Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201626695 nr. 109

26 695 Voortijdig school verlaten

Nr. 109 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 februari 2016

1. VOORTBOUWEN OP GOEDE RESULTATEN

Met deze brief ontvangt u, mede namens de Staatssecretaris, mijn plan voor de vervolgaanpak van voortijdig schoolverlaten.

Mijn plan bouwt voort op ruim tien jaar bestrijding van voortijdig schoolverlaten (vsv) onder jongeren van 12 tot 23 jaar. Met het programma Aanval op de schooluitval is het voortijdig schoolverlaten stevig teruggedrongen. In 2002 verlieten nog 71.000 jongeren voortijdig het onderwijs. Dankzij de voortdurende inzet van docenten, RMC-coördinatoren, leerplichtambtenaren, loopbaanbegeleiders, verzuimcoördinatoren, wethouders en andere betrokkenen binnen scholen en gemeenten staat de teller nu op 24.451 vsv’ers1. Dat betekent dat de landelijke doelstelling van maximaal 25.000 nieuwe vsv’ers in 2016 is behaald.2 Ik vind dit een prestatie van formaat, en een groot compliment voor iedereen die zich hiervoor de afgelopen tien jaar heeft ingezet.

Het aantal jongeren in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs dat vorig schooljaar voortijdig de schoolbanken verliet daalde met 1.141. Het zijn vooral de mbo-scholen die veel voortgang hebben geboekt: de uitval daalde daar naar 5%. Opvallend is dat de grootste daling te vinden is onder de groep jongeren die ouder is dan 18 jaar. Ook in de vier grote steden gingen minder jongeren voortijdig van school. In Utrecht daalde dat aantal met een kwart. Rotterdam volgt met een daling van 14% minder schoolverlaters. Amsterdam wist 11% meer jongeren in de schoolbanken te houden, op de voet gevolgd door de stad Den Haag waar 10% minder jongeren van school gingen zonder startkwalificatie op zak. In Europees verband behoort Nederland tot de koplopers in het terugdringen van voortijdig schoolverlaten. Vergeleken met de 28 EU-lidstaten als geheel (11,2%) heeft Nederland een relatief laag percentage schooluitvallers (8,7%). In maart informeer ik u in detail over de uitvalcijfers.

Hoewel de resultaten goed zijn, is er geen reden om nu achterover te leunen: nog steeds gaan elk jaar ongeveer 25.000 jongeren zonder startkwalificatie van school. Dat blijft zorgelijk. Want met een startkwalificatie hebben jongeren een beter toekomstperspectief op de arbeidsmarkt en in de maatschappij.3 Met het tegengaan van vsv krijgen jongeren, ook diegenen met minder sociale en culturele bagage, meer kans om te stijgen op de maatschappelijke ladder. Ik hecht aan de emancipatiefunctie van het onderwijs. Sociale scheidslijnen worden zo bestreden.

Nieuwe doelstelling

De urgentie om schooluitval aan te pakken blijft daarom onverminderd hoog. Ik moedig gemeenten, onderwijs en andere betrokken partijen aan de schooluitval nog verder terug te dringen. Daarom stel ik een nieuw, nog scherper doel: in 2021 mogen er maximaal 20.000 nieuwe vsv’ers per jaar zijn (gemeten over schooljaar ’19/’20). Ik realiseer me dat dit de nodige inspanning vergt van alle betrokkenen; bij de start van ieder schooljaar staat de teller immers weer op nul.

Tegelijkertijd zie ik dat er ook jongeren zijn voor wie een startkwalificatie niet haalbaar is. Ook deze jongeren hebben het recht om zo goed mogelijk voorbereid te worden op hun toekomst. Daarom heb ik eind 2014 mede namens de Staatssecretaris een aantal maatregelen aangekondigd om deze jongeren in een kwetsbare positie meer kansen te bieden.4 Deze maatregelen richten zich op drie thema’s: verbeteren van de overgang van v(s)o naar mbo; meer ruimte voor maatwerk in de entreeopleiding en mbo-niveau 2; en het vormen van een sluitend regionaal vangnet.

Om meer jongeren een beter toekomstperspectief te bieden ga ik de komende jaren door met de succesvolle elementen van Aanval op Schooluitval5 , maar pas deze op een aantal punten aan. Zo leg ik meer verantwoordelijkheid bij de regionale partijen, vraag ik bijzondere aandacht voor jongeren in een kwetsbare positie en stimuleer ik om in de regionale samenwerking meer partijen te betrekken. Om de vervolgaanpak te ondersteunen, bied ik passende financiering. In totaal is er jaarlijks € 140 mln. beschikbaar voor het vsv-beleid, zowel voor de regionale inzet als de aanpak op scholen. Scholen en gemeenten bepalen samen hoe zij het regionaal budget willen inzetten.

Bij de vormgeving van mijn plannen, heb ik de afgelopen maanden gesproken met de partijen die betrokken zijn bij de aanpak, zowel op bestuurlijk niveau als in de dagelijkse praktijk.6 Tevens heb ik de uitkomsten van evaluatieonderzoek naar het vsv-beleid7 meegenomen in de uitwerking.

Leeswijzer

Eerst beschrijf ik wat ik met de vervolgaanpak wil bereiken (§2). Vervolgens ga ik in op hóe ik dat wil bereiken (§3) en in §4 beschrijf ik hoe ik de overgang naar de nieuwe situatie zie. Tot slot geef ik een overzicht van de stand van zaken van de eerder aangekondigde maatregelen voor de groep jongeren in een kwetsbare positie (§5).

2. MEER JONGEREN EEN GOED TOEKOMSTPERSPECTIEF

Als jongeren zonder startkwalificatie van school gaan lopen zij extra risico: zij zijn twee keer zo vaak werkloos en worden vijf keer vaker verdacht van een misdrijf.8

We moeten alles op alles zetten om te voorkomen dat deze jongeren buiten de boot vallen. Reden voor mij om de doelstelling verder aan te scherpen tot maximaal 20.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters per jaar in 2021. Dit is een ambitieus, maar haalbaar doel. De resultaten die scholen en gemeenten de afgelopen jaren hebben geboekt, waarbij het aantal jongeren dat zonder startkwalificatie uitviel ieder jaar opnieuw met ca. 1200 afnam, laten dat zien.

De vsv-aanpak richt zich primair op het voorkomen van uitval onder jongeren van 12–23 jaar in het vo en mbo. En omdat verzuim vaak een voorbode is van uitval, is de aanpak van schoolverzuim door gemeenten en scholen daarbij een belangrijk element, zoals de Staatssecretaris u schreef. Dit uitgangspunt blijft ook in de vervolgaanpak overeind.

Uit een analyse van het vsv-beleid van de afgelopen jaren blijkt echter dat er extra aandacht nodig is voor specifieke groepen jongeren, waaronder jongeren in een kwetsbare positie. Zij vallen voor een deel reeds onder de vsv-doelgroep. Het gaat ten eerste om jongeren die de overstap maken van vmbo-bb en vmbo-leerwerktrajecten naar de entreeopleiding of mbo niveau 2. Velen van hen hebben meer risico op uitval vanwege hun thuissituatie, gedragsproblemen of bepaalde leerbehoeften. Heeft een jongere begeleiding nodig omdat hij of zij verzuimt of uitvalt, ligt de focus in eerste instantie op terugkeer naar het onderwijs. Wanneer dat geen optie (meer) is, leidt RMC hem of haar door naar het gemeentelijk arbeidsmarktdomein om de jongere naar werk te begeleiden.

Ten tweede gaat het om jongeren die zijn uitgestroomd uit praktijkonderwijs (pro) en voortgezet speciaal onderwijs (vso) met uitstroomprofiel dagbesteding of arbeidsmarktgericht. Zij hebben na uitstroom vaak moeite bij het vinden van werk of een vervolgopleiding. Daarom is het belangrijk dat ze gevolgd en begeleid worden. Zolang de leerplicht geldt9 zijn ze, ongeacht hun uitstroomprofiel, bekend bij de leerplichtambtenaar. Daarna geldt de kwalificatieplicht voor de vso’ers met uitstroomprofiel vervolgonderwijs; zij zijn tot hun 18e bekend bij Leerplicht. Jongeren die na het pro- of vso ingeschreven staan op een vervolgopleiding (vaak de entreeopleiding), vallen onder de reguliere doelgroep van leerplicht of RMC en zijn ook in beeld. Daarnaast heeft RMC voor 18–23-jarige leerlingen afkomstig uit pro en vso (alle uitstroomprofielen) zonder werk reeds tot taak een «vangnet» te bieden.10

Een deel van de uitgestroomde pro- en vso’ers kan echter minder goed gevolgd worden. Ten eerste omdat de 16- en 17-jarigen uit pro en vso uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht of dagbesteding niet kwalificatieplichtig zijn. Ten tweede omdat de taak voor RMC voor de 18- tot 23-jarigen zonder werk niet duidelijk beschreven is en in de praktijk niet volledig vervuld wordt. Het derde knelpunt is dat RMC alleen voor vso’ers van 18–23 jaar met uitstroomprofiel vervolgonderwijs kan zien of diegene werk heeft, een uitkering ontvangt of geen van beiden.

Een groot deel van de pro- en vso-scholen biedt uitgestroomde leerlingen nazorgbegeleiding, ook al is die begeleiding geen wettelijke taak voor pro en vso.11 Een deel van de jongeren raakt echter na verloop van tijd bij de school uit het zicht, bijvoorbeeld na verhuizing. Daarom is het belangrijk dat uitgestroomde jongeren uit pro en vso door de gemeente gevolgd en begeleid worden.

Hoewel de focus ligt op het voorkomen van uitval, blijft de aandacht voor jongeren die al eerder uitvielen (de zogenaamde «oude vsv’ers») van groot belang.

Maatschappelijke uitval ligt op de loer, vooral als zij zonder werk of opleiding thuis zitten. Daarom vraag ik gemeenten om de komende tijd deze groep scherper in beeld te houden. Hiermee geef ik invulling aan de aanpak van de 66.000 jongeren tot 27 jaar zonder werk en opleiding, waarover de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en ik onze zorgen uitten en voor wie reeds maatregelen zijn ingezet, zoals het matchen op werk en de City Deals.12

3. VSV-AANPAK 2.0

Het programma Aanval op de schooluitval ligt aan de basis van het succes van de afgelopen jaren. Het kernelement van deze aanpak is de intensieve samenwerking tussen scholen en gemeenten. Met een landelijke vsv-doelstelling voor het behouden van focus, extra middelen voor scholen als stimulans, transparantie over de resultaten, actieve ondersteuning van de accountmanagers en toezicht door de Inspectie van het onderwijs op het verzuimbeleid, is het gelukt om voortijdig schoolverlaten met 65% terug te dringen. Het succes is dus niet toe te schrijven aan afzonderlijke onderdelen van de aanpak of afzonderlijke maatregelen, maar juist aan de combinatie ervan.13

Aan het eind van dit schooljaar lopen de huidige afspraken die ik met scholen en gemeenten heb gemaakt af. Ik wil dat, voor zover dat nog niet is gebeurd, de vsv-aanpak onderdeel wordt van de reguliere gang van zaken in de regio’s en op scholen. Daarbij is het voor mij van belang dat onderwijs en gemeenten hun succesvolle samenwerking op basis van een gezamenlijk regionaal programma voortzetten. Ik blijf hen daarbij financieel ondersteunen: voor de hele vsv-aanpak is zo’n € 140 mln. beschikbaar (zie bijlage 1 voor een overzicht). Ook de extra resultaatafhankelijke middelen voor scholen handhaaf ik, evenals de transparantie over resultaten en de inzet van accountmanagement. Ik pas de aanpak ook op enkele punten aan, zodat ze beter aansluiten bij de volgende fase die in het teken staat van structurele verankering van de aanpak. Zo bekrachtig ik de centrale rol van RMC, geef ik meer ruimte aan de regionale partijen om de samenwerking vorm te geven en zorg ik voor een sluitend vangnet voor kwetsbare jongeren door de verbinding met het arbeidsmarktdomein te verstevigen.

3.1 Gezamenlijk regionaal programma is leidraad

De samenwerking tussen scholen en gemeenten heeft een vlucht genomen doordat beide partijen gezamenlijk de inhoudelijke maatregelen en de financiering van het vsv-programma in hun regio bepaalden. Dit wil ik in de vervolgaanpak vasthouden.

Op grond van een regionale analyse die inzicht geeft in de omvang van doelgroepen en regionale problematiek, bepalen gemeenten en scholen samen welke maatregelen nodig zijn. Alle maatregelen worden vastgelegd in een regionaal programma dat in beginsel voor vier jaar wordt opgesteld: kort genoeg om de focus vast te houden, lang genoeg om maatregelen uit te voeren en resultaat te zien. Ik vraag de samenwerkingspartners in de regio kritisch te bekijken welke van de huidige regionale maatregelen noodzakelijk zijn om vast te houden en welke niet. De regionale partners besluiten zelf in welke omvang ze bestaande voorzieningen voortzetten, passend bij de problematiek van de regio. Dat geldt ook voor de voorzieningen voor overbelaste jongeren (de plusvoorzieningen).14 Ik stel wel als voorwaarde dat iedere regio minstens één plusvoorziening in stand dient te houden. Dergelijke voorzieningen zijn effectief in het voorkomen van uitval van jongeren die tijdelijk extra steun nodig hebben.15

Uitgangspunt is dat de maatregelen en inzet van middelen ten gunste komen van de regio, niet alleen van een individuele instelling. In het programma kunnen voortaan geen maatregelen meer opgenomen worden om het primaire proces op de instellingen te verbeteren. De instellingen hebben de afgelopen tien jaar immers de interne vsv-maatregelen in hun processen kunnen verankeren. Een goede verzuimregistratie en verzuimbeleid, een goed functionerend programma voor loopbaanoriëntatie en studiekeuzebegeleleiding (LOB) en het professionaliseren van personeel zijn daarmee op veel plekken vanzelfsprekender geworden.

Passende regionale financiering

Voor de uitvoering van het regionaal programma ontvangt iedere regio een regiobudget dat bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Een deel dat via de RMC-contactgemeente naar de regio komt. Dit bedraagt landelijk € 19,2 mln., voor de uitvoering van regionale maatregelen.

  • Een deel dat via de contactschool naar de regio komt. Dit bedraagt landelijk € 30,4 mln., voor de uitvoering van regionale maatregelen.

Daarnaast blijft er landelijk € 32,6 mln. beschikbaar voor de uitvoering van RMC-taken. Deze verstrek ik – net als in de huidige situatie – in de vorm van een specifieke uitkering aan de RMC-contactgemeente.

De contactschool en de RMC-contactgemeente bepalen samen, op basis van gelijkwaardigheid, hoe de delen van het regiobudget worden ingezet (de € 19,2 mln. en de € 30,4 mln.). Zij kunnen dus niet zonder afstemming bepalen hoe het deel waarvoor zij kassier zijn wordt ingezet. Dit geldt uiteraard niet voor de specifieke uitkering aan RMC voor de uitvoering van wettelijke RMC-taken.

De bestedingsmogelijkheden van het regiobudget zijn ruimer dan voorheen. De € 30,4 mln. die voorheen aan de contactscholen werd verstrek was vooral bedoeld voor het opzetten van plusvoorzieningen voor overbelaste jongeren.16 Deze middelen zijn voortaan makkelijker inzetbaar voor andere doelgroepen. Enige voorwaarde is dat de regio minimaal één plusvoorziening biedt. Dat geeft regio’s meer bestedingsvrijheid en sluit beter aan op de huidige praktijk waaruit blijkt dat meerdere regio’s minder dan 75% van het budget aan plusvoorzieningen besteden. Bij die bredere inzetbaarheid past ook een andere verdeling van het budget over de regio’s. Werd het budget voorheen uitsluitend op basis van het aantal leerlingen uit armoedeprobleemcumulatiegebieden (APCG) verdeeld, nu ontvangt elke regio een vast bedrag van € 100.000 en wordt de rest verdeeld op basis van APCG-leerlingen.

Toegroeien naar nieuwe financiële situatie

Met ingang van 2017 loopt de tijdelijke ophoging van € 6,7 mln. voor de regionale aanpak af. De afgelopen convenantperiode had ik het bedrag voor de uitvoering van de regionale aanpak tijdelijk opgehoogd om een eerdere bezuiniging te verzachten. Deze tijdelijke aanvulling van € 6,7 mln. komt vanaf schooljaar 2016–2017 te vervallen. Daarnaast heeft de gewijzigde verdeelsleutel van een deel van het regiobudget (zie hierboven) ook effect.

Om de regio’s te laten wennen aan deze nieuwe situatie kom ik ze tegemoet door de overgang te verzachten. Dat doe ik door in 2017 en 2018 het regiobudget op te hogen met € 2,65 mln. per jaar. Deze middelen worden zo verdeeld dat de regio’s de komende jaren in eenzelfde tempo toegroeien naar de nieuwe situatie.17

3.2 Resultaten waarderen en stimuleren

Ook in de komende jaren blijf ik scholen stimuleren om de procentuele uitvalnormen te halen. Deze uitvalnormen werken stapsgewijs toe naar de landelijke doelstelling van maximaal 20.000 vsv’ers in 2021. Haalt een instelling de norm, ontvangt zij extra middelen. De extra middelen aan vo-scholen en mbo-instellingen die de uitval effectief bestrijden zijn een extra stimulans.18 In totaal is er ruim € 57 mln. beschikbaar voor resultaatafhankelijke beloning van scholen.

Vo-scholen, die bijna allemaal de huidige vsv-normen halen, stimuleer ik om de uitval nóg verder terug te dringen. Hiervoor is € 17 mln. beschikbaar, dat uit een vast deel van € 8,5 mln. en een resultaatafhankelijk deel van € 8,5 mln. bestaat.

Voor het mbo is € 40,5 mln. beschikbaar, waarvan € 4 mln. vast en € 36,5 mln. resultaatafhankelijk. Voor het resultaatafhankelijke deel wordt voortaan een verdeelmodel toegepast waarbij dit gehele budget over de instellingen wordt verdeeld. Mbo-instellingen die ondanks al hun inspanningen de normen niet halen, wil ik naar rato belonen voor het resultaat dat ze wél weten te bewerkstelligen. Ik wil ze namelijk stimuleren hun dalende lijn voort te zetten en naar de norm toe te werken. Instellingen die de normen (net) niet halen (bijvoorbeeld vanwege een complexe leerlingenpopulatie) komen in de huidige situatie – ondanks hun inspanningen – niet in aanmerking voor resultaatafhankelijke beloning. Met de nieuwe systematiek voor de resultaatafhankelijke beloning verhelp ik dat. Bovendien komen door de inzet van de onderuitputting extra middelen beschikbaar voor de begeleiding van (potentiële) vsv’ers.

In de vervolgaanpak zal de systematiek voor de extra middelen gelden voor schooljaar 2016–2017 en 2017–2018, omdat de vsv-afspraken onderdeel zijn van de lopende Kwaliteitsafspraken mbo. Voor het vo gelden die afspraken niet, maar sluit een systematiek voor twee jaar wel aan bij de termijn van het sectorakkoord vo. In bijlage 2 licht ik toe op welke wijze ik de extra bekostiging aan instellingen verstrek.

3.3 Aanvullende ondersteuning gemeenten en scholen

Het is noodzakelijk dat voor alle partijen duidelijk is om welke jongeren het gaat en wat de knelpunten zijn. Ik blijf transparante, gedetailleerde uitvalcijfers beschikbaar stellen, die ik nog verder wil uitbreiden met de volgende gegevens19:

  • Regionale gegevens over de hele groep jongeren in een kwetsbare positie.20

  • De doorstroom per vo-school van ongediplomeerde vmbo, havo- en vwo-leerlingen naar het mbo, inclusief de resultaten van deze groep in het vervolgonderwijs.21 Ongediplomeerde vo-leerlingen hebben in het mbo meer kans op uitval. Het vo heeft dus een belangrijke rol in het voorkomen van vsv in het vervolgonderwijs. Daar waar de doorstroom niet goed verloopt, ga ik in gesprek met betrokken scholen.

  • De resultaten voor studenten voor wie een startkwalificatie niet haalbaar is. Voor iedere instelling wil ik in beeld brengen welk deel van de entreestudenten (met of zonder diploma) binnen een jaar werk vindt. Daar verbind ik overigens geen doelstelling of extra bekostiging aan.

De inzet van accountmanagers handhaaf ik ook. Zij brengen partijen in de regio samen, adviseren, voeren gesprekken over de voortgang en zijn de verbinding tussen het veld en het ministerie.

3.4 Regionaal vangnet voor jongeren in een kwetsbare positie

Om voor jongeren in een kwetsbare positie een sluitend regionaal vangnet te kunnen bieden, is uitbreiding van de vsv-samenwerking (gericht op de onderwijsketen) met partijen uit het arbeidsmarktdomein en zorgdomein noodzakelijk. Het is reeds mogelijk om zo’n vangnet te bieden: sommige regio’s hebben aan hun vsv-samenwerking partijen uit de jeugdzorg en het sociale domein toegevoegd. Ik vind dat een voorbeeld voor alle regio’s.

De Minister van SZW en ik willen de verbinding tussen het arbeidsmarktdomein en RMC verstevigen. Dat doen we door te zorgen dat de centrumgemeenten van de arbeidsmarktregio’s en de contactgemeenten van de RMC-regio’s werkafspraken maken over de samenwerking tussen de dienst Werk & Inkomen (dWI) en de RMC.22 Samen leggen zij vast hoe zij jongeren onderling overdragen, hoeveel jongeren zonder startkwalificatie ze naar werk toe gaan leiden en wie daarbij welke verantwoordelijkheid draagt. De afspraken gelden voor een jaar. Daarna bepalen de partners op basis van een evaluatie hoe ze de samenwerking structureel willen voortzetten.

Tegelijkertijd stimuleer ik de afstemming tussen mbo, vo en gemeenten over (zorg)ondersteuning. Gemeenten en de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in het po en vo voeren op grond van de Wet passend onderwijs al overleg over de zorg en ondersteuning die ze leerlingen bieden. Hoewel mbo-instellingen hiertoe niet verplicht zijn, blijkt in de praktijk dat ook mbo-instellingen met gemeenten over de (zorg)ondersteuning overleggen. Omdat ik wil dat dergelijk overleg overal de praktijk wordt, ga ik dit, zoals ik eerder heb aangekondigd te gaan doen, nu wettelijk verankeren.23

Effectieve samenwerking

Om een effectieve samenwerking te bereiken, worden de regio’s gevraagd om bestaande programma’s en plannen die betrekking hebben op (potentiële) vsv’ers met elkaar te verbinden, zoals de vsv-programma’s en jeugdwerkloosheidsplannen. Daarnaast kunnen regio’s ervoor kiezen om, in welke vorm, mate of frequentie dan ook, samenwerking op aanpalende onderwerpen te betrekken. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de aanpak van verzuim en thuiszitters24 of het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) dat gemeenten en scholen voeren over de ondersteuningsplannen in het onderwijs. Een voordeel hiervan kan zijn dat er één lijn getrokken kan worden in het regionaal jongerenbeleid; van verzuim en thuiszitten, voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie, tot de aanpak jeugdwerkloosheid.

3.5 Samenwerking verankerd met centrale rol voor RMC

De gemeente heeft van al haar jonge inwoners tot 23 jaar in beeld wie wel of niet op school zit en wie nog geen startkwalificatie heeft. Voor jongeren op wie de Leerplichtwet van toepassing is, is de leerplichtambtenaar verantwoordelijk. RMC is verantwoordelijk voor jongeren van 18 tot 23 jaar zonder startkwalificatie.

Op grond van de RMC-wetgeving heeft de RMC reeds als taak deze jongeren na uitval door te leiden naar onderwijs (voor wie dat mogelijk is) of naar het gemeentelijk domein dat ze zal begeleiden naar de arbeidsmarkt. Dit helpt de jeugdwerkloosheid terug te dringen en ondersteunt de maatregelen die de Minister van SZW en ik recent hebben aangekondigd.25

Om te zorgen dat alle jongeren na het pro en vso van 16–23 jaar in beeld zijn en gevolgd worden, doe ik met behulp van RMC26 het volgende. Allereerst breng ik de taak voor uitgestroomde jongeren uit pro en vso (alle uitstroomprofielen) van 18–23 jaar zonder werk opnieuw onder de aandacht bij RMC. Ten tweede wil ik de monitoring van 16- en 17-jarigen die het pro of vso uitstroomprofiel arbeidsmarkt of dagbesteding hebben verlaten (dit zijn er jaarlijks zo’n 2.500) met of zonder werk onder de verantwoordelijkheid van RMC brengen. Tot slot wil ik, in afstemming met de Minister van SZW, waar mogelijk en passend bij de privacy-vereisten, RMC de beschikking geven over de nog ontbrekende arbeidsmarktpositieinformatie voor deze groep.27 Ik vraag RMC om met behulp van alle beschikbare informatie de jongeren te monitoren en de juiste partijen in te schakelen wanneer iemand hulp nodig heeft. Het ligt daarbij voor de hand dat de regio, onder coördinatie van RMC, afspraken maakt over begeleiding van deze jongeren. Die begeleiding kan geboden worden door RMC, door andere partijen of beiden.

De RMC fungeert de laatste jaren steeds meer als spin in het web, zowel binnen de gemeente als in de gehele regio. Mede door die rol is zij ook in de preventieve aanpak steeds belangrijker geworden. Die rol wil ik bekrachtigen en formaliseren in wet- en regelgeving. Daarbij heb ik het volgende voor ogen:

  • Onderwijs en gemeenten voeren minimaal één keer per jaar bestuurlijk overleg over de aanpak van voortijdig schoolverlaten in de regio. Zo is hun betrokkenheid structureel geborgd. Onderwijs en instellingen worden in de samenwerking vertegenwoordigd door de contactschool en de gemeenten door de RMC-contactgemeente.

  • De RMC-contactgemeente wordt verantwoordelijk voor het initiëren van de regionale aanpak en totstandkoming van het regionaal programma. Daarmee formaliseer ik haar centrale rol.

  • De RMC krijgt de verantwoordelijkheid voor het monitoren van de genoemde groep 16- en 17- jarigen uit het pro en vso.

  • De RMC krijgt de beschikking over de benodigde gegevens om de groep uit pro en vso van 16–23 jaar te kunnen volgen.

  • De RMC-contactgemeente krijgt ook de verantwoordelijkheid voor het initiëren van het bestuurlijk overleg waarmee een sluitend vangnet voor jongeren in een kwetsbare positie wordt gevormd.

  • De betrokken regionale partners voeren minimaal één keer per jaar bestuurlijk overleg. Zo is hun betrokkenheid structureel geborgd. Van belang is dat er duidelijke afspraken worden gemaakt tussen RMC en de betrokken domeinen. Ten eerste over de overdracht van de jongeren en ten tweede over wie op welk moment voor welke taak verantwoordelijk is. De partijen zijn de RMC-contactgemeente, de centrumgemeente van de arbeidsmarktregio,28 een bestuurder van mbo-instellingen uit de regio, en vertegenwoordigers van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

  • Bij het vormgeven van bovenstaande wetswijzigingen betrek ik ook het opnemen van een plicht voor mbo-instellingen om aan te sluiten bij het overleg tussen gemeenten en de samenwerkingsverbanden passend onderwijs29.

4. NAAR VSV-AANPAK 2.0

In schooljaar 2016–2017 start ik met de vervolgaanpak. De wetswijzigingen die nodig zijn om de regionale samenwerking te verankeren zijn dan echter nog niet gereed. Dat kost tijd. Ik vertrouw er op dat scholen en gemeenten de samenwerking voortzetten op de in deze brief beschreven wijze, vooruitlopend op de wetswijzigingen. Voor wat betreft de vsv-aanpak is de samenwerking een vervolg op de huidige praktijk. Voor wat betreft jongeren in een kwetsbare positie is de samenwerking voor een aantal regio’s bestaande praktijk, voor een aantal regio’s nieuw. Intussen heb ik vernomen dat men in veel regio’s reeds op de gevraagde wijze aan de slag is om de vervolgaanpak per augustus 2016 voor te bereiden.

Organisatorische verandering

De vervolgaanpak vraagt in meer of minder mate een andere werkwijze in regio’s.

Waar nodig bied ik de mogelijkheid de overgang naar de nieuwe situatie stapsgewijs te laten verlopen. Het is denkbaar dat in sommige regio’s de RMC-contactgemeente nog niet helemaal klaar is om de gevraagde rol meteen volledig te vervullen. De OCW-accountmanagers zullen de samenwerking volgen en waar nodig ondersteuning bieden. Die bied ik ook via Ingrado, de brancheorganisatie voor leerplicht en RMC. Zij kunnen regio’s helpen bij het implementeren van de wijzigingen uit de vervolgaanpak en het verder professionaliseren van de RMC-functie. Ook zal ik samen met de MBO Raad en VNG bekijken waar en op welke wijze extra aandacht nodig is in die overgang. Tevens roep ik de contactscholen, die nu in 35 regio’s de regionale vsv-aanpak coördineren, op hun ervaring en kennis te delen. En vooral samen aan de slag te gaan met de gemeenten.

5. STAND VAN ZAKEN MAATREGELEN JONGEREN IN KWETSBARE POSITIE

De vervolgaanpak vsv staat niet op zichzelf. Het kabinet heeft meer maatregelen genomen die de positie versterken van jongeren in het onderwijsdomein. Deze dragen bij aan het tegengaan van uitval en bieden gelijke kansen op onderwijs.

Verbeteren overgang naar mbo

Onlangs heb ik de Raad van State mijn wetsvoorstel gestuurd30 waarmee ik de hoge uitval rond de overstap van het vo naar het mbo wil aanpakken. De maatregelen zijn van invloed op alle jongeren die naar het mbo overstappen, waaronder jongeren in een kwetsbare positie. Een weloverwogen (begeleide) studiekeuze en een zorgvuldig intakeproces zijn daarbij in grote mate bepalend voor een succesvolle overstap naar het mbo. De intake blijft onverminderd van belang. Deze geeft de instelling zicht op de student en hoe zij hem of haar tijdens de opleiding optimaal kunnen ondersteunen. Ik streef naar inwerkingtreding van dit wetsvoorstel per 1 januari 2017. Daarnaast is met de MBO Raad, VO-raad, PO-Raad, VNG en Ingrado afgesproken dat zij een Code of Conduct gaan opstellen met aanvullende afspraken voor een sluitende aanpak bij de overstap v(s)o-mbo.

Om jongeren te helpen bij het maken van een passende studiekeuze, zijn het afgelopen jaar docenten en loopbaanbegeleiders verder geschoold in het vormgeven van activiteiten rond LOB. Vo-scholen en mbo-instellingen hebben samen programma’s ontwikkeld die leerlingen helpen een passende vervolgopleiding te kiezen. Om een verdere impuls te geven, sturen de Staatssecretaris en ik u in het voorjaar van 2016 een sectoroverstijgend plan ter versterking van loopbaanleren en loopbaanbegeleiding.

