Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201523432 nr. 399

23 432 De situatie in het Midden-Oosten

Nr. 399 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 23 april 2015

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Ministers van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de brief van 9 december 2014 inzake de evaluatie van de bilaterale samenwerkingsfora met Israël en de Palestijnse Gebieden (Kamerstuk 23 432, nr. 396).

De Ministers hebben deze vragen beantwoord bij brief van 22 april 2015. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Eijsink

De griffier van de commissie, Toor

Vraag 1

Is sinds de brief van 19 december 2014 al meer bekend over de opzet en invulling van de volgende samenwerkingsfora?

Vraag 2

Deelt u de mening dat de samenwerkingsfora niet alleen een stevige politieke component moeten hebben maar dat de bedrijfslevencomponent moet prevaleren, en aan Israëlische zijde ook in het bijzonder samenwerking met kennisinstellingen, ook als samenwerking met kennisinstellingen niet ook met Palestijnse partners gebeurt?

Vraag 46

Zijn de samenwerkingsfora vooral gericht op economische samenwerking tussen private en niet-gouvermentele actoren in de betrokken staten of ook als middel voor politieke samenwerking en zo ja hoe dragen projecten als het promoten van fietsen in Tel Aviv daaraan bij?

Antwoord op vragen 1, 2 en 46

Het kabinet is in overleg met Israël en de Palestijnse Autoriteit over de invulling en data voor de volgende fora, die in het najaar van 2015 in Nederland zullen worden georganiseerd. Beide partners hebben aangegeven groot belang te hechten aan de fora, en uit te kijken naar de komende edities. De samenwerkingsfora met zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit bevatten drie dimensies (government-to-government (inclusief politieke samenwerking), business-to-business en knowledge-to-knowledge) zonder hiërarchische relatie, die bijdragen aan de versterking en verdieping van de bilaterale relaties met Israël en de Palestijnse Autoriteit. Met zowel Israël als de Palestijnse Gebieden zal samenwerking worden gezocht op basis van beschikbare partners en mogelijkheden in de gekozen sectoren. De inzet is dat de volgende editie van de samenwerkingsfora opnieuw op het niveau van de Minister-President zal worden georganiseerd. Over de nadere invulling zijn nog geen concrete afspraken gemaakt.

Zie voor een voorbeeld van samenwerking met Palestijnse kennisinstellingen het antwoord op vraag 54.

Vraag 3

Welke onafhankelijke bronnen heeft u gebruikt voor uw evaluatie van de bilaterale samenwerkingsfora?

Vraag 16

Waarom meet Nederland niet zelf de eventuele successen en verbeterpunten van de fora aangezien het wel een belangrijke rol speelt als initiator en facilitator van de fora met belastinggeld en daardoor dus actief betrokken is bij en medeverantwoordelijk is voor de output en outcome van deze fora?

Antwoord op vragen 3 en 16

De evaluatie vormt de visie van het kabinet op de voortgang van de beide bilaterale samenwerkingsfora. Daarbij zijn voor Israël de resultaten meegenomen van de effectmeting die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) drie maanden na de economische missie in december 2013 heeft uitgevoerd. Voor de evaluatie zijn geen externe partijen ingeschakeld.

Vraag 4

Waarom ontbreekt in deze evaluatie de beloofde politieke en strategische analyse van de rol van de fora tegen de verslechterde achtergrond van het Midden-Oosten Vredesproces (MOVP)?

Vraag 6

Bent u, gezien de positieve stappen die u ziet uitgaan van de fora, in omgekeerde zin bereid om de fora ook aan te passen als deze positieve stappen ontbreken? Bent u momenteel wel bereid om conditionaliteit in te bouwen in de versteviging van de relatie?

Vraag 10

Zijn er criteria denkbaar waaronder u de fora zult heroverwegen? Zo ja, welke zijn dit?

Vraag 11

Waarom hebt u de evaluatie niet uitgevoerd conform de toezegging van voormalig Minister van Buitenlandse Zaken Timmermans? Waarom laat u de negatieve ontwikkelingen aan zowel Israëlische als Palestijnse zijde (geweld, nederzettingenbouw, corruptie, e.d.) buiten beschouwing bij de beoordeling van nut/noodzaak voortzetting van de bilaterale fora?

Vraag 89

Op welke wijze kunnen de bilaterale fora volgens het kabinet «bijdragen aan het scheppen van een gunstig klimaat voor hervatting van onderhandelingen», terwijl de Israëlische regering ongehinderd doorgaat met illegaal beleid dat een oplossing van het Israëlisch-Palestijns conflict op basis van twee staten existentieel bedreigt?

Antwoord vragen 4, 6, 10, 11 en 89

In de Kamerbrief over de evaluatie van de fora is uiteengezet dat de politieke context het afgelopen jaar is gewijzigd als gevolg van het vastlopen van de MOVP-onderhandelingen. Tevens geeft de evaluatie aan dat het kabinet van mening is dat de fora een nuttig instrument zijn om het Nederlandse beleid ten aanzien van het MOVP op praktische wijze te ondersteunen, ook onder minder gunstige omstandigheden. Dankzij de goede toegang die Nederland tot beide partijen heeft mede als gevolg van de investering in de bilaterale relaties via de samenwerkingsfora, is Nederland op vele terreinen een partner waar serieus naar wordt geluisterd, in het bijzonder ten aanzien van movement & access, maar ook van innovatie, landbouw, counter-terrorism en energie. Dat heeft het kabinet in staat gesteld een kritische beleidsdialoog te voeren ten aanzien van het Midden-Oosten Vredesproces. Op die wijze probeert Nederland, ook nu er geen sprake is van voortgang in de onderhandelingen, via de fora een bijdrage leveren aan het scheppen van een klimaat, waarin hervatting van onderhandelingen mogelijk is. Hierbij is het onder meer van belang de Palestijnse economie te versterken, onder andere via de containerscanners en het bevorderen van handel. Tevens probeert het kabinet door middel van trilaterale verzoeningsprojecten hieraan bij te dragen. De pragmatische en flexibele opzet biedt voldoende ruimte om in te spelen op de actuele politieke situatie. In een gesprek met de Minister van Buitenlandse Zaken op 1 april jl. heeft diens Palestijnse ambtsgenoot Malki gewezen op het grote belang van de fora.

Het kabinet wil daarbij onderstrepen dat de bilaterale relaties die Nederland heeft met zowel Israël als de Palestijnse Gebieden niet vernauwd kunnen worden tot het conflict tussen hen beide. De bilaterale relaties met beide, hoewel verschillend van aard, zijn breder en rijker geschakeerd en dienen tevens ter behartiging van Nederlandse belangen in de regio, net zoals ook andere landen hun bilaterale betrekkingen met Israël en de Palestijnse Gebieden breder interpreteren dan alleen het MOVP.

Vraag 5

Welke concrete additionele bijdrage leveren de fora voor Nederland ten aanzien van het MOVP?

Vraag 17

Hebben de bilaterale fora een constructieve bijdrage geleverd aan vrede tussen Israël en de Palestijnse Gebieden?

Vraag 79

In hoeverre en op welke manier dragen de bilaterale fora bij aan het scheppen van een gunstig klimaat voor hervatting van onderhandelingen? Hebben de bilaterale fora reeds bijgedragen aan het scheppen van een gunstig klimaat voor hervatting van de onderhandelingen?

Vraag 80

Kunt u de zinsnede uit de brief toelichten die stelt dat «Nederland via de bilaterale fora [kan] bijdragen aan het scheppen van een gunstig klimaat voor hervatting van onderhandelingen» voor vrede en een tweestatenoplossing tussen Israël en Palestina?

Vraag 83

Kan worden toegelicht hoe de samenwerkingsfora een nuttig instrument zijn gebleken om het Nederlandse beleid ten aanzien van het Midden-Oosten Vredesproces op praktische wijze te ondersteunen?

Vraag 85

Waaruit blijkt dat de intensivering van de bilaterale betrekkingen met Israël de Israëlische regering in de lopende kabinetsperiode heeft bewogen tot aanwijsbare stappen die een levensvatbare tweestatenoplossing dichterbij brengen en vrede bevorderen?

Vraag 86

Beschikt het kabinet over concrete aanwijzingen dat de «goede toegang tot op de hoogste ambtelijke en politieke niveaus», waarover het kabinet dankzij de samenwerkingsfora zegt te beschikken, ertoe heeft geleid dat de Israëlische regering de bezwaren van het kabinet tegen haar illegaal beleid dat vrede bedreigt serieus neemt? Zo ja, wat zijn deze aanwijzingen?

Vraag 88

Kunt u voorbeelden geven van landen die niet zijn overgegaan tot intensivering van de bilaterale relaties met Israël en de Palestijnse Autoriteit en desondanks een kritische beleidsdialoog in het kader van het Midden-Oosten vredesproces met beide partijen voeren?

Antwoord op vragen 5, 17, 79, 80, 83, 85, 86 en 88

De bilaterale samenwerkingsfora zijn bedoeld om de bilaterale betrekkingen in brede zin met zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit te verdiepen. Zij bieden tevens nadrukkelijk gelegenheid voor politieke consultaties, waarbij ook het MOVP op de agenda staat. Het gaat om een structurele investering in relaties, netwerken en contacten, die op hun beurt de Nederlandse diplomatie de benodigde ruimte en goodwill verschaffen om een constructieve rol te spelen voor ondersteuning in brede zin van de totstandkoming van een twee-statenoplossing, zoals de Kamer dit ook van het kabinet verwacht. Dankzij de goede toegang die Nederland bij beide partijen geniet als gevolg van deze investering in de bilaterale relaties middels de samenwerkingsfora, is Nederland op vele terreinen een gesprekspartner waar serieus naar wordt geluisterd, in het bijzonder ten aanzien van movement & access, maar ook van innovatie, landbouw, counter-terrorism en energie. Dat heeft het kabinet in staat gesteld een kritische beleidsdialoog te voeren in het kader van het Midden-Oosten Vredesproces, ook onder minder gunstige omstandigheden. Goede bilaterale betrekkingen met beide partners leiden echter niet vanzelfsprekend tot een oplossing van het weerbarstige Israëlisch-Palestijnse conflict.

Vraag 7

Deelt u de mening dat de Israëlische voortgang van nederzettingenbouw op gespannen voet staat met de intensivering van de relatie die u met de fora realiseert?

Antwoord

Het kabinet zet de goede betrekkingen met Israël in om kritische boodschappen over te brengen. Zo spreekt kabinet de Israëlische regering consequent aan op de nederzettingen en wijst erop dat haar nederzettingenbeleid de twee-statenoplossing ondermijnt. Het kabinet zal de nieuwe Israëlische regering beoordelen op haar daden.

Vraag 8

Voor hoe lang worden de fora op dit moment voortgezet?

Antwoord

De uitvoering van de beide Joint Statements kent geen einddatum. Bijeenkomsten van de fora vinden iedere twee jaar plaats. Zoals aangegeven in de evaluatie acht het kabinet het van belang om de follow-up structuur van de fora open en flexibel te houden.

Vraag 9

Wanneer volgt de volgende evaluatie?

Antwoord

Vooralsnog is geen nieuwe evaluatie aan de Kamer voorzien.

Vraag 12

Vindt u dat de samenwerkingsfora evenredig bijdragen aan de Israëlische ontwikkeling en belangen enerzijds, en de ontwikkeling en belangen van de Palestijnen anderzijds?

Vraag 25

Hoe verhouden de resultaten van beide fora zich tot elkaar? Zijn de resultaten qua (financiële) omvang, diepgang en breedte met elkaar te vergelijken?

Vraag 63

Is bij de oprichting en invulling van de samenwerkingsfora gehandeld naar het volgende uitgangspunt van voormalig Minister van Buitenlandse Zaken Timmermans: «We doen niets met Israël wat we niet ook doen met de Palestijnen... Als het met de een niet lukt, gaat het met de ander ook niet»? (zie (Handelingen II 2012/13, nr. 37, item 7)

Vraag 76

Zijn de samenwerkingsfora en Joint Statements met Israël en de Palestijnse gebieden met elkaar in balans? Of levert het samenwerkingsforum Israël meer op dan de Palestijnse Gebieden? Als ze niet met elkaar in balans zijn, wat bent u dan van plan daaraan te doen?

Antwoord op vragen 12, 35, 63 en 76

Elk van beide fora is opgezet in nauw overleg met de respectievelijke partner, Israël en de Palestijnse Autoriteit. Aangezien de beide economieën zeer verschillend zijn, is de inhoud van beide fora ook verschillend. Door deze gedifferentieerde aanpak kunnen beide fora inspelen op de verschillende behoeften binnen de bilaterale relaties die Nederland onderhoudt met zowel Israël als de PA. Juist hierdoor worden de fora door beide partners zeer gewaardeerd. Dat neemt niet weg dat de beide fora op hetzelfde niveau, met hetzelfde overkoepelende thema van «innovatie» en met dezelfde drie dimensies (government-to-government (inclusief politieke samenwerking), business-to-business en knowledge-to-knowledge) worden georganiseerd.

Vraag 13

Op welke wijze rijmt u dat het kabinet «uitdrukkelijk [heeft] gekozen voor een pragmatische benadering met de nadruk op praktische en technische bilaterale samenwerking», met de eerdere uitspraak van het kabinet dat binnen de samenwerkingsfora daarnaast «gelegenheid [is] om op politiek niveau over bilaterale en regionale kwesties te spreken»?

Antwoord

De samenwerkingsfora bestaan uit drie componenten: government-to-government; business-to-business; en knowledge-to-knowledge. De eerste component biedt gelegenheid op politiek niveau over bilaterale en regionale kwesties te spreken.

Vraag 14

In hoeverre en op welke wijze overlappen de samenwerkingsfora andere bilaterale kanalen tussen Nederland en Israel en de Palestijnse Autoriteit?

Antwoord

De samenwerkingsfora vormen een verdieping en versterking van de reeds bestaande bilaterale kanalen met Israël en Palestijnse Autoriteit.

Vraag 15

Wat zijn naast de voornamelijk op output niveau gedefinieerde doelstellingen van de samenwerkingsfora de gewenste en geplande doelstellingen op outcome niveau?

Antwoord

Doelstelling van de fora is het versterken en verdiepen van de bilaterale relaties met Israël en de Palestijnse Autoriteit door middel van het bieden van een raamwerk voor de financiering en facilitering van diverse activiteiten, zoals uiteengezet in beide Joint Statements. Dat raamwerk is in belangrijke mate gericht op het initiëren en cultiveren van initiatieven door de private sector, kennisinstellingen en maatschappelijk middenveld; de verdere invulling en opvolging is daarvan afhankelijk. Voor het bepalen van resultaten is een instrument als de effectmeting van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) behulpzaam. De resultaten van de OS-gerelateerde onderdelen worden meegenomen in de rapportage over de resultaten van de Nederlandse inzet op de prioritaire thema’s van ontwikkelingssamenwerking die de Kamer jaarlijks toegaat. Voor wat betreft de doelstellingen van de politieke dialoog in het kader van de fora wordt verwezen naar het antwoord op vragen 5, 17, 79, 80, 83, 85, 86 en 88.

Vraag 18

Verwelkomt de Palestijnse Autoriteit de intensivering van economische, politieke en militaire samenwerking tussen Nederland en Israël, terwijl Israël de Palestijnse economie met restrictieve maatregelen jaarlijks een miljardenschade toebrengt en de stichting van een soevereine en levensvatbare Palestijnse staat actief en bewust tegenwerkt?

Antwoord

De Palestijnse Autoriteit (PA) ziet het bilaterale forum met Nederland als een bevestiging van de goede relaties en de verdieping ervan. Net zozeer als de PA het eigen forum als een bilaterale aangelegenheid beschouwt, ziet zij het forum met Israël als een bilaterale aangelegenheid tussen Nederland en Israël. Wel dringt de PA erop aan de betrekkingen met Israël te beperken tot de grenzen van 1967.

Vraag 19

Delen Israël en de Palestijnse gebieden de visie van het kabinet dat de bilaterale samenwerkingsfora met Nederland een constructieve bijdrage leveren aan het Midden-Oosten Vredesproces? Of benaderen zij de samenwerkingsfora puur op een bilaterale manier?

Antwoord

Beide samenwerkingspartners beschouwen de fora als bilaterale evenementen, die tevens nadrukkelijk gelegenheid bieden voor politieke consultaties, waarbij ook het MOVP op de agenda staat.

