Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201423432 nr. 359

23 432 De situatie in het Midden-Oosten

Nr. 359 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 11 februari 2014

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 20 december 2013 houdende het verslag van het bezoek van de Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken en Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan de Palestijnse Gebieden en Israël d.d. 7–9 december 2013 (Kamerstuk 23 432, nr. 357).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 7 februari 2014. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Eijsink

De griffier van de commissie, Van Toor

Vraag 1

Valt de keuze van PGGM om niet langer te beleggen in een vijftal Israëlische banken vanwege de betrokkenheid van deze banken bij de financiering van Israëlische nederzettingen in bezette Palestijnse gebieden onder de eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid van PGGM?

Antwoord

De beslissing van PGGM om aandelen in een aantal Israëlische banken van de hand te doen betreft een eigenstandig besluit van PGGM op basis van zijn eigen MVO-beleid.

Vraag 2

Geven belangrijke Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO)-initiatieven, waaronder de OESO-richtlijnen, voldoende houvast inzake individuele afwegingen van bedrijven zoals onlangs door PGGM om niet meer te investeren in een aantal Israëlische banken?

Vraag 3

Kunnen bedrijven in de afwezigheid van eenduidige richtlijnen over etikettering van de overheid of Europese afspraken hierover op basis van de OESO-richtlijnen individueel afwegingen maken over het afnemen van producten uit de bezette Palestijnse gebieden en de voorlichting aan consumenten hierover?

Antwoord op vragen 2 en 3

Op grond van de OESO Richtlijnen dienen bedrijven zich te vergewissen van (de risico’s op) ongewenste maatschappelijke effecten die voortkomen uit hun bedrijfsvoering of daarmee via hun productie- of inkoopketen samenhangen. Zij dienen op basis van dit inzicht zelf invulling te geven aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. De richtlijnen vragen van bedrijven ook om aan consumenten informatie te verschaffen die hen helpt om een afgewogen keuze tussen producten te kunnen maken. Dit kader biedt in de visie van het kabinet voldoende houvast aan bedrijven om hun MVO-beleid vorm te geven.

Vraag 4

Is het ontmoedigingsbeleid alleen van toepassing op Nederlandse bedrijven die zaken willen doen die direct bijdragen aan de bouw of instandhouding van nederzettingen? Of kan het ook van toepassing zijn op het zaken doen met Israëlische bedrijven die zowel in Israël als in bezet gebied actief zijn?

Antwoord

Het ontmoedigingsbeleid is van toepassing op activiteiten van Nederlandse bedrijven als die direct bijdragen aan de aanleg en instandhouding van nederzettingen of als die de aanleg of instandhouding ervan direct faciliteren. Het beleid is van toepassing op het zaken doen met Israëlische bedrijven die niet in nederzettingen zijn gevestigd, voor zover het zaken doen bovengenoemde activiteiten omvat.

Vraag 5

Bent u, gezien de recente ophef over bedrijven die zich geheel of gedeeltelijk hebben teruggetrokken uit Israël en activiteiten buiten de Groene Lijn, bereid het ontmoedigingsbeleid per brief uitgebreid toe te lichten?

Antwoord

Het kabinet heeft meermalen het ontmoedigingsbeleid toegelicht in de communicatie met uw Kamer en ziet geen aanleiding om een brief te sturen.

Vraag 6

Waarom heeft u in antwoord op mondelinge vragen op 14 januari 2014 (Handelingen II 2013/14, nr. 40, mondelinge vragen van het lid Van der Staaij aan de Minister van Buitenlandse Zaken over het Nederlandse ontmoedigingsbeleid ten aanzien van Israëlische nederzettingen dat zich ontwikkelt tot boycotbeleid (verbreken samenwerking Vittens/Merkerot)(bevindingen werkbezoek) en PGGM-beleid investering in Israëlische banken) gezegd «Ik ben nog geen bedrijven tegengekomen die het ontmoedigingsbeleid van Nederland onduidelijk vinden»? Wordt dit standpunt gedeeld door VNO NCW? Hoe verhoudt zich dat tot het feit dat diverse bedrijven, zoals Vitens en Royal Haskoning, juist gesprekken zijn aangegaan met het Ministerie van Buitenlandse Zaken om duidelijkheid te krijgen over het ontmoedigingsbeleid?

Antwoord

Het Nederlandse ontmoedigingsbeleid is in de visie van het kabinet voldoende duidelijk. Vragen van bedrijven aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken hebben veelal betrekking op de specifieke toepassing van het beleid in een concreet geval.

Vraag 7

Waarom heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking geen antwoord gegeven op de schriftelijke vragen van de leden Omtzigt en Agnes Mulder, nummers 4 en 5 (2014Z00447)? Bent u bereid deze vragen alsnog te beantwoorden?

Vraag 8

Heeft voorafgaand aan het afzeggen van het bezoek aan Mekorot overleg en afstemming plaatsgevonden binnen het kabinet, of heeft de Minister voor BuHa & OS eigenstandig besloten af te zien van het bezoek? Zo ja, waarom?

Vraag 99

Waarom ziet het kabinet geen reden om excuses aan te bieden voor het schrappen van het bezoek door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan de Shafdan waterzuiveringsinstallatie, gegeven ook het feit dat het leidde tot het ontbieden van de Nederlandse ambassadeur door Israël?

Antwoord op vragen 7, 8 en 99

Minister Ploumen heeft in de brief aan uw Kamer van 16 januari jl. (Kamerstuk 23 432, nr. 358) uitgelegd waarom zij geen bezoek heeft gebracht aan de Shafdan waterzuiveringsinstallatie. De deelnemende bewindspersonen hebben, zoals gebruikelijk, hun eigen bezoekprogramma vastgesteld. Van het ontbieden van de Nederlandse ambassadeur wegens de afzegging van het bezoek aan Shafdan is geen sprake geweest. Het kabinet ziet geen reden voor het aanbieden van excuses voor het wijzigen van een programmaonderdeel.

Vraag 9

Welke afspraak duurde langer voor de Minister-President zodat hij niet naar The Library kon?

Vraag 10

Van hoe laat tot hoe laat was de Minister-President aanwezig bij The Library en van hoe laat tot hoe laat de Minister voor BuHa-OS?

Vraag 11

Waarom heeft de Minister-President bij het bezoek aan The Library ter plekke besloten tot een wijziging in zijn programma?

Vraag 12

Heeft de Minister-President door een wijziging ter plekke in zijn programma daadwerkelijk het grootste deel van het bezoek aan The Library gemist?

Antwoord op vragen 9, 10, 11 en 12

De Minister-President heeft daags voorafgaand aan zijn bezoek aan The Library op uitnodiging van premier Netanyahu voor een bilateraal overleg tot wijziging van zijn programma besloten. Daarom heeft hij zijn bezoek aan The Library ingekort. Uiteindelijk is hij van 11.50 tot 12.15 in The Library aanwezig geweest. De Minister voor BHOS heeft The Library van 12.00 tot 13.45 bezocht.

Vraag 13

Hoeveel en welke Nederlandse bedrijven zijn sinds de inwerkingtreding van het ontmoedigingsbeleid door de regering ontmoedigd?

Antwoord

Het kabinet houdt geen overzicht bij van de bedrijven waarmee gesproken is over het ontmoedigingsbeleid.

Vraag 14

Hoe beoordeelt u het feit dat de Nederlandse ambassadeur in korte tijd twee keer is ontboden door de Israëlische regering?

Vraag 15

Is het twee keer ontbieden van een Nederlandse ambassadeur in zo’n korte periode eerder voorgekomen? Zo ja, waar en wanneer was dat?

Antwoord op vragen 14 en 15

De Israëlische regering heeft na het bekend worden van de besluiten van Vitens en PGGM de Nederlandse ambassadeur ontboden. De ambassadeur is voor zover het kabinet bekend niet eerder twee maal in zo’n korte periode verzocht een toelichting te geven op het Nederlandse beleid.

Vraag 17

Deed Mekorot mee aan een werkgroep van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?

Antwoord

Het Israëlische staatswaterbedrijf Mekorot heeft deelgenomen aan een bijeenkomst van experts op het gebied van water gerelateerde technologie gericht op mogelijke samenwerking in derde landen.

Vraag 18

Welke partijen nemen deel aan de technische werkgroepen op het gebied van agro&food, energie, ict en water?

Vraag 19

Kan per werkgroep worden aangegeven welke doelen de werkgroep zich heeft gesteld?

Antwoord op vragen 18 en 19

Een van de resultaten van de fora in december betrof de activering van technische werkgroepen op het gebied van agro&food, energie, ict en water, met als doel het implementeren en vervolg geven aan de uitkomsten van de verschillende business seminars in december 2013. De precieze uitwerking is nog onderwerp van overleg tussen de betrokken partijen (overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen) in Nederland en met de Palestijnse Gebieden en Israël.

Vraag 20

Welke activiteiten gaat het operationeel water partnerschap tussen Videns Evidens International en de PWA (Palestinian Water Authority) ontplooien? Met welk doel?

Vraag 29

Is het waar dat de opzet van een operationeel water partnerschap tussen Vitens Evides International en de PWA is stopgezet? Indien neen, wat zijn dan de feiten? Zo ja, is dit definitief of tijdelijk? Kunt u dat toelichten?

Antwoord op vragen 20 en 29

Voor zover bekend betreft het partnerschap een samenwerking waarin Vitens en de PWA institutionele, organisatorische en technische kennis uitwisselen. Good governance, financieel management, klantgerichtheid, technische trainingscapaciteit en het betrekken van private partners staan centraal. Doel van de samenwerking is de verbetering en uitbreiding van Palestijnse sanitaire – en watervoorzieningen. Voor verdere informatie omtrent de samenwerking tussen Vitens en de PWA, verwijs ik u naar Vitens.

Vraag 21

Kunt u de samenwerkingsovereenkomst tussen Clingendael en PASSIA nader toelichten? Welke doelen wil Clingendael bereiken met deze overeenkomst?

Antwoord

De overeenkomst tussen PASSIA en Clingendael richt zich op wetenschappelijke activiteiten, trainingen, «outreach», uitwisselingen, gedeeld onderzoek en toegepaste projecten voor het bevorderen van internationale kennis, welvaart en vrede. De ambitie is om tot een trilaterale samenwerking te komen tussen Clingendael, PASSIA en het Harry Truman Research Institute. Voor meer informatie hierover verwijs ik de Kamer graag door naar Clingendael en betrokken partijen.

Vraag 22

Kunt u een nadere toelichting geven op de samenwerkingsovereenkomst inzake capaciteitsopbouw tussen VNG en Rawabi?

Antwoord

VNG Internationaal en de Palestijnse stad in opbouw Rawabi hebben een overeenkomst getekend om te komen tot uitwisseling op gemeentelijk niveau van succesvolle praktijken op basis van de behoefte van Rawabi en capaciteitsopbouw in de gemeentelijke organisatie van Rawabi op het gebied van stadsbeheer, dienstverlening en strategische planning. Voor meer informatie hierover verwijs ik de Kamer graag door naar de VNG.

Vraag 23

Kunt u aangeven waarom het kabinet ervoor gekozen heeft de Palestijnse Vertegenwoordiging in Den Haag op te zullen waarderen tot Palestijnse Missie? Kunt u aangeven waarom de Kamer niet betrokken is in de besluitvorming hieromtrent? En per wanneer zal deze statuswijziging ingaan?

Vraag 24

Zijn alle EU-staten overgegaan tot opwaardering van de Palestijnse vertegenwoordiging tot een Palestijnse Missie? Klopt het dat in Tsjechië niet overgegaan is tot opwaardering van de Palestijnse vertegenwoordiging? Zijn er nog meer landen die hier niet toe over gaan of zijn overgegaan? Zo ja, welke zijn dat?

Vraag 25

Kunt u het verschil aangeven tussen een Vertegenwoordiging, een Missie en een ambassade?

Vraag 35

Bent u bereid de status van de Palestijnse Vertegenwoordiging in Den Haag op te waarderen tot ambassade? Deelt u de opvatting dat een Palestijnse ambassade in Den Haag een gepaste status zou zijn voor een partner in een Samenwerkingsforum? Indien neen, waarom niet? Zo ja, wanneer bent u bereid daartoe over te gaan?

Vraag 39

Wat wordt, gezien het niet uniforme beleid van EU-lidstaten ter zake, precies bedoeld met de aankondiging dat: «de Palestijnse Vertegenwoordiging in Den Haag tot Palestijnse Missie zal worden opgewaardeerd, overeenkomstig de status van de Palestijnse Vertegenwoordiging in andere EU-lidstaten»?

Vraag 40

Wat is de het verschil tussen een «Palestijnse Vertegenwoordiging» en een «Palestijnse Missie»?

Vraag 41

Welke algemene en politieke consequenties heeft de opwaardering van de Palestijnse Vertegenwoordiging in Den Haag?

Vraag 42

Wat is de precies de nieuwe juridische en diplomatieke status van de Palestijns-Arabische Vertegenwoordiging in Den Haag, gezien het feit dat geen sprake is van een vertegenwoordiging van een soevereine staat?

Antwoord op vragen 23, 24, 25, 35, 39, 40, 41 en 42

De afgelopen jaren is de status van de Palestijnse delegaties in verschillende Europese lidstaten verhoogd, onder meer vanwege de voortgang die de Palestijnse Autoriteit heeft geboekt in de opbouw van de staatsinstituties. De verhoging van de status is een politiek bilateraal besluit. De termen «vertegenwoordiging» en «missie» hebben op zich zelf geen juridische status. De termen beogen aan te geven dat bepaalde personen formeel een bepaalde entiteit vertegenwoordigen. Een ambassade betreft de diplomatieke vertegenwoordiging van een staat in een andere staat.

Met het oog op de intensivering van de bilaterale relaties is Nederland per 1 januari 2014 overgegaan tot een naamsverandering. Dit leidt niet tot het toekennen van immuniteiten, die slechts worden toegekend aan vertegenwoordigingen van staten en internationale organisaties in Nederland.

Nederland was tot voor kort het laatste land in de Europese Unie waarin de Palestijnse Autoriteit vertegenwoordigd werd door een «Algemene Vertegenwoordiging». Alleen de naam van de delegatie en van de vertegenwoordiger verandert. Laatste draagt nu de titel «hoofd van de Palestijnse missie». Aangezien Nederland de Palestijnse staat niet erkent, kan er volgens het verdrag van Wenen geen sprake zijn van een diplomatieke vertegenwoordiging. Tot ophoging van een diplomatieke vertegenwoordiging zal pas worden overgaan nadat Nederland de Palestijnse staat heeft erkend.

Grofweg kan de huidige status van de vertegenwoordiging van de Palestijnse Autoriteit in de Europese landen worden ingedeeld in drie categorieën, voor zover er een Palestijnse delegatie aanwezig is. De daaraan gekoppelde privileges en immuniteiten verschillen per land.

  • Palestijnse missie: o.a. Engeland, Duitsland en Nederland

  • Missie van Palestina: o.m. België, Frankrijk, Denemarken, Finland, Zweden en Portugal

  • Ambassade van de Palestijnse staat: met name in Oost-Europese landen, zoals Hongarije, Polen, Roemenië, Slowakije, Bulgarije en Tsjechië maar ook Cyprus en Malta.

Vraag 26

De Tsjechische politie heeft na onderzoek naast wapens ook explosieven gevonden in de residentie van de Palestijnse Vertegenwoordiging. Dit onderzoek was mogelijk omdat de Vertegenwoordiging in Praag geen diplomatieke onschendbaarheid geniet. Vormt deze vondst aanleiding om de residentie van Palestijnse vertegenwoordiging in ons land aan een onderzoek te onderwerpen? Zo nee, waarom niet? Wat betekent de Nederlandse opwaardering van de status van Vertegenwoordiging naar Missie voor eventuele diplomatieke onschendbaarheid?

