Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 december 2017
In het Instellingsbesluit voor het Bureau ICT-toetsing (Stcrt. 2015, nr. 21178) (BIT) is vastgelegd dat de Toezichtsraad BIT periodiek aan mij rapporteert vanuit
zijn rol om toezicht te houden op de kwaliteit, onafhankelijkheid en effectiviteit
van het BIT. Mijn ambtsvoorganger heeft in antwoord op vragen van de Commissie Wonen
en Rijksdienst (Kamerstukken 26 643 en 33 326, nr. 367) toegezegd uw Kamer over deze rapportages te informeren. Ik doe u hierbij de rapportage
van de Toezichtsraad over het eerste halfjaar van 2017 toekomen1.
De Toezichtsraad constateert in haar rapportage dat het BIT in het tweede jaar van
zijn functioneren een snelle en resultaatgerichte ontwikkeling laat zien. De samenwerking
met het BIT wordt als open en constructief ervaren.
De Toezichtsraad benoemt in haar rapportage een aantal bevindingen en opmerkingen,
waarvan ik de belangrijkste hier noem:
-
1. Teneinde de positie van het BIT alsook het begrip voor het werk en de uitkomsten van
zijn onderzoeken te vergroten, heeft het BIT technische briefings, cursussen en bijeenkomsten
verzorgd en het netwerk met andere toezichthouders en belanghebbenden verstevigd.
Gelet op de snelle ontwikkelingen in de ICT acht de Toezichtsraad een dergelijke focus
en informatieve aanpak van groot belang.
-
2. Het is wenselijk om de personele invulling van het BIT nader te bezien, mede gelet
op de niet aflatende ontwikkelingen in de ICT.
-
3. In de beoordeling van een ICT-project in uitvoering, nadat het BIT zijn advies heeft
uitgebracht, is het van belang dat andere organisaties zoals de Algemene bestuursdienst,
Algemene Rekenkamer of Accountantsdienst Rijk bij hun beoordeling soortgelijke criteria
hanteren als het BIT. Gesuggereerd wordt het instellen van een periodiek overleg tussen
de verschillende diensten.
-
4. Een aanvang moet worden gemaakt met een evaluatie van het BIT gericht op een langduriger
bestaan van het BIT als instelling. Indien de toekomst van het BIT onduidelijk blijft
zal het met het voortschrijden van de tijd steeds moeilijker worden om nieuwe deskundigen
aan het BIT te binden voor het uitvoeren van onderzoeken. Daarbij is het van groot
belang dat het BIT als organisatie een onafhankelijke bestuurlijke positie kan blijven
innemen.
Ten aanzien van de door de door Toezichtsraad gesignaleerde aandachtspunten merk ik
het volgende op.
Bij de eerste formele evaluatie van het BIT eind 2016 (Kamerstuk 26 643, nr. 424) is onder meer vastgesteld dat de op leren gerichte werking van het BIT voor departementen
in het eerste jaar nog beperkt was. De toenmalige Minister voor Wonen en Rijksdienst
heeft in zijn reactie daarop aangegeven dat het BIT zich, in het kader van de versterking
van het CIO-stelsel, meer zou gaan richten op kennisoverdracht aan de departementale
CIO’s en hun staven. Ik ben blij dat de Toezichtsraad constateert dat het BIT hieraan
nu invulling geeft en ik onderschrijf het belang dat de Toezichtsraad hier aan hecht.
Ten aanzien van de personele invulling van het BIT zijn inmiddels maatregelen genomen,
zoals de Toezichtsraad ook aangeeft in haar rapportage. Het aantal vaste formatieplaatsen
van het BIT is inmiddels uitgebreid van vijf naar twaalf, in plaats van een grote
flexibele schil.
Ik ben met de Toezichtsraad van mening dat over de ICT-projecten van ministeries zoveel
mogelijk eenduidig geadviseerd moet worden, onverlet de eigen verantwoordelijkheid
en rol van bijvoorbeeld de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk. Ik zal hierover
in overleg treden met de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer.
Ten aanzien van het al dan niet tijdelijke karakter van het BIT wil ik het volgende
opmerken. Het vorige kabinet heeft er in zijn reactie op het Eindrapport van de Tijdelijke
commissie ICT-projecten voor gekozen het BIT vooralsnog als tijdelijke voorziening
in te richten. Inzet daarbij was het BIT binnen een periode van vijf jaar overbodig
te maken, door binnen deze periode het CIO-stelsel verder te versterken. Ook dit kabinet
hecht er aan om falende ICT-projecten en verspilling van belastinggeld te voorkomen.
In het Regeerakkoord is daarom vastgelegd dat grote ICT-projecten standaard getoetst
zullen worden door het BIT. Ik vind het nu nog te vroeg om te concluderen dat het
BIT een structurele basis zou moeten krijgen. Ik ben voornemens om na de tweede evaluatie
en eindevaluatie van het BIT, die respectievelijk in de tweede helft van 2018 en in
2020 zal worden uitgevoerd, hierover een besluit te nemen.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
R.W. Knops