Stappen om belemmeringen samenwerking v(s)o, pro en mbo tegen te gaan

Steeds meer jongeren uit het pro maken de overstap naar het mbo. Voor diegenen die behoefte hebben aan onderwijs in een vertrouwde, kleinschalige omgeving, kan de pro-school een entreeopleiding aanbieden. Het blijkt dat pro-scholen en mbo-instellingen hierin nog niet overal goed samenwerken. Daarom heb ik de Kamer toegezegd bestaande belemmeringen weg te nemen.31

Eén van die belemmeringen is onduidelijkheid over de bekostiging. Voorheen werden vooral AKA-opleidingen in de pro-school aangeboden en werd de inspanning van de mbo-instelling bekostigd met de diplomabekostiging die de mbo-instelling ontving. Met de invoering van de entreeopleiding is de reguliere bekostiging verhoogd en de diplomabekostiging in de entreeopleiding afgeschaft. Als een leerling ingeschreven blijft in het pro, ontvangt de pro-school de volledige bekostiging. De mbo-instelling verzorgt echter wel de examinering. Daarom ligt het voor de hand dat de pro-school betaalt voor deze dienst, net als voor andere vormen van diplomering, zoals branchecertificaten.

Een andere belemmering is de onbekendheid met de samenwerkingsconstructies die reeds mogelijk zijn. Bijvoorbeeld dat een leerling op het pro onderdelen uit de entreeopleiding krijgt aangeboden en vervolgens de overstap maakt naar het mbo. We zien ook geslaagde voorbeelden waarbij een pro-leerling de gehele entreeopleiding ingeschreven blijft op het pro en de pro-school en mbo-instelling heldere afspraken hebben over de vergoeding van de kosten voor examinering door het mbo. Daarnaast weten instellingen in sommige regio’s onvoldoende wat de voordelen van samenwerking voor de leerling zijn.

Om de belemmeringen aan te pakken, ga ik samen met de onderwijsraden en het landelijk werkverband PrO stimuleren dat vo-scholen (inclusief pro) en mbo-instellingen goede afspraken maken. Het blijkt dat transparantie over kosten (inclusief de opbouw ervan) die een mbo-instelling doorberekent voor examinering, in alle gevallen belangrijk is om de samenwerking te laten slagen. We willen de samenwerking op gang brengen door het verspreiden van goede voorbeelden en een praktische handreiking over het organiseren van samenwerkingstrajecten. Daar waar de samenwerking niet goed verloopt, kunnen de accountmanagers bemiddelen. Ik roep scholen en instellingen die problemen ervaren, op om zich te melden.

Meer maatwerk mogelijk gemaakt in entreeopleiding en mbo-niveau 2

Veel jongeren in de entreeopleiding en mbo-niveau 2 zijn gebaat bij maatwerk.

Met de herziening van de kwalificatiestructuur worden keuzedelen geïntroduceerd. Mbo-instellingen kunnen vanaf volgend schooljaar – uitsluitend in de entreeopleidingen – remediërende keuzedelen aanbieden, naast verdiepende of verbredende keuzedelen. Daarmee kunnen studenten in een ander tempo extra aandacht besteden aan die onderdelen van de opleiding waar ze veel moeite mee hebben.

Daarnaast kan het Regionaal investeringsfonds mbo worden ingezet voor de (maatwerk)begeleiding van studenten uit de entreeopleiding naar de arbeidsmarkt. Ik heb de regeling Regionaal investeringsfonds mbo eind november 2015 aangepast, waardoor naast mbo-instellingen nu ook pro-scholen of vso-scholen kunnen deelnemen aan projecten die door de publiek-private samenwerkingsverbanden worden uitgevoerd. Dit breng ik meer onder de aandacht. Ten slotte vergroot ik voor studenten die, ondanks alle onderwijsinspanningen toch de opleiding verlaten zonder het behalen van een diploma, de transparantie over wat zij wél kunnen. Hiervan kunnen ook de studenten van de entreeopleiding en mbo-2 opleiding profiteren. Zo kunnen studenten die de opleiding verlaten zonder het behalen van een diploma, de mbo-instelling vragen om een instellingsverklaring. Met deze instellingsverklaring kunnen ze aan werkgevers aantonen welke onderdelen van de opleiding ze wél hebben behaald. Het wetsvoorstel dat deze veranderingen mogelijk moet maken treedt naar verwachting in 2017 in werking. Gezien het belang van de student, roep ik de mbo-instellingen op om tot die tijd op vrijwillige basis zo’n instellingsverklaring te verstrekken aan studenten die daarom verzoeken. Verder kan een student bij uitval uit een bekostigd diplomagericht traject in de toekomst een certificaat ontvangen, indien voor de betreffende mbo-opleiding certificaten zijn vastgesteld en de student het betreffende onderdeel heeft behaald.32

6. TOT SLOT

In augustus 2016 zetten we de volgende stap in de aanpak. De komende maanden gaan scholen en gemeenten volop aan de slag met de regionale analyses, het betrekken van de benodigde partijen en het opstellen van de regionale programma’s. Succes van jaar op jaar is niet vanzelfsprekend en vraagt elk jaar opnieuw een inspanning van alle betrokkenen. Ik vertrouw er op dat de vruchtbare samenwerking van de afgelopen tien jaar voortgezet wordt. Samen maken we ook de volgende fase tot een succes, zodat we nóg meer jongeren met een kansrijk perspectief kunnen voorbereiden op hun toekomst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

BIJLAGE 1: OVERZICHT FINANCIËLE ONDERSTEUNING VSV-AANPAK

Bedragen x € 1 miljoen.
 

Huidige situatie

2017 en 2018

2019 e.v.

Regionale inzet

88,9

84,8

82,2

• waarvan t.b.v. uitvoering regionale maatregelen

56,3

49,6 + tijdelijke compensatie 2,65 per jaar

49,6

• waarvan t.b.v. uitvoering RMC-taak

32,6

32,6

32,6

       

Aanpak op scholen

extra resultaatafhankelijke middelen

57,5

57,5

57,5

Budget vo

17

17

17

• waarvan vast deel

12

8,5

8,5

• waarvan resultaat-afhankelijk deel

5

8,5

8,5

Budget mbo

40,5

40,5

40,5

• waarvan vast deel

4

4

4

• waarvan resultaat-afhankelijk deel

36,5

(niet volledig benut)1

36,5

(volledig benut)

36,5

(volledig benut)

       

TOTAAL VSV-BELEID PER JAAR

146,4

142,3

139,7

X Noot
1

In de huidige situatie wordt geen model gehanteerd waarbij het gehele budget wordt verdeeld over alle instellingen die een prestatie leveren. Voor het halen van de norm is namelijk een vast bedrag beschikbaar. De mate van benutting van het budget hangt af van het aantal scholen dat de norm haalt. Dit speelt met name in het mbo, in het vo worden de normen door nagenoeg alle scholen al gehaald.

BIJLAGE 2: SYSTEMATIEK FINANCIËLE WAARDERING VSV-RESULTATEN SCHOLEN

Vo-scholen en mbo-instellingen die de uitval op hun instelling weten terug te dringen, komen in aanmerking voor extra geld, bovenop de reguliere bekostiging van leerlingen en studenten. De prestaties worden gemeten aan de hand van het percentage nieuwe vsv’ers: jongeren in het vo en mbo tot 23 jaar die op 1 oktober van jaar t nog op school zaten en op 1 oktober het jaar erna zonder startkwalificatie van school zijn gegaan.

De uitvalpercentages worden afgezet tegen landelijke streefnormpercentages, die toewerken naar de landelijke doelstelling. De instelling of school wordt gestimuleerd haar uitvalpercentage terugbrengen naar een percentage ter hoogte van zo’n norm, of lager. Vooral voor kleinschalige vo-scholen bleek het vertalen van de streefnormpercentages naar de praktijk onrealiseerbare doelen te betekenen, bijvoorbeeld een halve vsv’er. Daarom zijn voor het vo de streefnormen naar boven afgerond tot realistische prestatienormen. In het mbo zijn de streefnormen gelijk aan de prestatienormen. Haalt een instelling of school de desbetreffende prestatienorm, komt zij in aanmerking voor extra middelen.

In de vervolgaanpak zal de systematiek voor de extra middelen gelden voor schooljaar 2016–2017 en 2017–2018, omdat de vsv-afspraken onderdeel zijn van de lopende Kwaliteitsafspraken mbo.33 Voor het vo gelden die afspraken niet, maar sluit een systematiek voor twee jaar wel aan bij de termijn van het sectorakkoord vo.

Systematiek vo: goede resultaten, prikkel om stap verder te gaan

De Staatssecretaris en ik scherpen de streefnormen en prestatienormen aan voor de onderbouw van het vo en de bovenbouw van het vmbo. Deze normen zijn in de huidige situatie al door nagenoeg alle scholen gehaald. De prestatienormen worden in twee jaar stapsgewijs aangescherpt, zodat scholen daar naar toe kunnen groeien. Voor havo en vwo bovenbouw blijven de eisen gelijk. Die normen zijn al scherp en zijn tot nu toe door zo’n tweederde van de scholen gehaald.34 Onderstaande normpercentages voor de uitval hebben we voor ogen:

 

streefnorm 16/17–19/20

Prestatienorm 16/17

prestatienorm 17/18

Vo onderbouw

0,1%

0,75%

0,5%

vmbo bovenbouw

1,0%

3,0%

2,0%

havo/vwo bovenbouw

0,1%

0,5%

0,5%

Daarnaast introduceren we een nieuwe, extra manier van belonen voor scholen die de prestatienormen nu al halen. Ze krijgen extra geld als ze in evenveel of minder vsv’ers hebben als in het voorgaande jaar. Hierbij wordt gekeken naar aantallen in plaats van percentages. Scholen die verder gaan dan de prestatienormen worden zo gestimuleerd hun uitval nog verder terug te dringen.

Om die extra stimulans mogelijk te maken, wordt het budget om vo-scholen te belonen voor hun vsv-resultaten (€ 17 mln.), voortaan als volgt volledig ingezet. De balans tussen het vaste deel en het resultaatafhankelijk wordt gelijkgetrokken:

 

WAS

WORDT

 

VAST DEEL

€ 12 mln.

€ 8,5 mln.

 
       

RESULTAATAFHANKELIJK DEEL

€ 5 mln.

€ 8,5 mln.

Waarvan:

   

€ 4,25 mln. voor beloning behalen norm.

   

€ 4,25 mln. voor extra verbetering na behalen prestatienorm.

TOTAAL

17 mln.

17 mln.

 

Systematiek mbo: een stimulans voor alle instellingen

Omdat de situatie en omstandigheden per onderwijsniveau flink verschillen, worden voortaan voor elk van de vier niveaus aparte normen gehanteerd (in de huidige situatie is er een gecombineerde norm voor niveau 3 en 4).

De prestatienormen zijn aangepast. Deze normen werken toe naar de nieuwe doelstelling, maar houden tevens rekening met wat op basis van de huidige uitvalcijfers en te verwachten ontwikkelingen reëel is. Zo is de norm voor de entreeopleiding (niveau 1) versoepeld, omdat de afgelopen jaren bleek dat deze norm voor te weinig instellingen haalbaar is. Ook de gecombineerde norm voor niveau 3 en 4 wordt door veel instellingen nu niet gehaald.

Dit worden de normen:

 

Huidig

16/17

17/18

Niveau 1

22,50%

27,50%

27,50%

Niveau 2

10,00%

9,50%

9,40%

Niveau 3

Niveau ¾: 2,75%

3,60%

3,5%

Niveau 4

 

2,75%

2,75%

Instellingen die de normen halen, ontvangen daarvoor extra middelen. Daarnaast verstrek ik voortaan ook extra bekostiging aan instellingen die de norm, ondanks alle inspanningen, niet halen. Dat is naar rato van het resultaat dat zij wél weten te bereiken. Daarmee kom ik tegemoet aan actief betrokken instellingen die momenteel, als gevolg van een complexe leerlingenpopulatie, vsv-bekostiging mislopen.

Dat werkt als volgt:

Instellingen die de norm halen, krijgen het volledige bedrag dat hieraan is toegekend. Instellingen die de norm ondanks al hun inspanningen niet halen, krijgen een percentage van dat bedrag. De hoogte van dat percentage wordt bepaald naar rato van de afstand tot de norm, met behulp van een traploze schaal. Hoe dichter bij de norm, hoe meer beloning. Hoe verder van de norm af, hoe minder beloning. Hier stel ik echter wel een maximum aan, namelijk 1,75 keer de norm. Met andere woorden, heeft een instelling een uitvalpercentage van 1,75 keer zo hoog als de norm, is het bedrag dat zij ontvangt nul euro. Alles daarbinnen is naar rato van de afstand tot de norm. Zo worden instellingen beloond voor het resultaat dat zij wél bewerkstelligen. Elke verdere verbetering loont extra.

Voorbeeld:

De norm voor niveau 4 is 2,75%. Een instelling met een uitvalpercentage van 2,75% krijgt het volledige bedrag dat toegekend wordt aan instellingen die de norm halen.35 Een instelling met een uitval op of hoger dan 2.75 * 1.75 = 4,8% krijgt niets. Een instelling met een uitvalpercentage tussen de 4.8% en 2,75%, krijgt een gedeelte van het bedrag.


X Noot
1

Voorlopige cijfers 2014–2015.

X Noot
2

Nieuwe vsv’ers zijn jongeren die in het afgelopen schooljaar zonder startkwalificatie het onderwijs hebben verlaten.

X Noot
3

Levin, The payoff to investing in educational justice, 2009:38; Ecorys, Maatschappelijke kosten baten analyse vsv, 2009; CPB, De prijs van gelijke zorg, bij CPB policy brief 2013/01.

X Noot
4

Brief «Meer kansen voor jongeren in een kwetsbare positie», Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, kamerstuk 30 079, nr. 53.

X Noot
5

De kernonderdelen van de huidige aanpak zijn: intensieve samenwerking tussen scholen en gemeenten op basis van een gezamenlijk programma met regionale maatregelen; bestuurlijke betrokkenheid; een duidelijke doelstelling; extra beloning voor scholen die uitval terugdringen; transparante uitvalcijfers per instelling en per regio; en actieve ondersteuning vanuit OCW met financiële middelen en accountmanagers; en vanuit de Inspectie van het onderwijs toezicht op het verzuimbeleid.

X Noot
6

Onderwijsinstellingen, gemeenten, RMC-functionarissen, SZW, Ingrado, VNG, G4, Vo-raad, MBO Raad.

X Noot
7

Monitoring en evaluatie vsv-beleid 2012–2015, Panteia, 2015. Wordt meegestuurd met deze vsv-brief, raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
8

Onderzoek CBS en KLPD, vsv’ers verdacht van een misdrijf naar leerjaar/niveau, zie Cijferbijlage vsv-brief 2014, p.33, Kamerstuk 26 695, nr. 94.

X Noot
9

Tot het eind van het schooljaar waarin de leerling 16 wordt.

X Noot
10

Verantwoordelijk voor registratie en bieden systeem van doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt (op grond van WEB art 8.3.2, 8.3.1., 8.1.8).

X Noot
12

Brief Aanpak jeugdwerkloosheid, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, Kamerstuk 29 544, nr. 674.

X Noot
13

Monitoring en evaluatie vsv-beleid 2012–2015, Panteia, 2015.

X Noot
14

Jongeren met cumulatie van problematiek, die overbelast raken en daardoor groot risico op uitval hebben. Om dit tegen te gaan, zijn de zgn. plusvoorzieningen in het leven geroepen om deze jongeren tijdelijk extra te ondersteunen n.a.v WRR-rapport Vertrouwen in de school.

X Noot
15

Monitoring en evaluatie vsv-beleid 2012–2015, Panteia, 2015.

X Noot
16

Minimaal 75%, indien minder moest dat gemotiveerd worden.

X Noot
17

In 2017 en 2018 is met de tijdelijke ophoging voor alle regio’s de vermindering van het regionale budget beperkt tot gemiddeld 5%. Dit leidt ertoe dat de G4 regio's er – naast de verdeling uit de reguliere middelen – € 1,7 mln. bij krijgen en de overige regio's € 0,9 mln extra.

X Noot
18

«Regeren met programma’s», Korsten, De Jonge en Breed, 2010.

X Noot
19

Voor zover mogelijk en passend bij privacy-regelgeving.

X Noot
20

Jongeren met diploma uit vmbo-bb en leerwerktraject en uit vso met profiel vervolgonderwijs, jongeren in entreeopleiding, in niveau 2, jongeren uit pro en vso die niet kwalificatieplichtig zijn. Zie voor een overzicht bijlage 1 van Brief «Meer kansen voor jongeren in een kwetsbare positie», Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, Kamerstukken 30 079, nr. 53.

X Noot
21

Voor ongediplomeerde vmbo’ers betekent dit vaak een start in de entreeopleiding. Tenzij m.b.v. een toelatingstoets de jongere mag instromen op een hoger niveau. Ongediplomeerden uit havo en vwo stromen veelal op een hoger niveau in.

X Noot
22

Brief Aanpak jeugdwerkloosheid, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, Kamerstuk 29 544, nr. 674.

X Noot
23

Brief «Meer kansen voor jongeren in een kwetsbare positie», Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, kamerstuk 30 079, nr. 53.

X Noot
24

Brief «Cijfers leerplicht en aanpak thuiszitten», Kamerstuk 26 695, nr. 108.

X Noot
25

Zie noot 22.

X Noot
26

Zie noot 23.

X Noot
27

Betreft dus jongeren van 16 tot 23 jaar die uitgestroomd zijn uit het pro en vso (behalve diegenen met uitstroomprofiel vervolgonderwijs). Informatie is met behulp van een koppeling met SUWI-gegevens.

X Noot
28

Dit doe ik in samenwerking met de Minister van SZW.

X Noot
29

Brief «Meer kansen voor jongeren in een kwetsbare positie», Kamerstuk 30 079, nr. 53.

X Noot
30

Wetsvoorstel vroegtijdige aanmelding mbo, toelatingsrecht en recht op studiekeuze.

X Noot
31

Reactie op Motie Siderius (Kamerstuk 26 695, nr. 106).

X Noot
32

Vanaf 2016–2017 wordt het mogelijk dat volwassenen in het niet-bekostigd onderwijs delen van mbo-opleidingen kunnen volgen die worden afgesloten met een certificaat. Een onderwijstraject gericht op het behalen van een certificaat komt niet in aanmerking voor publieke bekostiging. Het bekostigd onderwijs blijft gericht op het behalen van een mbo-diploma; alleen bij uitval kan een student een certificaat ontvangen, als hij het betreffende onderdeel heeft behaald (zie Kamerstuk 31 524, nr. 250).

X Noot
34

Betreft resultaten over schooljaar 13/14: de resultaten m.b.t. het halen van de normen over 14/15 stuur ik u in maart, die heb ik nog niet beschikbaar.

X Noot
35

Op grond van de Regeling prestatiebox mbo.