Vraag 20

Is het voor vertegenwoordigers van NGO’s en andere organisaties in het maatschappelijke middenveld ook mogelijk om deel te nemen aan de samenwerkingsfora? Zo ja, wordt deze groep actief door u gestimuleerd om deel te nemen?

Antwoord

De fora zijn bedoeld om zakenmensen, wetenschappers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld bijeen te brengen. Het overkoepelend thema van de beide samenwerkingsfora is «innovatie», wat benadrukt dat de samenwerking toekomstgericht en vernieuwend beoogt te zijn. Vertegenwoordigers van in dat opzicht relevante maatschappelijke organisaties nemen op uitnodiging deel aan desbetreffende evenementen in het kader van de bilaterale fora.

Vraag 21

Welke 45 bedrijven en welke 15 kennisinstellingen maakten deel uit van de economische missie naar de Palestijnse Gebieden?

Antwoord

Op basis van de definitieve deelnemerslijst hebben de volgende 56 bedrijven en instellingen hebben deelgenomen aan de economische missie naar de Palestijnse Gebieden in december 2013: 42windmills, Agromoes, Agrotechnology & Food Sciences Group, Amstel Gooi en Vecht, Arc of Noah, Avisi BV, Berenschot International, Bureau Leeters, Comixus Telecommunicatie & Netwerken BV, Dayview, Delft University of Technology, Elektor International Media, Energy Academy Europe, Feitsma Seed Potato Farm, Global Risk Consult, Global Gas Network Initiative, Hak&Partners BV, Holland Dredging Israel, HortiAlliance, IHS / Erasmus University, Institute for Urban Development/Erasmus University, INTERESBA, KPMG Accountants N.V., Kronenburg BV, Lighthouse IP, Living Foods, Maastricht School of Management, Magnatech International BV, Metropolitan Food Security, Merford Special Doors B.V., Netherlands Water Partnership, ORTEC, PNS Nitrogen Services B.V., Province of Drenthe, Social Sciences Group Wageningen University, State Supervision of Mines, Stork Food & Dairy Systems B.V., SunCycle Holding nv, Tebodin Netherlands, The Hague Institute for Global Justice, Tideway bv, TNO, Topsector Agri&Food International, Two Tube, UNESCO-IHE, University of Groningen center of entrepreneurship, University of Twente, VanDrie Group, Vewin, Vitens-Evides International, Wageningen University, WaterFocus, Wetskills, Wetsus, Witteveen+Bos, World Waternet.

Vraag 22

Welke 60 bedrijven en welke 15 kennisinstellingen maakten deel uit van de economische missie naar Israël?

Antwoord

Op basis van de definitieve deelnemerslijst hebben de volgende 65 bedrijven en instellingen hebben deelgenomen aan de economische missie naar de Palestijnse Gebieden in december 2013: 42windmills, Agromoes, Agrotechnology & Food Sciences Group, Amstel Gooi en Vecht, Arc of Noah, Avisi BV, Berenschot International, Centre of Competence Paper and Board, Chamber of Commerce Nederland Israël, Comixus Telecommunicatie & Netwerken BV, Dayview, Dr Ten, Delft TU, Elektor International Media, Energy Academy Europe, Feitsma Seed Potato Farm, Global Risk Consult, Global Gas Network Initiative, Hak&Partners BV, Holland Dredging Israel, HortiAlliance, IHS / Erasmus University, Institute for Urban Development/Erasmus University, INTERESBA, Israel Innovations, KPMG Accountants N.V., Kronenburg BV, Kurtz Marketing & Management, Lely Holding sarl, Living Foods, Maastricht School of Management, Magnatech International BV, Marel Stork Poultry Processing B.V., Metropolitan Food Security, Merford Special Doors B.V., Netherlands Water Partnership, ORTEC, PNS Nitrogen Services B.V., Province of Drenthe, Rabobank, Social Sciences Group Wageningen University, SOL Marketing Europe, State Supervision of Mines, Stork Food & Dairy Systems B.V., STW, SunCycle, Tebodin Netherlands, The Vincent Hotel Group, Tideway bv, TNO, Topsector Agri&Food International, Two Tube, UNESCO-IHE, University of Groningen center of entrepreneurship, University of Twente, VanDrie Group, Vewin Association of Dutch Water Companies, Wageningen University SSG, Wageningen UR, Water board Aa and Meuse, WaterFocus, Wetskills, Wetsus, Witteveen+Bos, World Waternet.

Vraag 23

«De Minister van Buitenlandse Zaken heeft gedurende het jaar enkele malen bilateraal overleg gevoerd met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Lieberman en met zijn Palestijnse evenknie Al Malki.» Die gesprekken zijn van groot belang. Gesprekken op niveau van regeringsleiders hebben echter mogelijk gemaakt dat bijvoorbeeld het Israëlische bedrijf ICL een vestiging in Amsterdam besloot te openen, en ook te laten openen door de Nederlandse Minister-President. Kunt u garanderen dat gesprekken ook structureel op het allerhoogste politieke niveau, en dus op het niveau van regeringsleiders, gaan worden gevoerd in de toekomst in het kader van de samenwerkingsfora?

Antwoord

Bilaterale contacten vinden op alle niveaus plaats. Minister-President Rutte heeft bij diverse gelegenheden gesprekken gevoerd met premier Netanyahu, President Abbas en premier Hamdallah. Dit zal ook in de toekomst het geval zijn. De inzet is dat de volgende editie van de samenwerkingsfora opnieuw op het niveau van de Minister-President zal worden georganiseerd.

Vraag 24

Klopt het dat de samenwerkingsfora nog niet op de zogeheten «uitgebreide dienstverlening» van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) kunnen rekenen? Deelt u de mening dat in het licht van de aangenomen motie-Van der Staaij c.s. de samenwerkingsfora ook op uitgebreide dienstverlening van de RVO moeten kunnen aanhaken? Is het kabinet voornemens daar iets aan te doen?

Antwoord

Israël en de Palestijnse Gebieden staan niet op de zogeheten landenlijst voor «uitgebreide dienstverlening». De motie-Van der Staaij heeft betrekking op economische relaties en samenwerking tussen Nederlandse en Israëlische bedrijven en instellingen. Op dit moment wordt bezien of Israël voldoet aan de criteria om wel op deze lijst geplaatst te kunnen worden.

Vraag 26

Hebben Israëlische bedrijven en instellingen etc. die vestigingen hebben in of anderszins actief zijn in de illegale nederzettingen op enigerlei wijze deelgenomen aan (activiteiten van) het samenwerkingsforum? Zo ja, welke?

Vraag 27

Hoe is erop toegezien dat voorkomen wordt dat illegale nederzettingen profiteren van (activiteiten van) het samenwerkingsforum?

Vraag 42

Stelt u de Israëlische bedrijven op de hoogte van het Nederlandse ontmoedigingsbeleid voor investeringen in joodse nederzettingen en houdt u hen voor geen banden met de joodse nederzettingen te onderhouden? Indien neen, waarom niet? Zo ja, wat is de reactie van Israëlische firma’s hierop? Kunt u dat toelichten?

Vraag 65

Kunt u aangeven hoe het ontmoedigingsbeleid dit jaar verder vorm krijgt? Kunt u een overzicht geven van de effecten van het ontmoedigingsbeleid?

Vraag 90

Op welke wijze monitort het kabinet dat activiteiten voortvloeiende uit het Nederlands-Israëlisch samenwerkingsforum geen bijdrage leveren aan het nederzettingenbeleid, of aan andere ernstige schendingen van het internationaal recht? Welke rol spelen de Nederlandse ambassade in Israël, resp. de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging bij de Palestijnse Autoriteit, in dat verband?

Vraag 91

Zal het ontmoedigingsbeleid, waarmee het kabinet waarborgt dat Nederland geen steun verleent aan het illegale nederzettingenbeleid, ook worden toegepast op de volgende editie van de samenwerkingsfora, conform toepassing van dit beleid op en tijdens de samenwerkingsfora in december 2013?

Vraag 94

Deelt u de opvatting dat in het licht van de gewijzigde context het noodzakelijk is het ontmoedigingsbeleid aan te scherpen? Zo ja, hoe zult u dat vormgeven? Indien neen, waarom niet?

