Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201927858 nr. 462

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 462 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juli 2019

Hierbij informeer ik uw Kamer over mijn invulling van verschillende moties en toezeggingen en enkele verzoeken van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op het gebied van gewasbescherming. Bovendien informeer ik u over de besluitvorming rondom het bijenrichtsnoer.

Glyfosaat

In het AO gewasbeschermingsmiddelen op 6 juni 2019 heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over het gevoerde gesprek met Staatsbosbeheer over het gebruik van glyfosaathoudende middelen. Ik heb Staatsbeheer (SBB) gevraagd naar hun beleid en het gebruik van glyfosaathoudende gewasbeschermingsmiddelen. SBB hanteert in algemene zin een «nee, tenzij beleid» voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder dus ook glyfosaathoudende middelen. Dit is vastgelegd in een «interne richtlijn chemische bestrijding» uit 2018. Bij wijze van uitzondering en alleen als andere, in de richtlijn beschreven, niet-chemische maatregelen onvoldoende werken, mogen glyfosaathoudende middelen worden toegepast voor de bestrijding van reuzenberenklauw en Amerikaanse vogelkers. Het gaat daarbij om specifieke contacttoepassingen zoals stobbe- of stengelbehandeling. Daar waar SBB contracten aangaat met agrarische ondernemers voor natuurinclusieve landbouw zijn geen chemische gewasbeschermingsmiddelen toegestaan. Dit is in lijn met het kwaliteitshandboek van het subsidiestelstel natuur en landschap.

In 2018 heeft SBB 34 liter glyfosaathoudende middelen toegepast en SBB streeft naar verdere terugdringing tot nul. SBB zal daartoe inventariseren wat de mogelijkheden zijn. Ik zal in het reguliere najaarsoverleg met Staatsbosbeheer vragen naar de stand van zaken van deze inventarisatie.

Met de motie Grashoff (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1001) heeft uw Kamer de regering verzocht zich in Europees verband in te spannen om alle onderzoeken over glyfosaat, de onderliggende studies en data volledig openbaar te maken, en de Kamer over de uitkomsten van die inspanningen te rapporteren. Ik ben zoals uw Kamer weet voorstander van een zo groot mogelijke transparantie. Dit uiteraard binnen de juridische kaders die er zijn. Ik span me daarom – als de mogelijkheid zich voordoet – in Europees verband in om zoveel mogelijk onderzoeken over de werkzame stoffen, waaronder glyfosaat, te publiceren.

Reactie op werkgroep groene middelen

In het AO gewasbeschermingsmiddelen op 6 juni 2019 heb ik uw Kamer toegezegd te reageren op de aanbevelingen van de werkgroep versnelling toelating groene gewasbeschermingsmiddelen. Deze reactie spitst zich toe op de aanbevelingen:

  • versnelde en vereenvoudigde toelatingsprocedure voor werkzame stoffen en/of gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong;

  • meer experimenteerruimte.

De werkgroep heeft interessante aanbevelingen gedaan om de toelatingsprocedure voor werkzame stoffen van natuurlijke oorsprong te versnellen met een apart wetgevend kader of – als alternatief – binnen de huidige toelatingsprocedure te zoeken naar mogelijkheden om de aanvraagprocedure te versnellen door parallel aan de Europese goedkeuringsprocedure voor de werkzame stof ook al een nationale toelatingsaanvraag voor het middel te kunnen starten. Deze aanbevelingen zijn ingegeven door de aanname dat de huidige systematiek vooral geënt is op beoordeling van risico’s van chemisch-gesynthetiseerde werkzame stoffen en het gegeven dat werkzame stoffen van natuurlijke oorsprong veelal kunnen worden ingedeeld als een laag-risicostof.

Voor beide aanbevelingen is een wijziging van de verordening (EG) nr. 1107/2009 nodig. Naar verwachting zal de Europese Commissie in oktober een document voorleggen aan lidstaten en Europees parlement met hun conclusies over de evaluatie (REFIT) van deze verordening. Ik ben voornemens om de aanbevelingen van de werkgroep op te nemen in de Nederlandse inzet voor de onderhandelingen over eventuele wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1107/2009 of de implementatie ervan. De aanbevelingen sluiten aan bij mijn inzet om het gebruik van laag-risicomiddelen te stimuleren.

De werkgroep heeft ook aanbevolen om meer experimenteerruimte toe te staan (groter areaal, ook middelen die nog in ontwikkeling zijn) om praktijkervaring op te doen met werkzame stoffen en/of gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong. Dat kan de acceptatie en toepassing van deze categorie middelen bevorderen.

Op tal van thema’s – ook in het kader van de realisatie van de LNV-visie «waardevol en verbonden» – wordt gevraagd om meer experimenteerruimte. Vaak is dan nog niet geheel duidelijk waar die extra experimenteerruimte voor nodig is. In dit geval noemt de werkgroep zelf al de noodzaak tot afbakening tussen deze experimenteerruimte en proefontheffingen ten behoeve van een aanvraag. Ik heb de werkgroep gevraagd om dat te verduidelijken, zodat dit kan worden meegenomen in een bredere afweging om te komen tot meer experimenteerruimte, hetzij in het kader van het realisatieplan van de LNV-visie, hetzij in het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030.

Voor beide aanbevelingen vind ik het belangrijk dat vast wordt gehouden aan het voorzorgsbeginsel, dat een gewasbeschermingsmiddel alleen op de markt kan worden gebracht als uit risicobeoordeling is gebleken dat het middel veilig is voor mens, dier en milieu.

Neonicotinoïden

In het AO gewasbeschermingsmiddelen op 6 juni 2019 heb ik uw Kamer toegezegd te reageren op de petitie «Sterfte bijen en hommels» en het rapport «Bijen op boerenland doen het beter» van de stichting Agrifacts over neonicotinioïden en bijensterfte. Uw Kamer heeft mij bovendien op 5 juni 2019 separaat gevraagd hierop te reageren. Ik geef hiermee dan ook direct invulling aan dit commissieverzoek.

Ik heb het rapport van Agrifacts voorgelegd aan een aantal wetenschappelijke onderzoekers op het gebied van insecten, landschap en milieu zijnde Naturalis, Wageningen UR en Stichting EIS. Volgens deze wetenschappers zijn de conclusies die de stichting Agrifacts over het verband tussen neonicotinoïden en wilde bijen trekt onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd. Zij wijzen erop dat de achteruitgang van bijen veroorzaakt wordt door een complex van factoren. Blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen is een van deze factoren. Stichting Agrifacts laat verder in dit onderzoek wetenschappelijke bevindingen buiten beschouwing, die een verband aantonen tussen het gebruik van neonicotinoïden en de verminderde conditie van bijen. Ik zie daarom geen reden om het huidige verbod op het gebruik van neonicotinoïden in de open teelten te betwisten. Voor een uitgebreide analyse verwijs ik uw Kamer naar de bijlage bij deze brief1.

In het AO gewasbeschermingsmiddelen op 6 juni 2019 heb ik uw Kamer ook toegezegd te reageren op de overhandigde studies over de relatie tussen neonicotinoïden en insectensterfte.

Uw Kamer is in 2014 per brief geïnformeerd over de studie over insectenetende vogels (Nature – 2014) (Kamerstuk 27 858, nr. 276). Deze brief gaat in op de gevonden correlatie tussen imidacloprid in het oppervlaktewater en een neergaande trend in insectenetende vogels en de zorg daarover. Daarnaast gaat de brief in op de constatering van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) dat de gepresenteerde gegevens geen causaal verband aantonen en dat sinds 2010 de restricties aan het gebruik van imidaclopridhoudende middelen zijn aangescherpt. Op verzoek van mijn ambtsvoorganger heeft de Europese Commissie (EC) het artikel onder de aandacht gebracht van EFSA om mee te nemen bij de herbeoordeling van de neonicotinoïden.

Mijn ambtsvoorganger heeft Eurocommissaris Andriukaitis (SANTE) verzocht het EASAC-rapport (2015) te laten beoordelen door EFSA. De EC heeft destijds laten weten dat EFSA dit rapport in de lopende beoordelingstrajecten van de neonicotinoïden mee zal laten wegen (Kamerstuk 27 858, nr. 304). Het Ctgb heeft aangegeven dat het EASAC-rapport geen nieuwe feiten of inzichten bevat van zodanige aard dat deze nopen tot ingrijpen, maar ook niet om ingezette beperkingen weer terug te draaien (Kamerstuk 27 858, nr. 344).

De Zweedse studie (Rundlöf e.a., Nature, april 2015) gaat over het negatieve effect van zaadcoating met middelen op basis van de werkzame stof clothianidine van bloeiende gewassen (raapzaad) op wilde bijen. Deze studie is door EFSA meegenomen in de herbeoordeling van de drie neonicotinoïden en heeft dus een rol gespeeld in de besluitvorming over de beperking van het gebruik van die middelen.

