Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202026485 nr. 319

26 485 Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Nr. 319 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 november 2019

Hierbij ontvangt u de evaluatie «Mind the governance gap, map the chain. Evaluation of the Dutch government’s policy on international responsible business conduct (2012–2018)»1 van de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. IOB heeft het IMVO-beleid van de Nederlandse overheid tussen 2012 en 2018 geëvalueerd. De evaluatie vormt een bouwsteen voor de beleidsdoorlichting van artikel 1 (duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen) van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS). De doorlichting van artikel 1 is voorzien in 2020. De reactie in deze brief volgt de aanbevelingen van IOB die in de samenvatting zijn geordend langs negen hoofdthema’s.

In het regeerakkoord «Vertrouwen in de Toekomst» (Kamerstuk 34 700, nr. 34) is afgesproken dat de IMVO-convenanten worden voortgezet en dat na twee jaar wordt bezien of, en zo ja welke, dwingende maatregelen genomen kunnen worden. Zoals toegelicht per Kamerbrief van 11 juni 2019 (Kamerstuk 26 485, nr. 308), is het project «IMVO-maatregelen in perspectief» naar aanleiding van deze afspraak gestart. Een groot aantal van de uitkomsten en aanbevelingen uit de IOB-evaluatie is relevant voor dit project en zal daarin dan ook meegenomen worden.

Uw Kamer is per brief (Kamerstuk 26 485, nr. 317) geïnformeerd dat de afronding van een voorstel op hoofdlijnen voor het IMVO-beleid in de zomer van 2020 zal plaatsvinden, waarbij dit voorstel ook zal worden voorgelegd aan de IMVO-commissie van de Sociaal economische Raad (SER). Presentatie van de hoofdlijnen van het IMVO-beleid is voorzien voorafgaand aan de behandeling van de begroting voor BHOS 2021.

Naleving OESO-richtlijnen

IOB concludeert dat de overheid veel werk heeft verzet om de bekendheid en naleving van de richtlijnen te vergroten. Dit gebeurde echter zonder een nulmeting voor dit beleid vast te stellen, waardoor de effectiviteit ervan niet goed gemeten kon worden. IOB beveelt aan om de onderschrijving van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) beter te monitoren, zeker onder grote bedrijven in de hoog-risicosectoren. Hoewel er geen nulmeting is voor het gehele beleid, zijn die metingen er op onderdelen wel. IOB beveelt aan om de uitgevoerde nulmetingen van de IMVO-convenanten en andere instrumenten te verzamelen. Het kabinet neemt de aanbeveling ter harte. In 2013 publiceerde het kabinet de beleidsbrief Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen loont (Kamerstuk 26 485, nr. 164). Hierin werd de ambitie uitgesproken dat 90 procent van de grote bedrijven in Nederland de OESO-richtlijnen expliciet onderschrijft als referentiekader voor hun internationale activiteiten. In de Kamerbrief van 2 juli 2018 (Kamerstuk 26 485, nr. 291) geeft het kabinet aan deze ambitie in 2023 gerealiseerd te willen zien. Om te bepalen of bedrijven de goede kant op gaan, worden over 2018 en 2020 reeds tussentijdse metingen uitgevoerd. Ook binnen de IMVO-convenanten worden nulmetingen uitgevoerd om de voortgang te kunnen monitoren. Binnen het project IMVO-maatregelen in perspectief wordt aandacht besteed aan het vraagstuk van monitoring binnen de doordachte mix van maatregelen ter bevordering van IMVO.

Verankering in wetgeving

IOB geeft aan dat er op dit moment te weinig bekend is over de effectiviteit en efficiëntie van wetgevende maatregelen. Hetzelfde geldt voor vrijwillige maatregelen. Om deze reden beveelt IOB aan om nieuwe dwingende maatregelen zoals de EU-conflictmineralenverordening en de Wet Zorgplicht Kinderarbeid goed te monitoren. Het kabinet is het met deze aanbeveling eens. Voor de EU-conflictmineralenverordening wordt een toezichthouder aangesteld. De Europese Commissie zal de verordening evalueren in 2023. Voor de Wet Zorgplicht Kinderarbeid moet het toezicht nog in een algemene maatregel van bestuur worden vastgelegd.

Ook neemt het kabinet de aanbeveling over om zich te blijven informeren over wetgevende initiatieven in andere landen. Er is al tot diverse onderzoeken opdracht gegeven, zoals Strategies for Responsible Business Conduct, uitgevoerd door PWC2. Ook is er regelmatig contact met andere landen om geïnformeerd te blijven over initiatieven elders.

IMVO-convenanten

De overheid heeft zich, samen met andere partijen, ingespannen om IMVO-convenanten af te sluiten in sectoren met hoge MVO-risico’s. De IMVO-convenanten moeten volgens de aanbeveling van IOB in lijn zijn met de OESO-richtlijnen, UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s), de OESO Due Diligence Handreiking en het SER-advies IMVO-convenanten. De IMVO-convenanten moeten zich volgens IOB richten op het stimuleren en mogelijk maken van maatschappelijk verantwoord ondernemen via gepaste zorgvuldigheid in mondiale waardeketens en op het verbeteren van toegang tot herstel. Ook behoren de verwachtingen en criteria vanuit de overheid ten aanzien van de IMVO-convenanten volgens IOB duidelijker gedefinieerd te worden. Het kabinet onderschrijft deze aanbevelingen. In lijn met het SER-advies blijven de IMVO-convenanten wel maatwerk, wat betekent dat de afspraken in ieder convenant worden vormgegeven op een manier die het beste past bij de sector. De OESO Due Diligence Handreiking is op 31 mei 2018 aangenomen en verwerkt in de convenanten die zich op dat moment nog in de beginfase bevonden.

IOB geeft aan dat met het oog op efficiëntie de voorkeur gegeven moet worden aan de SER als secretariaat voor de totstandkoming en implementatie van nieuwe IMVO-convenanten. Het kabinet neemt deze aanbeveling niet over. De keuze voor een secretariaat van een IMVO-convenant is maatwerk en moet aansluiten bij de behoeften van de sector, bijvoorbeeld als een IMVO-convenant voortbouwt op een bestaand sectorinitiatief. Zoals het IMVO-convenant van de sierteeltsector dat voortbouwt op het bestaande Floriculture Sustainability Initiative (FSI).

IOB beveelt aan om IMVO-standaarden en -initiatieven in hoog-risicosectoren zonder convenant kritisch te onderzoeken, om te bezien of deze voldoende gepaste zorgvuldigheid in mondiale waardeketens stimuleren. IOB is tevens van mening dat er meer aandacht gegeven moet worden aan de internationale opschaling van de IMVO-convenanten. Dit najaar is gestart met de evaluatie van de IMVO-convenanten. Daarin worden beide aspecten meegenomen.

Om bedrijven te bewegen deel te nemen aan IMVO-convenanten, zou de overheid volgens IOB sterkere prikkels moeten introduceren, door koplopers te belonen en achterblijvers aan te pakken. Deze aanbeveling zal binnen het project «IMVO-maatregelen in perspectief» worden geadresseerd. Vermeldenswaardig in dit verband is bovendien dat rijksbreed wordt gewerkt aan maatschappelijk verantwoord inkoopbeleid, waarbij ook via het IMVO-convenant van de natuursteensector (initiatief TruStone) de inkoopkracht van de decentrale overheden wordt gemobiliseerd.

Bedrijfsleveninstrumenten

IOB concludeert dat de strategie van de overheid om MVO-kaders te ontwikkelen voor alle bedrijfsleveninstrumenten effectief is gebleken. IOB beveelt aan om te komen met een algemeen IMVO-kader voor het gehele internationale bedrijfsleveninstrumentarium, aangevuld met maatwerk IMVO-kaders van de uitvoerders (Atradius Dutch State Business, FMO en RVO). In de Kamerbrief Internationaal financieren in perspectief van 14 februari 2019 (Kamerstuk 34 952, nr. 44) staat dat het kabinet van alle Nederlandse bedrijven verwacht dat zij, ongeacht of ze steun krijgen vanuit de Nederlandse overheid, de OESO-richtlijnen onderschrijven en naleven bij het uitvoeren van hun internationale activiteiten. Dit is een voorwaarde wanneer bedrijven gebruik willen maken van het internationaal bedrijfsleveninstrumentarium uit de begroting van BHOS. Hierbij wordt rekening gehouden met het karakter van de regeling, het project en de omvang van de financiering of verzekering, proportioneel aan de IMVO-risico’s.