Vraag 59

Is in bilateraal of Europees verband overleg gevoerd over het recente incident met wapens en explosieven in de burelen van de Palestijnse vertegenwoordiging in Praag? Zo ja, wilt u daar dan verslag van doen?

Vraag 60

Welke concrete maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat de burelen van de opgewaardeerde Palestijns-Arabische vertegenwoordiging in Den Haag worden misbruikt voor de op- en/of overslag van illegale wapens en explosieven, zoals onlangs het geval bleek te zijn met de Palestijns-Arabische vertegenwoordiging in Praag? Zie daarover o.a.: http://www.jpost.com/International/Czech-expert-Palestinians-may-have-used-Czech-Republic-for-weapons-transit-337141

Antwoord op vragen 26, 59 en 60

Het kabinet ziet geen aanleiding om de residentie van het hoofd van de Palestijnse missie aan een onderzoek te onderwerpen. Tsjechië heeft op werkgroep niveau de Europese partners geïnformeerd en ziet geen noodzaak voor een discussie in Brussel. De naamsverandering impliceert geen diplomatieke onschendbaarheid. Zie antwoord op vraag 23 en andere.

Vraag 27

Kunt u aangeven waarom Birgitta Tazelaar de titel «ambassadeur» heeft verkregen, zoals bleek uit de brochure die werd aangeboden tijdens de ambassadeursconferentie terwijl 1) er nog geen sprake is van een erkend VN-land, 2) het politiek gevoelig ligt en 3) de Kamer hier niet over is geïnformeerd?

Antwoord

De officiële titel van mevrouw Tazelaar is «Representative of the Kingdom of the Netherlands to the Palestinian Authority». Bij de jaarlijkse ambassadeursconferentie wordt deze functie al jarenlang gemakshalve als «ambassadeur» aangeduid.

Vraag 30

Kunt u aangeven hoeveel contracten er zijn gesloten tussen Nederlandse bedrijven en de Palestijnse Autoriteit en/of Palestijnse ondernemers?

Vraag 117

Kunt u de stevige impuls aan de economische relatie kwantificeren? Hoeveel contracten zijn afgesloten n.a.v. het Samenwerkingsforum met Israël?

Antwoord op vragen 30 en 117

RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) zal in maart een effectmeting van de economische missie in december 2013 verrichten. Deze informatie wordt vervolgens meegenomen in de kwartaalrapportage van de Minister voor BHOS over de uitkomsten van economische missies.

Vraag 31

Acht u het mogelijk de import van landbouwproducten die onder auspiciën van de PA zijn geproduceerd, in Nederland uit te breiden? Zo ja, hoe en kan dat zonder gebruik te maken van de containerscanner?

Antwoord

Het is niet aan het kabinet om de import van landbouwproducten uit de PA uit te breiden. Wel stelt het kabinet zich ten doel de Palestijnse economie te ondersteunen, zodat zij competitiever wordt. Naast de installatie van de scanners, ondersteunt Nederland de Palestijnse Autoriteit (PA) bij de ontwikkeling van een export- en marketingstrategie voor de Palestijnse tuinbouwsector. Ook ondersteunt Nederland de PA bij de introductie van sanitaire en fytosanitaire maatregelen teneinde te voldoen aan internationale regelgeving en zodoende de internationale handel in Palestijnse voedselproducten te bevorderen.

Vraag 32

Kent u de berichten uit kringen van Joodse kolonisten dat zij een exportverlies van 14 procent over landbouwproducten hebben geboekt in 2013 (http://bigstory.ap.org/article/minister-lack-peace-will-hurt-israeli-economy )? Bent u bereid er bij de Nederlandse importeurs en detaillisten op aan te dringen Palestijnse producten te verkiezen boven landbouwproducten uit de illegale nederzettingen, aangezien het om het zelfde klimaat, grond, afstand tot Nederland gaat en de producten uit nederzettingen illegaal zijn? Indien neen, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kunt u dat realiseren?

Vraag 33

Heeft u cijfers over afnemende handelsbetrekkingen (im- en export) tussen Nederlandse bedrijven en nederzettingen? Acht u het een positief gevolg van uw ontmoedigingsbeleid als deze betrekkingen, althans voorlopig tot de onderhandelingen een twee-statenoplossing hebben opgeleverd, op een laag pitje komen te staan? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord op vragen 32 en 33

Het kabinet beschikt niet over cijfers, maar heeft kennis genomen van het bericht waarnaar verwezen wordt. Het kabinet informeert waar nodig Nederlandse bedrijven over het ontmoedigingsbeleid en treedt niet in de beslissingen van individuele bedrijven over hun economische activiteiten.

Vraag 34

Hebben leden van de PA er bij u op aangedrongen illegale nederzettingen uit te sluiten van de contacten met Nederland? Zo ja, wat is uw antwoord daarop?

Antwoord

Ja. Het kabinet heeft in antwoord hierop de PA geïnformeerd over de toepassing van het ontmoedigingsbeleid in het kader van het bilaterale forum.

Vraag 36

Er wordt gesproken over «bereikte resultaten die zullen dienen als basis voor verdere verdieping van de onderlinge banden, waaronder [...]» en vervolgens worden 8 resultaten genoemd. Welke andere resultaten worden hier onvermeld gelaten?

Vraag 90

Er wordt in de brief gesproken over «bereikte resultaten die dienen als basis voor verdere verdieping van de bilaterale banden, waaronder [...]» en vervolgens worden 8 resultaten genoemd. Welke andere resultaten worden hier onvermeld gelaten?

Antwoord op vragen 36, 90

In het kader van het bilaterale samenwerkingsforum met de Palestijnse Gebieden zijn concrete mogelijkheden voor samenwerking en kennisuitwisseling tussen bedrijven en kennisinstellingen op het gebied van agro&food, energie en ICT verkend.

  • Wat betreft het bilaterale samenwerkingsforum met Israël kunnen de volgende andere resultaten worden gemeld:

  • partijen zullen op OS-terrein met elkaar beleidsdialoog aangaan, mogelijkheden verkennen om trilaterale samenwerking vorm te geven;

  • financiële ondersteuning van het medische trainingsprogramma van het Peres Center for Peace;

  • partijen zullen de mogelijkheden onderzoeken om een bilateraal zogenaamd «Young Leadership Platform» op te zetten;

  • uitbreiding en verdieping van samenwerking op het gebied van «cyber defense»;

  • bespreking van het samenwerkingsinitiatief op het gebied van agro&food en technologie door het «Metropolitan Food Security Netherlands» en het «Netherlands Agri Food and Technology Centre» met Israëlische counterparts met oog op samenwerking in derde landen;

  • gebruik van Israëlische technologie in de Nederlandse papierindustrie;

  • voortzetting van de samenwerking tussen de Stichting Vrienden van de Hebreeuwse Universiteit en de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem.

Vraag 37

Heeft de Nederlandse regeringsdelegatie, in het kader van de bevordering van vreedzame coëxistentie tussen Israel en de Palestijnse Arabieren en het oplossen van gezamenlijke zeer prangende milieuproblemen, getracht de samenwerking tussen Israel en de Palestijnse Autoriteit te bevorderen op het gebied van waterzuivering en -beheer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan de mening dat het onbegrijpelijk is en blijft dat juist op watergebied twee Nederlandse bedrijven zich geroepen voelden een door het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken neergelegd «ontmoedigingsbeleid» te volgen en zich uit waterprojecten terug te trekken die de belangen van zowel de Israeli’s als de Palestijnse Arabieren dienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u dan bereid er bij deze bedrijven op aan te dringen hun besluit terug te draaien?

Antwoord

Het kabinet is voorstander van samenwerking van Nederlandse bedrijven met Israëlische en Palestijnse partners op het gebied van water, voor zover dit past binnen de kaders van het Nederlandse ontmoedigingsbeleid. Zo draagt Nederland bij aan een trilateraal, technisch trainingsproject van MEDRC waarbij Palestijnen en Jordaniërs geschoold worden door Israëlische, Palestijnse en Jordaanse experts in ontziltingstechnieken en waterbeheer. Ook heeft Nederland via EXACT vijf succesvolle trilaterale waterprojecten gesteund. De betrokken partijen (Israël, Palestijnse Gebieden, Jordanië) willen een vervolg geven aan deze projecten. Het kabinet overweegt via EXACT een vervolgproject te steunen. Doel van beide initiatieven is bij te dragen aan het Midden-Oosten Vredesproces. Het is verder aan bedrijven om te beslissen met wie zij zaken doen.

Vraag 38

Hoe beoordeelt u, in het kader van het internationale recht, de uitspraak van 22 maart 2013 van het Franse Hof van Beroep in de kwestie van de betrokkenheid van Franse vervoersbedrijven bij de aanleg en exploitatie van de tramlijn in Jeruzalem? http://www.jta.org/2013/04/26/news-opinion/world/french-court-jerusalem-light-rail-project-legal

Antwoord

Het kabinet heeft kennis genomen van de uitspraak van het hof van beroep in Versailles. Nederland velt geen oordeel over deze rechterlijke uitspraak.

Vraag 43

Presenteert de Palestijns-Arabische vertegenwoordiging in Den Haag zich in diplomatieke contacten en officiële brieven en andere stukken als vertegenwoordiging van de «State of Palestine» of van «Palestine»? Zo nee, hoe presenteert men zich dan? Zo ja, hoe beoordeelt u dan die presentatie vanuit het gezichtspunt dat er ten westen van de Jordaanrivier geen Palestijns-Arabische staat bestaat?

Vraag 44

Welke afspraken zijn gemaakt over de officiële presentatie van de «Palestijnse Missie»?

Antwoord op vragen 43 en 44

De Palestijnse missie in Den Haag gebruikt in officiële correspondentie «State of Palestine» sinds de resolutie inzake «non-member state observer status» op 29 november 2012 met een meerderheid is aangenomen. Dit is een besluit van de Palestijnse Autoriteit. Nederland heeft de Palestijnse staat niet erkend en zal deze naamgeving niet overnemen.

Vraag 45

Wordt de status van de Nederlandse vertegenwoordiging bij de Palestijnse Autoriteit ook opgewaardeerd? Zo ja, in welk opzicht en met welke politieke consequenties?

Vraag 46

Wat is de precieze juridische en diplomatieke status van de Nederlandse vertegenwoordiging bij de Palestijnse Autoriteit, gezien het feit dat geen sprake is van een vertegenwoordiging bij een soevereine staat?

Vraag 47

Welke officiële titel voert de Nederlandse vertegenwoordiger bij de Palestijnse Autoriteit?

Vraag 48

Wat is precies het officiële werkgebied van de Nederlandse vertegenwoordiger bij de Palestijnse Autoriteit? Is dat werkgebied functioneel of territoriaal? Indien het werkgebied territoriaal is, valt de door de Hamasbeweging bestuurde Gazastrook er dan onder?

Antwoord op vragen 45 t/m 48

Opwaardering van de Nederlandse vertegenwoordiging bij de Palestijnse Autoriteit is op dit moment niet voorzien. Deze benaming sluit aan bij de praktijk van de andere EU lidstaten. Nederland erkent de PA niet als staat, en heeft dus ook geen ambassade bij de PA. De officiële titel van de Nederlandse vertegenwoordiger luidt «Representative of the Kingdom of the Netherlands to the Palestinian Authority».

Het officiële werkgebied is de Palestijnse Gebieden zijnde Gaza en de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem. De gesprekspartners zijn de Palestijnse Autoriteit, de PLO en het maatschappelijk middenveld. Met Hamas worden geen relaties onderhouden gegeven het Europese no-contact policy. Daarnaast is de vertegenwoordiger ook lid van de Advies Commissie van UNRWA die zich ontfermt over gevluchte Palestijnen in de regio (Gaza, Westelijke Jordaanoever, Jordanië, Syrië, Libanon en Egypte).

Vraag 49

Wat is in het kader van de bilaterale relatie tussen Nederland en de door de Palestijnse Autoriteit bestuurde gebieden de precieze juridische en diplomatieke status van de Palestijnse Bevrijdingsbeweging PLO?

Vraag 50

Wordt de bevolking van de door de Palestijnse Autoriteit bestuurde gebieden in rechte vertegenwoordigd door de Palestijnse Autoriteit of door de PLO?

Vraag 51

Wordt de bevolking van de door de Hamasbeweging bestuurde Gazastrook in rechte vertegenwoordigd door Hamas, de Palestijnse Autoriteit, of de PLO?

Vraag 52

Welke organisatie vertegenwoordigt de belangen van het Palestijnse volk bij de Verenigde Naties? Is dat de PLO of de Palestijnse Autoriteit?

Vraag 53

Welke organisatie is door de Verenigde Naties erkend als de wettelijke vertegenwoordiger van het Palestijnse volk? Is dat de PLO of de Palestijnse Autoriteit?

Vraag 54

Welke organisatie wordt door de Nederlandse regering beschouwd als de wettelijke vertegenwoordiger van het Palestijnse volk? Is dat de PLO of de Palestijnse Autoriteit?

Vraag 55

Welke rechtspersoon is verantwoordelijk voor het logistiek en politiek functioneren van de Palestijns-Arabische vertegenwoordiging in Den Haag? Is dat de PLO of de Palestijnse Autoriteit?

Antwoord op vragen 49 t/m 55

De PLO is de wettelijke vertegenwoordiger als het gaat om de Palestijnen wereldwijd; de Palestijnse Autoriteit is de wettelijke vertegenwoordiger van de bewoners van de Palestijnse Gebieden (Westelijke Jordaanover, inclusief Oost-Jeruzalem, en Gaza). De Palestijnse Autoriteit is het dagelijks bestuur in de Palestijnse gebieden. Nederland erkent de de facto regering in Gaza niet.

Nederland erkent de PLO-status sinds 1988, nadat de Palestijnse Nationale Raad VN-resoluties 242 en 338 onderschreef. In december 1998 werd in resolutie 43/177 vastgelegd dat de PLO onder «Palestine» – niet als staat, land of regering – de Palestijnen zou vertegenwoordigen in de VN. Deze resoluties blijven van kracht, ook nadat op 29 november 2012 resolutie 67/19 werd aangenomen dat aan «Palestina» de status verleent van non-member observer state in de VN.

Na aanname van resolutie 67/19 is gekozen voor «State of Palestine» als naamgeving in de VN. Dit doet echter geen afbreuk aan de verworven rechten en privileges van de PLO zoals vastgelegd in resolutie 43/177. Onder de naam «State of Palestine» zijn zowel de Palestijnse Autoriteit als de PLO in de VN vertegenwoordigd.

Vraag 56

Is met de Israëlische regering gesproken over de opwaardering van de Palestijnse Vertegenwoordiging in Den Haag? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was de Israëlische reactie?

Antwoord

De Israëlische ambassade is in januari 2014 hierover geïnformeerd en nam het bericht ter kennisgeving aan.

Vraag 57

Wat zijn de kosten van (het hervatten van) «de training van jonge Palestijnse diplomaten» en het verzorgen van cursussen internationaal recht? Welke instelling(en) zal/zullen met het verzorgen van dat cursussenpakket worden belast?

Antwoord

Het is nog onduidelijk aan welke instelling de training wordt gegund en welke kosten daarmee zijn gemoeid.

Vraag 58

Heeft het kabinet tevens toegezegd om ook cursussen internationaal recht te verzorgen voor jonge Israëlische diplomaten? Indien neen, waarom niet?

Antwoord

Nee. De beslissing om diplomaten te trainen is vraaggestuurd.

Vraag 61

Hoe beoordeelt u de zorgen van de Palestijnse vertegenwoordigers aangaande de toegang tot land en water in area C? Op welke wijze kan Nederland en/of de Europese Unie bijdragen aan het vergroten van de toegang tot land en water in area C?

