Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 oktober 2016
De Commissie genetische modificatie (COGEM) adviseert de regering over mogelijke risico’s
voor mens en milieu van de productie van, en handelingen met, genetisch gemodificeerde
organismen (ggo’s). Ook informeert de COGEM betrokken Ministers of Staatssecretarissen
over ethische en maatschappelijke aspecten verbonden aan genetische modificatie.
De taken van de COGEM zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer. Daarin (art. 2.29) is
ook vastgelegd dat de COGEM elke vier jaar een evaluatierapport dient uit te brengen
dat door de bewindspersoon, voorzien van een standpunt, aan beide Kamers der Staten-Generaal
wordt toegezonden. Eerdere evaluaties van de COGEM vonden plaats in 2003, 2007 en
20111.
De COGEM heeft met het oog op transparantie en objectiviteit een externe evaluatiecommissie
ingesteld om het evaluatierapport op te stellen. Hierbij bied ik u het COGEM-evaluatierapport
2016 en het bijbehorende statusrapport aan. Een gelijkluidende brief zend ik aan de
voorzitter van de Eerste Kamer.
De evaluatiecommissie heeft de werkzaamheden van de COGEM beoordeeld op basis van
drie informatiebronnen:
-
– het statusrapport 2011–2016 van de COGEM, dat een overzicht geeft van de taak, rol,
inrichting en werkwijze van de COGEM;
-
– de COGEM-adviezen en -signaleringen die in de afgelopen vijf jaar zijn uitgebracht;
en
-
– interviews met COGEM-leden, representanten van (nationale en internationale) stakeholderorganisaties
en vertegenwoordigers van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu als primaire
opdrachtgever van de COGEM.
De evaluatiecommissie beoordeelt de kwaliteit van het werk van de COGEM als uitstekend
en is van mening dat de COGEM als gezaghebbend adviesorgaan in haar functioneren voldoet
aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Dit blijkt ook uit de titel van de
evaluatie: «COGEM: voorop en bij de tijd».
Ik ben zeer tevreden met de uitkomsten van de evaluatie. Ik onderschrijf de conclusies
van de evaluatiecommissie over de kwaliteit van het werk van de COGEM. Ik constateer
dat de COGEM de aandachtspunten en aanbevelingen uit de evaluatie ter harte neemt
in het streven naar optimalisering en continue verbetering van de uitvoering van haar
taken. Voor nadere details verwijs ik naar het evaluatierapport en de aanbiedingsbrief
daarbij van de voorzitter van de COGEM. De wijze waarop de COGEM aangeeft met de aanbevelingen
om te zullen gaan, geeft mij vertrouwen dat dit zal blijven leiden tot goede resultaten.
De Evaluatiecommissie ziet geen reden voor aanmerkelijke veranderingen in taken, organisatie
of procedures van de COGEM. Wél wijst zij op de hoge werkdruk, met name bij de COGEM-subcommissie
Medisch Veterinair, en geeft zij in overweging om deze subcommissie uit te breiden.
Ik ben mij bewust van de hoge werkdruk en heb waardering voor het feit dat de COGEM
zich desondanks goed van haar taken weet te kwijten. Op dit moment zie ik echter onvoldoende
redenen om het ledental van de subcommissie Medisch Veterinair uit te breiden, mede
gegeven het feit dat de COGEM zelf zogenaamde «buitenleden» kan benoemen. Ik houd
echter vinger aan de pols en zal de gesuggereerde uitbreiding overwegen als daartoe
aanleiding is.
Hoewel de COGEM in haar Trendanalyse Biotechnologie 2016 heeft gerapporteerd dat het
onderscheid tussen genetische modificatie en andere technologieën vervaagt, waardoor
ook wettelijke kaders onder druk komen te staan, zie ik in de uitgevoerde evaluatie
geen aanleiding om te veronderstellen dat de adviserende en de informerende taak van
de COGEM onvoldoende aansluit bij de praktijk. Desalniettemin zal ik ook op dit punt
alert blijven in het kader van het toekomstbestendig houden van het beleid inzake
de veiligheid van biotechnologie en de vigerende regelgeving.
De evaluatiecommissie beveelt aan om frequenter dan nu het geval is een Trendanalyse
uit te brengen. Ik ben van mening dat het huidige ritme voor het uitbrengen van trendanalyses
(elke 4–5 jaar) evenwichtig en toereikend is voor de lange termijn trends. Daarnaast
kan de COGEM, gevraagd en ongevraagd, ook tussentijds signaleringen en adviezen uitbrengen
voor bijvoorbeeld actuele of acute onderwerpen. Daarmee zijn ruim voldoende mogelijkheden
voorhanden om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en blijft extra werkdruk voor
de COGEM beperkt.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
S.A.M. Dijksma