Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201826643 nr. 504

26 643 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)

Nr. 504 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 december 2017

In het Instellingsbesluit voor het Bureau ICT-toetsing (Stcrt. 2015, nr. 21178) (BIT) is vastgelegd dat de Toezichtsraad BIT periodiek aan mij rapporteert vanuit zijn rol om toezicht te houden op de kwaliteit, onafhankelijkheid en effectiviteit van het BIT. Mijn ambtsvoorganger heeft in antwoord op vragen van de Commissie Wonen en Rijksdienst (Kamerstukken 26 643 en 33 326, nr. 367) toegezegd uw Kamer over deze rapportages te informeren. Ik doe u hierbij de rapportage van de Toezichtsraad over het eerste halfjaar van 2017 toekomen1.

De Toezichtsraad constateert in haar rapportage dat het BIT in het tweede jaar van zijn functioneren een snelle en resultaatgerichte ontwikkeling laat zien. De samenwerking met het BIT wordt als open en constructief ervaren.

De Toezichtsraad benoemt in haar rapportage een aantal bevindingen en opmerkingen, waarvan ik de belangrijkste hier noem:

  • 1. Teneinde de positie van het BIT alsook het begrip voor het werk en de uitkomsten van zijn onderzoeken te vergroten, heeft het BIT technische briefings, cursussen en bijeenkomsten verzorgd en het netwerk met andere toezichthouders en belanghebbenden verstevigd. Gelet op de snelle ontwikkelingen in de ICT acht de Toezichtsraad een dergelijke focus en informatieve aanpak van groot belang.

  • 2. Het is wenselijk om de personele invulling van het BIT nader te bezien, mede gelet op de niet aflatende ontwikkelingen in de ICT.

  • 3. In de beoordeling van een ICT-project in uitvoering, nadat het BIT zijn advies heeft uitgebracht, is het van belang dat andere organisaties zoals de Algemene bestuursdienst, Algemene Rekenkamer of Accountantsdienst Rijk bij hun beoordeling soortgelijke criteria hanteren als het BIT. Gesuggereerd wordt het instellen van een periodiek overleg tussen de verschillende diensten.

  • 4. Een aanvang moet worden gemaakt met een evaluatie van het BIT gericht op een langduriger bestaan van het BIT als instelling. Indien de toekomst van het BIT onduidelijk blijft zal het met het voortschrijden van de tijd steeds moeilijker worden om nieuwe deskundigen aan het BIT te binden voor het uitvoeren van onderzoeken. Daarbij is het van groot belang dat het BIT als organisatie een onafhankelijke bestuurlijke positie kan blijven innemen.

Ten aanzien van de door de door Toezichtsraad gesignaleerde aandachtspunten merk ik het volgende op.

Bij de eerste formele evaluatie van het BIT eind 2016 (Kamerstuk 26 643, nr. 424) is onder meer vastgesteld dat de op leren gerichte werking van het BIT voor departementen in het eerste jaar nog beperkt was. De toenmalige Minister voor Wonen en Rijksdienst heeft in zijn reactie daarop aangegeven dat het BIT zich, in het kader van de versterking van het CIO-stelsel, meer zou gaan richten op kennisoverdracht aan de departementale CIO’s en hun staven. Ik ben blij dat de Toezichtsraad constateert dat het BIT hieraan nu invulling geeft en ik onderschrijf het belang dat de Toezichtsraad hier aan hecht.

Ten aanzien van de personele invulling van het BIT zijn inmiddels maatregelen genomen, zoals de Toezichtsraad ook aangeeft in haar rapportage. Het aantal vaste formatieplaatsen van het BIT is inmiddels uitgebreid van vijf naar twaalf, in plaats van een grote flexibele schil.

Ik ben met de Toezichtsraad van mening dat over de ICT-projecten van ministeries zoveel mogelijk eenduidig geadviseerd moet worden, onverlet de eigen verantwoordelijkheid en rol van bijvoorbeeld de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk. Ik zal hierover in overleg treden met de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer.

Ten aanzien van het al dan niet tijdelijke karakter van het BIT wil ik het volgende opmerken. Het vorige kabinet heeft er in zijn reactie op het Eindrapport van de Tijdelijke commissie ICT-projecten voor gekozen het BIT vooralsnog als tijdelijke voorziening in te richten. Inzet daarbij was het BIT binnen een periode van vijf jaar overbodig te maken, door binnen deze periode het CIO-stelsel verder te versterken. Ook dit kabinet hecht er aan om falende ICT-projecten en verspilling van belastinggeld te voorkomen. In het Regeerakkoord is daarom vastgelegd dat grote ICT-projecten standaard getoetst zullen worden door het BIT. Ik vind het nu nog te vroeg om te concluderen dat het BIT een structurele basis zou moeten krijgen. Ik ben voornemens om na de tweede evaluatie en eindevaluatie van het BIT, die respectievelijk in de tweede helft van 2018 en in 2020 zal worden uitgevoerd, hierover een besluit te nemen.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl