Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201524587 nr. 608

24 587 Justitiële Inrichtingen

Nr. 608 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 24 november 2014

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over de brief van 19 september 2014 over de personele gevolgen van de definitieve cijfers in het kader van het Prognose Model Justitiële ketens (PMJ) en de aanvullende besparingsmaatregelen bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) (Kamerstuk 24 587, nr. 603) en over het feit dat het wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van Strafrecht in verband met de herijking van de wijze van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie (Kamerstuk 33 745) in de Eerste Kamer is verworpen.

De vragen en opmerkingen zijn op 9 oktober 2014 aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie voorgelegd. Bij brief van 21 november 2014 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Jadnanansing

De griffier van de commissie, Hessing-Puts

Inhoudsopgave

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II.

Reactie van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

7

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie vragen of de staatsecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de Staatssecretaris) inzichtelijk kan maken hoe hij het niet doorgaan van het wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van Strafrecht in verband met de herijking van de wijze van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie (Kamerstuk 33 745) (hierna: wetsvoorstel elektronische detentie) opvangt in de begroting.

Deze leden vragen wat de staatsecretaris verwacht ten aanzien van het van werk naar werk begeleiden van overtollig geraakt personeel.

Inbreng van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief. Uit de PMJ-ramingen blijkt dat er ten opzichte van het Masterplan DJI nog steeds een capaciteitsoverschot bestaat van 700 plaatsen. Dat zou betekenen dat er nog eens 180 fte moet verdwijnen. Om hoeveel personeelsleden gaat het? Voornoemde leden vragen in hoeverre deze personeelsleden onder het programma van-werk-naar-werk vallen zoals is afgesproken bij het Masterplan DJI.

De regering doet voorstellen om dit capaciteitsoverschot op te lossen. Allereerst wordt voorgesteld 300 intramurale plaatsen om te zetten in reservecapaciteit. Over hoeveel reservecapaciteit beschikt DJI dan? Ten tweede verlaagt de Staatssecretaris de taakstelling voor elektronische detentie naar 400 plaatsen op jaarbasis. In hoeverre heeft het feit dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel elektronische detentie heeft verworpen invloed op de raming zoals in de brief is besproken? Betekent dit dat er minder banen zullen verdwijnen omdat personeel ingezet moet worden voor de detentiefasering? Om hoeveel fte gaat het? Wat zijn de financiële gevolgen voor de begroting van 2015 vanwege het niet doorgaan van het wetsvoorstel elektronische detentie? Hoeveel cellen zullen er openblijven als gevolg van het verwerpen van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer?

Kan de regering de Kamer op de hoogte houden over de onderhandelingen met de Noren?

De burgemeester van Amsterdam heeft op 3 oktober 2014 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris. Aan het eind van de brief roept de burgemeester op tot een (voortgezet) gesprek met de staatsecretaris. Gaat de Staatssecretaris in op dat verzoek?

Inbreng van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie constateren dat de personeelsbezetting conform het afbraakplan tot en met 2018 met 2.000 fte moet dalen. Dat komt in totaal neer op 2.700 fte als de 700 extra fte wordt meegenomen uit voorgaande reorganisaties. Op welke reorganisaties doelt de Staatssecretaris en hoe lang zijn deze al aan de gang? Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het verschil met de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2015 waaruit blijkt dat de bezetting tot en met 2018 met ruim 2.500 fte zal afnemen? (begroting Ministerie van Veiligheid en Justitie 2015, Kamerstuk 34 000-VI, nr. 2, pagina 92)

Voornoemde leden constateren dat er nog eens in totaal 920 fte extra zal verdwijnen, bovenop de hiervoor genoemde 2.700 fte. Over welke periode gaat het dan? Betekent dit dat de personeelsbezetting tot en met 2018 met 3.620 fte zal moeten afnemen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan precies uitleggen hoeveel fte er de komende jaren gaan verdwijnen? Kan dit per jaar worden uitgesplitst en toegelicht hoe de Staatssecretaris denkt dit te gaan realiseren? Kan er bij de cijfermatige toelichting worden aangegeven om hoeveel banen het elk jaar gaat? Zal er voor deze mensen ook een van-werk-naar-werk-beleid komen? Wanneer krijgt het personeel over dit alles duidelijkheid? Deze leden zijn ook benieuwd of de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2015 zal worden aangepast naar aanleiding van al deze wijzigingen. Kan voorts een overzicht worden gegeven van de omvang van de werklast van DJI-medewerkers, waaronder in ieder geval penitentiair inrichting werkers (PIW’ers), over de laatste vijf jaar? Is deze groter of juist kleiner geworden door de bezuinigingen? Zijn er functies vervallen en zijn er functies samengevoegd? Wat waren hierdoor de gevolgen voor de taakomschrijvingen? Zijn deze uitgebreid? Graag ontvangen deze leden hierop een toelichting.

Het valt de leden van de SP-fractie op dat wordt gesteld dat de extra maatregelen niet leiden tot additionele sluitingen van inrichtingen. Betekent dit dat wel rekening moet worden gehouden met krimpende instellingen? Zo ja, om welke inrichtingen gaat het dan en/of wanneer hoort het personeel hier meer over? Wat gaat er gebeuren met de (zeer) beperkt beveiligde inrichtingen ((Z)BBI’s)?

Voornoemde leden zijn benieuwd naar de stand van zaken van de besprekingen met de Noorse regering. Is al bekend waar de Noorse gedetineerden gehuisvest zullen worden? Hoe zal hun resocialisatie gewaarborgd zijn? In hoeverre zal er gebruik gemaakt kunnen worden van de expertise van de medewerkers van de penitentiaire inrichting (PI) Tilburg? Is inmiddels duidelijk wat er met de PI Tilburg gaat gebeuren, waarmee België tot 1 januari 2016 een contract heeft? Is al bekend of dit contract zal worden verlengd tot 2018? Zo nee, wanneer wordt hier duidelijkheid over gegeven? In hoeverre mag het personeel van de PI Tilburg gebruik maken van het van-werk-naar-werk-beleid? Zal de PI sluiten, krimpen of houdt deze de huidige personele bezetting? Hoe zullen dan de mobiliteitskosten van de PI Tilburg opgevangen worden aangezien deze niet zijn meegenomen bij de personele frictiekosten in het afbraakplan(Aangepast Masterplan DJI 2013–2018, Kamerstuk 24 587. Nr. 535, pagina 32) Wanneer krijgt het personeel duidelijkheid over de toekomst van deze PI? Erkent de Staatssecretaris dat zolang die duidelijkheid er niet is, dit tot onrust bij het personeel kan leiden en deskundige medewerkers het zekere voor het onzekere nemen en zelf besluiten weg te gaan? Op welke manier wordt dan nog de kwaliteit gewaarborgd om te voorkomen dat België het contract niet verlengt of zelfs opzegt?

De aan het woord zijnde leden vinden het positief dat er volop wordt gekeken naar ander werk buiten DJI. Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel beschikbare plekken er zijn en nog zijn bij respectievelijk de Rijks Beveiligings Organisatie, Reclassering Nederland, Douane en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)? Hoeveel werkplekken zijn er beschikbaar bij de nationale politie? Is bekend hoeveel DJI-medewerkers een opleiding volgen en gaan volgen aan de Politieacademie?

De leden van de SP-fractie vragen of er bij de PI’s voor vrouwen in het uitstroombeleid specifiek rekening is gehouden met de verdeling van vrouwelijke en mannelijke PIW’ers. Dit gezien het feit dat in de vrouweninrichtingen rekening moet worden gehouden met taken waarvan het wenselijk is dat zij enkel uitgevoerd worden door vrouwelijke PIW’ers, zoals visiteren.

Deze leden constateren verder dat de personele bezetting inmiddels is afgenomen met 1.000 fte sinds januari 2013 en ongeveer 200 DJI-medewerkers zijn tijdelijk dan wel structureel werkzaam bij een convenantpartner. Kan worden aangegeven hoeveel van de resterende 800 fte dankzij het van-werk-naar-werk-beleid aan een nieuwe baan zijn geholpen?

Wat is de stand van zaken van het van-werk-naar-werk-beleid? Is al zeker dat dit beleid na januari 2016 stopt? Wat gebeurt er dan met het personeel dat door de extra bezuinigingen na die datum zijn of haar baan verliest? Ziet de Staatssecretaris een mogelijkheid om dit beleid langer door te laten lopen? Zo nee, waarom niet?

Verder zijn deze leden benieuwd naar de manier waarop het van-werk-naar-werk-beleid concreet wordt uitgevoerd. Worden leidinggevenden ook op de hoogte gehouden van de voortgang en de wensen van het personeel? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd naar de consequenties van het feit dat het wetsvoorstel tot invoering van elektronische detentie in de Eerste Kamer verworpen is in het licht van de taakstelling van 400 plaatsen voor elektronische detentie op jaarbasis. Blijft deze taakstelling staan? Welke financiële en personele gevolgen zijn er hierdoor te verwachten? Welke bezuiniging wordt niet gehaald door het verwerpen van dit wetsvoorstel? Waar denkt de Staatssecretaris dit bedrag te halen uit de begroting?

Voornoemde leden vragen of de Staatssecretaris voornemens is te stoppen met alle voorgenomen beslissingen die verband houden met dit wetsvoorstel. Stopt de Staatssecretaris dan ook met het promoveren en degraderen en dus het langer op cel zetten van de meest lastige (en dus gevaarlijke) criminelen? Behoudt de Staatssecretaris de detentiefasering nu het wetsvoorstel is verworpen? Zo ja, op welke wijze? Behoudt de Staatssecretaris dan ook de (Zeer) Beperkt Beveiligde Inrichtingen ((Z)BBI’s) en die nog niet gesloten zijn? Welke inrichtingen zijn dat op dit moment?

De aan het woord zijnde leden vragen of de Staatssecretaris bereid is het recht op arbeid in detentie te behouden nu het wetsvoorstel is verworpen. Aangezien dit een van de bezuinigingen was in het wetsvoorstel vragen deze leden hoe de Staatssecretaris dit anders denkt op te vangen.

Voornoemde leden hebben dezelfde vraag als het gaat om het inperken van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Deze leden zijn van mening dat voorwaarde voor een veilige samenleving is dat een gedetineerde ook moeten leren omgaan en begeleid moet worden in het terugkeren in de maatschappij. Zij zijn daarom erg content dat ook het vervallen van automatisch toegekend verlof en het inperken van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de baan is. Klopt dit? Is de Staatssecretaris nog van plan deze maatregel weer in te voeren? Zo ja, op welke wijze?

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven wat de exacte afname is van de personeelsbezetting die zij beoogt te realiseren. Betreft dat 2.700 of 2.600 fte?1

Deze leden vragen om een terugblik op het wetgevingsproces dat heeft geleid tot het wetsvoorstel tot invoering van elektronische detentie. Hoewel zij begrijpen dat het kan voorkomen dat voorstellen van de regering geen meerderheid behalen in de Eerste Kamer, vragen zij in hoeverre deze verwerping extra problematisch is voor de uitvoering van het regeerakkoord, gezien de belangrijke rol die de elektronische enkelband vervult in het Masterplan DJI. Kan de Staatssecretaris aangeven welke gevolgen de niet-invoering van de enkelband heeft? Deze leden vernemen graag of de afschaffing van het (Z)BBI-regime hiermee van de baan is. Ook zouden zij graag de budgettaire gevolgen vernemen in verband met de daarmee samenhangende bezuiniging. Zij vragen de Staatssecretaris inzichtelijk te maken hoeveel geldelijke middelen er de afgelopen twee jaar zijn besteed aan de totstandkoming van dit wetsvoorstel. Ook vragen zij om een inventarisatie bij ketenpartners hoeveel geldelijke middelen hieraan besteed zijn, in het bijzonder bij de reclassering, DJI en het Openbaar M

De aan het woord zijnde leden vragen naar aanleiding van het eerder gevoerde schriftelijk overleg om een actualisering van de 12.000 veroordeelden die vrij rondlopen, juist met het oog op de maatregelen die de regering heeft genomen (Kamerstuk 24 587, nr. 596, p.21). Met betrekking tot de zogeheten e-mailprisoner vragen voornoemde leden of deze service kostenneutraal zal zijn voor alle penitentiaire inrichtingen (Kamerstuk 24 587, nr. 596, p.29). De leden van de CDA-fractie vragen op welke datum een bijeenkomst wordt gehouden met de vrijhedencommissies van alle PI’s en of de staatsecretaris de Kamer kan informeren over de uitkomsten van deze bijeenkomst, teneinde de Kamer ook op de hoogte te houden van de regionale verschillen in de verhouding tussen gedetineerden in een basis en plusprogramma (Kamerstuk 24 587, nr. 596, p.34). Ten aanzien van de alternatieven voor het huidige stelsel van de volwassenreclassering, vragen deze leden of het juist is dat in september 2014 een (hernieuwde) aanvraag van Info-Excellente voor een reclasseringserkenning is gedaan. Behalve de exacte details en reactie hierop van de Staatssecretaris, vragen deze leden ook of de criteria voor de erkenning nog eens nader uiteengezet kunnen worden in de nog te ontvangen brief over het reclasseringsstelsel. Daarnaast zijn deze leden ook benieuwd naar de wijze waarop de samenwerking tussen de huidige drie reclasseringsorganisaties verloopt en op welke wijze zij betrokken worden bij de herziening van de stelselherziening (Kamerstuk 24 587, nr. 596, p.43).

De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris kan specifiëren met hoeveel fte de benodigde bezetting exact afneemt. Ook vragen deze leden of kan worden aangegeven waarom de benodigde bezetting met 740 fte dient af te nemen. De Staatssecretaris geeft aan dat de oorzaak tweeledig is, te weten de aanvullende besparingsmaatregelen en de afbouw van de huidige overbezetting bij DJI. Zorgen de aanvullende besparingsmaatregelen ook voor extra ontslagen? Zo ja, hoeveel van de 740 fte komt hier uit voort en waarom is dit dan niet benoemd in de betreffende brief voor het zomerreces (Kamerstuk 24 587, nr. 588)? De aan het woord zijnde leden vragen of de Staatssecretaris de voorgenomen maatregelen omtrent extra ontslagen voortaan in een keer volledig kan melden aan de Kamer. Voornoemde leden vragen ook hoe de Staatssecretaris de extra ontslagen werknemers naar een andere baan gaat begeleiden en of hiermee niet nog meer druk komt te staan op de bestaande van-werk-naar-werk trajecten. Deze leden zijn voorts benieuwd naar de overwegingen ten aanzien van de capacitaire maatregelen. Hoe is de regering gekomen tot de verdeling van 300 (omzetten van intramurale plaatsen in reservecapaciteit) en 400 (verlaging taakstelling elektronische detentie)? Had een andere verdeling voor meer behoud van banen kunnen zorgen? Welke alternatieven heeft de regering nog meer overwogen?

De leden van de CDA-fractie vragen binnen welk tijdsbestek de regering meer duidelijkheid kan verschaffen richting de sector en de Kamer over welke personele gevolgen voor DJI de opvang van Noorse gedetineerden heeft.

Inbreng van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de informatie inzake de personele gevolgen van de definitieve cijfers in het kader van het PMJ en de aanvullende besparingsmaatregelen bij DJI. Zij hebben daarover nog enkele vragen.

De Staatssecretaris geeft aan dat personele gevolgen onvermijdelijk zijn om de financiële strop van zestig miljoen euro binnen het gevangeniswezen op te vangen. Klopt het dat er 740 banen extra in het gevangeniswezen zullen verdwijnen?

Voornoemde leden hebben geconstateerd dat het wetsvoorstel tot invoering van elektronische detentie geen meerderheid in de Eerste Kamer heeft gekregen. De Staatssecretaris geeft in zijn brief van 19 september 2014 (Kamerstuk 24 587, nr. 603) echter aan dat hij het ontstane capaciteitsoverschot van 700 plaatsen, ontstaan na juni 2013, wil opvangen door een verlaging van de taakstelling voor elektronische detentie naar 400 plaatsen op jaarbasis. Deze leden willen graag weten hoe de Staatssecretaris dit ontstane gat zal opvangen nu het wetsvoorstel invoering elektronische detentie geen doorgang zal vinden. Zullen nog meer medewerkers binnen het gevangeniswezen hun baan verliezen, bovenop de mogelijke 740 extra ontslagen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dit garanderen? Zullen als gevolg van deze financiële strop nog meer gevangenissen hun deuren moeten sluiten? Zo nee, kan de Staatssecretaris dit garanderen?

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief. Zij stellen vast dat het Masterplan DJI 2013–2018 zoals door de Kamer is behandeld, nadien steeds meer aangepast wordt door de Staatssecretaris. De Staatssecretaris verwijst naar een capaciteitsoverschot ten opzichte van het Masterplan uit juni 2013. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe de PMJ- raming van 2013 zo zeer kan verschillen van de PMJ-raming in 2014? Wat is er afgelopen jaar in het gevangeniswezen gebeurd dat het verschil oploopt tot ruim 700 plaatsen? Was dat geheel niet eerder voorzienbaar? Hoeveel marge op het capaciteitsoverschot blijft per 2015 over voor onvoorziene omstandigheden? Het capaciteitsoverschot noopt tot een aanpassing van de vigerende capaciteitsplanning voor het gevangeniswezen. Hoeveel fte wordt overbodig door het terugbrengen van het capaciteitsoverschot?

De Staatssecretaris verwijst naar elektronische detentie als een van de twee capacitaire maatregelen die hij neemt in 2015. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe elektronische detentie precies van invloed is op de capacitaire behoefte? Voornoemde leden stellen namelijk vast dat elektronische detentie hoofdzakelijk een bezuinigingsmaatregel is waardoor er niet minder gedetineerden zijn, maar door de enkelband alleen minder cellen nodig zijn. Nu de invoering van elektronische detentie door de Eerste Kamer in meerderheid is afgewezen, kan deze capacitaire maatregel in 2015 dus niet worden uitgevoerd. Dat betekent dat 300 intramurale plaatsen niet kunnen worden omgezet in reservecapaciteit en de taakstelling voor elektronische detentie geen 800 en ook geen bijgestelde 400 plaatsen op jaarbasis oplevert.

Wat betekent dat voor de resterende tweede capacitaire maatregel die in 2015 is voorzien en inhoudt dat 180 fte wordt geschrapt bij DJI? Kan het aantal ontslagen bij DJI nu verder oplopen en zelfs een veelvoud aan arbeidsplaatsen kosten, zoals de Staatssecretaris aangeeft in zijn brief van 19 september 2014? Kan dit betekenen dat ook het sluiten van extra penitentiaire inrichtingen opnieuw aan de orde komt nu het wetsvoorstel tot invoering van elektronische detentie, waarop geen enkele concessie mogelijk was, definitief geen doorgang kan vinden?

De leden van de D66-fractie lezen over de Breukelen-maatregelen dat de extra financiële problematiek van 60 miljoen euro wordt opgelost binnen het gevangeniswezen. Die maatregel kost DJI nog eens 740 fte extra. Dat betekent dat de extra ontslagen waar DJI nu mee geconfronteerd wordt oplopen naar 920 fte. Die besparing is dus niet alleen overcapaciteit maar ook een middel om een bezuinigingsopdracht te halen die het Ministerie van Veiligheid en Justitie niet langer kan en wil financieren. In hoeverre leidt deze bezuiniging tot een extra versobering van het gevangeniswezen? In hoeverre blijft de huidige maatstaaf voor personele gevangenisbezetting hiermee nog overeind. Deze leden denken daarbij aan het aantal DJI-medewerkers per gedetineerde, de capaciteit voor interne verplaatsingen van gedetineerden, garanties voor de interne veiligheid van het personeel en de gedetineerden zelf. Kan de Staatssecretaris garanderen dat de bezettingsgraad en de interne veiligheid op geen enkele wijze in het gedrang komen? Hoeveel ruimte ziet de Staatssecretaris nog om DJI-medewerkers van werk naar werk te geleiden nu een groeiend aantal DJI-medewerkers hun baan zal verliezen?