Antwoord op vragen 26, 27, 42, 45, 65, 90, 91 en 94

De Nederlandse overheid ontmoedigt al jaren economische relaties met bedrijven in Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns gebied. Indien Nederlandse bedrijven aankloppen bij de overheid, worden zij over dit beleid geïnformeerd. De Nederlandse overheid verleent geen diensten aan Nederlandse bedrijven waar het gaat om activiteiten die zij ontplooien in of ten behoeve van Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns gebied. Daarnaast informeert zij Nederlandse bedrijven actief in gevallen waarbij zij zelf is betrokken, zoals het bilaterale samenwerkingsforum met Israël. Het kabinet heeft geen overzicht van de effecten van het ontmoedigingsbeleid.

Het beleid is van toepassing op activiteiten van Nederlandse bedrijven als die direct bijdragen aan de aanleg en instandhouding van nederzettingen of als die de aanleg of instandhouding ervan direct faciliteren. Het gaat hierbij om activiteiten in nederzettingen, activiteiten met bedrijven gevestigd in nederzettingen en activiteiten buiten nederzettingen die ten gunste komen aan nederzettingen. In gevallen waarin op voorhand niet duidelijk is of een activiteit ten gunste komt van nederzettingen raadt het kabinet desgevraagd Nederlandse bedrijven aan het gesprek aan te gaan met het desbetreffende Israëlische bedrijf. Een aanpassing van dit beleid is niet aan de orde.

Het beleid zal onverkort worden toegepast bij de volgende editie van het samenwerkingsforum met Israël. Aan het forum met Israël nemen alleen Israëlische bedrijven deel die gevestigd zijn in Israël (binnen de grenzen van 1967) en wier activiteiten in het kader van het samenwerkingsforum ook binnen die grenzen worden uitgevoerd. Daartoe vindt in het kader van het samenwerkingsforum met Israël een screening plaats van Israëlische bedrijven die zich voor deelname aanmelden.

Vraag 28

Waarom noemt u de bezoeken van 7-9 december 2013 «geslaagde bezoeken», terwijl er duidelijk minder geslaagde kanten zaten aan het bezoek, te denken valt aan het afgezegde bezoek aan Mekorot, het door de Minister van Buitenlande Zaken afgezegde bezoek aan Hebron en het niet openen van de containerscanner door de Minister-President?

Vraag 29

Kunt u aangeven in hoeverre dit bezoek heeft geleid tot diplomatieke schade en of en hoe deze schade is hersteld?

Antwoord op vragen 28 en 29

Zie de Kamerbrief met het verslag van de bezoeken aan de Palestijnse Gebieden en Israël in het kader van de lancering van de bilaterale samenwerkingsfora met beide partijen van 20 december 2013 (Kamerstuk 23 432, nr. 357) en de antwoorden op de Kamervragen over dit verslag van 7 februari 2014 (Kamerstuk 23 432, nr. 359).

Vraag 30

Hoe zijn de contacten momenteel tussen de Nederlandse overheid (zowel landelijk als decentraal) en Mekorot?

Vraag 31

Ziet u kans om de banden met Mekorot aan te halen door alsnog een bezoek te brengen aan dit bedrijf? Zo nee, waarom niet?

Vraag 32

Ziet u kans om (deels gestopte) samenwerking tussen Nederlandse overheidsinstellingen en Mekorot weer op gang te helpen overeenkomstig de motie-Van der Staaij/Voordewind over het aanmoedigen van economische relaties tussen Nederlandse en Israëlische bedrijven? Zo ja, op welke manier?

Antwoord op vragen 30–32

De Nederlandse overheid en Mekorot werken samen en de contacten zijn goed. Nederland financiert het Middle East Desalination Research Center (multilateraal technisch forum op het gebied van waterontzilting en hergebruik van water dat voortkomt uit de Oslo-akkoorden). Via dit initiatief ontvangen Palestijnen en Jordaniërs technische training bij Mekorot. Daarnaast ondersteunt Nederland het EXACT programma, een academisch samenwerkingsverband voortkomend uit de Oslo-akkoorden dat bijdraagt aan samenwerking op het gebied van gezamenlijk waterbeheer in aanloop naar een finaal statusakkoord. EXACT is gericht op samenwerking tussen Israëliërs, Jordaniërs en Palestijnen. De Ambassade in Tel Aviv en de Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah hebben eind 2014 afsluitende seminars bijgewoond van dit programma waarbij Mekorot een belangrijke partner was. Indien opportuun geacht in het kader van concrete «business opportunities» kan een bezoek aan Mekorot nuttig zijn.

Vraag 33

Betreurt u het feit dat het Israëlische bedrijf Elbit, dat zich netjes aan alle internationale regels houdt, is weg-geïntimideerd van de wapenbeurs in Ahoy?

Antwoord

Naar aanleiding van protesten van maatschappelijke organisaties heeft het Israëlische bedrijf Elbit Systems zelfstandig besloten met een folderstand deel te nemen aan de defensie- en veiligheidsbeurs en geen systemen te tonen.

Vraag 34

Op welke wijze is dit kabinet van plan het activisme van de Boycott, Divestment and Sanctions Movement (BDS) (dat vrijwel altijd hand in hand gaat met antisemitisme en intimidatie) aan te pakken, zodat Israëlische bedrijven, organisaties en artiesten Nederland niet uit veiligheidsoverwegingen zullen mijden?

Antwoord

Het kabinet is tegenstander van een boycot tegen Israël en spant zich in voor versterking van de bilaterale economische betrekkingen met dit land. Het kabinet ondersteunt niet de internationaal georganiseerde oproep tot Boycot Divestment and Sanctions (BDS).

Vraag 35

Welke mogelijkheden ziet u, naast de al bestaande initiatieven en contacten, voor verdere handelsbevordering met Israël?

Antwoord

Kansen voor intensivering van de economische relatie met Israël liggen vooral op het gebied van innovatie (life sciences and health, agro-food, high-tech en start-ups), investeringen, cyber en energie en gas.

Vraag 36

Zijn de Joint Statements die met de Palestijnse Autoriteit en met Israël zijn opgesteld openbaar? Zo ja, waar kan de Kamer deze vinden? Zo nee, kunt u de Kamer de Joint Statements sturen?

Antwoord

De Joint Statements zijn als bijlage bij deze brief gevoegd1.

Vraag 37

Klopt het dat in het Joint Statement met Israël staat: «The Netherlands gladly continues to represent Israel in the Boards of the International Monetary Fund and the World Bank»? Kunt u hier een toelichting op geven? Is dit een gebruikelijke constructie? Heeft Nederland vrijwillig voor de vertegenwoordiging van Israël bij het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank gekozen? Hoe lang is die vertegenwoordiging van Israël al het geval?

Antwoord

In het Joint Statement met Israël staat inderdaad dat «The Netherlands gladly continues to represent Israel in the Boards of the International Monetary Fund and the World Bank». Het aantal stoelen in de raad van bewindvoerders van het IMF en de Wereldbank is beperkt, waardoor de meeste bewindvoerders meerdere landen vertegenwoordigen. De kleinere en middelgrote landen vormen dan een kiesgroep zodat ze gezamenlijk voldoende stemgewicht hebben in de raad. Nederland vertegenwoordigt op dit moment in die hoedanigheid veertien andere landen bij het Internationaal Monetair Fonds en twaalf andere landen bij de Wereldbank, waaronder Israël. Landen die geen stoel in de raad hebben, kiezen zelf tot welke kiesgroep zij willen toetreden en door welke bewindvoerder zij zich willen laten vertegenwoordigen. In de praktijk wordt uiteraard over toetreding wel overleg gevoerd met de bestaande kiesgroep omdat de kiesgroep zelf intern bepaalt hoe de vertegenwoordiging is georganiseerd. In 1954 is Israël toegetreden tot de Nederlandse kiesgroep. De samenwerking met Israël binnen het IMF en de Wereldbank verloopt sindsdien naar wederzijdse tevredenheid.

Vraag 38

Is het mogelijk dat Nederland behalve Israël ook Palestina bij het IMF en de Wereldbank gaat vertegenwoordigen? Is Nederland bereid om te proberen dat te doen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

De Palestijnse Autoriteit is geen lid van het Internationaal Monetair Fonds of de Wereldbank. Een dergelijke vertegenwoordiging is daarmee niet aan de orde.

Vraag 39

Kunt u een overzicht geven van de Israëlische bedrijven die zich in Nederland willen vestigen, als (co-)investeerder of anderszins?

Vraag 40

Met welke Nederlandse gemeenten wordt samengewerkt om Israëlische bedrijven tot investeringen te bewegen? Kunt u daarvan een overzicht geven?

