Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201426956 nr. 184

26 956 Beleidsnota Rampenbestrijding

Nr. 184 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 december 2013

Met deze brief kom ik, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de Minister van Veiligheid en Justitie (VenJ) tegemoet aan de toezeggingen die tijdens het debat op 5 september (Handelingen II 2012/13, nr. 107, debat over de beperkte daling van het aantal gevaarlijke chemische bedrijven onder verscherpt toezicht) en eerder tijdens het AO Externe Veiligheid en Handhaving op 20 juni 2013 (Kamerstuk 26 956, nr. 169) en het VAO Brand bij Chemie-Pack op 28 mei 2013 (Handelingen II 2012/13, nr. 87, nr. 25, blz. 42–45) zijn gedaan en wordt ingegaan op de initiatiefnota van D66 «veiliger omgaan met chemie»1. In deze brief laat ik ook zien op welke wijze invulling gegeven wordt aan verschillende door uw Kamer aangenomen moties.2 Tenslotte kom ik terug op mijn brief van 4 november jl. (Kamerstuk 26 956, nr. 183) over het onderzoek van de niet gemelde voorvallen bij Odfjell.

Reactie op moties en toezeggingen

Motie Van Tongeren omtrent voortgang aanwijzing bedrijfsbrandweer (Kamerstuk 26 956, nr. 163)

De motie verzoekt de regering erop toe te zien dat elk bedrijf waarvoor dit relevant is zo spoedig mogelijk een functionerende bedrijfsbrandweer heeft en de Kamer hierover uiterlijk 31 december 2013 te informeren.

De stand van zaken wat betreft de toepassing van artikel 31 Wet veiligheidsregio’s (bedrijfsbrandweer) was op 15 november 2013 als volgt: van de zwaarste categorie Brzo-bedrijven was 97% beoordeeld of in procedure en voor de overige bedrijven was dit 88,4%. Een gedetailleerd overzicht, op basis van gegevens die het Landelijk Expertisecentrum BrandweerBRZO aanleverde bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, is opgenomen in bijlage 1.

In de kabinetsreactie3 is u toegezegd meer duidelijkheid te bieden over de mogelijkheid de omgevingsvergunning en de aanwijzing bedrijfsbrandweer te koppelen. Inmiddels is een werkgroep gestart die de verschillende mogelijkheden voor een wettelijke koppeling onderzoekt. De doelstelling hierbij is als volgt: 1-loketbenadering, inhoudelijke en procedurele afstemming omgevingstraject en bedrijfsbrandweertraject, gelijktijdige besluiten over de omgevingsvergunning en de aanwijzing (of afwijzing) bedrijfsbrandweer. De omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s zijn betrokken bij de werkgroep.

Motie Van Gerven omtrent bruikbaarheid ILT-rapportages (Kamerstuk 26 956, nr. 172)

De motie spreekt uit dat de onderzoeken van de ILT zo concreet en duidelijk moeten zijn dat de Tweede Kamer ook werkelijk kennis kan nemen van wat zich afspeelt bij de Brzo-bedrijven.

Conform de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) in het rapport over de brand bij Chemie-Pack wordt een jaarlijkse Staat van de veiligheid bij de risicobedrijven opgesteld. Voor zover mogelijk zullen alle monitoringsonderzoeken van rijksinspecties en Brzo-toezichthouders (zoals de jaarlijkse Brzo-monitor naleving en handhaving) op het terrein van de Brzo-bedrijven in deze jaarlijkse rapportage worden samengevoegd. De rapportages zullen daarmee mede bepalend zijn voor de beoordeling van de staat van de veiligheid bij de risicobedrijven. Met deze vorm van rapporteren kom ik tegemoet aan de wens van uw kamer om concreetheid en duidelijkheid in de rapportages over veiligheid vanuit mijn inspectie te bewerkstelligen. De eerste rapportage over 2013 zal, mede namens mijn ambtsgenoten van VenJ en SZW, medio 2014 aan uw Kamer worden toegezonden.

Motie Van Veldhoven omtrent integraal toezicht (Kamerstuk 26 956, nr. 173)

De motie verzoekt de regering om voor de Brzo-bedrijven integraal toezicht te realiseren en verzoekt tevens een permanente en uniforme overlegstructuur tussen de Brzo-RUD’s, Inspectie SZW en de Veiligheidsregio’s in het leven te roepen.

Het toezicht op het Brzo wordt momenteel in de praktijk al integraal uitgevoerd. Met de Brzo-handhavingsstrategie wordt ook een integrale opvolging van de handhaving geborgd. Daarnaast wordt met het Brzo+ een permanente en uniforme overlegstructuur gerealiseerd waarmee landelijke uniformiteit en integraliteit in de benadering en beoordeling ten behoeve van vergunningverlening en sanctionering van deze bedrijven wordt bereikt. Ik beschouw deze motie dus als een ondersteuning van de kabinetsreactie.

Brzo+ is het gremium waarin de Brzo-toezichthouders, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en het OM zijn vertegenwoordigd. Brzo+ is inmiddels operationeel en verantwoordelijk voor een adequate uitvoering van VTH-taken bij de Brzo-bedrijven en de zogenaamde Rie cat 4 bedrijven (bedrijven die vallen onder categorie 4 van bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies). De samenwerking is, zoals in de kabinetsreactie uiteengezet, nodig om de door de OvV in het rapport over Odfjell geconstateerde fragmentatie tegen te gaan. Ook het bedrijfsleven, IPO en VNG hebben mij hierover hun zorgen kenbaar gemaakt.

Ik zal daarom de kwaliteit van de samenwerking tussen de toezichthouders en het OM alsmede de borging ervan, structureel agenderen in het Bestuurlijk Omgevingsberaad alsmede investeren in de ondersteuning van deze samenwerking.

Motie Van Veldhoven omtrent notoire overtreders en doorberekening toezichtskosten (Kamerstuk 26 956, nr. 178)

De motie verzoekt de regering de relevante wetgeving zodanig aan te passen dat het mogelijk wordt om notoire overtreders harder te bestraffen, bijvoorbeeld door het verhogen van de boetes bij herhaaldelijk overtreden van de veiligheidsregels.

Het is op dit moment al goed mogelijk om notoire overtreders aan te pakken. De Brzo-toezichthouders beschikken over meerdere handhavingsinstrumenten, die bovendien op verschillende punten nog verder worden versterkt (zie de kabinetsreactie en ook verder in deze brief). Het is van belang dat deze instrumenten zo effectief mogelijk worden ingezet. Dit is geborgd door de handhavingsstrategie Brzo, die op 11 december aanstaande ter vaststelling voorligt bij het Bestuurlijk Omgevingsberaad. Na vaststelling zal de handhavingsstrategie per 1 januari 2014 landelijk toegepast worden door alle Brzo-toezichthouders, zodat overtredingen altijd gevolgd worden door handhaving en dat voor gelijksoortige overtredingen dezelfde en meest adequate sanctiemiddelen worden toegepast. Herhaling van een overtreding geldt in de handhavingsstrategie Brzo als een verzwarende omstandigheid, waardoor ook ten aanzien van de notoire overtreders passende maatregelen worden genomen. Als de overtreding een herhaling is, zal een zwaardere sanctie worden toegepast. Hiermee wordt invulling gegeven aan deze motie. Verder kan hier worden gemeld dat de Minister van VenJ voornemens is om het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC) opdracht te geven tot het uitvoeren van een inventariserend onderzoek naar de mogelijkheden tot het aanpakken van leidinggevenden van onder meer chemische bedrijven, waarmee gevolg wordt gegeven aan de daartoe strekkende toezegging op de aangehouden motie Van Gerven, Kamerstuk 26 956 nr. 161, omtrent strengere regels bij nalatigheid van leidinggevenden tijdens het VAO Brand bij Chemie-Pack.

Daarnaast wordt de regering in deze motie verzocht om, bij het aangekondigde kabinetsstandpunt over toerekening van inspectiekosten aan de bedrijven dit zo in te vullen dat de goeden niet onder de kwaden lijden In de kabinetsreactie is gemeld dat de Inspectieraad om een advies is gevraagd ten behoeve van een te formuleren kabinetsstandpunt over het al dan niet doorberekenen van toezichtskosten. De Inspectieraad heeft op 18 november jl haar advies aan mij uitgebracht. Daarnaast wordt momenteel in interdepartementaal verband het toetsingskader «Maat Houden» uit 1996 tegen het licht gehouden. Dit onderzoek vindt plaats onder leiding van de Ministers van VenJ en Economische Zaken (EZ). Daarbij wordt onder andere onderzocht hoe het bestaande kader zich verhoudt tot wettelijke en beleidsmatige ontwikkelingen met betrekking tot het doorberekenen van toezichtskosten. Het advies van de Inspectieraad zal in dit onderzoek worden meegenomen. Zodra de uitkomsten van het interdepartementale onderzoek voorhanden zijn, zal het kabinet een standpunt innemen. Ik verwacht dat u hierover medio 2014 zult worden bericht.

Toezegging omtrent incidenten en prestaties van de chemische sector in andere Europese landen

Er zijn momenteel geen algemene, vergelijkbare indicatoren beschikbaar in Europa waarmee de veiligheidsprestaties tussen risicobedrijven kunnen worden vergeleken. Dat is wel het geval als het gaat om incidenten. Het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo) betreft de implementatie van de Europese Seveso II richtlijn4. In de Seveso II richtlijn is onder meer opgenomen dat zware ongevallen gemeld moeten worden aan de Europese Commissie (EC). Het aantal te melden ongevallen staat elk jaar in het jaarverslag van het Ministerie van SZW. In Nederland zijn er jaarlijks tussen de 0 en 4 ongevallen die worden gemeld aan de EC. Een overzicht van het aantal zware ongevallen sinds 2000 staan in tabel 1. In Nederland worden deze incidenten door de OvV onderzocht om te zorgen dat er een onafhankelijk onderzoek met waarheidsbevinding als uitgangspunt plaatsvindt.

Toezegging omtrent Schoon schip idee

Ik heb het voorstel van het lid Van Velthoven om alle bedrijven te verzoeken alle niet-gemelde incidenten te laten melden, voorgelegd aan VNO-NCW. VNO-NCW is van mening dat vooral naar de toekomst moet worden gekeken en zal in dat verband het belang van het melden van incidenten meenemen in onder andere het programma Veiligheid Voorop. Het mag duidelijk zijn dat het niet melden van (meldingsplichtige) incidenten, gezien zal worden als een overtreding. Het Wabo bevoegd gezag zal in eerste instantie dan passende sanctiemaatregelen nemen.

Toezegging omtrent registratie aangekondigde en onaangekondigde inspecties

Een deel van de inspecties vindt onaangekondigd plaats. Deze zijn vooral maatregelgericht. De Brzo-toezichthouders registreren sinds kort gegevens over de aangekondigde en onaangekondigde inspecties. In de Brzo-monitor naleving en handhaving 2013 zal aandacht worden besteed aan de mate waarin inspecties onaangekondigd hebben plaatsgevonden. De monitor zal onderdeel uitmaken van de jaarlijkse rapportage Staat van de veiligheid.

Toezegging omtrent ICT oplossingen gemeenten bij de vorming van RUD’s

Ik heb uw Kamer toegezegd na te gaan hoe het zit met de softwaresystemen, die door RUD’s allemaal apart worden ontwikkeld. Uit een door het IPO uitgevoerde inventarisatie blijkt dit tot op zekere hoogte inderdaad het geval te zijn. Het aantal omgevingsdiensten dat geheel vanuit niets een nieuw systeem opbouwt is echter beperkt. De vraag rijst of verschillen tussen systemen tot problemen leidt. Een uniform te bouwen systeem is zeer kostbaar. Daarnaast stellen gebruikers wel eisen aan de toepassing van standaarden. Elk van de voorkomende systemen zal dan wel aan de standaarden moeten voldoen.

Er is inmiddels een overkoepelend systeem Inspectieview Milieu ontwikkeld, die applicaties aan elkaar kan koppelen en informatie kan uitwisselen tussen alle milieuhandhavende instanties. Dat inspecties met verschillende softwaresystemen werken, is voor Inspectieview Milieu dus niet van belang. Met het aansluiten op Inspectieview Milieu is inmiddels begonnen. Op 20 november 2013 tekenden drie rijksinspecties en twee omgevingsdiensten als eersten een aansluitovereenkomst op het systeem. Naar verwachting zal het systeem begin 2014 in productie gaan. Aansluiting door overige milieuhandhavende instanties zal geleidelijk plaatsvinden. Overigens hebben de Brzo-toezichthouders al langere tijd een gezamenlijk register met inspectiegegevens operationeel.

Toezegging omtrent informatie over de veiligheid bij het bedrijf De Rijke

Het bevoegd gezag, de provincie Zuid-Holland, de Inspectie SZW en de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond zijn verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving bij het bedrijf De Rijke. Uit door deze toezichthouders verstrekte informatie is gebleken dat er naar aanleiding van de Brzo-audit in 2011 door het bevoegd gezag handhavend is opgetreden waarna de overtredingen door het bedrijf ongedaan zijn gemaakt. Wel zijn bij een nieuwe Brzo-audit in 2013 zeven nieuwe overtredingen vastgesteld, waarvoor het bedrijf een hersteltermijn is aangezegd. Bij een inspectie in oktober bleek daarvan één overtreding ongedaan te zijn gemaakt, met de overige is het bedrijf nog bezig. Onlangs is daar nogmaals op gecontroleerd. Het resultaat van deze laatste inspectie is nog niet bekend.

Toezegging rondom niet gemelde voorvallen en betrokkenheid Ministerie EZ bij Odfell Rotterdam

Ik heb uw kamer in mijn brief van 4 november jl. 5 toegezegd terug te komen op de bevindingen van het Wabo bevoegd naar de niet gemelde voorvallen bij Odfjell Rotterdam. DCMR heeft de ILT in dit verband laten weten een steekproef te hebben uitgevoerd in de twee registratiesystemen van Odfjell. De steekproeven geven DCMR geen reden om aan te nemen dat de administratie niet correct zou zijn en er nog meer niet gemeld incidenten bekend worden. Volledige zekerheid kan ook de DCMR daarover nu niet geven, omdat er slechts een steekproef is genomen. DCMR heeft de informatie overgedragen aan het OM, die deze informatie nader bekijkt.

In het plenair debat van 5 september 2013 over chemische bedrijven heeft uw Kamer mij gevraagd of het Ministerie van EZ betrokken is geweest bij de handhaving van Odfjell. Uit navraag bij het Ministerie van EZ is gebleken dat er geen betrokkenheid is geweest bij toezicht en handhaving in het Odjell-dossier.

Reactie op beslispunten initiatiefnota D66

Uw Kamer heeft op basis van de initiatiefnota van D66 het kabinet gevraagd te reageren op zes beslispunten.

1. Onderzoek naar proportionaliteit boeteregime

Zoals in de kabinetsreactie is vermeld, zijn er verschillende maatregelen ten aanzien van de beschikbare sanctiemogelijkheden recent genomen of op dit moment in ontwikkeling. Sinds 1 januari 2013 beschikt de Inspectie SZW over bestuursrechtelijke sanctiemiddelen zoals de bestuurlijke boete en is de inzet van de last onder dwangsom uitgebreid conform de mogelijkheden van het Wabo-bevoegd gezag. In het wetsvoorstel inzake de Omgevingswet wordt verder een wettelijke grondslag opgenomen voor inzet door het bestuur van de bestuurlijke boete. Het wetsvoorstel van de Minister van VenJ inzake de verruiming van mogelijkheden voor de bestrijding van financieel-economische criminaliteit bevat het voorstel een flexibel boeteplafond in het strafrecht in te voeren zodat rekening kan worden gehouden met de draagkracht van ondernemingen die strafbare feiten plegen. Met de handhavingsstrategie Brzo wordt bovendien een passende inzet van het bredere sanctie-instrumentarium geborgd. In het licht van de geschetste ontwikkelingen is het niet opportuun om op dit moment onderzoek te doen naar de proportionaliteit van het boeteregime.

2. Kennisniveau Regionale Uitvoeringsdiensten en eindoordeel veiligheid

In het in de kabinetsreactie aangekondigde meerjarenprogramma krijgt kennisontwikkeling binnen de (Brzo-)RUD’s een prominente rol.

Een Brzo-inspectie heeft tot doel te achterhalen of een bedrijf passende maatregelen heeft genomen om zware ongevallen te voorkomen dan wel de gevolgen ervan te beperken, en het bedrijf aan te spreken op tekortkomingen. De goede werking van de maatregelen moet zijn geborgd in het veiligheidsbeheerssysteem. Beide verplichtingen volgen uit het Brzo. Inspectieteams kijken zowel naar het systeem als naar de werking van maatregelen in de praktijk. Visuele controles maken nadrukkelijk onderdeel uit van de bedrijfsbezoeken. Dit is gangbare praktijk.

Daarnaast zullen met ingang van komend jaar de uitvoerende overheden de samenvattingen van de Brzo-inspectierapporten openbaar gaan maken. Naast een weergave van de belangrijkste inspectieresultaten bevat elke samenvatting een algemene conclusie over de aangetroffen situatie bij het bedrijf.

3. Stimuleren betere borging van de veiligheidscultuur

Het borgen van de veiligheid, daar waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, is een publiek belang. Daarom zet het kabinet in op versterking van toezicht en handhaving. In de kabinetsreactie op het rapport van de OvV is echter reeds benadrukt dat het bedrijfsleven primair zelf verantwoordelijk is voor de veiligheid. Het kabinet verwacht daarom dat het bedrijfsleven initiatieven neemt om de veiligheidscultuur en de veiligheidsprestaties te verbeteren. Het bedrijfsleven heeft eind 2011 daarmee een start gemaakt met het programma Veiligheid Voorop, ook naar aanleiding van eerdere incidenten. Het kabinet wil ondersteuning bieden waar zulke initiatieven worden ontwikkeld en tot uitvoering worden gebracht, om die te versnellen en resultaat zeker te stellen. De ondersteuning zal zich vooral richten op versterking van de keten en op initiatieven die resulteren in aansluiting van de middenmoters en achterblijvers bij de kopgroep. Het initiatief dient echter steeds bij het bedrijfsleven te liggen. Naar voorbeeld van het programma Green Deals, zou ik hier graag spreken van Safety Deals.

Het stimuleren van een betere veiligheidscultuur is één van de belangrijkste doelen van het programma rondom de Safety deals. Onderwerpen zoals kennis en beschermde meldcultuur zullen hierbij zeker aan de orde komen.

4. Coördinerende rol Staatssecretaris IenM

Het Brzo+ draagt zorg voor landelijke uitvoeringsverantwoordelijkheid en aansluiting met het OM. De voortgang en geborgde kwaliteit van de samenwerking zal ik structureel in Bestuurlijk Omgevingsberaad agenderen. Op basis van het wetsvoorstel VTH kan de Staatssecretaris van IenM een regie-rol innemen indien de kwaliteit van de bestuursrechtelijke handhaving in het geding is, uiteraard met inachtneming van ieders wettelijke kaders en bevoegdheden. Daarnaast zal met de Omgevingswet de interventiebevoegdheid voor de Staatssecretaris van IenM op het terrein van de externe veiligheid binnen de Wabo-kolom worden geïntroduceerd.

5. Externe veiligheid verankeren bij stelselherziening omgevingsrecht

Het wetsvoorstel Omgevingswet wordt binnenkort bij uw Kamer ingediend. Het is de bedoeling dat externe veiligheid daar goed in verankerd wordt en in de uitvoeringsregelgeving van de Omgevingswet nader wordt uitgewerkt.

6. Verbetering van toezicht op bedrijven gebonden aan de voorschriften van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

Ook bij deze bedrijven moet het toezicht op orde zijn. Waar nodig zullen de controles worden aangescherpt. Het gaat echter te ver om te stellen dat alle bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken en gebonden zijn aan de voorschriften uit de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen als «net-niet Brzo-bedrijven moeten worden beschouwd. Het werkveld van de Brzo-RUD’s strekt zich ook uit tot de Rie cat 4 bedrijven. Het Brzo+ draagt ook voor deze categorie bedrijven uitvoeringsverantwoordelijkheid. Ik ga er van uit dat het Brzo+ ook voor deze categorie bedrijven met een toezichtsaanpak zal komen.

Ik verwacht u met het bovenstaande een goed overzicht te bieden over de stand van zaken van de moties en toezeggingen rondom majeure risicobedrijven. In 2014 informeer ik u mede namens de Ministers van SZW en VenJ nader in de Staat van veiligheid majeure risicobedrijven.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

Bijlage 1 Stand van zaken bedrijfsbrandweer

Overzicht bedrijfsbrandweer op grond van artikel 31 Wet veiligheidsregio’s:
 

Totaal

Beoordeeld

Aangewezen

In procedure

Overig1

VR

100% (268)

73% (195)

40% (108)

24% (64)

3% (9)

PBZO

100% (153)

65% (99)

5% (8)

24% (37)

11% (17)

ARIE

100% (102)

76% (78)

14% (14)

11% (11)

13% (13)

KE

100% (3)

100% (3)

67% (2)

0% (0)

0% (0)

X Noot
1

Een aantal bedrijven is om diverse redenen (nog) niet in procedure gebracht. Dit betreft onder andere bedrijven die binnenkort stoppen of de productie verminderen en bedrijven die recent binnen de reikwijdte van artikel 31 Wet veiligheidsregio’s zijn komen te vallen (door uitbreiding).

Gegevens aangeleverd door het Landelijk Expertisecentrum Brandweer BRZO aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Peildatum 15 november 2013.

VR: Brzo-bedrijven die moeten beschikken over een preventiebeleid en veiligheidsbeheersysteem en die tevens een veiligheidsrapport moeten opstellen (zware categorie).

PBZO: Brzo-bedrijven die over een PreventieBeleid Zware Ongevallen en een veiligheidsbeheersysteem moeten beschikken (lichte categorie).

ARIE: Opslagbedrijven gericht op vervoer en spooremplacementen die over een Aanvullende RisicoInventarisatie en Evaluatie moeten beschikken op grond van hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

KE: Inrichtingen, bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet, met uitzondering van de inrichtingen waarop artikel 44 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen van toepassing is.

Bijlage 2

Tabel 1: Het aantal zware ongevallen sinds 2000 in Nederland

Aantal zware ongevallen in Nederland sinds 2000

Jaar

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Aantal

3

1

4

7

4

4

4

4

0

3

1

2

3

De EC vindt het belangrijk dat iedereen de ongevalgegevens kan bekijken om hier van te leren en daarom zijn deze gegevens gepubliceerd op de website6 van de EC. In tabel 2 zijn de cijfers weergegeven van de jaren 2000 – 2011. De cijfers uit Europa werden in eerste instantie per 3 jaar verzameld. De cijfers van het aantal zware ongevallen in Europa van de laatste jaren kunnen nog worden aangepast naar boven aangezien een incident pas opgenomen hoeft te worden als een complete ongevalanalyse van het incident beschikbaar is of een mogelijk strafrechtelijk onderzoek of rechtszaak afgerond is.

Tabel 2: Aantal zware ongevallen in Europa en Nederland per 3 jaar
 

2000 – 2002

2003 – 2005

2006 – 2008

2009 – 2011

Aantal zware ongevallen in Europa

83

81

79

78

Aantal zware ongevallen in Nederland

8

15

8

6

Percentage zware ongevallen in Nederland tov Europa

9,6

18,5

10,1

7,7

In tabel 3 is het aantal Seveso-inrichtingen in Nederland en Europa uitgesplitst in het aantal lage en hoge drempel inrichtingen. Iets minder dan 10% van de Seveso-inrichtingen zijn in Nederland gevestigd.

Het percentage zware ongevallen in Nederland was in 2009 – 2011 ongeveer 8% van het totale aantal in Europa. Dit komt redelijk overeen met het percentage Seveso-inrichtingen in Nederland in die jaren. Vooral het percentage zware ongevallen in Nederland t.o.v. Europa in 2003 – 2005 was uitzonderlijk hoog. Sindsdien is er een dalende lijn.

Tabel 3: Het aantal Seveso-inrichtingen in Nederland en in Europa

Aantal Seveso inrichtingen\Jaar

2002

2005

2008

2009

2010

2011

Europa – hoge drempel inrichtingen

3677

3949

4528

4649

4668

4791

Europa – lage drempelinrichtingen

5523

5418

5523

Totaal in Europa

10014

10086

10314

Nederland – hoge drempel inrichtingen

176

188

221

249

255

255

Nederland – lage drempel inrichtingen

157

134

163

167

179

187

Totaal in Nederland

333

322

384

442

434

416

Percentage Seveso-inrichtingen in Nederland t.o.v. Europa

9,1

8,2

8,5

9,5

9,3

8,7


X Noot
1

Initiatiefnota van het lid Van Veldhoven over veiliger omgaan met chemie (Kamerstuk 33 679, nr. 2)

X Noot
2

Moties Van Tongeren (Kamerstuk 26 956-163), Van Gerven (Kamerstuk 26 956-172), Van Veldhoven (Kamerstuk 26 956-173, Kamerstuk 26 956-178)

X Noot
3

Brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Veiligheid en Justitie, Kamerstuk 26 956, nr. 175

X Noot
4

Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken

X Noot
5

Kamerstuk 26 956, nr. 183