De uitwisseling van kennis, ervaringen en goede voorbeelden tussen de uitvoerders zou volgens IOB gestimuleerd moeten worden. Het kabinet onderschrijft dit; er worden stappen gezet om de samenwerking tussen Atradius DSB, RVO en FMO te intensiveren. Gezien de diversiteit van het instrumentarium wordt ervoor gekozen om deze uitwisseling te laten plaatsvinden tussen vergelijkbare instrumenten. Ook hebben Atradius DSB en FMO regelmatig contact met exportkrediet verzekeraars en ontwikkelingsbanken uit andere landen om internationale ontwikkelingen en best practices uit te wisselen.

Volgens IOB mag van uitvoerende organisaties verwacht worden dat ze zichzelf intern beoordelen op de toepassing van de IMVO-kaders. Een interne zelfbeoordeling over de implementatie van de IMVO-raamwerken is staand beleid bij de uitvoeringsorganisaties.

Voorts beveelt IOB aan om de verplichting te introduceren dat MVO-kaders de toegang tot herstel (voor getroffen rechthebbenden) moeten faciliteren, bijvoorbeeld via een klachtenmechanisme op bedrijfsniveau en/of projectniveau; dit laatste met name voor grotere projecten. Het kabinet past deze aanbevelingen van IOB grotendeels al toe. Proportionaliteit is hierbij van belang omdat er vaak door het MKB gebruik wordt gemaakt van de instrumenten. Atradius DSB en FMO hebben een klachtenmechanisme ingesteld. RVO zal worden gevraagd om ook expliciet aandacht te besteden aan stap zes (toegang tot herstel) van de OESO-richtlijnen binnen het IMVO-uitvoeringsbeleid.

IOB suggereert om bij IMVO-kaders de risicobenadering (do no harm) te combineren met een benadering gericht op kansen en het toevoegen van waarde (do good). IOB suggereert dit te doen door een koppeling te maken met zowel de OESO-richtlijnen als de Sustainable Development Goals (SDG’s). In de Kamerbrief Internationaal financieren in perspectief van 14 februari 2019 (Kamerstuk 34 952, nr. 44) staat beschreven hoe wordt ingezet op het mobiliseren van kennis, kunde en kapitaal van de private sector voor het behalen van de SDG’s via het bedrijfsleveninstrumentarium. In de IMVO-kaders is de risicobenadering vastgelegd via de toepassing van gepaste zorgvuldigheid.

Er zou volgens IOB bij het bedrijfsleveninstrumentarium onderscheid gemaakt moeten worden tussen IMVO als voorwaarde en IMVO als doelstelling. Dit is staand beleid, in de IMVO-kaders van de verschillende uitvoerders zijn de IMVO-voorwaarden vastgelegd. De doelstellingen verschillen echter. Sommige instrumenten zoals het Fonds Bestrijding Kinderarbeid en het Fonds Verantwoord Ondernemen zijn specifiek gericht op het bevorderen van IMVO. Andere instrumenten kennen IMVO als voorwaarde, maar zijn gericht op het verzekeren van risico’s bij export naar, en investeringen in het buitenland of investeren in ontwikkelingslanden en opkomende markten.

Tenslotte beveelt IOB aan dat ervoor gezorgd wordt dat alle uitvoerende organisaties hun IMVO-kaders transparant en online beschikbaar maken. De IMVO-raamwerken van Atradius DSB en FMO zijn transparant en publiek toegankelijk. Een overzicht van het IMVO-uitvoeringsbeleid van RVO zal uiterlijk het eerste kwartaal 2020 publiekelijk beschikbaar zijn.

Inkopen door de overheid

IOB geeft aan dat de overheid haar ambitie op het gebied van maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI) de afgelopen jaren heeft verhoogd. IOB beveelt aan om de toepassing van internationale sociale voorwaarden (ISV) te verbeteren door ze verplicht te stellen voor meer productcategorieën met hoge MVO-risico’s en ze ook voor te schrijven als gunningscriteria bij aanbestedingen. Dit is staand beleid. De aanbeveling wordt bovendien deels overgenomen in de Inkoopstrategie rijksoverheid, waarin acht high impact inkooppakketten zijn gedefinieerd met daarin de verwachte mate van ISV-impact. Er lopen pilots om te onderzoeken of, en hoe ISV kan worden meegenomen in de gunning, bijvoorbeeld binnen de inkooppakketten ICT en natuursteen. U ontving de kamerbrief over de Inkoopstrategie voor duurzaam, sociaal en innovatief opdrachtgeverschap door de rijksoverheid op 28 oktober 2019; de inhoud sluit aan op de aanbevelingen van IOB.

Ook moet volgens IOB gezorgd worden dat product-specifieke inkoopbeleidskaders en plannen coherent zijn met (internationale) sectorinitiatieven zoals de IMVO-sectorconvenanten, en dat deelname zo mogelijk beloond wordt. Het kabinet is het eens met deze aanbeveling. Er vindt inmiddels al uitwisseling plaats tussen IMVO-convenanten en Inkoop om ervaringen te delen. Het deelnemen aan een sectorinitiatief (bijvoorbeeld een IMVO-convenant) kan, in bepaalde gevallen, voor een leverancier gelden als onderbouwing van het voldoen aan de ISV-eisen die worden gesteld.

IOB beveelt aan om het gebruik van categoriemanagement door de rijksoverheid, inclusief de ontwikkeling van de categorieplannen door te zetten en ervoor te zorgen dat categorieplannen regelmatig worden aangepast. Ook moet er voldoende aandacht besteed worden aan sociale en milieuomstandigheden in internationale waardeketens. Deze aanbeveling is staand beleid en wordt herbevestigd in de Inkoopstrategie rijksoverheid.

Alle onderdelen van de centrale overheid zouden volgens IOB verplicht moeten worden om een MVI-actieplan te ontwikkelen en te publiceren, met daarbij aandacht voor de toepassing van ISV. Deze aanbeveling sluit aan bij het staand beleid onder het Plan van Aanpak MVI 2015–2020. Dit wordt herbevestigd en opnieuw uitgewerkt in de Inkoopstrategie rijksoverheid.

Verder beveelt IOB aan om het debat in de EU te heropenen over de inkooprichtlijnen, met als doel om meer mogelijkheden te creëren voor verplichte MVO-criteria. Het kabinet onderschrijft het streven om zoveel mogelijk samen op te trekken, vooral wanneer een sector marktpartijen kent die in verschillende lidstaten inschrijven. Daarvoor zou steun vanuit EU-lidstaten voor pilots wenselijk zijn.

Internationale initiatieven

IOB geeft aan dat de overheid moet blijven investeren in relevante en (mogelijk) effectieve multistakeholder-initiatieven. Ook moet er gezorgd worden voor (informeel) overleg en afstemming op sectorniveau en moeten daarbij relevante partijen zoals ambassades, andere ministeries en de SER, betrokken worden. De monitoring en evaluatie van regulerende en niet-regulerende MVO-instrumenten kan verbeterd worden door samen te werken met internationale organisaties, maatschappelijke organisaties, bedrijvenplatforms en overheden van gelijkgestemde landen.

Deelname aan relevante multistakeholder-initiatieven, en overleg en afstemming op sectorniveau is en blijft een prioriteit voor het kabinet. Er wordt actief overlegd, en samenwerking en afstemming gezocht tussen nationale en internationale sectorinitiatieven. Ook wordt er samengewerkt met maatschappelijke organisaties, bedrijvenplatforms en overheden van gelijkgestemde landen. Zo werkt het Duurzame Kleding en Textielconvenant samen met de Duitse Bündnis für nachthaltige Textilien en met het Open Apparel Registry. Tevens is het IMVO-convenant natuursteen (initiatief TruStone) ondertekend door de Vlaamse overheid. Het Ministerie van Buitenlandse zaken steunt projecten en programma's van de International Labor Organisation (ILO), zoals het Better Work programma in de textielsector en het ILO Wage project rond de bevordering van leefbaar loon.