Antwoord op vragen 39 en 40

De overheid houdt geen overzicht bij van bedrijven die in Nederland willen investeren en van gemeenten waarmee wordt samengewerkt.

Vraag 41

Is de vestiging van Israëlische bedrijven in Nederland een rechtstreeks gevolg van het samenwerkingsforum of zijn er andere aanleidingen voor deze bedrijven? In geval er andere aanleidingen zijn, om welke gaat het dan?

Antwoord

De economische diplomatie in het kader van het Samenwerkingsforum heeft hieraan een belangrijke impuls gegeven. Uiteindelijk heeft het gunstige investeringsklimaat in Nederland de doorslag gegeven.

Vraag 43

Kunt u aangeven welke economische redenen er voor Israel Chemicals (ICL) zijn om zich in Amsterdam te vestigen? Heeft de gemeente Amsterdam een directe of indirecte financiële bijdrage gedaan? Zo ja, welke middelen betrof dit? Heeft ICL Amsterdam om (gunstige) belastingtechnische redenen Nederland als Europees hoofdkwartier gekozen? Indien neen, wat zijn dan de redenen voor ICL om naar Amsterdam te komen? (zie: http://www.globes.co.il/en/article.aspx?did=1001005635&from=iglobes).

Vraag 44

Hebt u kennis genomen van de verzoeken van Knesset lid Dov Khanin aan een Israëlische commissie voor herziening van belasting op grondstoffen om ICL te doen bewegen fatsoenlijke belastingen te betalen? Kunt u uitsluiten dat ICL om belastingtechnische redenen naar Amsterdam is gekomen? Zo ja, om welke redenen is ICL dan gekomen? (zie: http://www.jpost.com/Israel-News/Politics-And-Diplomacy/Dov-Hanin-pens-letter-to-Sheshinski-imploring-committee-not-to-cave-into-ICL-pressure-375337).

Antwoord op vragen 43 en 44

Een van de redenen waarom buitenlandse bedrijven Nederland als vestigingsplaats kiezen is vanwege het gunstige belastingklimaat. Dit heeft ook een rol gespeeld bij de keuze van ICL voor Amsterdam. Daarnaast hebben ook andere factoren meegespeeld bij de keuze voor Amsterdam zoals: een internationaal centrum van economische activiteit, een hoge kwaliteit van dienstverlening, uitstekende infrastructuur, hoopopgeleide vakmensen en een aantrekkelijke woonomgeving. De gemeente Amsterdam heeft geen directe financiële bijdrage geleverd.

Vraag 45

Hoe wordt gegarandeerd dat de samenwerkingsfora passen binnen de Europese afspraken (de EU-guidelines) dat in de samenwerking met Israel en de Palestijnse Gebieden expliciet de illegale nederzettingen op de Westbank en Oost-Jerusalem moeten worden uitgesloten en deze niet mogen worden ondersteund?

Antwoord

Het opstellen van de guidelines (richtsnoeren) subsidiabiliteit is een beslissing van de Europese Commissie naar aanleiding van de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van mei en december 2012). Deze richtsnoeren zijn per 1 januari 2014 inwerking getreden. Zij bepalen dat Israëlische entiteiten in aanmerking kunnen komen voor EU-subsidies indien zij zijn geregistreerd in Israël (waarbij de grenzen van voor 1967 worden aangehouden) en dat de te subsidiëren activiteiten ook binnen die grenzen moeten worden uitgevoerd. De richtsnoeren zijn niet juridisch verbindend en vormen een leidraad voor het eigen handelen van de Europese Commissie. Hoewel de EU richtsnoeren subsidiabiliteit dus niet direct van toepassing zijn op de bilaterale samenwerkingsfora, sluiten deze richtsnoeren aan bij het Nederlandse beleid ten aanzien van illegale Israëlische nederzettingen in bezet gebied.

Vraag 47

Hoe verhoudt zich de lopende en beoogde samenwerking tussen Nederland en Israël op het terrein van ontwikkelingssamenwerking in derde landen tot het feit dat Israël duurzame ontwikkeling in de bezette Palestijnse gebieden actief belemmert en ondermijnt?

Vraag 48

Hoe verhoudt zich de lopende en beoogde samenwerking tussen Nederland en Israël op het terrein van ontwikkelingssamenwerking in derde landen tot het feit dat Israël veel Europese ontwikkelingsprojecten, waaronder Nederlandse, in de bezette Palestijnse gebieden belemmert en enkele projecten heeft vernield?

Antwoord op vragen 47 en 48

Samenwerking binnen het domein van ontwikkelingssamenwerking is een van de onderwerpen in het Joint Statement tussen Nederland en Israël. Het samenbrengen van ervaring en expertise uit Israël en Nederland ten behoeve van ontwikkeling van een derde land (waarbij momenteel de meeste kansen lijken te bestaan in Ethiopië en Ghana, zie ook antwoord op vraag 49) staat los van de kwestie van de Israëlische bezetting van Palestijns gebied.

Vraag 49

Welke derde landen worden uitgenodigd om met Israël en Nederland samen te werken? Kunt u toelichten, waarom deze landen worden gevraagd? Is al duidelijk of deze genodigden wensen deel te nemen? Indien ze niet wensen deel te nemen, waarom niet?

Antwoord

In goed overleg met Israël is gekeken naar de landen waar zowel Israël als Nederland actief zijn en waar samenwerking snel van start zou kunnen gaan. De meeste kansen lijken te bestaan in de sectoren water (irrigatie) in Ethiopië en voedselzekerheid (tuinbouw) in Ghana. De Nederlandse ambassades zijn in contact met hun Israëlische collega’s ter plekke om gezamenlijk de mogelijkheden in kaart te brengen en ideeën verder uit te werken in overleg met betrokken landen. Uitgangspunt van deze samenwerking is en blijft dat op basis van gelijkwaardigheid een activiteit wordt uitgevoerd.

Vraag 50

Hoeveel Nederlandse bedrijven hebben daadwerkelijk in Palestijnse gebieden geïnvesteerd sinds het begin van het Samenwerkingsforum met de Palestijnse gebieden?

Antwoord

Het kabinet houdt geen overzicht bij van investeringen van Nederlandse bedrijven in andere landen.

Vraag 51

Met welke belemmeringen of onzekerheden door Israëlisch beleid worden Palestijnse autoriteiten en projectontwikkelaars geconfronteerd bij de bouw en ontwikkeling van de Palestijnse stad Rawabi, die Nederland, onder meer via de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), wenst te stimuleren?

Antwoord

Rawabi dient voor de leverantie van water aangesloten te worden op het Israëlische waternetwerk. Deze en andere waterkwesties behoren te worden besproken in de Israëlisch-Palestijnse Joint Water Commission (JWC). Deze commissie is echter al jaren niet meer bijeengekomen vanwege onenigheid tussen beide partijen over waterprojecten in nederzettingen. Eind februari jl. heeft premier Netanyahu besloten de aansluiting van Rawabi goed te keuren, zonder dat dit in de JWC besproken is.

Vraag 52

Op welke wijze adresseert het Nederlands-Palestijnse Academisch Water Consortium de kernoorzaken voor de ernstige waterproblematiek in de bezette Palestijnse gebieden, primair gelegen in schendingen door Israël van het recht van Palestijnen op toegang tot water?

Vraag 54

Welke vijf Nederlandse universiteiten werken met welke vijf Palestijnse universiteiten samen?

Antwoord op vragen 52 en 54

Het consortium richt zich op het vergroten van kennis en capaciteiten van de vijf betrokken Palestijnse universiteiten op het gebied van onderwijs, training en onderzoek op watergebied. De samenwerking zal aldus op termijn bijdragen aan een beter Palestijns waterbeheer. Het beoogt geen oplossing te bieden voor het Israëlisch-Palestijnse waterconflict, maar wel de gevolgen ervan zo goed mogelijk te mitigeren zodat Palestijnen kunnen voorzien in hun waterbehoefte.

Voor wat betreft de Nederlandse universiteiten gaat het om Twente, Delft, Wageningen, Maastricht en UNESCO-IHE. De Palestijnse universiteiten betreffen Bir Zeit, An Najah, Al Kadoori, Al Quds, Palestine Polytechnic.

Vraag 53

Zal op de conferentie in Ramallah over de Palestijnse watersector ook de slechte situatie in de watervoorziening in Gaza aan de orde komen en de negatieve rol van de Israëlische bombardementen in de zomer?