De Engelse studie (Woodcock e.a., Nature, augustus 2016) gaat over een negatief effect van zaadcoating (met neonicotinoïden) van raapzaad op wilde bijen. Deze studie kan worden gezien als een ondersteuning van de bevindingen van EFSA over het effect op wilde bijen van met neonicotinoïden behandeld zaad van bloeiende gewassen.

Verder heb ik in het AO gewasbeschermingsmiddelen op 6 juni 2019 toegezegd te reageren op het boekje getiteld «Terug in de tijd». Stichting Boer Bewust heeft akkerbouwers opgeroepen om zwart-wit foto’s in te zenden, als protest tegen de ingestelde Europese restricties op neonicotinoiden. In het aangeboden boek staat een verzameling van ingezonden foto’s welke op krachtige wijze laten zien hoe in teelt van suikerbieten wordt gewerkt, dat de beperkt beschikbare alternatieven leiden tot extra insectenschade en dat alternatieve insecticiden vaker worden toegepast. Ik begrijp dat de beperkte beschikbaarheid van alternatieven forse impact kan hebben voor de suikerbietenteelt en ben zelf onlangs ook op bezoek geweest bij een bietenteler om kennis te nemen van en te spreken over de praktijk. Ik zal samen met de betrokken partijen in het uitvoeringsprogramma van de «Toekomstvisie gewasbescherming 2030» specifiek ingaan op deze problematiek.

Toekomstvisie gewasbescherming 2030

In het AO gewasbeschermingsmiddelen op 6 juni 2019 heb ik uw Kamer toegezegd een overzicht te verstrekken van organisaties die betrokken zijn bij het opstellen van het uitvoeringsprogramma. Uw Kamer heeft mij bovendien op 5 juni 2019 separaat gevraagd een overzicht te verstrekken van de ingestelde werkgroepen in het kader van het uitvoeringsprogramma voor de Toekomstvisie gewasbescherming 2030, wie deel uitmaken van deze werkgroepen en hierbij ook aan te geven hoe het verdere proces.

De volgende organisaties nemen deel aan het op te stellen uitvoeringsprogramma: Agrodis, Artemis, Ctgb, Cumela, Fedecom, LTO Nederland, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Natuur en Milieu, Nefyto, NVWA, Plantum, Unie van Waterschappen en VEWIN. Dit is een breed en dekkend maatschappelijk veld van organisaties die zich bezig houden met gewasbescherming. Vertegenwoordigers van deze organisaties nemen in één of meerdere werkgroepen deel.

Voor het uitwerken van de strategische doelen zijn verschillende werkgroepen ingesteld.

  • «Naar weerbare planten en teeltsystemen»: innovatieve teeltconcepten, systeemaanpassingen IPM, veredeling en niet-chemische maatregelen, middelen.

  • «Verbinden van land- en tuinbouw met natuur»: werkgroep die aansluit bij het Deltaplan biodiversiteitherstel.

  • «Nagenoeg zonder emissie en zonder residuen»: pakket van maatregelen emissiereductie gewasbescherming open teelten en hoofdlijnenakkoord waterzuivering glastuinbouw.

Daarnaast is er een werkgroep die zich richt op actuele vraagstukken om in enkele specifieke teelten alternatieven in beeld te brengen voor specifieke gewasbeschermingsmiddelen.

De werkgroepen hebben als opdracht om een uitvoeringsprogramma te maken door de strategische doelen uit de «Toekomstvisie gewasbescherming 2030» te vertalen naar operationele doelen en activiteiten voor de korte, middellange en lange termijn. De werkgroepen zullen hierbij uiteraard ook de uitkomsten en aanbevelingen van de tussenevaluatie van de nota «Gezonde Groei, Duurzame Oogst» meenemen, zodat we de einddoelen van deze nota in 2023 alsnog kunnen behalen. De werkgroepen kunnen – als dit nodig is – andere organisaties benaderen als informatiebron. Tijdens het werkproces kan blijken dat de huidige vormgeving en werkwijze van de werkgroepen enige aanpassing behoeft, uiteraard gebeurt dat in goed overleg met de betrokken partijen.

De algehele coördinatie en de synthese van de producten uit de verschillende werkgroepen naar het uitvoeringsprogramma wordt gedaan door een kerngroep. Voor de bestuurlijke afstemming en inbedding is een stuurgroep ingesteld, waarin een bestuurder van de betrokken organisaties participeert.