Ambassades

IOB concludeert dat de Nederlandse ambassades een bijdrage hebben geleverd aan toegenomen bewustwording van MVO-risico’s bij (Nederlandse en lokale) bedrijven, maar ook bij andere partijen zoals (lokale) overheden, vakbonden, ngo’s en bedrijvenplatforms. IOB beveelt aan om ambassades in landen met hoge MVO-risico’s en intensieve handelsrelaties met Nederland te verplichten om een MVO-strategie te ontwikkelen. Ook zou in de richtlijnen voor ambassades duidelijker gedefinieerd moeten worden welke activiteiten verplicht zijn en welke optioneel. IOB beveelt aan om ambassades te stimuleren om onderzoek naar lokale MVO-risico’s te gebruiken als basis voor hun strategie en te bepalen of er behoefte is aan medewerkers die gespecialiseerd zijn in IMVO. De IMVO-richtlijnen voor alle ambassades zijn aangescherpt. Met deze aanscherping wordt uitvoering gegeven aan de motie van de leden Diks en Van den Hul (Kamerstuk 35 000 XVII, nr. 34). Bij deze herziening zijn bovenstaande aanbevelingen van IOB meegenomen.

IOB stelt dat de afstemming tussen centraal en decentraal ontwikkelde, gefinancierde en uitgevoerde IMVO-interventies verbeterd moet worden. Het kabinet neemt deze aanbeveling ook mee in de herziening van de IMVO-richtlijnen.

Ook beveelt IOB aan dat ambassades gestimuleerd worden om proactief contact op te nemen met Nederlandse bedrijven en investeerders die zelf geen toenadering zoeken en dat er beter gebruik gemaakt wordt van beschikbare informatie over bedrijven. Deze aanbeveling wordt niet overgenomen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om hun gepaste zorgvuldigheid op orde te hebben als zij in andere landen actief zijn. Zij kunnen de ambassades hierbij vragen om ondersteuning. Om het Nederlandse NCP beter onder de aandacht te brengen bij lokale stakeholders beveelt IOB aan om beter gebruik te maken van de ambassades. Ook zouden de ambassades IMVO gerelateerde klachten door moeten verwijzen naar het NCP. Ook deze aanbeveling is meegenomen in herziening van de IMVO-richtlijnen.

IOB beveelt aan dat ambassades ervoor zorgdragen dat zij voldoende toegang houden tot flexibele budgetten voor communicatie-activiteiten met een MVO-thema. Voor de landen met hoge MVO-risico’s en met intensieve handelsrelaties met Nederland is het belangrijk dat zij actief communiceren over IMVO. Dit is meegenomen in genoemde herziening.

Beleidscoherentie en impact

IOB stelt dat de impact van het Nederlandse IMVO-beleid op het terugdringen van MVO-risico’s en het verbeteren van toegang tot herstel op landenniveau sterk samenhangt met de coherentie tussen beleidsinstrumenten. IOB beveelt aan om te zorgen voor een betere afstemming tussen Nederland, de EU en andere donoren, zodat de invloed op overheden van productielanden toeneemt (verbeterde hefboomwerking). De overheid moet inzetten op verbeteringen van de lokale omstandigheden voor MVO en een gelijker speelveld voor bedrijven. Dit is staand beleid. Er wordt op diverse manieren samenwerking gezocht met andere EU-lidstaten en donoren om verbetering te bewerkstellingen van de situatie in productielanden.

Ter verbetering van de lokale omstandigheden voor MVO voert het kabinet beleid om met lokale overheden, producenten en boeren te werken aan de verbetering van de wijze waarop geproduceerd wordt. Dit gebeurt via organisaties zoals de ILO, het vakbonds-medefinancieringsprogramma, Initiatief Duurzame Handel, Solidaridad en Fair Wear. Dit valt echter buiten de scope van het onderzoek zoals door IOB afgebakend.

Beleidstheorie en terminologie

IOB concludeert dat doelstellingen van het MVO-beleid soms conflicteren met andere beleidsdoelen, zoals het stimuleren van handel en het genereren van belastinginkomsten. IOB beveelt aan om een overkoepelende beleidstheorie voor het Nederlandse MVO-beleid en aparte beleidstheorieën voor onderdelen van het beleid te ontwikkelen. Deze aanbeveling wordt overgenomen en zal bij de ontwikkeling van de hoofdlijnen van het nieuwe IMVO-beleid worden uitgewerkt.

Voor ISV is monitoring en evaluatie al staand beleid. RIVM heeft een relatief eenvoudige methode ontwikkeld om de effecten van MVI waar mogelijk in kaart te brengen op landelijke schaal met behulp van gewogen steekproeven. Ook de MVI-zelfevaluatietool (ZET) van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is een belangrijk instrument voor het monitoren op het toepassen van MVI-criteria, waaronder ISV. De MVI ZET is halverwege 2018 breed beschikbaar gekomen en wordt door steeds meer overheidsorganisaties gebruikt.

IOB stelt dat regulerende en niet-regulerende initiatieven beschouwd moeten worden als complementaire en elkaar versterkende paden naar gewenste beleidsdoelen. In dat verband is een aanbeveling om meer onderzoek te doen naar de motieven van bedrijven voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en de factoren die daarbij een rol spelen. Daarnaast stelt IOB dat er een slimme beleidsmix ontwikkeld moet worden, met positieve en negatieve prikkels (carrots and sticks) die zich richten op verschillende typen bedrijven (koplopers, peloton, achterblijvers). Het kabinet is het eens met deze aanbevelingen en zal bij het ontwikkelen van nieuw IMVO-beleid meenemen hoe vrijwillige en dwingende maatregelen zich tot elkaar verhouden en welke motieven bedrijven hebben om maatschappelijk verantwoord te ondernemen.

Er wordt aanbevolen om niet langer onderscheid te maken tussen internationaal en nationaal MVO, om de SDG’s te integreren in de beleidstheorieën en om bij internationale communicatie de term Responsible Business Conduct (RBC) te gebruiken. Op verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de SER een advies uitgebracht over hoe verschillende IMVO-initiatieven en de SDG’s elkaar kunnen versterken. Dit advies wordt meegenomen bij de ontwikkeling van nieuw IMVO-beleid. Bij internationale communicatie wordt de term Responsible Business Conduct al gehanteerd.

IOB beveelt ook aan dat ISV vervangen wordt door internationale ketenvoorwaarden (IKV) en dat er gezorgd moet worden voor een consistente toepassing van het ketenperspectief in het bredere MVI-beleid. Voor MVI is het staand beleid om dit meer in lijn te brengen met de OESO-richtlijnen en de ketenaanpak. Voor een overkoepelende Rijksvisie op MVI bestaat de Inkoopstrategie rijksoverheid. Wat betreft specifieke terminologie moet zeer zorgvuldig bezien worden welke aanpassing zinvol is in de praktijk.

IOB beveelt verder aan om proportionaliteit te handhaven als leidend beginsel voor gepaste zorgvuldigheid door (sectoren met) de hoogste risico’s aan te pakken en door te streven naar meer betrokkenheid en continue verbetering. Ook stelt IOB dat een aanpak waarbij slechts één risico centraal staat voorkomen moet worden. Voor het IMVO-beleid zijn en blijven de OESO-richtlijnen en UNGP’s het uitgangspunt. Gepaste zorgvuldigheid in lijn met deze richtlijnen en principes bevat het element prioritering, wat betekent dat het bedrijf de risico’s voor mens en milieu in kaart moet brengen en de meest ernstige schendingen in zijn aanpak moet prioriteren.

Tevens beveelt IOB aan dat er aandacht besteed wordt aan handhaving van wet- en regelgeving ten aanzien van corruptie, belastingontduiking en grensoverschrijdende milieucriminaliteit. Dit gebeurt al op verschillende manieren. Corruptie is strafbaar voor de Nederlandse wet, het OESO anti-omkopingsverdrag en het VN Verdrag tegen corruptie vormen hiervoor de basis. Nederland kent kundige rechtshandhavingsinstanties die belast zijn met de handhaving van corruptie. Bestrijding van belastingontduiking is een overheidstaak, primair voor de overheden in de landen waar de belastingontduiking plaatsvindt. Om overheden in ontwikkelingslanden te ondersteunen stelt het Ministerie van Buitenlandse Zaken middelen voor technische assistentie beschikbaar.

Tenslotte beveelt IOB aan om een interdepartementaal coördinatiemechanisme of -orgaan te creëren dat de ontwikkeling en implementatie van het MVO-beleid aanstuurt en regelmatig het parlement informeert. Deze aanbeveling wordt niet overgenomen. Het MVO-beleid is belegd bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het IMVO-beleid is belegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Uw Kamer wordt door de verantwoordelijke bewindspersoon geïnformeerd over de ontwikkeling en uitvoering van het MVO- en het IMVO-beleid. Voor de coördinatie wordt het bestaande interdepartementale afstemmingsmechanisme voortgezet.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.A.M. Kaag


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

PWC «Strategies for Responsible Business Conduct», december 2018.