De Staatssecretaris heeft contact met Noorwegen over het aanbieden van enkele honderden Nederlandse detentieplaatsen voor Noorse gedetineerden. De leden van de D66-fractie juichen het toe als Nederland capaciteit langer kan vasthouden door detentieplaatsen aan te bieden aan de landen om ons heen. Deze leden hebben wel enkele vragen over wat dan precies wordt gefaciliteerd. Heeft de Staatssecretaris zich ten aanzien van de Noren reeds geïnformeerd over de aansluiting van het gevangenisregime zoals wij dat kennen en wat de Noren hanteren, over het type gedetineerde dat de Noren in aanmerking willen laten komen, welke achtergrond deze gedetineerden hebben, of het specifieke probleemgevallen zijn of gedetineerden met een specifiek strafblad? Worden de kosten volledig gedekt door de Noren? De Staatssecretaris stelt dat het gezien de Noorse behoefte gaat om enkele honderden medewerkers. Wanneer weet de Staatssecretaris wat de precieze regeling zal zijn met de Noren?

Kan de Staatssecretaris de toezeggen dat hij in aanvulling op de gestelde vragen in ieder geval voorafgaande aan de behandeling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2015 een volledig bezuinigingsbeeld naar de Kamer stuurt, inclusief personele gevolgen?

II. Reactie van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

1. Inleiding

Uw Kamer heeft mij een groot aantal vragen gesteld die zien op de actuele ontwikkelingen binnen het gevangeniswezen. Deze vragen heb ik genummerd.

In deze brief ga ik allereerst in op de vragen over het wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van Strafrecht in verband met de herijking van de wijze van tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie. Vervolgens beantwoord ik de vragen over de besprekingen met de Noorse regering over tijdelijke overdracht van Noorse gedetineerden naar het Nederlandse gevangeniswezen en over het verdrag met de Belgische regering over het gebruik van de PI Tilburg. Ten slotte worden de vragen over het Masterplan en de aanvullende besparingsmaatregelen beantwoord.

2. Wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van Strafrecht in verband met de herijking van de wijze van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie

De leden van de CDA-fractie hebben mij gevraagd om een terugblik op de totstandkoming van het wetsvoorstel «tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van Strafrecht in verband met de herijking van de wijze van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie»2. Vergelding, de levensloopbenadering, de persoonsgerichte aanpak en het aanspreken van de gedetineerde op diens eigen verantwoordelijkheid voor een succesvolle re-integratie vormen de belangrijkste pijlers onder het sanctiebeleid van dit kabinet en diens voorgangers. Het kan niet genoeg worden benadrukt: uit een oogpunt van veiligheid heeft de samenleving groot belang bij een verantwoorde en gecontroleerde terugkeer van gedetineerden in de samenleving. Alleen op die manier is het mogelijk om de recidive, die nog altijd hoog is, terug te dringen. Zoals uiteengezet in de memorie van toelichting bij voornoemd wetsvoorstel, draagt de huidige wijze van detentiefasering naar de mening van het kabinet te weinig bij aan het terugdringen van de recidive. Het moet beter en veiliger. Er moet een nieuwe balans komen tussen detentie en externe vrijheden. Het wetsvoorstel bevatte daartoe een groot aantal beleidsmaatregelen, gebaseerd op de persoonsgerichte aanpak en de levensloopbenadering. Ik noem in dit verband onder meer de voorgestelde wettelijke verankering invoering van een wettelijke basis voor het systeem van promoveren en degraderen, het afschaffen van het algemeen en het regimair verlof, de invoering van elektronische detentie en het realiseren van een betere aansluiting tussen de fase van detentie en de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Ik heb het wetsvoorstel in beide Kamers met hoofd en hart verdedigd. Helaas ben ik er niet in geslaagd om een meerderheid van de leden van de Eerste Kamer te overtuigen om in te stemmen met het wetsvoorstel. De SP-fractie heeft mij gevraagd of ik nu voornemens ben te stoppen met alle voorgenomen beslissingen die verband houden met het wetsvoorstel. Dat is niet het geval. Ik heb geconstateerd dat er sprake is van een duidelijke consensus over de fracties heen dat een gedetineerde stapsgewijs moet kunnen terugkeren naar de vrije maatschappij. Ook ik ben daar een voorstander van. De meningen over de wijze waarop die stapsgewijze terugkeer naar de maatschappij vorm moet worden gegeven, lopen tot nu toe echter nog uiteen. Ik heb gedurende de behandeling van het wetsvoorstel in beide Kamers van de Staten-Generaal steun geproefd voor een aantal belangrijke onderdelen van het wetsvoorstel. Ten behoeve van een debat met uw Kamer hierover doe ik hieronder een voorstel voor een aanpassing van de detentiefasering dat hopelijk op steun van beide Kamers mag rekenen. Ik zal tevens aangeven welke aanpassingen van wet- of regelgeving hiervoor noodzakelijk zijn.

Voorstellen voor een aanpassing van de detentiefasering

In lijn met het kabinetsbeleid ten aanzien van de sanctietoepassing heb ik gezocht naar een nieuwe vorm van detentiefasering die voldoet aan de volgende uitgangspunten:

  • Een persoonsgerichte benadering voor iedere gedetineerde;

  • Gedetineerden worden in de gelegenheid gesteld stapsgewijs toe te groeien naar hun (voorwaardelijke) invrijheidstelling;

  • Gedetineerden moeten interne en externe vrijheden verdienen met goed gedrag;

  • Er dienen waarborgen te worden ingebouwd ten behoeve van de veiligheid van de maatschappij;

  • Er moet rekening worden gehouden met de belangen van slachtoffers en nabestaanden.

Indachtig bovengenoemde uitgangspunten zouden de contouren van een nieuw stelsel voor de detentiefasering er aldus uit kunnen zien. Gedetineerden worden gescreend en geobserveerd gedurende de eerste twee weken van hun verblijf in detentie. Voor iedere gedetineerde wordt dan al een (voorlopig) detentie- en re-integratieplan (D&R-plan) opgesteld dat gedurende het verloop van de detentie waar nodig wordt bijgesteld. Na twee weken volgt plaatsing in het basisprogramma. Het basisprogramma bevat 43 uur aan activiteiten per week en staat in het teken van re-integratie. Arbeid maakt een belangrijk onderdeel uit van het dagprogramma, zowel in het basisprogramma als het plusprogramma. Ook in het geval van penitentiaire arbeid staat de eigen verantwoordelijkheid van de gedetineerde centraal. Gedetineerden die het belang van arbeid niet onderkennen of de arbeid voortdurend verstoren moeten voor kortere of langere tijd uitgesloten kunnen worden van arbeid. Dat zal ook gevolgen hebben voor hun financiële positie. Op deze wijze wordt niet alleen de ongestoorde voortgang van de arbeid bevorderd, maar kan ook worden bereikt dat arbeid werkt als een positieve prikkel voor gedetineerden om hun gedrag te veranderen. Aangezien de meeste arrestanten korter dan twee weken in detentie verblijven, krijgen zij uit doelmatigheidsoverwegingen geen arbeid aangeboden. Het verblijf in het arrestantenregime duurt maximaal 8 weken.

Na een aaneengesloten periode van zes weken goed gedrag promoveren gedetineerden naar het plusprogramma. Het plusprogramma bevat 48 uur aan activiteiten per week. In aanvulling hierop kunnen de gedetineerden in het plusprogramma 11 uur buiten de cel verblijven, bijvoorbeeld op de recreatiezaal. In totaal verblijven zij dus 59 uur buiten hun cel. In vergelijking met het basisprogramma bevat het plusprogramma uitgebreidere re-integratieactiviteiten.

Gedetineerden in het plusprogramma kunnen drie maanden voorafgaand aan hun (eventuele) deelname aan een penitentiair programma of hun (voorwaardelijke) invrijheidstelling in aanmerking komen voor re-integratieactiviteiten die niet in detentie kunnen worden uitgevoerd. De bestaande vormen van penitentiair verlof worden hiertoe vervangen door een nieuwe vorm van persoonsgebonden verlof: re-integratieverlof. Indien het uit een oogpunt van risicobeperking noodzakelijk wordt geacht, wordt advies gevraagd aan de reclassering, het OM, het CJIB of de politie. De duur van het re-integratieverlof is afgestemd op de te verrichten activiteit(en) vermeerderd met de benodigde reistijd. Re-integratieverlof kan vaker dan één keer worden verleend als dit logisch voortvloeit uit de afspraken die over re-integratie zijn gemaakt in het D&R-plan.

Van de huidige verlofvormen blijft alleen het incidenteel verlof bestaan naast het re-integratieverlof. Incidenteel verlof stelt een gedetineerde in staat tijdelijk de inrichting te verlaten in verband met geboorte, ziekte, lichamelijke of geestelijke gesteldheid of overlijden in zijn of haar persoonlijke sfeer.

Gedetineerden in het plusprogramma die in de laatste fase van hun detentie zitten, kunnen in aanmerking komen voor een penitentiair programma (PP). Het pakket aan activiteiten dat in het kader van een PP dient te worden verricht, komt meer in het teken te staan van een zinvolle dagbesteding en re-integratie. De focus wordt zoveel mogelijk gericht op het verrichten van arbeid. Dat kan ook maatschappelijke arbeid zijn. Ik ben hier groot voorstander van. In twee inrichtingen van het gevangeniswezen zal een pilot worden gehouden waarin gedetineerden die in een plusprogramma zijn geplaatst maatschappelijke arbeid verrichten buiten de inrichting onder toezicht van de werkgever gedurende vijf dagen per week. Gedetineerden met een strafrestant van maximaal twaalf maanden en met een zeer beperkt vlucht- en maatschappelijk risico kunnen hiervoor in aanmerking komen. Het gaat om maatschappelijk relevante werkzaamheden, bijvoorbeeld in de publieke ruimte, die anders niet zouden worden verricht. Gedetineerden doen hiermee gedurende maximaal 36 uur relevante werkervaring op.

De duur van een PP is maximaal 1/6 deel van de opgelegde straf. Graag overleg ik met uw Kamer over de wenselijkheid de maximale duur van een PP te verruimen. Uit het oogpunt van beveiliging van de maatschappij en in het belang van slachtoffers en nabestaanden wordt het toezicht met behulp van elektronische controlemiddelen op gedetineerden met een PP verscherpt.

Met de hierboven geschetste vormgeving komt mijns inziens een volwaardig stelsel van detentiefasering tot stand waarin de gedetineerde het eerste deel van zijn vrijheidsstraf te allen tijde intramuraal ondergaat en, als hij aan de voorwaarden voldoet, ook in aanmerking komt voor externe vrijheden in de vorm van re-integratieverlof, deelname aan een PP en als sluitstuk voorwaardelijke invrijheidstelling. In dit systeem van detentiefasering is sprake van een balans tussen het waarborgen van de veiligheid van de maatschappij en het stapsgewijs voorbereiden van de gedetineerde op diens terugkeer in de maatschappij. Er is geen sprake meer van vrijblijvendheid: interne en externe vrijheden moeten worden verdiend op basis van goed gedrag. Het systeem van promoveren/degraderen maakt het mogelijk om op een gestandaardiseerde wijze gevolgen te verbinden aan het gedrag van gedetineerden. Dat geldt zowel binnen de inrichting in de vorm van het plaatsen van gedetineerden in een basisprogramma of een plusprogramma, als buiten de inrichting in de vorm van het toekennen van een persoonsgebonden verlof. Door het persoonsgerichte verlof op concrete re-integratie doelen te richten vervalt de vrijblijvendheid en ongerichtheid die het huidige algemene en regimes gebonden verlof kenmerkt. Door het koppelen van het toekennen van re-integratieverlof aan goed gedrag, kom ik tegemoet aan de door uw Kamer aangenomen motie van het lid Kooiman (SP) op een wijze die zowel bijdraagt aan de voorbereiding van een succesvolle terugkeer van de gedetineerde in de maatschappij als aan de veiligheid van de maatschappij. De veiligheid van de maatschappij is eveneens gediend met het verlengen van de periode waarin toezicht gehouden kan worden op een gedetineerde met PP met behulp van elektronische controlemiddelen.

Gewenste aanpassingen wet- en regelgeving

Wettelijke basis voor promoveren/degraderen

Om een wettelijke basis te realiseren voor het systeem van promoveren/degraderen dient het regime van algehele gemeenschap en het regime van beperkte gemeenschap vervangen te worden door één gemeenschapsregime. Deze wijziging houdt in dat gedetineerden in het kader van de persoonsgerichte aanpak binnen één afdeling een basisprogramma of een plusprogramma kunnen volgen. Ik ben voornemens een nota van wijziging met deze strekking in te dienen bij het thans bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel «Wijziging van de Pbw en enkele andere wetten in verband met het vervoer, het medisch klachtrecht en enkele andere onderwerpen».3

Invoering persoonsgebonden verlof gericht op re-integratie; afschaffen algemeen verlof en het regimair verlof

De invoering van een persoonsgebonden verlof gericht op re-integratie en het intrekken van het algemeen verlof en het regimair verlof kan worden geregeld door aanpassing van de Ministeriële Regeling Tijdelijk verlaten van de inrichting.

Langere duur PP’s en uitbreiding elektronisch toezicht

Het aanscherpen van het toezicht op een PP in de vorm van een langduriger toepassing van elektronisch toezicht kan geregeld worden door aanpassing van de Penitentiaire maatregel.

Uitbreiding van de duur van een PP behoeft een wijziging van de Pbw. Dit zou kunnen bij nota van wijziging bij het eerder genoemde wetsvoorstel wijziging Pbw en enkele andere wetten.

Geen arbeid voor arrestanten, geen recht op arbeid bij ongewenst gedrag

Artikel 47 van de Pbw waarin geregeld is dat de gedetineerde los van zijn gedrag recht heeft op deelname aan de in de inrichting beschikbare arbeid dient te worden aangepast. Dit kan bij nota van wijziging op het eerder genoemde wetsvoorstel waarmee de Pbw en enkele andere wetten worden gewijzigd.

Beantwoording overige schriftelijke vragen

Vraag 22, 24 en 31

De leden van de fracties van de VVD, PvdA, SP, CDA, D66 en de PVV vragen hoe de regering voornemens is de financiële gevolgen op te vangen van het niet doorgaan van het wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van Strafrecht in verband met de herijking van de wijze van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie.

Antwoord op de vragen 22, 24, 31

Zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (pag. 14) was het oorspronkelijke voornemen 800 plaatsen voor elektronische detentie te realiseren, waarvan 425 plaatsen de penitentiaire programma’s zouden vervangen en 375 plaatsen intramurale capaciteit in het gevangeniswezen zouden vervangen. De beoogde besparing van € 16 mln. zou worden gerealiseerd door het sluiten van intramurale capaciteit. Ten opzichte van de – vervanging van de – PP’s zou geen besparing worden gerealiseerd (zie ook de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel, pag. 33). Als gevolg van de onderbezetting in het gevangeniswezen kon het sluiten van genoemde intramurale capaciteit worden gerealiseerd, los van de invoering van elektronische detentie. Hiermee wordt de besparing van € 16 mln. gerealiseerd. Vanwege de lagere capaciteitsbehoefte is in de begroting van Veiligheid en Justitie voor 2015 de taakstelling voor elektronische detentie verlaagd van 800 naar 400 plaatsen op jaarbasis vanaf 2015 (tabel 01.11, pag. 95). Nu het wetsvoorstel inzake onder meer de invoering van elektronische detentie niet is aanvaard, blijven de huidige PP’s bestaan. Deze hebben een vergelijkbare kostprijs als elektronische detentie. Als uw Kamer kan instemmen met de eerder in deze antwoorden uiteengezette voorgenomen aanpak van de detentiefasering ontstaat ook ten aanzien van de andere beleidsvoornemens uit het wetsvoorstel geen extra financiële problematiek.

Vraag 23

Uit de PMJ-ramingen blijkt dat er ten opzichte van het Masterplan DJI nog steeds een capaciteitsoverschot bestaat van 700 plaatsen. De regering doet voorstellen om dit capaciteitsoverschot op te lossen. Allereerst wordt voorgesteld 300 intramurale plaatsen om te zetten in reservecapaciteit. De leden van de PvdA-fractie vragen over hoeveel reservecapaciteit DJI dan beschikt? Ten tweede verlaagt de Staatssecretaris de taakstelling voor elektronische detentie naar 400 plaatsen op jaarbasis. In hoeverre heeft het feit dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel elektronische detentie heeft verworpen invloed op de raming zoals in de brief is besproken? Betekent dit dat er minder banen zullen verdwijnen omdat personeel ingezet moet worden voor de detentiefasering? Om hoeveel fte gaat het? Hoeveel cellen zullen er openblijven als gevolg van het verwerpen van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer?

Vraag 30

De leden van de CDA-fractie zijn voorts benieuwd naar de overwegingen ten aanzien van de capacitaire maatregelen. Hoe is de regering gekomen tot de verdeling van 300 (omzetten van intramurale plaatsen in reservecapaciteit) en 400 (verlaging taakstelling elektronische detentie)? Had een andere verdeling voor meer behoud van banen kunnen zorgen? Welke alternatieven heeft de regering nog meer overwogen?

Antwoord op vraag 23 en 30

Door de dalende PMJ is de vraag naar celcapaciteit afgenomen. Van deze daling is in de eerste plaats gebruik gemaakt door het op peil brengen van de reservecapaciteit. Als gevolg van deze maatregel stijgt het aantal reserveplaatsen bij het gevangeniswezen van 395 in 2015 tot 616 in 2019. Daarnaast is de oorspronkelijk beoogde taakstelling van 800 ED-plaatsen teruggebracht tot 400 plaatsen. Voor deze beide maatregelen is gekozen uit een oogpunt van efficiency en uit een oogpunt van flexibel capaciteitsbeheer. Door het aanhouden van een ruimere reservecapaciteit kan snel ingespeeld worden op een zich mogelijk in de toekomst weer voordoende stijging van de vraag naar celcapaciteit. Voorts is een voordeel dat deze maatregelen minder negatieve effecten hebben op de werkgelegenheid bij DJI dan het geval zou zijn geweest als besloten was tot het overgaan van sluiting en afstoting van deze capaciteit.

Vraag 26

De leden van de SP-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is het recht op arbeid in detentie te behouden nu het wetsvoorstel is verworpen. Aangezien dit een van de bezuinigingen was in het wetsvoorstel vragen deze leden hoe de Staatssecretaris dit anders denkt op te vangen.

Antwoord op vraag 26

Zoals ik hierboven heb aangegeven vormt penitentiaire arbeid een belangrijk onderdeel van zowel het basisprogramma als het plusprogramma. Het belang dat ik hecht aan arbeid moge verder blijken uit mijn voornemen pilots te houden met het laten verrichten door gedetineerden van maatschappelijke arbeid buiten de inrichting onder toezicht van de werkgever gedurende vijf dagen per week. Het voornemen om het recht op arbeid te schrappen heeft maar één doel: het mogelijk maken van ongestoorde arbeid door niet-willers uit te kunnen sluiten van penitentiaire arbeid. Bovendien ben ik dan niet meer verplicht deze niet-willers financieel te compenseren als zij van de arbeid worden uitgesloten. Zoals eerder aangegeven ga ik graag het debat met uw Kamer aan over een alternatieve vormgeving van de detentiefasering. Wat mij betreft maakt de inrichting van de penitentiaire arbeid daar een integraal onderdeel van uit. In het licht van het voorgaande heb ik nog geen plannen opgevat om de bezuinigingen op penitentiaire arbeid op andere wijze in te vullen.

Vraag 27

Voornoemde leden van de SP-fractie hebben dezelfde vraag als het gaat om het inperken van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Is het inperken van de voorwaardelijke invrijheidsstelling nu van de baan? Is de Staatssecretaris nog van plan deze maatregel weer in te voeren? Zo ja, op welke wijze?

Antwoord op vraag 27

Het wetsvoorstel bevatte een nieuwe grond voor het uitstellen of achterwege laten van voorwaardelijke invrijheidstelling in het geval een veroordeelde «onvoldoende heeft doen blijken van zijn geschiktheid tot terugkeer in de samenleving». Met dit voorstel werd beoogd de mogelijkheden te vergroten om een gedetineerde de negatieve gevolgen te laten ondervinden van ongewenst gedrag.

Er is een verband tussen deze weigeringsgrond en een onderzoek dat ik uw Kamer heb toegezegd naar het systeem van promoveren en degraderen. Het gaat er in dit onderzoek om vast te stellen in hoeverre het gedrag dat bij het systeem van promoveren en degraderen onder zgn. «rood gedrag (=ongewenst gedrag)» valt is gerelateerd aan de gronden voor uitstel dan wel afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Als die relatie is vastgesteld kunnen vervolgens de mogelijkheden worden onderzocht om vastgesteld «rood gedrag» zwaarder te laten wegen voor de beslissing uitstel of afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het betreft hier een langlopend onderzoek dat pas in 2016 kan starten, omdat eerst geruime tijd ervaring moet zijn opgedaan met de toepassing van het systeem van promoveren en degraderen. Ik wacht de uitkomsten van dit onderzoek af alvorens een besluit te nemen over het al dan niet opnieuw voorstellen van deze weigeringsgrond voor de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vraag 28

De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris inzichtelijk te maken hoeveel geldelijke middelen er de afgelopen twee jaar zijn besteed aan de totstandkoming van dit wetsvoorstel. Ook vragen zij om een inventarisatie bij ketenpartners hoeveel geldelijke middelen hieraan besteed zijn, in het bijzonder bij de reclassering, DJI en het Openbaar Ministerie?

Antwoord op vraag 28

Zowel op het departement als bij de uitvoeringsorganisaties zijn voor de totstandkoming van het wetsvoorstel en de voorbereiding op de implementatie met name interne medewerkers ingezet. Op het departement is € 215.000 besteed, onder meer aan een impactanalyse, een ketenprocessimulatie, onderzoek naar communicatie-uitingen en projectondersteuning. Door DJI is € 30.000 besteed aan een uitvoeringstoets. Het Openbaar Ministerie, de reclassering, het Centraal Justitieel Incasso Bureau, de Nationale Politie en gemeenten hebben geen additionele kosten gemaakt. De resultaten van de voor elektronische detentie gepleegde inspanningen zijn, nu elektronische detentie niet zal worden ingevoerd, grotendeels in te zetten voor verbetering van de PP’s.

Aanvullend aan de reeds genoemde kosten heeft DJI kosten gemaakt voor de aanbesteding en implementatie van elektronische controlemiddelen. Aangezien is besloten alle taken met betrekking tot elektronische controlemiddelen bij DJI te beleggen, betreffen dit geen kosten die specifiek voor elektronische detentie zijn gemaakt.

Vraag 29

De leden van de CDA-fractie vragen op welke datum een bijeenkomst wordt gehouden met de vrijhedencommissies van alle PI’s en of de Staatsecretaris de Kamer kan informeren over de uitkomsten van deze bijeenkomst, teneinde de Kamer ook op de hoogte te houden van de regionale verschillen in de verhouding tussen gedetineerden in een basis en plusprogramma (Kamerstuk 24 587, nr. 596, p.34).

Antwoord op vraag 29

Op 6 november jl. heeft een expertmeeting plaatsgevonden met de vertegenwoordigers van een groot deel van de vrijhedencommissies.

Onderwerpen van gesprek waren:

  • Welke eisen worden gesteld aan goede uitvoering van het toetsingskader?

  • Bestaat er onduidelijkheid in de normen van het toetsingskader?

  • Bestaat er onduidelijkheid in de toepassing van het toetsingskader?

Tijdens de bijeenkomst is een aantal normen verhelderd. Aan de hand van casussen is besproken hoe normen worden toegepast in een bepaalde context en waar dit tot verschillende toepassingen leidt. De verwachting is dat het communiceren van de gemaakte afspraken met alle vrijhedencommissies zal leiden tot een betere en meer eenduidige toepassing van het toetsingskader.

Vraag 32

De Staatssecretaris verwijst naar elektronische detentie als een van de twee capacitaire maatregelen die hij neemt in 2015. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe elektronische detentie precies van invloed is op de capacitaire behoefte? Voornoemde leden van de D66-fractie stellen namelijk vast dat elektronische detentie hoofdzakelijk een bezuinigingsmaatregel is waardoor er niet minder gedetineerden zijn, maar door de enkelband alleen minder cellen nodig zijn. Nu de invoering van elektronische detentie door de Eerste Kamer in meerderheid is afgewezen, kan deze capacitaire maatregel in 2015 dus niet worden uitgevoerd. Dat betekent dat 300 intramurale plaatsen niet kunnen worden omgezet in reservecapaciteit en de taakstelling voor elektronische detentie geen 800 en ook geen bijgestelde 400 plaatsen op jaarbasis oplevert. Wat betekent dat voor de resterende tweede capacitaire maatregel die in 2015 is voorzien en inhoudt dat 180 fte wordt geschrapt bij DJI? Kan het aantal ontslagen bij DJI nu verder oplopen en zelfs een veelvoud aan arbeidsplaatsen kosten, zoals de Staatssecretaris aangeeft in zijn brief van 19 september 2014? Kan dit betekenen dat ook het sluiten van extra penitentiaire inrichtingen opnieuw aan de orde komt nu het wetsvoorstel tot invoering van elektronische detentie, waarop geen enkele concessie mogelijk was, definitief geen doorgang kan vinden?

Antwoord op vraag 32:

Nu het wetsvoorstel niet is aanvaard, blijven de PP’s bestaan. Dit heeft geen effect op de totale capaciteit van het gevangeniswezen. Het verhogen van het aantal plaatsen reservecapaciteit hangt niet samen met het wetsvoorstel, maar met de lagere PMJ. Een en ander betekent dat er geen sprake is van extra boventalligheid als gevolg van het niet aanvaarden van het wetsvoorstel.

3. Besprekingen met de Noren en terbeschikkingstelling PI Tilburg aan België

Vraag 33

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering de Kamer op de hoogte kan houden over de onderhandelingen met de Noren? De leden van de CDA-fractie vragen binnen welk tijdsbestek de regering meer duidelijkheid kan verschaffen richting de sector en de Kamer over welke personele gevolgen voor DJI de opvang van Noorse gedetineerden heeft.

Vraag 34

De SP-fractieleden zijn benieuwd naar de stand van zaken van de besprekingen met de Noorse regering. Is al bekend waar de Noorse gedetineerden gehuisvest zullen worden? Hoe zal hun resocialisatie gewaarborgd zijn? In hoeverre zal er gebruik gemaakt kunnen worden van de expertise van de medewerkers van de penitentiaire inrichting (PI) Tilburg? Is inmiddels duidelijk wat er met de PI Tilburg gaat gebeuren, waarmee België tot 1 januari 2016 een contract heeft? Is al bekend of dit contract zal worden verlengd tot 2018? Zo nee, wanneer wordt hier duidelijkheid over gegeven? In hoeverre mag het personeel van de PI Tilburg gebruik maken van het van-werk-naar-werk-beleid? Zal de PI sluiten, krimpen of houdt deze de huidige personele bezetting? Hoe zullen dan de mobiliteitskosten van de PI Tilburg opgevangen worden aangezien deze niet zijn meegenomen bij de personele frictiekosten in het afbraakplan(Aangepast Masterplan DJI 2013–2018, Kamerstuk 24 587. Nr. 535, pagina 32) Wanneer krijgt het personeel duidelijkheid over de toekomst van deze PI? Erkent de Staatssecretaris dat zolang die duidelijkheid er niet is, dit tot onrust bij het personeel kan leiden en deskundige medewerkers het zekere voor het onzekere nemen en zelf besluiten weg te gaan? Op welke manier wordt dan nog de kwaliteit gewaarborgd om te voorkomen dat België het contract niet verlengt of zelfs opzegt?

Vraag 35

De leden van de CDA-fractie vragen binnen welk tijdsbestek de regering meer duidelijkheid kan verschaffen richting de sector en de Kamer over welke personele gevolgen voor DJI de opvang van Noorse gedetineerden heeft.

Vraag 36

De Staatssecretaris heeft contact met Noorwegen over het aanbieden van enkele honderden Nederlandse detentieplaatsen voor Noorse gedetineerden. De leden van de D66-fractie juichen het toe als Nederland capaciteit langer kan vasthouden door detentieplaatsen aan te bieden aan de landen om ons heen. Deze leden hebben wel enkele vragen over wat dan precies wordt gefaciliteerd. Heeft de Staatssecretaris zich ten aanzien van de Noren reeds geïnformeerd over de aansluiting van het gevangenisregime zoals wij dat kennen en wat de Noren hanteren, over het type gedetineerde dat de Noren in aanmerking willen laten komen, welke achtergrond deze gedetineerden hebben, of het specifieke probleemgevallen zijn of gedetineerden met een specifiek strafblad? Worden de kosten volledig gedekt door de Noren? De Staatssecretaris stelt dat het gezien de Noorse behoefte gaat om enkele honderden medewerkers. Wanneer weet de Staatssecretaris wat de precieze regeling zal zijn met de Noren?

Antwoord op vraag 33, 34, 35 en 36

Bij brief van 17 oktober jl.4 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken bij de gesprekken over de mogelijke verhuur van een penitentiaire inrichting aan Noorwegen. Zoals ik in voornoemde brief heb toegelicht zijn er nog geen definitieve beslissingen genomen over de keuze voor een penitentiaire inrichting. Dat geldt evenmin voor de wijze waarop in het kader van het Noorse dagprogramma gewerkt wordt aan de resocialisatie van Noorse gedetineerden die mogelijk in een Nederlandse inrichting worden geplaatst. De expertise die is opgedaan in Tilburg wordt uiteraard gebruikt bij de afspraken die met Noorwegen worden gemaakt.

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van uw Kamer heeft mij verzocht voorafgaand aan het algemeen overleg over het gevangeniswezen op 21 januari 2015 uw Kamer te informeren over de actuele stand van zaken over de onderhandelingen van de terbeschikkingstelling van een penitentiaire inrichting aan Noorwegen. Ik ben gaarne bereid uw Kamer op de hoogte te houden van belangrijke ontwikkelingen bij de gesprekken met de Noorse regering.

Sinds 2010 zijn Belgische gedetineerden gehuisvest in de PI Tilburg op basis van een verdrag met een looptijd tot 31 december 2012, met de mogelijkheid van verlenging tot 31 december 2013. Aangezien het capaciteitsprobleem in België nog niet was opgelost, is een verlengingsverdrag met België gesloten dat voorziet in de voortzetting van de terbeschikkingstelling van de PI Tilburg aan België tot aan 1 januari 2015. Het verlengingsverdrag voorziet voorts in de mogelijkheid om de terbeschikkingstelling van de PI Tilburg nog twee keer, voor telkens één jaar, te verlengen. Ook in 2015 zal België de PI Tilburg huren. Een mogelijke nieuwe verlenging van de verhuur van de PI Tilburg na 1 januari 2016 is onderwerp van gesprek met de Belgische regering. Als zich belangrijke ontwikkelingen op dit terrein voordoen, zal ik uw Kamer hierover informeren.

Het personeel van de PI Tilburg komt net als alle andere medewerkers van DJI in aanmerking voor het Van Werk Naar Werk-beleid (VWNW-beleid). Gelet op de nog lopende besprekingen met de Belgische regering kan ik op dit moment geen uitspraken doen of de PI Tilburg zal sluiten, krimpen of de huidige personele bezetting zal behouden. De mobiliteitskosten van het personeel van de PI Tilburg worden gefinancierd vanuit de in het kader van het Masterplan DJI gereserveerde VWNW-middelen.

Juist met het oog op het voorkomen van onrust bij het personeel van de PI Tilburg, zet ik mij in om op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid te kunnen geven over de toekomst van de PI Tilburg. Nederland is gehouden aan het verdrag met België. Dat betekent dat DJI de continuïteit van de dienstverlening in de PI Tilburg aan de Belgische regering garandeert en de noodzakelijke maatregelen zal treffen als het verloop onder het personeel die dienstverlening in gevaar zou brengen.

4. Masterplan DJI, aanvullende besparingsmaatregelen en de PMJ-ramingen

Vraag 1, 16 en 18:

De leden van VVD-fractie vragen wat de Staatsecretaris verwacht ten aanzien van het van werk naar werk begeleiden van overtollig geraakt personeel. Leden van de PvdA- en de SP-fractie vragen of de personeelsleden die extra boventallig raken ten opzichte van het Masterplan DJI, onder het Van Werk naar Werk-beleid vallen. Als dit het geval is, vraagt het CDA of hiermee niet extra druk komt te staan op de bestaande VWNW-trajecten. Ook D66 vraagt hoeveel ruimte er nog is om DJI-medewerkers van werk naar werk te geleiden nu een groeiend aantal DJI-medewerkers hun baan zal verliezen.

Antwoord op vraag 1, 16 en 18:

Zoals bekend loopt het Rijksbrede VWNW-beleid tot 1 januari 2016. Alle medewerkers, die in deze periode worden aangewezen voor de vrijwillige VWNW-fase of als verplichte VWNW-kandidaat, kunnen aanspraak maken op de daarbij behorende voorzieningen. De medewerkers die, als gevolg van de in mijn brief van 19 september jl. genoemde ontwikkelingen5, extra boventallig worden krijgen, conform het Rijksbrede VWNW-beleid, dezelfde mobiliteitsbegeleiding als de overige medewerkers van DJI die worden aangewezen voor de vrijwillige VWNW-fase of als verplichte VWNW-kandidaat. Mede als gevolg van de door uw Kamer aangenomen motie6 zijn meer externe loopbaanprofessionals ingezet en zijn de voorlichtingsactiviteiten verder geïntensiveerd. Van druk op bestaande VWNW-trajecten zal derhalve geen sprake zijn.

De VWNW-begeleiding, zoals die is vastgelegd in de rechtspositieregeling, ziet op het vinden van een andere functie binnen of buiten de rijksoverheid. Verder wordt ingezet op het aan zoveel mogelijk medewerkers kunnen aanbieden van vervangende werkzaamheden. Dit gebeurt onder andere via de al gesloten of mogelijk nog te sluiten convenanten. De mate waarin en de snelheid waarmee medewerkers een passende nieuwe werkkring zullen vinden is echter ook afhankelijk van de algemene ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.

Vraag 2, 5, 14 en 19

De leden van de PvdA, SP, het CDA en de PVV vragen hoeveel personeelsleden extra boventallig worden ten opzichte van het Masterplan DJI. De SP vraagt over welke periode de personeelsbezetting extra moet afnemen, betekent dit dat de personeelsbezetting tot en met 2018 met 3.620 fte moet afnemen? De SP vraagt of per jaar kan worden uitgesplitst hoeveel fte er moeten verdwijnen en kan worden toegelicht hoe de Staatssecretaris dit denkt te kunnen realiseren? Kan er bij de cijfermatige toelichting worden aangegeven om hoeveel banen het elk jaar gaat? Wanneer krijgt het personeel over dit alles duidelijkheid? Het CDA vraagt of de regering kan aangeven wat de exacte afname is van de personeelsbezetting die beoogt te realiseren, betreft dat 2.700 of 2.600 fte? Het CDA vraagt of kan worden aangegeven waarom de benodigde bezetting met 740 fte moet afnemen. Zorgen de aanvullende besparingsmaatregelen voor extra ontslagen en zo ja, hoeveel van de 740 fte komt hieruit voort?

Antwoord op vraag 2, 5, 14 en 19:

Vanaf begin 2013 tot en met 2018 zal de benodigde personele bezetting van DJI met ruim 3.300 fte afnemen. Dit aantal is als volgt opgebouwd: 2.000 fte als gevolg van het Masterplan DJI, 700 fte als gevolg van voorafgaand aan het Masterplan reeds lopende reorganisaties, 740 fte als gevolg van de in mijn brief van 19 september jl. genoemde aanvullende besparingen en maatregelen om de overbezetting terug te dringen, en ten slotte 180 fte als gevolg van de dalende PMJ, ook vermeld in de brief van 19 september jl. Dit komt op een totaal van 3.620 fte. Op dit aantal kan 250 fte in mindering worden gebracht doordat FPC Veldzicht gedeeltelijk open blijft. Dit maakt dat 3.370 fte in de periode 2013–2018 boventallig zal worden. De verdeling van deze afname in de bezettingsbehoefte kan als volgt verdeeld worden over de jaren:

2013: 17%

2014: 20%

2015: 16%

2016: 38%

2017: 9%

De medewerkers die als gevolg van het Masterplan mobiel moeten worden weten op basis van de in het Masterplan aangegeven sluitingsmomenten wanneer hun functie komt te vervallen. Ook degenen die als gevolg van de sluitingen in 2014 en 2015 inmiddels al verplichte VWNW-kandidaat zijn, of dat binnenkort zullen worden, waren hiervan al geruime tijd op de hoogte. In de mobiliteitsbegeleiding van de medewerkers is of wordt hierop geanticipeerd in de vorm van de vrijwillige VWNW-fase en de daarbij behorende faciliteiten.

Van de 740 fte die als gevolg van de aanvullende besparingsmaatregelen en maatregelen om de boventalligheid terug te dringen boventallig worden, komt ongeveer de helft door de aanvullende besparingsmaatregelen.

Vraag 3:

De leden van de SP-fractie constateren dat de personeelsbezetting conform het afbraakplan tot en met 2018 met 2.000 fte moet dalen. Dat komt in totaal neer op 2.700 fte als de 700 extra fte wordt meegenomen uit voorgaande reorganisaties. Op welke reorganisaties doelt de Staatssecretaris en hoe lang zijn deze al aan de gang?

Antwoord op vraag 3:

De genoemde 700 fte zijn toe te schrijven aan eerdere reorganisaties die ten tijde van het vaststellen van het Masterplan DJI nog niet waren afgerond. Om in het Masterplan zo volledig mogelijk te zijn over de op dat moment bekende personele gevolgen van de reorganisaties binnen DJI is het aantal van 700 fte genoemd.

De destijds al lopende reorganisaties waar deze 700 fte betrekking op hebben zijn onder andere het Masterplan Gevangeniswezen uit 2009 en het Capaciteitsplan Justitiële Jeugdinrichtingen uit 2010. Daarnaast is de afname van de personele bezetting van de PI Tilburg (ongeveer 450 fte) in deze 700 fte meegenomen. De inrichting zal immers worden gesloten op het moment dat het contract met de Belgische overheid over de terbeschikkingstelling van de PI Tilburg aan België voor Belgische gedetineerden wordt beëindigd.

Vraag 4:

Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het verschil met de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2015 waaruit blijkt dat de bezetting tot en met 2018 met ruim 2.500 fte zal afnemen?(begroting Ministerie van Veiligheid en Justitie 2015, Kamerstuk 34 000-VI, nr. 2, pagina 92)

Antwoord op vraag 4:

De totale boventalligheid als gevolg van het Masterplan DJI en de aanvullende maatregelen zoals genoemd in mijn brief van 19 september jl. zullen in de periode 2013–2018 ongeveer 3.370 fte bedragen. Deze afname van de bezetting is gerekend vanaf ultimo 2012. Abusievelijk is in tabel 1.5 van de begroting 2015 waarnaar u verwijst, een hogere fte-reeks opgenomen. Alle (aanvullende) maatregelen zijn wél in de agentschapsbegroting van DJI verwerkt. Het financiële deel van de begroting is gebaseerd op onderstaande lagere fte’s. Het gerealiseerde aantal fte’s dan wel het vanaf 2014 benodigde aantal fte’s bedragen in de periode 2012–2019 als volgt (ultimo standen):

2012: 16.212

2013: 15.690

2014: 15.000

2015: 14.450

2016: 13.200

2017: 12.900

2018: 12.850

2019: 12.850

Vraag 6:

De SP-fractieleden zijn ook benieuwd of de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2015 zal worden aangepast naar aanleiding van al deze wijzigingen.

Antwoord op vraag 6:

De begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2015 is gebaseerd op de meest recente PMJ-ramingen, waarnaar wordt verwezen in mijn brief van 19 september jl. Zoals ik in deze brief heb aangegeven, zijn op grond van deze ramingen in de conceptbegroting twee capacitaire maatregelen opgenomen: het omzetten van 300 intramurale plaatsen in reservecapaciteit, en het verlagen van de taakstelling voor elektronische detentie naar 400 plaatsen op jaarbasis. Nu het wetsvoorstel inzake de wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Penitentiaire beginselenwet waarmee elektronische detentie zou worden ingevoerd niet door de Eerste Kamer is aanvaard, zullen de huidige penitentiaire programma’s vooralsnog worden gehandhaafd. Deze hebben een vergelijkbare dagprijs als voorzien was voor elektronische detentie, hetgeen derhalve geen financiële gevolgen voor de begroting 2015 heeft.

Vraag 7:

Kan een overzicht worden gegeven van de omvang van de werklast van DJI-medewerkers, waaronder in ieder geval penitentiair inrichting werkers (PIW’ers), over de laatste vijf jaar? Is deze groter of juist kleiner geworden door de bezuinigingen? Zijn er functies vervallen en zijn er functies samengevoegd? Wat waren hierdoor de gevolgen voor de taakomschrijvingen? Zijn deze uitgebreid? Graag ontvangen deze leden hierop een toelichting.

Antwoord op vraag 7:

Natuurlijk ben ik mij ervan bewust dat alle veranderingen bij DJI hun weerslag kunnen hebben op het personeel. Er worden immers ingrijpende maatregelen doorgevoerd. Momenteel loopt bij DJI een Medewerkerstevredenheidsonderzoek (MTO). Het vindt plaats in de periode april 2014 tot en met het voorjaar van 2015. Daarnaast heeft de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 18 november jl. een bericht uitgedaan dat uit inspecties blijkt dat justitiële inrichtingen de regels omtrent agressie en geweld, werkdruk, ongewenste omgangsvormen en consignatie onvoldoende naleven.

Uw Kamer ontvangt van mij een inhoudelijke reactie op de resultaten van het MTO. Hierin zal ik de bevindingen van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid meenemen.

In 2011 is het Functiegebouw Rijk ingevoerd. Alle specifieke functiebeschrijvingen (30.000) zijn vervangen door 57 functieprofielen (met eventueel een verbijzondering naar gevraagde kwaliteiten). Voor alle 57 functieprofielen is beschreven wat van een functie wordt verwacht in termen van resultaten, succesvol gedrag, kennis, vaardigheden en ervaring. Dit is ook gebeurd voor alle functies bij DJI. De profielen zijn opgesteld in de jaren vóór de invoering van het Functiegebouwrijk (2012) en tot op heden niet aangepast. Voordat functieprofielen worden aangepast, worden ze onder meer besproken in de paritair samengestelde Standaardisatiecommissie binnen het Rijk.

Vraag 8:

Het valt de leden van de SP-fractie op dat wordt gesteld dat de extra maatregelen niet leiden tot additionele sluitingen van inrichtingen. Betekent dit dat wel rekening moet worden gehouden met krimpende instellingen? Zo ja, om welke inrichtingen gaat het dan en/of wanneer hoort het personeel hier meer over? Wat gaat er gebeuren met de (zeer) beperkt beveiligde inrichtingen ((Z)BBI’s)?

Antwoord op vraag 8:

Op grond van de extra maatregelen worden geen extra locaties of delen van locaties gesloten. Jaarlijks wordt op grond van de geraamde capaciteitsbehoefte, een integrale weging van uitgangspunten en specifieke ontwikkelingen in de regio’s, de meest effectieve en efficiënte penitentiaire landkaart vastgesteld. Toekomstige ontwikkelingen in de PMJ en eventuele bijbehorende personele gevolgen zijn nu nog niet te voorspellen.

Als gevolg van het Masterplan DJI zijn inmiddels alle (Z)BBI’s gesloten. Nu het wetsvoorstel ED niet is aanvaard door de Eerste Kamer, worden de regimes uit de (Z)BBI’s vooralsnog voortgezet vanuit de overige penitentiaire inrichtingen.

Vraag 9:

De aan het woord zijnde leden van de SP-fractie vinden het positief dat er volop wordt gekeken naar ander werk buiten DJI. Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel beschikbare plekken er zijn en nog zijn bij respectievelijk de Rijks Beveiligings Organisatie, Reclassering Nederland, Douane en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)? Hoeveel werkplekken zijn er beschikbaar bij de nationale politie? Is bekend hoeveel DJI-medewerkers een opleiding volgen en gaan volgen aan de Politieacademie?

Antwoord op vraag 9:

Zoals ik in mijn brief van 30 juni jl. heb aangegeven, zijn er convenanten gesloten met verschillende organisaties. De afspraken die zijn gemaakt in de convenanten zorgen voor meer tijdelijke en structurele mobiliteit van DJI-medewerkers. Zo zijn er circa 80 DJI medewerkers gestart met een opleiding bij de Douane. Als zij met goed gevolg de opleiding afronden, kan de overstap naar de Douane worden gemaakt. Het succesvol (kunnen) afronden van de opleiding is wel een voorwaarde voor een structurele overgang. Inmiddels hebben 55 DJI-medewerkers daadwerkelijk de overstap gemaakt naar de Douane. Daarentegen is ook gebleken dat medewerkers die de opleiding met goed gevolg hebben afgerond, er alsnog voor kiezen om gebruik te maken van de terugkeergarantie.

Bij Reclassering Nederland zijn momenteel circa 50 DJI-medewerkers tijdelijk te werk gesteld. Er zijn afspraken gemaakt om daarnaast structurele functies open te stellen voor DJI-medewerkers.

Bij de Politie hebben inmiddels 10 DJI-medewerkers een opleidingsplaats aangeboden gekregen. Dit zullen er naar verwachting de komende tijd meer worden.

In het convenant met de RBO is afgesproken dat DJI in een vroegtijdig stadium de beschikking krijgt over vacatures die opengesteld gaan worden. De vacatures worden actief bekend gemaakt binnen DJI. Inmiddels wordt hier actief uitvoering aan gegeven, hetgeen heeft geresulteerd in een overstap van 78 DJI-medewerkers naar de RBO. Helaas heeft DJI in de afgelopen periode ook moeten constateren dat het grootste gedeelte van de functies bij de RBO niet als «passend» gezien kan worden voor DJI-medewerkers. Van passendheid is sprake als de functie op een gelijk salarisniveau zit. In de situatie waarin een medewerker al 6 maanden verplichte VWNW-kandidaat is, is een functie van maximaal 2 schalen lager eveneens passend.

Vraag 10:

De leden van de SP-fractie vragen of er bij de PI’s voor vrouwen in het uitstroombeleid specifiek rekening is gehouden met de verdeling van vrouwelijke en mannelijke PIW’ers. Dit gezien het feit dat in de vrouweninrichtingen rekening moet worden gehouden met taken waarvan het wenselijk is dat zij enkel uitgevoerd worden door vrouwelijke PIW’ers, zoals visiteren.

Antwoord op vraag 10:

Bij de uitvoering van het VWNW-beleid wordt geen rekening gehouden met de verdeling tussen mannelijke en vrouwelijke medewerkers. Vooralsnog zijn er geen signalen dat er tekorten (zullen) zijn bij vrouwelijke PIW’ers.

Vraag 11

De SP-fractieleden constateren verder dat de personele bezetting inmiddels is afgenomen met 1.000 fte sinds januari 2013 en ongeveer 200 DJI-medewerkers zijn tijdelijk dan wel structureel werkzaam bij een convenantpartner. Kan worden aangegeven hoeveel van de resterende 800 fte dankzij het van-werk-naar-werk-beleid aan een nieuwe baan zijn geholpen?

Antwoord op vraag 11:

Als gevolg van het natuurlijk verloop en de ingezette mobiliteitsmaatregelen, zoals de uitvoering van het Van Werk Naar Werk- beleid (VWNW), de selectieve vacaturestop en het vervangen van extern door intern personeel, is sinds begin 2013 tot en met september 2014 reeds een afname van de personele bezetting met meer dan 1.100 fte gerealiseerd. Van de vertrokken DJI-medewerkers, die niet naar een convenantpartner zijn overgegaan, is het overgrote deel uit dienst getreden vanwege natuurlijk verloop en door beëindiging van tijdelijke contracten. Deze uitstroom heeft een positief effect op de interne mobiliteit binnen DJI.

Vraag 12

De leden van de SP-fractie vragen wat de stand van zaken is van het van-werk-naar-werk-beleid? Is al zeker dat dit beleid na januari 2016 stopt? Wat gebeurt er dan met het personeel dat door de extra bezuinigingen na die datum zijn of haar baan verliest? Ziet de Staatssecretaris een mogelijkheid om dit beleid langer door te laten lopen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 12:

Het VWNW-beleid is het resultaat van de arbeidsvoorwaardelijke onderhandelingen van de Minister voor Wonen en Rijksdienst met de vakorganisaties. Een onderdeel van de afspraken over het VWNW-beleid is dat het beleid wordt geëvalueerd. Deze evaluatie is onlangs gestart. Afhankelijk van de bevindingen en de conclusies zal de Minister voor Wonen en Rijksdienst met de vakorganisaties tot afspraken komen over het VWNW-beleid. Daarbij is het mogelijk dat het VWNW-beleid al dan niet aangepast wordt gecontinueerd. Op de uitkomsten van de evaluatie en de afspraken tussen de Minister voor Wonen en Rijksdienst en de vakorganisaties kan niet worden vooruitgelopen. In het geval het VWNW-beleid expireert herleeft voor personeel bij reorganisaties de regelgeving en voorzieningen die vóór het VWNW-beleid golden.

Vraag 13:

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd naar de manier waarop het van-werk-naar-werk-beleid concreet wordt uitgevoerd. Worden leidinggevenden ook op de hoogte gehouden van de voortgang en de wensen van het personeel? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 13:

De leidinggevenden worden van de voortgang van de mobiliteitswensen van hun personeel op de hoogte gehouden. Dit begint al bij het eerste mobiliteitsgesprek, dat in aanwezigheid van de leidinggevende wordt gevoerd. Daarbij worden de loopbaanwensen en -mogelijkheden van de personeelsleden geïnventariseerd. In de vrijwillige fase van het VWNW-beleid worden de leidinggevenden ook zoveel mogelijk betrokken bij de mobiliteitsbegeleiding. Zo treden zij in die fase zoveel mogelijk op als trajectmanager. De leidinggevenden worden bij het begeleiden van de medewerkers terzijde gestaan door gespecialiseerde loopbaanprofessionals.

Vraag 15:

Het CDA vraagt naar aanleiding van het eerder gevoerde schriftelijk overleg om een actualisering van de 12.000 veroordeelden die vrij rondlopen, juist met het oog op de maatregelen die de regering heeft genomen (Kamerstuk 24 587, nr. 596, p.21).

Antwoord op vraag 15:

Op 5 november jl. heb ik met uw Kamer gesproken over de omvang van het aantal openstaande vrijheidsstraffen en maatregelen die ik tref om nieuwe openstaande vrijheidsstraffen te voorkomen. Ik heb toen aangegeven dat op basis van een uitgebreide analyse is vastgesteld dat van deze openstaande vrijheidsstraffen er ongeveer 2.500 vragen om een actieve en gerichte opsporing. De beschikbare opsporingscapaciteit wordt gericht ingezet op deze groep. Van de overige zaken (ongeveer 10.000) is vastgesteld dat opsporing niet mogelijk of gewenst is omdat het personen betreft die een nog openstaande straf van minder dan 120 dagen hebben waarbij geen indicatie is dat ze zich in Nederland bevinden. Deze personen worden uiteraard wel aangehouden indien zij in aanraking komen met de justitiële autoriteiten in Nederland. Het huidige aantal openstaande vrijheidsstraffen (peildatum 19 oktober 2014) is ongeveer gelijk aan het aantal openstaande vrijheidsstraffen waarover uw Kamer is geïnformeerd per brief van 2 juli 2014 (peildatum 1 april 2014).

Vraag 17:

Het CDA vraagt waarom de personele consequenties van de extra besparingsmaatregelen niet zijn benoemd in de betreffende brief voor het zomerreces (Kamerstuk 24 587, nr. 588)? De aan het woord zijnde leden vragen of de Staatssecretaris de voorgenomen maatregelen omtrent extra ontslagen voortaan in een keer volledig kan melden aan de Kamer.

Antwoord op vraag 17:

Bij de berekening van de in mijn brief van 19 september jl. genoemde personele gevolgen, namelijk een daling van de personeelsbehoefte ten opzichte van het Masterplan DJI, ben ik zo zorgvuldig mogelijk te werk gegaan. De meest actuele cijfers die pas bij de begrotingsvoorbereiding voor 2015 bekend werden, zijn hiervoor leidend geweest. In mijn brief aan uw Kamer van 30 juni jl.7 over de voortgang van het Masterplan DJI heb ik om die reden nog geen nieuwe aantallen kunnen noemen. Ik heb begrip voor de wens van uw Kamer om zo snel mogelijk geïnformeerd te worden bij nieuwe (personele) ontwikkelingen. Ik kan echter niet anders dan pas cijfers bekend maken, als deze goed doorgerekend zijn. Juist om meer onrust bij het personeel te voorkomen.

Vraag 20:

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief. Zij stellen vast dat het Masterplan DJI 2013–2018 zoals door de Kamer is behandeld, nadien steeds meer aangepast wordt door de Staatssecretaris. De Staatssecretaris verwijst naar een capaciteitsoverschot ten opzichte van het Masterplan uit juni 2013. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe de PMJ-raming van 2013 zo zeer kan verschillen van de PMJ-raming in 2014? Wat is er afgelopen jaar in het gevangeniswezen gebeurd dat het verschil oploopt tot ruim 700 plaatsen? Was dat geheel niet eerder voorzienbaar? Hoeveel marge op het capaciteitsoverschot blijft per 2015 over voor onvoorziene omstandigheden? Het capaciteitsoverschot noopt tot een aanpassing van de vigerende capaciteitsplanning voor het gevangeniswezen. Hoeveel fte wordt overbodig door het terugbrengen van het capaciteitsoverschot?

Vraag 40:

De D66-leden vragen of de Staatssecretaris kan toezeggen dat hij in aanvulling op de gestelde vragen in ieder geval voorafgaande aan de behandeling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2015 een volledig bezuinigingsbeeld naar de Kamer stuurt, inclusief personele gevolgen?

Antwoord op vraag 20 en 40:

Zoals bij uw Kamer bekend wordt in het kader van de begrotingsvoorbereiding jaarlijks de meerjarige behoefte aan sanctiecapaciteit aan de hand van de PMJ-ramingen opgesteld. De PMJ maakt gebruik van informatie uit de gehele strafrechtsketen ten behoeve van een ramingsperiode van zes jaar vooruit. Hierdoor wordt consistent gebruik van de informatie en samenhang in de justitieketen geborgd. Ramingen voor sanctiecapaciteit zijn in hoge mate afhankelijk van ontwikkelingen bij de andere ketenpartners. Ontwikkelingen die voorzienbaar zijn worden hierin meegenomen. Deze cyclus zorgt voor een jaarlijkse herijking van de ramingen. Al langere tijd is er sprake van een dalende behoefte aan detentiecapaciteit. In mijn brief van 30 juni jl. heb ik de achtergronden hiervan geschetst. Conform de Rijksbegroting 2015 bedraagt de reservecapaciteit in 2015 395 plaatsen, oplopend tot 616 in 2019. Het afgelopen jaar is door de dalende behoefte sprake geweest van een onderbenutting van de detentiecapaciteit. Alvorens hier meerjarige consequenties aan te kunnen verbinden, is het nodig de uitkomsten van de nieuwe PMJ-ramingen af te wachten. Zoals ik in mijn brief van 19 september jl. heb aangegeven, heeft de actuele daling in de capaciteitsbehoefte tot gevolg dat binnen het gevangeniswezen van DJI 180 fte zullen verdwijnen.

Vraag 21:

De leden van de D66-fractie lezen over de Breukelen-maatregelen dat de extra financiële problematiek van 60 miljoen euro wordt opgelost binnen het gevangeniswezen. Die maatregel kost DJI nog eens 740 fte extra. Dat betekent dat de extra ontslagen waar DJI nu mee geconfronteerd wordt oplopen naar 920 fte. Die besparing is dus niet alleen overcapaciteit maar ook een middel om een bezuinigingsopdracht te halen die het Ministerie van Veiligheid en Justitie niet langer kan en wil financieren. In hoeverre leidt deze bezuiniging tot een extra versobering van het gevangeniswezen? In hoeverre blijft de huidige maatstaaf voor personele gevangenisbezetting hiermee nog overeind. Deze leden denken daarbij aan het aantal DJI-medewerkers per gedetineerde, de capaciteit voor interne verplaatsingen van gedetineerden, garanties voor de interne veiligheid van het personeel en de gedetineerden zelf. Kan de Staatssecretaris garanderen dat de bezettingsgraad en de interne veiligheid op geen enkele wijze in het gedrang komen?

Antwoord op vraag 21:

De invoering van de Breukelen maatregelen leidt tot een efficiëntere inrichting van de bedrijfsvoering van het gevangeniswezen. Het huidige basis- en plusprogramma die het aantal activiteiten van gedetineerden bevatten, worden niet aangepast. Deze blijven met invoering van de Breukelen-maatregelen onveranderd. Besparingen zijn wel mogelijk, en worden doorgevoerd. Zo worden door een slimmere en efficiëntere inzet van het personeel onnodige kosten als toeslagen teruggebracht. Een ander winstpunt is het beter rekening houden met de zelfredzaamheid van gedetineerden en het noodzakelijke beveiligingsniveau. Dat kan ook betekenen dat de verhouding personeel-gedetineerden, waar dit vanuit veiligheidsoverwegingen verantwoord is, wordt aangepast. De veiligheid van medewerkers blijft altijd een randvoorwaarde om dergelijke veranderingen door te kunnen voeren. Zoals ik uw Kamer eerder heb gemeld monitort het gevangeniswezen de ontwikkeling van veiligheidsincidenten om de vinger aan de pols te houden en indien nodig maatregelen te kunnen nemen.

5. Overige vragen

Vraag 37:

Ten aanzien van de alternatieven voor het huidige stelsel van de volwassenreclassering, vraagt het CDA of het juist is dat in september 2014 een (hernieuwde) aanvraag van Info-Excellente voor een reclasseringserkenning is gedaan. Behalve de exacte details en reactie hierop van de Staatssecretaris, vragen deze leden ook of de criteria voor de erkenning nog eens nader uiteengezet kunnen worden in de nog te ontvangen brief over het reclasseringsstelsel. Daarnaast zijn deze leden ook benieuwd naar de wijze waarop de samenwerking tussen de huidige drie reclasseringsorganisaties verloopt en op welke wijze zij betrokken worden bij de herziening van de stelselherziening (Kamerstuk 24 587, nr. 596, p.43).

Antwoord op vraag 37:

Het klopt dat Info-Excellente eind september 2014 een (hernieuwde) aanvraag voor een reclasseringserkenning heeft ingediend. Ik heb deze aanvraag op 2 oktober jl. ontvangen en in behandeling genomen. In de brief over het reclasseringsstelsel die ik uw Kamer op 18 november jl. heb toegezonden ben ik hier nader op ingegaan. Naar aanleiding van de vragen van de leden van de CDA-fractie ben ik in deze brief tevens ingegaan op de eisen waar een organisatie aan moet voldoen om voor erkenning als reclasseringsorganisatie in aanmerking te komen, de samenwerking tussen de huidige drie reclasseringsorganisaties en de betrokkenheid van de drie reclasseringsorganisaties bij de verkenning naar het stelsel van de volwassenenreclassering.

Vraag 38:

De burgemeester van Amsterdam heeft op 3 oktober 2014 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Aan het eind van de brief roept de burgemeester op tot een (voortgezet) gesprek met de Staatsecretaris. De leden van de PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris in gaat op dat verzoek.

Antwoord op vraag 38:

Ja, ik heb inmiddels nogmaals met burgemeester Van der Laan gesproken.

Vraag 39:

Met betrekking tot de zogeheten e-mailprisoner vragen voornoemde leden van de CDA-fractie of deze service kostenneutraal zal zijn voor alle penitentiaire inrichtingen (Kamerstuk 24 587, nr. 596, p.29).

Antwoord op vraag 39:

E-mailprisoner is een tijdelijke oplossing, zolang het structurele systeem Zelf Bediening Justitiabelen (ZBJ) nog niet is ingevoerd. De administratieve lasten zijn met een huidig maximum van dertig berichten zo laag dat dit niet leidt tot significante meerkosten. De gedetineerden storten zelf een bedrag voor het gebruik van e-mailprisoner, waarna zij met dit tegoed een aantal e-mailberichten met stukprijs van € 0,35 kunnen verzenden.


X Noot
1

Kamerstuk 24 587, nr. 596, p.17.

X Noot
2

Kamerstuk 33 745, nr. 3

X Noot
3

Kamerstuk 33 844, nr. 3

X Noot
4

Kamerstuk 24 587, nr. 604

X Noot
5

Kamerstuk 24 587, nr. 603

X Noot
6

Motie Kooiman c.s., Kamerstuk 24 587, nr. 574

X Noot
7

Kamerstuk 24 587, nr. 588