Er zal daarnaast worden gewerkt aan het uitwerken van verschillende themadoorsnijdende onderwerpen, zoals communicatie, instrumentarium, monitoring en evaluatie en de voornoemde actuele vraagstukken. Er zijn ook onderwerpen die raakvlakken hebben met gewasbescherming, die worden uitgewerkt in het kader van de LNV-visie waardevol en verbonden, zoals het nationaal bodemprogramma. Deze onderwerpen zullen niet worden opgenomen of uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma. Uiteraard zullen de werkgroepen relevante informatie benutten.

Toelatingsbeleid

In het dertigledendebat over glyfosaat op 8 juni 2017 is uw Kamer toegezegd om met de Europese Commissie en de lidstaten te bekijken hoe de procedure is ingericht en of die zodanig kan worden aangepast dat het vertrouwen verder wordt versterkt.

Het verder optimaliseren van de procedure om werkzame stoffen in Europees verband te beoordelen is een onderwerp dat regelmatig aan de orde is in Europees verband. Ik noem u enkele voorbeelden, zoals de Regulatory Fitness and Performance programme (REFIT) van Verordening (EG) nr. 1107/2009, het actualiseren van bestaande en het ontwikkelen van nieuwe richtsnoeren en het publiceren van onderzoeksgegevens. Ik maak van deze gelegenheden gebruik om mijn standpunt in te brengen.

Schoffelmachine zeeland

In het AO gewasbescherming op 6 juni 2019 heb ik uw Kamer toegezegd in te gaan op de aanschaf van een schoffelmachine in Zeeland met POP-gelden. De vraag van uw Kamer was waarom biologische telers recht hebben op POP-middelen voor schoffelmachines en gangbare telers niet. De betreffende middelen zijn bedoeld om de landbouw te verduurzamen en te moderniseren. De provincie Zeeland heeft er bewust voor gekozen om met deze middelen per jaar verschillende sectoren te subsidiëren. Zo is in 2018 de akkerbouwsector ruimschoots gesubsidieerd op het gebied van de categorieën precisielandbouw, niet kerende grondbewerking (waaronder schoffelmachines) en structuurbehoud van de bodem. In 2019 is door de provincie gekozen voor onder ander de fruitteeltsector, veehouderij en de biologische landbouw. Schoffelmachines zijn daarbij uitsluitend subsidiabel gesteld voor biologische telers of telers die kunnen aangeven dat men aan het omschakelen is naar biologische landbouw.

SCoPAFF 16 en 17 juli – Wijziging Uniforme Beginselen inzake bijen

Op 16 en 17 juli vindt het Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) over gewasbeschermingsmiddelen plaats. Op de agenda (agendapunt B7) staat onder andere de wijziging van de Uniforme Beginselen (Regulation (EU) 546/2011) welke voortvloeit uit de beoogde gefaseerde implementatie van het bijenrichtsnoer. Onderdelen van het bijenrichtsnoer betreffen te gebruiken drempelwaarden (trigger values) voor honingbijen. Die drempelwaarden worden nu vastgelegd in de Uniforme Beginselen voor de evaluatie en toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor worden de beoordelingseisen voor de risico’s voor bijen verankerd in de risicobeoordeling. De publieke consultatie van de wijziging van de Uniforme Beginselen loopt nog tot 11 juli. Afhankelijk van het binnengekomen commentaar zal de wijziging van de Uniforme Beginselen ook daadwerkelijk tijdens de komende SCoPAFF-vergadering worden voorgelegd aan de lidstaten. De Europese Commissie heeft daarnaast besloten om de wijziging van de Uniforme Beginselen na eventuele aanname door de lidstaten, conform controleprocedure (scrutiny procedure), eerst voor te leggen aan het Europees parlement en de Europese Landbouw- en Visserijraad alvorens het bijenrichtsnoer en implementatieplan in de SCoPAFF voor te leggen aan de lidstaten. Dit betekent dat in de juli-vergadering nog niet zal worden besloten over het bijenrichtsnoer zelf.

Indien het voorstel inzake wijziging van de Uniforme Beginselen ongewijzigd is ten opzichte van de laatste conceptversie en het Ctgb mij positief adviseert, zal ik instemmen met het Commissievoorstel. Daarbij zal ik een stemverklaring afgeven waarin ik de Europese Commissie en lidstaten oproep om voor eind 2019 de bijenrichtsnoer in zijn geheel in te voeren, conform mijn reactie op de nader gewijzigde motie Ouwehand (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1175).

Ten aanzien van de overige agendapunten die ter besluitvorming aan de lidstaten worden voorgelegd zal ik mij zoals gebruikelijk eerst laten adviseren door het Ctgb. Vervolgens zal ik samen met departementen van IenW, VWS en SZW het Nederlandse standpunt bepalen, waarna ik uw Kamer hierover zal infomeren.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl