Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201527858 nr. 278

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 278 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 november 2014

Tijdens de begrotingsbehandeling van Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur, op 30 oktober 2014 heb ik u toegezegd uw Kamer te informeren over de nationale procedure tot ingrijpen in toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen (Handelingen II 2014/15, nr. 18, item 10). In deze brief licht ik het juridisch kader toe, ga ik in op een uitspraak van het «College van beroep voor het Bedrijfsleven» en de betekenis voor de casus Nature-publicatie en imidacloprid.

Juridisch kader

In mijn brief van 17 april 2014 aan uw Kamer (Kamerstuk 27 858, nr. 264) heb ik eerder het juridische kader toegelicht rondom ingrijpen in toelatingen.

Samenvattend nogmaals het juridisch kader van het «nationale ingrijpen»:

De Verordening (EG) 1107/2009 gewasbeschermingsmiddelen (VO-gwb) biedt beperkte mogelijkheden om nationaal in te grijpen. Artikel 44 VO-gwb biedt een lidstaat de mogelijkheid om in te grijpen in een bestaande toelating indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan de toelatingscriteria. Hierbij dient eerst uitgebreid hoor en wederhoor plaats te vinden met de toelatinghouder. Vervolgens is het aan de toelatinghouder om aan te tonen dat zijn middel voldoet aan alle daarvoor gestelde eisen, net zoals hij dit bij de toelatingsaanvraag heeft moeten doen. In Nederland is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) de bevoegde instantie voor ingrijpen in toelatingen. Zo kan het Ctgb op grond van artikel 44 besluiten tot herbeoordeling van middelen op basis van een werkzame stof, wanneer er nieuwe wetenschappelijke informatie beschikbaar is gekomen over effecten van die werkzame stof op de gezondheid van mens, dier of het milieu.

Tegen de besluiten die het Ctgb vervolgens neemt, staan bezwaar en beroep open.

Nationale ingrepen leiden in principe tot een wijziging of intrekking van een toelating, maar het Ctgb kan – als ernstige risico’s tot een spoedeisende maatregel dat noodzaken – ook het gebruik tijdelijk verbieden of andere voorlopige beschermende maatregelen nemen op grond van artikel 71 VO-gwb.

Uitspraak «College van beroep voor het Bedrijfsleven» (CbB)

In 2013 heeft het College van beroep voor het Bedrijfsleven een uitspraak gedaan met betrekking tot de vraag wanneer het Ctgb mag ingrijpen in een bestaande toelating. De zaak betrof het, op verzoek van het toenmalige Ministerie van VROM, stellen van een certificeringseis als extra toelatingsvoorwaarde bij de toelatingen van glyfosaat-houdende middelen. De certificering betrof het toepassen van deze middelen volgens een bepaalde methodiek op verhardingen. De uitspraak van het CbB in deze zaak kan als volgt worden samengevat: als het effect van eerdere maatregelen positief uitpakt kan het Ctgb ter motivatie van nieuwe maatregelen niet aanvoeren dat «niet meer voldaan wordt aan de vereisten voor toelating».

Casus Nature publicatie (imidacloprid en afname vogelpopulaties)

Uw kamer is per brief (Kamerstuk 27 858 nr. 276) geïnformeerd over de Nature- publicatie. Ik heb u daarbij aangegeven dat dit onderzoek mij grote zorgen baart. Mede daarom heb ik direct na het verschijnen van de publicatie in juli 2014 het Ctgb gevraagd om te reageren op het onderzoek en te bezien of er consequenties zijn voor de toelating van imidacloprid. Dit is uw Kamer op 15 juli 2014 gemeld, naar aanleiding van het verslag van het Algemeen Overleg voor de Landbouw- en Visserijraad van juli 2014.

Dit zojuist beschreven verzoek aan het Ctgb is daarmee te beschouwen als de eerste stap in een zogenaamd «regulier traject» voor nationaal ingrijpen in de toelating van een gewasbeschermingsmiddel. Het Ctgb heeft vervolgens het wetenschappelijke artikel bestudeerd en bezien of er op basis daarvan ingegrepen moest worden in de toelating. Het Ctgb bevestigt dat de Nature-publicatie inderdaad een correlatie aantoont, maar constateert dat de gepresenteerde gegevens geen causaal verband aantonen. Tevens geeft het Ctgb aan dat het onderzoek is gebaseerd op gegevens van voor 2010 en dat sindsdien de regelgeving meermaals is aangescherpt, onder meer door de toelaatbare norm substantieel te verlagen en daarmee samenhangend door het voorschrijven en verplicht stellen van vergaande zuiveringstechnieken van water uit kassen. In de bijlage bij Kamerstuk 27 858 nr. 279 concludeert het Ctgb voorts dat in de afgelopen jaren maatregelen zijn genomen om de effecten van imidacloprid op de bijenstand en op het waterleven binnen aanvaardbare normen te houden. Het effect van deze maatregelen zal de komende tijd zichtbaar moeten worden in een verdere voortzetting van de ingezette verlaging van de concentraties imidacloprid in oppervlaktewater. Het Ctgb is juridisch gehouden om de uitwerking van deze maatregelen af te wachten alvorens eventuele nieuwe maatregelen aan de orde zijn. Dit sluit ook aan bij de betekenis van voornoemde uitspraak van het CbB voor deze casus. Zoals ik u eerder liet weten, moet er snel meer duidelijkheid worden verkregen over de effectiviteit van al eerder genomen maatregelen om normoverschrijdingen van imidacloprid in oppervlaktewater terug te dringen, wil een verbod kans van slagen maken. Ik heb ingezet op het versneld beschikbaar komen van recente meetgegevens die alsnog aanleiding kunnen geven tot ingrijpen, zowel op nationaal als Europees niveau.

Ik hecht er aan op te merken dat ik ook in de toekomst, als een vergelijkbaar geval zich voordoet, het Ctgb zal verzoeken te beoordelen of ingrijpen in de toelating tot de mogelijkheden behoort.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma