer op slachthuizen extra aandacht aan mogelijke verschijnselen van hittestress. De levende keuring van dieren voor de slacht wordt altijd uitgevoerd door een dierenarts van de NVWA. Ook dit jaar is er op hete dagen sprake geweest van aangepaste uren (’s nachts of eerder op de dag) waarop de keuring plaats heeft plaatsgevonden. Daarnaast zijn, in de mate van het mogelijke, bij de keuring en certificering van dieren voor de levende export aangepaste keuringstijden gehanteerd (’s morgens extra vroeg of ’s avonds) als het overdag warmer werd dan 27 graden Celsius. Verder zijn bij de zogenaamde «voorscreening» van de routeplannen voor de export van levende export gedurende de gehele zomer extra medewerkers ingezet om ingediende aanvragen te beoordelen. Na afloop van de reis moeten de teruggestuurde reisjournalen beoordeeld worden. Het betreft circa 2 fte op jaarbasis die nodig zijn om deze controles vooraf en achteraf structureel in te bedden. Die zijn onder meer nodig om, indien een gepland transport van langer dan acht uur door een gebied gaat waar het overdag boven de 30 graden wordt, de planning zodanig aan te laten passen dat het transport het gebied niet doorkruist op het tijdstip dat het daadwerkelijk boven de 30 graden is. Dit kan door de route en/of de tijdplanning aan te passen (»s nachts rijden als het dan koeler is).

Met bovenstaande kom ik de toezegging aan de leden Lodders (CDA) en Wassenberg (PvdD) na om een brief over hitte en dierenwelzijn naar de Kamer te sturen, waarin ook wordt ingegaan op de mogelijkheden die de NVWA kan bieden qua capaciteit.

Over het algemeen blijkt dat de regels voor het vervoeren van dieren en de afspraken die in het Nationaal Plan veetransport bij extreme temperaturen zijn gemaakt, de afgelopen hitteperiode goed zijn nageleefd.

Bij controles op slachthuizen bleek dat deze waren voorbereid op het extreme weer. Naast de mogelijkheid om onder de schaduw van een afdak te wachten hadden veel slachthuizen ventilatoren en vernevelingsinstallaties geïnstalleerd of andere technische aanpassingen uitgevoerd om de temperatuur te verlagen. Ook hadden veel slachthuizen slachttijden aangepast zodat er tijdens de heetste uren geen dieren aangevoerd hoefden te worden. Daarbij zijn ook de door de NVWA (en KDS) keuringstijden voor de AM en PM keuringen aangepast.

Bij inspecties bij aanvoer op slachthuizen en verzamelcentra heeft de NVWA niet hoeven optreden tegen het vervoeren van dieren bij buitentemperaturen hoger dan 35 graden Celsius. Er is nergens door de NVWA geconstateerd dat er diertransporten plaats hebben gevonden bij temperaturen boven de 35 graden. In zestien gevallen is wel geconstateerd dat ondanks de genomen maatregelen er bij aanvoer op het slachthuis sprake was van onacceptabele hittestress. Dat heeft in enkele gevallen bij aanvoer van een varkenstransport en bij meerdere pluimveetransporten tot interventies van de NVWA geleid.

Nationaal Plan veetransport bij extreme temperaturen

In de zomer treedt tijdens periodes waarbij het warmer is dan 27 graden Celsius het Nationaal Plan veevervoer bij extreme temperaturen in werking. In die periodes wordt prioriteit gegeven aan inspectie van veetransporten. In de bespreking van de ervaringen gedurende deze zomer met de betrokken partijen bij het Nationaal plan onderschreven alle partijen het geschetste beeld. Er werd geen aanleiding gezien om het Nationaal plan drastisch te herzien. Wel zal op enkele aspecten nog verder apart gesproken worden over bijsturing, zoals afstemming over welke app te gebruiken bij het voorspellen en vaststellen van de temperatuur, en de lessen die getrokken kunnen worden uit het recente Buro advies over hittestress bij het transport van varkens en pluimvee. De evaluatie van het National Plan voor veetransport bij extreme temperaturen heeft op 28 september plaatsgevonden.

Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek (Buro) heeft op verzoek van de directie Handhaven van de NVWA onderzoek uitgevoerd naar welzijnsrisico’s bij het transport van vleesvarkens en vleeskuikens onder (extreem) hoge temperaturen. Zij hebben daarbij uitgewerkt welke dierindicatoren kunnen worden gebruikt om het welzijn te bepalen. Dit advies is in de bijlagen5 van deze brief opgenomen, inclusief de managementreactie van de IG-NVWA.

De aanbevelingen die worden gedaan – het verplichten van mechanische ventilatie bij temperaturen boven de 27 graden en het nemen van initiatief voor verplichte risico-reducerende maatregelen bij lange transporten bij temperaturen boven de 30 graden – neem ik ter harte. Dit zal mijn inzet zijn op EU-niveau, waar ik pleit voor betere regels ten aanzien van diertransporten bij extreme temperaturen. Hiermee geef ik gehoor aan de gewijzigde motie van de leden De Groot en Dik-Faber van 3 juli 20206.

Het is aan de sectoren om hun protocollen voor veetransport bij extreme temperaturen overeenkomstig het Buro advies bij te sturen.

Ik ben het met Buro eens dat de ontwikkeling van het Nationaal Plan moet worden doorgezet, met een brede vertegenwoordiging van relevante sectoren. Enkele aspecten moeten nog worden verbeterd. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de controles en handhaving niet afhankelijk zijn van sectorprotocollen of deelname aan het Nationaal Plan. De NVWA handhaaft op de wettelijke normen. De sectorprotocollen geven praktische tips en voorzorgsmaatregelen voor de transporteurs, chauffeurs en slachthuizen met als doel het voorkomen van welzijnsproblemen bij extreme temperaturen. Het Nationaal Plan biedt het platform voor de overheid en de sector om, ieder vanuit eigen verantwoordelijkheid, welzijnsproblemen bij diertransporten tijdens extreme temperaturen te voorkomen.

Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO)

Wat betreft de veehouderij zit LTO momenteel in de laatste fase van de ontwikkeling van hun Hitteplan 2.0 dat zij samen met veehouders en dierenartsen hebben opgezet. Dit plan biedt praktische tips voor veehouders om hun dieren op hete dagen te beschermen. Daarnaast heeft LTO enquêtes uitgevoerd onder boeren en ketenpartijen en neemt het de organisatie van diverse hitteplatforms op zich: een jaarlijks overleg tussen veehouders, klimaatspecialisten, dierenartsen, voerleveranciers, stallenbouwers en de overheid om samen de afgelopen zomer te evalueren en adviezen te herijken. Begin november wil LTO voor de eerste keer de hitteplatforms per sector samenbrengen.

Wakker Dier

Afgelopen zomer was er ook veel aandacht voor dieren in de wei zonder schaduw. Een voorbeeld is het Meldpunt Hittestress, opgezet door Wakker Dier, met als gevolg meer dan 400 meldingen van dieren die zonder schaduwplek in de wei stonden. Dergelijke initiatieven waardeer ik. Op hete dagen moeten dieren beschermd worden tegen de hitte. In eerste instantie zijn houders van dieren verantwoordelijk voor het welzijn van hun dieren. Het handhaven van misstanden valt zoals eerder genoemd onder de bevoegdheid van de NVWA. Ik wil iedereen dan ook op het hart drukken om meldingen over vermoedens van welzijnsproblemen in de wei, stallen of tijdens transport aan de NVWA door te geven. Dit kan heel eenvoudig online. Alle ontvangen meldingen worden beoordeeld alvorens risico gebaseerd uit te zetten voor een fysieke inspectie. Ook de kwaliteit, zoals vermelding van een nauwkeurige locatie van een melding, is onderdeel van de boordeling of een fysieke inspectie noodzakelijk is.

Meldplicht

Ondanks dat er deze zomer voor zover bekend geen incidenten zijn geweest met betrekking tot sterfte van dieren door de uitval van ventilatiesystemen in stallen, wordt op dit moment gewerkt aan de invulling van de wettelijke meldplicht bij sterfte als gevolg van hitte. Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het concretiseren van regelgeving met betrekking tot alarm- en noodsystemen om zo de veiligheid te blijven waarborgen en meer handvaten te bieden voor handhaving. Het streven is dat deze regelgeving voor komende zomer in werking treedt.

Dit najaar evalueren de EU-lidstaten de diverse werkwijzen in het toezicht om geen transporten met een

transporttijd van meer dan acht uur toe te staan als de voorspelde temperatuur onderweg boven de 30 graden is.

Zorg voor jonge dieren

Als onderdeel van de hierboven genoemde duurzaamheidsplannen, met de melkvee-, varkens- en melkgeitensector wordt voor de zorg van jonge dieren een (integrale) benchmarksystematiek opgezet waar sterfte nadrukkelijk onderdeel van uitmaakt. Met deze sectoren heb ik besloten te verkennen of een onafhankelijke expertgroep zorg voor jonge dieren kan worden ondergebracht bij de Stichting Diergeneesmiddelen autoriteit (SDa). De sectoren hebben hier een formeel verzoek toe gedaan aan de SDa. Deze autoriteit monitort en benchmarkt ook het antibioticagebruik. Dat is heel succesvol geweest. Verkend wordt of met behulp van de huidige (keten-) systematiek een onafhankelijk en integraal beeld kan worden verkregen van de zorg voor jonge dieren op landelijk niveau. Een systematiek die iedere veehouder kan gebruiken om zijn/haar eigen prestaties te vergelijken met collega’s, en (positief) gemotiveerd wordt om de zorg voor jonge dieren te verbeteren en daarmee sterfte terug te dringen.

Ervaring uit het antibioticabeleid leert dat analyse van (de betrouwbaarheid van) data van sectoren en de beoordeling en ontwikkeling van een betrouwbare benchmarksystematiek op basis waarvan grens- en streefwaarden kunnen worden bepaald, de nodige tijd vraagt. Onder leiding van de directeur van de SDa is een werkgroep ingesteld die alle aspecten van de monitoring, inhoudelijk, organisatorisch, bestuurlijk en financieel verkent. Bij voldoende draagvlak voor het onderbrengen van de expertgroep bij de SDa zal er over verdere stappen worden besloten.

Bij deze brief voeg ik ook de literatuurstudie van Wageningen Livestock Research over vroege sterfte van biggen, kalveren en melkgeitenlammeren7 die op mijn verzoek is uitgevoerd. Daarin is de vroege sterfte in Nederland vergeleken met andere landen en zijn de belangrijkste oorzaken in kaart gebracht alsook maatregelen om vroege sterfte te verminderen. Deze studie dient als een van de uitgangspunten voor de expertgroep. De voornaamste conclusies uit de studie zijn dat in Nederland de biggensterfte niet hoger lijkt dan in andere landen en dat biggensterfte vele verschillende oorzaken heeft. Belangrijke factor is een laag geboortegewicht als gevolg van een stijging van het aantal biggen per zeug. In de biologische varkenshouderij is de biggensterfte hoger dan bij gangbare houderijsystemen.

Ook blijkt uit de studie dat vroegtijdige sterfte van kalveren in de melkveehouderij in veel landen als een probleem wordt gezien. Vanwege uiteenlopende definities van kalversterfte is het lastig om sterftecijfers tussen studies/landen te vergelijken. Er is een aanzienlijke variatie in sterfte tussen bedrijven; dit impliceert dat het mogelijk is om sterfte te verminderen op bedrijven met hoge sterfte.

Ook blijkt dat het in de melkgeitenhouderij vanwege de beperkte hoeveelheid wetenschappelijke literatuur over sterftecijfers bij geitenlammeren en diverse gehanteerde definities, niet mogelijk is om een betrouwbaar beeld te geven over sterfte bij geitenlammeren in Nederland en daarbuiten.

Per 1 november van dit jaar zal de Regeling identificatie en registratie van dieren worden aangescherpt waarmee het mogelijk wordt doodgeboortes en sterfte onder jonge dieren in de melkgeitensector beter in beeld te brengen. De maatregelen maken het mogelijk om beter inzicht te krijgen in sterfte onder jonge dieren en gerichter en effectiever beleid te voeren, specifiek gericht op de zorg voor jonge dieren. In de genoemde brief over de voortgang van het programma duurzame veehouderij bent u nader geïnformeerd om de acties in de geitensector om dit aan te aan te pakken.

Ik heb de RDA gevraagd om nog dit jaar een zienswijze op te stellen over de verantwoordelijkheden rondom zorg voor jonge dieren binnen de ketens, of, en zo ja hoe, systeemfactoren in de veehouderij de zorg voor deze dieren in de weg staan, en wat dit betekent voor het handelingsperspectief van veehouders.

Bigvitaliteit

Zoals ook toegezegd in de beantwoording van de Kamervragen over de verantwoordingsrapportage 2019 van de NVWA informeer ik u over de bigvitaliteit. Varkenshouders en ketenpartners werken continu aan verbeteren van diergezondheid en welzijn. De sector werkt aan het verbeteren van vitaliteit van biggen en daarmee aan gezonde en weerbare biggen met zo weinig mogelijk uitval. LNV ondersteunt de sector hierbij met een financiële bijdrage aan het meerjarige plan van aanpak bigvitaliteit. Met Kamerbrief van 7 juli 2016 (Kamerstuk 28 286, nr. 884) bent u geïnformeerd over dit plan. Afgelopen jaren is ingezet op het agenderen van het thema in de gehele varkenshouderijketen en de ontwikkeling van succesfactoren om de zorg te optimaliseren. Het onderwerp heeft de volle aandacht in de keten en via kennisverspreiding en delen van succesfactoren wordt vitaliteit van dieren verbetert. Dit is maatwerk op elk varkensbedrijf. Vitaliteit van dieren is namelijk een multifactorieel thema en is vakwerk. Dierenwelzijn en gezondheid, management en huisvesting, alles komt samen en moet optimaal op elkaar ingericht en ingespeeld zijn.

De sector zet stappen voorwaarts. Vooral door integraal te kijken naar welzijn en gezondheid van de dieren. Dit heeft in 2019 geleid tot gezondere dieren en minder uitval. Uit de cijfers van Agrovision blijkt dat het rekenkundig gemiddelde uitvalspercentage van biggen tot de leeftijd van spenen op varkensbedrijven is gezakt van 13,4% in 2018 naar 12,2% in 2019. Voor het komende jaar staat de ontwikkeling van de integrale benchmark diergezondheid en dierwelzijn uit het Actieprogramma Vitalisering Varkenshouderij op het programma. Zorg voor jonge dieren maakt onderdeel uit van deze benchmark, die varkenshouders zowel inzicht als handelingsperspectief gaat bieden.

Mobiele Dodings Unit (MDU)

In deze brief wordt uw Kamer zoals toegezegd in het VSO Evaluatie pilot MDU en waterverstrekking vleeskuikens en vleeskuikenouderdieren (Kamerstuk

33 835, nr. 157) geïnformeerd over het besluit ten aanzien van verdere inzet van de MDU. Met de MDU wordt ongerief van dieren tijdens transport van veebedrijven naar het slachthuis vermeden. Er is gekeken naar maatregelen die leiden tot een verkleining van de door Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gesignaleerde MDU-risico’s en naar de beschikbare capaciteit bij de NVWA. Uw Kamer wordt bij deze brief over de uitkomsten van deze afweging en over nieuwe Europese wetgeving over MDU’s die in april 2021 van kracht zal worden, geïnformeerd.

Nieuwe Europese wetgeving

Recent heeft de Europese Commissie enkele aanpassingen van verordening 853/2004 betreffende hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong8 voorgesteld. Hiermee geeft de Europese Commissie aan dat ze expliciet ruimte wil geven aan initiatieven als de MDU. Dit door (onder andere) voor te schrijven dat er altijd een officiële dierenarts aanwezig moet zijn gedurende het gehele proces van bedwelmen en doden van het dier, dat karkassen van dieren die gedood zijn in de MDU, binnen twee uur op het slachthuis dienen te zijn als er niet gekoeld kan worden, en dat per transport één dier per keer mag worden opgehaald van het bedrijf naar het slachthuis. Het besluit om initiatieven als MDU toe te staan wordt dus op Europees niveau genomen. Dit betekent dat structurele inzet van de MDU in Nederland mogelijk wordt.

Inzet Europa

De inzet van Nederland richting de EU richt zich op het verruimen van de voorwaarde om per transport maar één dier toe te staan. Om de inzet van de MDU ook daadwerkelijk haalbaar te maken in de praktijk, wil ik aansluiten bij de gang van zaken bij de pilot, waarbij enkele dieren per transport werden vervoerd. Op dit punt trek ik samen op met Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden. Hier bestaat breed draagvlak voor deze vorm van slachten.

Verkleining MDU-risico’s

Door Buro is een lijst met risico’s opgesteld die geadresseerd zouden moeten worden om bij invoering van MDU voedselveiligheid, dierenwelzijn en diergezondheid te waarborgen. Uit recente analyse is gebleken dat toepassing van en handhaving op zowel geldende als aankomende regelgeving leidt tot verkleining van deze risico’s. Introductie van de MDU conform de aankomende Europese regelgeving komt tevens tegemoet aan de aangenomen motie van het lid De Groot van 2 juli jl. waarin uw Kamer verzoekt om bij verdere toepassing van de MDU de voedselveiligheid en dierenwelzijn te borgen (Kamerstuk 33 835, nr. 164).

Aanpak van vogelmijt bij pluimvee

Zoals toegezegd stuur ik uw Kamer hierbij het rapport van het WLR-onderzoek «Aanpak van vogelmijt bij pluimvee» toe. Vogelmijten (ook bloedluizen genoemd) vormen een belangrijk gezondheids- en welzijnsprobleem bij pluimvee en het project is uitgevoerd om legpluimveehouders te helpen bij de beheersing van de vogelmijten. Het project heeft veel inzicht gegeven in de actuele situatie op bedrijven en de effecten van de door de pluimveehouders genomen maatregelen tegen het zeer hardnekkige probleem van de vogelmijt. Inmiddels is door betrokken partners een vervolgtraject gestart voor een brede toepassing van de Integrated Pest Management (IPM) methodiek in de praktijk en daarmee het ontwikkelen van meer kennis van en ervaring met deze aanpak.

Ingrepen

In de brief over de verduurzaming van de veehouderij (Kamerstuk

28 973 nr. 218) van september 2019 is aangegeven dat ik met de varkenssector een einddatum heb vastgesteld voor het couperen van biggenstaarten in 2030. Daarvoor is het terugdringen van staartbijten op varkensbedrijven noodzakelijk. Op mijn verzoek heeft de Wageningen University & Research in overleg met onder andere de sector en de dierenartsen een welzijnscheck ontwikkeld. Dit is een instrument waarmee de varkenshouder samen met de dierenarts de mogelijke oorzaken van staartbijten op het bedrijf in kaart brengt en beter zicht krijgt in de mate waarin staartbijten op het bedrijf voorkomt. De welzijnscheck is, conform afspraak, op 1 juli 2020 als maatregel ingevoerd in de private kwaliteitssystemen van de varkenssector.

Vanaf 1 juni 2019 is er een verbod op vriesbranden (koudmerken) bij rundvee. Tot 1 augustus 2019 konden veehouders zich aanmelden voor een tijdelijke vrijstelling indien het vriesbranden al onderdeel was van hun bedrijfsvoering. Ruim 1000 rundveehouders hebben zich hiervoor aangemeld. Bij beëindiging of overname van het bedrijf vervalt de vrijstelling. De vrijstelling is geldig tot en met 31 december 2022. Voor die tijd zal ik een wijziging van het Besluit diergeneeskundigen opstellen waarmee de uitzondering voor deze veehouders kan blijven gelden voor een bepaalde periode waarbinnen normaal gesproken sprake is van bedrijfsbeëindiging. Dat staat in de toelichting van het Besluit al aangegeven. Hierover zal uw Kamer worden geïnformeerd.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
5

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
6

Gewijzigde motie van de leden De Groot en Dik-Faber over borgen dat boven de 30 graden buitentemperatuur geen langeafstandstransporten plaatsvinden (Kamerstuk 35 470 XIV, nr. 13), 3 juli 2020

X Noot
7

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
8

Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004 L 139).

Naar boven