Antwoord

De watersituatie in Gaza, inclusief de gevolgen van het recente conflict, is aan de orde gekomen tijdens de door de vijf Nederlandse en vijf Palestijnse universiteiten georganiseerde waterconferentie die eind februari 2015 in Ramallah plaatsvond. Vertegenwoordigers van de watersector in Gaza waren voor de conferentie uitgenodigd.

Vraag 55

Hoe staat Israël tegenover het Nederlands-Palestijnse Academisch Water Consortium?

Antwoord

Het is het kabinet onbekend hoe Israël tegenover dit specifieke samenwerkingsverband staat. In algemene zin geldt dat Israël uitgesproken voorstander is van activiteiten die tot doel hebben Palestijnse capaciteiten en deskundigheid op het gebied van waterbeheer te vergroten.

Vraag 56

Voorziet het Nederlandse OS- programma de Palestijnse Autoriteit ook van water in illegale Arabische nederzettingen?

Antwoord

Het is niet duidelijk wat met «illegale Arabische nederzettingen» wordt bedoeld. In het kader van het Nederlandse OS-programma op watergebied worden momenteel de volgende drie activiteiten gefinancierd: Nederlands-Palestijns Academisch Water Consortium (zie ook antwoord op vraag 52), water- en riool-infrastructuurproject in en rond Bethlehem (samen met Agence Francaise de Développement) en een grensoverschrijdend Israëlisch-Palestijns afvalwaterproject op gemeentelijk niveau.

Vraag 57

Kunt u aangeven of naar uw oordeel (en zo ja, in hoeverre) Qatar invloed tracht te kopen onder de Palestijnse bevolking in de Westbank door $ 1 miljoen dollar te investeren in Rawabi?

Antwoord

Rawabi is een initiatief vanuit de Palestijnse private sector, die internationaal aanvullende financiering gezocht heeft. Het kabinet heeft geen inzage in de beweegredenen van de partijen.

Vraag 58

Kunt u toelichten wat de faciliterende rol van de Nederlandse overheid om het bedrijfsleven de weg naar de Palestijnse Gebieden te laten vinden precies inhoudt?

Vraag 60

Hoe wordt verklaard dat in het geval van de Palestijnse Gebieden de overheid een grotere faciliterende rol moet spelen dan bij Israël en de initiatieven meer afhankelijk zijn van overheidsfinanciering?

Antwoord op vragen 58 en 60

Gezien de omvang van de Palestijnse economie en de impact van de bezetting zijn de risico’s voor investeerders groter en de kansen kleiner. Nederland heeft verschillende instrumenten ter ondersteuning van het bedrijfsleven, zoals PSI, Fonds Duurzaam Water, Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid. Bedrijven kunnen een beroep doen op deze instrumenten bij investeringen in de Palestijnse Gebieden. De aanwezigheid van de hoge politieke delegatie bij het forum heeft een positieve uitstraling op Nederland en levert extra goodwill op.

Vraag 59

Op welke manier is het kabinet voornemens gebruik te maken van de ruimte die de pragmatische en flexibele opzet van de samenwerkingsfora biedt om in te spelen op de actuele politieke ontwikkelingen?

Vraag 92

Hoe wordt de collectieve EU-positie, dat de toekomstige ontwikkeling van de relaties met Israël en de Palestijnen mede zal afhangen van de inzet die deze partners plegen voor het bereiken van een duurzame vrede op basis van de tweestatenoplossing, doorvertaald naar de opzet en invulling van de bilaterale betrekkingen van Nederland met Israël en de Palestijnen, ook in het kader van de samenwerkingsfora? (zie: http://www.eeas.europa.eu/delegations/israel/documents/press_corner/20141117_council_conclusions_on_the_middle_east_peace_process_01_en.pdf).

Vraag 93

Is het kabinet voornemens de fora op dezelfde wijze voort te zetten of zult u wijzigingen in beleid doorvoeren, aangezien als gevolg van de vastgelopen onderhandelingen de politieke context is gewijzigd? Zo ja, welke wijzigingen? Indien neen, waarom niet?

Antwoord op vragen 59, 92 en 93

Het kabinet is van plan de fora voort te zetten. Dat is ook de wens van Israël en de Palestijnse Autoriteit. Het kabinet vindt het van belang om de follow-up structuur van de fora open en flexibel te houden, waarbij rekening kan worden gehouden met actuele ontwikkelingen. Uitgangspunt zijn de geselecteerde sectoren, maar daarin kunnen eventueel andere accenten worden gelegd; zij kunnen aangepast of aangevuld worden, al naar gelang de zich verder ontwikkelende zakelijke behoefte en vraag aan beide zijden. De pragmatische en flexibele opzet biedt voldoende ruimte om in te spelen op de actuele politieke situatie. Het kabinet kan niet vooruitlopen op mogelijke invulling daarvan, want dat zal afhankelijk zijn van toekomstige ontwikkelingen.

Vraag 61

Wat is volgens de Wereldbank de geschatte schade die de Palestijnse economie jaarlijks lijdt door restrictieve maatregelen die Israël oplegt in of aan de bezette Palestijnse gebieden, in het bijzonder in «Area C»? Kan de economische samenwerking tussen Nederland en de bezette Palestijnse Gebieden gedijen en het Nederlands-Palestijnse Samenwerkingsforum duurzame vrucht dragen terwijl deze restricties grotendeels van kracht blijven?

Vraag 64

Wenst Nederland de remmende economische rol van de bezetting bilateraal aan de kaak te stellen? Indien neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze kan het ontmoedigingsbeleid daarin een instrument zijn?

Vraag 77

Hoeveel ruimte ziet u voor een versterking van de Palestijnse economie zolang de bezetting van de Palestijnse gebieden voortduurt?

Antwoord op vragen 61, 64 en 77

In 2013 publiceerde de Wereldbank het rapport «Area C and the Future of the Palestinian Economy», waarin het totale verlies voor de Palestijnse economie werd geschat op USD 3,4 miljard per jaar (omstreeks 30% van het Palestijnse Bruto Binnenlands Product). Bij de samenwerking in het kader van het Forum baseren bedrijven en kennisinstellingen zich op de huidige omstandigheden. Vanzelfsprekend zou de opheffing van alle restricties een enorme impuls betekenen voor de Palestijnse economie, waar ook Nederlandse bedrijven die nu al goede relaties opbouwen van zouden kunnen profiteren.

Voor de ruimte om de Palestijnse economie te versterken wordt verwezen naar de antwoorden op de Kamervragen over het voornoemde rapport, van 2 december 2013 (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 682).

Nederland dringt er bij de Israëlische regering zowel in bilateraal als EU-verband regelmatig op aan om Palestijnen ongelimiteerd toegang te verschaffen tot Area C en geen obstakels op te werpen voor de sociaal-economische ontwikkeling van dit gebied. Het kabinetsbeleid ter ontmoediging van economische relaties met bedrijven gevestigd in Israëlische nederzettingen in bezet gebied sluit hierbij aan (zie antwoord op vragen 26, 27, 42, 45, 65, 90, 91 en 94).

Vraag 62

In het licht van de vaststelling van het kabinet «dat Israël en de Palestijnse gebieden in economisch opzicht geen vergelijkbare partners zijn», wat is de investering die het kabinet sinds de lancering van de samenwerkingsfora heeft gedaan in (a) economische samenwerking met Israël en (b) economische samenwerking met de Palestijnen? Wat was in 2014 het BNP van de Israëlische economie en van de Palestijnse economie?

Vraag 68

Kunt u aangeven welke initiatieven de overheid exact financiert, hoeveel geld de overheid in deze initiatieven steekt en hoe de resultaten hiervan gemeten worden?

Antwoord op vragen 62 en 68

De Kamerbrief met de evaluatie van de fora bevat een overzicht van activiteiten die in het kader van de fora met beide partners zijn georganiseerd met betrokkenheid van de Nederlandse overheid. Wat Israël betreft zijn voor de diverse initiatieven de beschikbare middelen voor economische diplomatie (12.000 euro per jaar) maximaal ingezet. Daarnaast heeft Israël aanspraak kunnen maken op additionele middelen ten behoeve van de organisatie van de bilaterale Innovatiedag op het gebied van «life sciences and health» die op 10 juni 2014 in Amsterdam heeft plaatsgevonden. De resultaten van de activiteiten worden o.a. gemeten aan de hand van nieuwe bedrijfscontacten en «business deals».

In de Palestijnse Gebieden zijn met inzet van het bedrijfsleveninstrumentarium diverse projecten gestart. Via PSI zijn sinds 2009 25 projecten gefinancierd in diverse Palestijnse bedrijfssectoren, waaronder land- en tuinbouw en de voedselindustrie. De totale overheidsbijdrage bedroeg in 2014 bijna 4 miljoen euro. De resultaten van de projecten worden vooral gemeten op impact (o.a. werkgelegenheid, economische ontwikkeling, professionalisering), waarbij vooraf met uitvoerders afspraken worden gemaakt over de diverse impactdoelstellingen. Onder ORIO zijn twee voorstellen goedgekeurd voor investeringen in publieke infrastructuur in samenwerking met Nederlandse partners. Het betreft in de eerste plaats een bijdrage van 8,5 miljoen euro voor de uitbreiding van een ziekenhuis in Hebron, dat is gestart in 2013 met een looptijd van drie jaar. Het tweede project betreft een investering in het openbaar vervoer systeem op de Westoever middels de aanschaf van bussen, reorganisatie van vervoerders en het vervoersnetwerk en inrichting van onderhoudsvoorzieningen, waarvoor 23 miljoen euro is gereserveerd. De ontwikkelingsfase is in 2014 gestart. Daarnaast is, zoals uiteengezet in de evaluatie, najaar 2014 in samenwerking met het Palestinian Bussiness Women Forum een studiebezoek voor twaalf Palestijnse vrouwelijke ondernemers aan Nederland georganiseerd als uitvloeisel van het forum. De totale kosten hiervoor bedroegen 60.000 euro. Uit dit bezoek zijn op kleine schaal handelscontacten tussen de deelneemsters en Nederlandse bedrijven ontstaan.

Op basis van de meest recente cijfers van de Wereldbank bedraagt het Bruto Binnenlands Product van Israël USD 290,6 miljard (2013) en dat van de Palestijnse Gebieden USD 11,26 miljard (2012).

Vraag 66

Kunt u aangeven welke negen Palestijnse diplomaten uit Gaza bij Clingendael een training hebben gevolgd en kunt u aangeven hoe deze negen Gazaanse diplomaten zijn geselecteerd?

Antwoord

Er zijn negen Palestijnse diplomaten, werkzaam voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Palestijnse Autoriteit, getraind. Deze zijn geselecteerd door dat ministerie, op basis van criteria die in samenspraak met Clingendael zijn opgesteld.

Vraag 67

Waarom benoemt u alleen de «bezetting» als belemmering voor economische ontwikkeling, terwijl juist de dictatuur en wijdverbreide corruptie de economische ontwikkeling in de weg staat?

Antwoord

De bezetting is een bijzondere omstandigheid die van grote invloed is op de Palestijnse economie (zie ook antwoord op vragen 61, 64 en 77 voor de impact). Verdere verbetering van goed bestuur, inclusief vergroten van transparantie in besluitvorming van de PA, versterken van Palestijnse anti-corruptie-instituties en ondersteuning van Palestijnse NGO’s die zich op corruptiebestrijding richten, vormen onderdeel van het Nederlandse OS-programma in de Palestijnse Gebieden.

Vraag 69

Welke kritische boodschappen heeft de regering sinds juni 2014 overgebracht aan de Palestijnen m.b.t. de betalingen aan gevangenen door de Palestijnse Autoriteit?

Vraag 75

Kunt u een appreciatie geven van het artikel «Rare interview confirms PA pays salaries to terrorists and not social aid to families» (zie: http://www.palwatch.org/main.aspx?fi=157&doc_id=8783) en daarbij aangeven hoe zich dit verhoudt tot het eerder ingenomen kabinetsstandpunt dat «het kabinet in beginsel geen bezwaar heeft tegen financiële ondersteuning van gevangenen en hun families door de PA?»

Antwoord op vragen 69 en 75

Het artikel beschrijft hoe de situatie van Palestijnse gevangenen in detail besproken wordt op het hoogste (politieke) niveau. Het kabinet maakt consequent bezwaar tegen de opzet van het systeem, maar het niveau waarop besluiten genomen worden toont aan hoe belangrijk de situatie van Palestijnse gevangenen binnen de Palestijnse samenleving en politiek is. Tevens beschrijft het artikel hoe besloten wordt over de geleidelijke promotie die gevangenen doormaken naar mate de detentie langer duurt, zoals ook verwoord in de antwoorden op de vragen van juni 2014 (Kamerstuk 23 432, nr. 374). Dit is een beschrijving van de huidige situatie. Het kabinet maakt bezwaar tegen dit systeem. Het kabinet heeft sinds juni 2014 in gesprekken met Palestijnse Ministers opnieuw aangedrongen op een verandering van het systeem, zodat de hoogte van de betalingen niet meer afhangt van de duur van de detentie, maar is toegesneden op de reële behoefte, proportioneel is en op transparante wijze wordt toegekend.

Vraag 70

U gaf eerder aan dat door deze verandering de financiële stromen nog duidelijker zijn gescheiden. Kunt u aangeven hoe deze financiële stromen precies duidelijker gescheiden zijn, daar de nieuwe commissie direct rapporteert aan de PLO en aan de PA president (tevens hoofd van de PLO) Abbas en de terroristen hun salaris nu ontvangen van de PLO waarvan de PA een orgaan is? (Zie http://www.jpost.com/Arab-Israeli-Conflict/PA-replaces-prisoners-ministry-with-PLO-body-374223.

Vraag 71

Kunt u in een diagram aangeven hoe de verantwoordelijkheid precies is geregeld tussen de PA, de PLO en de eenheidsregering v.w.b. de ontvangst van donorfinanciering vanuit de EU en vanuit Nederland en de betalingen van salarissen van zowel ambtenaren als terroristen?

Antwoord op vragen 70 en 71

De PLO vertegenwoordigt de Palestijnen wereldwijd en onderhandelt met Israël in het MOVP. Op basis van de Oslo-akkoorden is bepaald dat de Palestijnse Autoriteit (PA) de Palestijnse Gebieden bestuurt. Het is geen orgaan van de PLO. De PA heft de belastingen in de Palestijnse Gebieden. Tevens ontvangt de PA bijdragen van donoren. Door de verantwoordelijkheid voor de betalingen aan gevangenen over te hevelen naar de PLO, komen deze niet meer ten laste van de begroting van de PA, en worden deze niet meer gefinancierd met de belastingopbrengsten van de PA of donorgelden. De PLO betaalt die kosten uit eigen inkomsten, waar het kabinet geen inzage in heeft. De PLO doet hiervoor een beroep op Arabische donoren.

De PA is wel verantwoordelijk voor de betaling van salarissen van ambtenaren op de loonlijst van de PA. Hiervoor gebruikt de PA eigen (belasting)inkomsten. Daarnaast wordt een deel van de salarissen en uitkeringen betaald aan Palestijnse ambtenaren middels donorbijdragen, met name via het door de EU opgezette Pegase mechanisme. Bij iedere Pegase-betaling wordt gecontroleerd of betrokkenen niet op internationale sanctielijsten en nationale lijsten van EU-lidstaten staan. Mocht dat het geval zijn, dan wordt betrokkene uitgesloten van een bijdrage uit Pegase (zie kamerstuk 23 432, nr. 374).

Vraag 72

Kunt u aangeven welk orgaan (PA/PLO/eenheidsregering) de Palestijnen momenteel vertegenwoordigt bij de VN? Is dat nog steeds de PLO? Zie: http://www.un.int/wcm/content/site/palestine/cache/offonce/pid/11543. Zo ja, hoe kan de terroristensalarissen-uitkerende PLO de status van non-member observer state in de VN behouden, terwijl lidmaatschap van de VN volgens het VN-handvest enkel open staat voor vredelievende staten en dus duidelijk niet voor terrorisme financierders?

Vraag 73

Kunt u aangeven welk orgaan de Palestijnen als «Government of Palestine» vertegenwoordigt bij het Internationaal Strafhof? Is dit de eenheidsregering? Zo ja, hoe duidt u het verschil in vertegenwoordiging tussen de VN enerzijds en het Internationaal Strafhof anderzijds?

Antwoord op vragen 72 en 73

De VN kent verschillende soorten waarnemers, zoals NGOs, internationale organisaties en waarnemend niet-lidstaten. De PLO heeft in 1974 als «bevrijdingsbeweging» een waarnemersstatus gekregen binnen de VN, zoals destijds meer organisaties die kregen. Die status is niet hetzelfde als de status van waarnemend niet-lidstaat (non-member observer state), maar maakte het mogelijk voor de PLO deel te nemen aan bepaalde bijeenkomsten. De PLO vertegenwoordigt de Palestijnen wereldwijd en onderhandelt met Israël in het kader van het MOVP. De PLO heeft nooit de status van waarnemend niet-lidstaat gekregen binnen de VN.

In 2012 heeft de Algemene Vergadering van de VN «Palestina» de status van waarnemend niet-lidstaat toegekend, zonder afbreuk te doen aan de rechten van de PLO. Op basis van de Oslo-akkoorden is bepaald dat de Palestijnse Autoriteit de Palestijnse Gebieden bestuurt. De Palestijnse Autoriteit heeft dit bestuur omgevormd tot de consensusregering. Volgens de Palestijnse Autoriteit vertegenwoordigt de Palestijnse missie bij de VN de «Staat Palestina». Nederland erkent een Palestijnse staat echter niet. Voor wat betreft Nederland worden de Palestijnen in de VN en bij het Internationaal Strafhof vertegenwoordigd door de Palestijnse Autoriteit.

Vraag 74

Erkent Hamas de Palestijnse vertegenwoordiging bij de VN en het Internationaal Strafhof? Zo nee, hoe legitiem zijn deze Palestijnse vertegenwoordigingen dan?

Antwoord

Hamas steunt formeel de consensusregering, en daarmee ook diens beleid. Bovendien hebben alle Palestijnse facties ingestemd met de toetreding tot het Internationaal Strafhof.

Vraag 78

Kunt u een overzicht geven van concrete voorbeelden ten aanzien van (zoals u zelf benoemt) «mensenrechten, Palestijnse kinderen in Israëlische detentie, nederzettingenuitbreidingen, betalingen aan gevangenen door de PA en «Movement & Access» waarbij Nederland dankzij de fora betere resultaten heeft bereikt dan voordat de fora bestonden?

Antwoord

Voor de betrekkingen met beide samenwerkingspartners geldt dat de fora uiting geven aan de wederzijds gevoelde wens de bilaterale relaties te versterken en te verdiepen. Dit wordt door de partners gewaardeerd en bevordert een relatie waarin over en weer ook kritiekpunten kunnen worden opgebracht. In het geval van Israël is tijdens de eerste editie van het bilaterale samenwerkingsforum bijvoorbeeld het Israëlische beleid t.a.v. «Movement & Access» rond Gaza, mede gezien de door Nederland gedoneerde containerscanner, nadrukkelijk aan de orde geweest. Dit is een factor geweest in de veranderende beleidskoers die Israël op dit gebied sinds zomer 2014 heeft ingezet. Een ander voorbeeld is dat de Israëlische regering het mogelijk maakte dat Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers directe toegang kregen tot de verantwoordelijke aanklager van de «Military Advocate General» om de kwestie van Palestijnse minderjarigen in Israëlische detentie te bespreken (zie kamerbrief ingezonden op 15 januari 2015, Kamerstuk 23 432, nr. 397). Voor wat betreft uitkeringen aan Palestijnse gevangenen zie antwoord op vragen 70 en 71.

Vraag 81

Welke gevolgen moet het vastlopen van de onderhandelingen hebben voor de samenwerkingsfora?

Vraag 82

Hoe is het vastlopen van het vredesproces betrokken bij de evaluatie van de fora?

Vraag 84

Hoe verklaart u het vastlopen van het vredesproces? Welke partij of welke partijen zijn hier om welke reden(en) schuldig aan?

Vraag 96

Op welke wijze is bij de evaluatie van de samenwerkingsfora gevolg en invulling gegeven aan de mededeling van voormalig Minister van Buitenlandse Zaken Timmermans dat het mislukken van het vredesproces onder leiding van John Kerry «consequenties [zal] hebben voor de betrekkingen met Nederland, en dus ook voor de wijze waarop wij de fora invulling geven»? (zie: Handelingen II 2013/14, nr. 29, item 8). Bent u bekend met de uitspraken van uw ambtsvoorganger, Minister Timmermans: «Als dit vredesproces mislukt en als ook nog eens is aan te wijzen wie daarvoor verantwoordelijk is, dan zal de betrokken partij zuur zijn»? Bent u bekend met de uitspraak van John Kerry (Independent, 9 april 2014) waarin hij Israël verantwoordelijk houdt voor het definitief mislukken van het vredesproces: «The prisoners were not released by Israel on the day they were supposed to be released and then another day passed and another day and then 700 [settlement] units were approved in Jerusalem and then poof – that was sort of the moment»? Bent u bereid de logische conclusie uit de voorgaande twee uitspraken te trekken en het samenwerkingsforum met Israël op te zeggen of in ieder geval niet te verlengen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vragen 81, 82, 84 en 96

Zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 28 mei 2014 (Kamerstuk 23 432, nr. 373) lag een fundamenteel gebrek aan vertrouwen tussen beide partijen ten grondslag aan het vastlopen van de vredesbesprekingen. Beide partijen hebben stappen gezet die het vredesproces onder druk hebben gezet, waaronder de verdere uitbreiding van nederzettingen en het niet vrijlaten van de laatste lichting gevangenen door Israël en de Palestijnse toetreding tot een aantal internationale verdragen voor het verstrijken van de deadline.

In de geciteerde uitspraak gaf de Amerikaanse Secretary of State John Kerry een chronologische weergave van de aanleiding van het stilvallen van de onderhandelingen. Daarvoor en sindsdien hebben hij en betrokken Amerikaanse ambtenaren meermaals de verantwoordelijkheid daarvoor bij beide partijen gelegd en gewezen op het grote onderlinge wantrouwen. Het kabinet spreekt beide partijen aan op hun verantwoordelijkheid onderhandelingen te hervatten die leiden tot een twee-statenoplossing. In dit licht is het kabinet van mening dat het aanbrengen van negatieve conditionaliteit tussen de bilaterale fora en vredesonderhandelingen niet zal bijdragen aan de gewenste hervatting van die onderhandelingen. Zie ook het antwoord op vragen 4, 6, 10, 11 en 89.

Vraag 87

Hoeveel nieuwe woningen in nederzettingen heeft de Israëlische regering bij benadering aangekondigd of aanbesteed sinds premier Rutte en premier Netanyahu op 8 december 2013 de «Joint statement» inzake het «Netherlands-Israël Cooperation Forum» hebben ondertekend?

Antwoord

Exacte aantallen zijn moeilijk vast te stellen, daar het soms gaat om aankondigingen van stappen in langere bestemmingsplannen, andere aankondigingen herhalingen betreffen en sommige aankondigingen worden herroepen. De Israëlische NGO Peace Now stelt dat in 2014 de bouw is begonnen van 3100 wooneenheden in nederzettingen, terwijl aanbestedingen voor 4485 nieuwe wooneenheden werden gestart.

Vraag 95

Zou u in de toekomstige samenwerkingsfora (najaar 2015) in het knowledge-to-knowledge deel ruimte willen maken voor de Geschiedkunde? Bijvoorbeeld door een conferentie over de subjectiviteit van de geschiedschrijving te organiseren? Of door een Nederlands, Palestijns en Israëlisch historicus afzonderlijk college over hetzelfde onderwerp (de geschiedenis van Palestina en Israël) te laten geven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Het overkoepelende thema van de beide samenwerkingsfora is «innovatie», wat benadrukt dat de samenwerking toekomstgericht en vernieuwend beoogt te zijn. Met het oog daarop ligt het niet voor de hand dat de overheid ruimte maakt voor dit onderwerp. Dat neemt niet weg dat het kabinet zich ervan bewust is dat zowel in Palestijnse als in Israëlische schoolboeken weinig aandacht wordt gegeven aan de geschiedenis van de andere partij in het conflict. Het kabinet pleit er daarom in contacten met zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit voor dat beide partijen actief werken aan een klimaat waarin vrede mogelijk is; dit kan onder meer door in het onderwijs meer aandacht te geven aan belangrijke historische gebeurtenissen en aan het dagelijkse leven vanuit het perspectief van de andere kant.


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.