Vraag 71

Deelt u de zorgen van de Palestijnse vertegenwoordigers over het gebrek aan toegang tot land en water? Zo ja, wat heeft u daarover toegezegd?

Antwoord op vragen 61 en 71

Zie de antwoorden van de Minister van Buitenlandse Zaken op vragen van het lid Sjoerdsma (D66) over Area C en de levensvatbaarheid van de twee-statenoplossing ingezonden op 21 oktober 2013 (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 682.

Vraag 62

Welke maatregelen of acties heeft de Nederlandse zijde toegezegd inzake het opnieuw op gang brengen van vervoer van goederen, in het bijzonder tussen Gaza en de Westelijke Jordaanoever?

Vraag 63

Zal de Israëlische regering op korte termijn de afspraken nakomen die eerder zijn gemaakt t.a.v. de containerscanner op de grens met Gaza en mogelijk maken dat de handelsstroom tussen Gaza en de Westelijke Jordaanoever wordt hervat? Welke vooruitgang is ter zake geboekt, sinds de scanner voor dit doel begin december niet in gebruik genomen kon worden als gevolg van verzet van de Israëlische regering?

Vraag 64

Kan de Kamer worden geïnformeerd over de bevindingen van de Nederlandse en Israelische experts die de (on-) mogelijkheden omtrent de handelsstroom van de scanner gaan inventariseren? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet? Wanneer komt de missie van Nederlandse en Israëlische experts over de mogelijkheden en onmogelijkheden m.b.t. het gebruik van de scanner bij de grens met Gaza met haar resultaten? Indien deze bekend zijn, wat zijn de bevindingen? Hoe apprecieert u deze?

Vraag 65

Werken beide door Nederland gefinancierde scanners momenteel? Zo nee, waarom niet en per wanneer zal dit het geval zijn? Zo ja, wat zijn de eerste resultaten van het gebruik van de scanners?

Vraag 78

Zijn de scanners eigendom van Israël of van de Palestijnse Autoriteit?

Vraag 81

Hoe kan het dat de scanner die gebruikt zou worden bij de Allenby-brug tussen Jordanië en de Westoever nog steeds niet operationeel is?

Vraag 82

Wanneer verwacht het kabinet dat de scanner voor Gaza operationeel zal zijn?

Vraag 83

Wat gaat u doen als de scanner voor Gaza niet binnen afzienbare tijd operationeel is?

Vraag 84

Klopt het dat de door Nederland gefinancierde containerscanner al wel in gebruik is voor goederen die voor Europa bedoeld zijn?

Antwoord op vragen 62–65, 78 en 81–84

Nederland heeft begin 2012, op verzoek van de Palestijnse Autoriteit en Israël, toegezegd twee containerscanners te doneren; een aan de grens van de Westelijke Jordaanoever met Jordanië en een tweede aan de grens van Israël met Gaza. Doel is de handelsstroom van Gaza naar Israël en de Westelijke Jordaanoever en via de Westelijke Jordaanoever naar de regio te reactiveren – en vice versa – en het handelsvolume te vergroten. Beide scanners zijn eigendom van de Palestijnse Autoriteit, maar worden bediend door de Israëlische douane/het leger.

De scanner die is voorzien bij de grensovergang Westelijk Jordaanoever-Jordanië is nog niet geleverd aangezien de infrastructuur van het cargogebied waar de scanner zal worden geplaatst, nog niet door Israël is aangepast. De oorzaak hiervoor is het aantreden van de nieuwe Israëlische regering in maart 2013 en het opnieuw reserveren van fondsen in de begroting. De begroting is in september 2013 goedgekeurd. Momenteel worden tenders uitgeschreven en wordt er onderhandeld over contracten.

De scanner bij de grensovergang Israël – Gaza is binnen een jaar geleverd, geïnstalleerd en sinds 1 december 2013 in gebruik genomen voor goederen die Gaza verlaten en via de havenstad Ashdod en luchthaven Ben Gurion naar Europa worden verscheept. Verruiming van afzetmarkten (m.n. de Westelijke Jordaanoever) voor Gazaanse producten is nog steeds onderwerp van gesprek met Israël. Teneinde tegemoet te komen aan de legitieme veiligheidszorgen aan Israëlische zijde, zullen Nederland en Israël een gezamenlijke technische missie uitvoeren om deze zorgen uit te sluiten. Uw Kamer zal worden geïnformeerd over de resultaten van de missie.

Vraag 66

Heeft Nederland in de gesprekken met de Palestijnse vertegenwoordigers haar zorgen geuit over de heldenontvangst van terroristen door Abbas en de alarmerende toename van terreuraanvallen in Judea en Samaria? Zo ja, wat was de reactie? Zo nee, waarom niet?

Vraag 114

Is met de Palestijns-Arabische vertegenwoordigers gesproken over het vraagstuk van de systematische anti-Israelische en anti-Joodse ophitsing door functionarissen en instellingen van de Palestijnse Autoriteit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u daar verslag van doen?

Antwoord op vragen 66 en 114

De Minister-President heeft tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Autoriteit gesproken over haatzaaien. Partijen gaven aan dat zij niets kunnen ondernemen tegen kwetsende uitingen op social media. De Palestijnse Autoriteit (PA) gaf aan dat er actief beleid wordt gevoerd tegen haatzaaien op overheidsniveau. Tevens heeft de PA al meerdere malen opgeroepen tot het weer nieuw leven inblazen van de Tripartiete Commissie tegen haatzaaien (PA, Israël, VS). Voorts zetten Palestijnse en Israëlische veiligheidsdiensten hun samenwerking in het tegengaan van terreur onverminderd voort. Het kabinet verwelkomt deze samenwerking.

Vraag 67

Kunt u toelichten hoe de uitspraak van de Palestijnse Autoriteit dat zij bereid is tot verzoening met Hamas mits dit proces aan verkiezingen gekoppeld is, zich verhoudt met het feit dat de Palestijnse Autoriteit eigen verkiezingen al jarenlang tegenhoudt, uit angst dat Hamas een verkiezingsoverwinning zal behalen?

Antwoord

De Palestijnse Autoriteit wenst verkiezingen te houden in alle Palestijnse gebieden, inclusief Gaza en Oost-Jeruzalem – zoals ook de vorige verkiezingen plaatsvonden. Alleen verkiezingen houden op de Westoever zou de splitsing tussen de Westoever en Gaza verder verdiepen en de kans op een twee-statenoplossing verkleinen. De Palestijnse Autoriteit hield in 2012 overigens wel gemeenteverkiezingen op de Westelijke Jordaanoever.

Vraag 68

Hoe verhoudt de uitspraak van Minister-President Rutte in Nieuwsuur «Het werd een groot ding, zoals dat tegenwoordig heet, maar ik zal u zeggen: het zat niet eens in mijn programma» zich met uw brief, waarin u stelt dat «een ceremoniële opening door de Minister-President was voorzien (...)»?

Antwoord

Een ceremoniële opening van de scanner in Kerem Shalom door de Minister-President was voorzien mits dit hand in hand ging met een verruiming van de handelsstroom van Gaza naar de Westelijke Jordaanoever en vice versa. Toen tijdens de voorbereidingen van het bezoek bleek dat Israël daar niet aan kon voldoen, is deze optie vervallen en niet opgenomen in het programma.

Vraag 69

Kunt u een reactie geven op het bericht van Missing Peace «Het volledige verhaal over Rutte’s bezoek aan Israël», waarin onder meer wordt gesteld dat in het tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit gesloten Wye akkoord is vastgesteld dat de IDF verantwoordelijk is voor de veiligheid en de handhaving van de orde in het gebied dat de Minister van Buitenlandse Zaken wilde bezoeken? http://missingpeace.eu/nl/2013/12/het-volledige-verhaal-over-ruttes-bezoek-aan-israel/

Vraag 70

Indien klopt dat de IDF volgens het Wye akkoord verantwoordelijk is voor de veiligheid in het gebied dat de Minister van Buitenlandse Zaken wilde bezoeken, waarom weigerde de Minister dan beveiliging door Israël?

Vraag 75

Hebben de Israëlische autoriteiten u sinds het verschijnen van de brief nog uitgelegd waarom het deel van het bezoek in Hebron per se door hen beveiligd moest worden? Zo ja, wat was hun uitleg? Indien neen, bent u bereid alsnog met het Palestijnse gemeentebestuur een bezoek aan die stad af te leggen?

Vraag 85

Heeft u opheldering gevraagd bij de Israëlische autoriteiten waarom zij bij het bezoek aan Hebron een ander beveiligingsprotocol gevolgd is dan bij het bezoek van eerdere delegaties? Zo ja, wat was hiervoor de reden?

Vraag 88

Bent u bekend met het feit dat Israel onder andere op grond van de door de PLO ondertekende Oslo-akkoorden het recht heeft de (toegangswegen naar de) Joodse enclave in de stad Hebron te beveiligen? Zo ja, waarom impliceert u dan dat van een onrechtmatige beveiligingssituatie sprake zou zijn die rechtvaardigt dat de rondgang door de binnenstad van Hebron werd afgezegd? Kunt u gedetailleerd uiteenzetten om welk traject het gaat «dat normaal gesproken zonder Israëlische beveiliging [wordt] afgelegd» en of Israëlische veiligheidstroepen zich daar op grond van de Israëlische overeenkomsten met de PLO onrechtmatig zouden bevinden?

Antwoord op vraag 69, 70, 75, 85 en 88

Nederland had de Temporary International Presence in Hebron (TIPH) verzocht om een rondleiding door de oude stad van Hebron. TIPH verzorgt regelmatig dit soort rondleidingen voor buitenlandse delegaties, inclusief Ministers van Buitenlandse Zaken. Alhoewel de gehele route in een gebied ligt waar Israël verantwoordelijk is voor de veiligheid, bestaat voor dergelijke TIPH rondleidingen sinds jaar en dag de standaard praktijk dat de IDF dergelijke delegaties begeleidt door het gedeelte dat niet toegankelijk is voor Palestijnen, terwijl het gedeelte dat door de Palestijnse markt loopt, zonder Israëlische begeleiding plaatsvindt. Toen de Israëlische autoriteiten insisteerden dat het IDF veiligheidsescorte ook het deel van de rondleiding dat door de Palestijnse markt loopt zou begeleiden, omdat zij meenden verantwoordelijk te zijn voor de beveiliging van de Minister en zijn delegatie tijdens dit deel van het bezoek, heeft de Minister van Buitenlandse Zaken dit geweigerd, teneinde geen precedent te scheppen.

Vraag 72

Op welke wijze wenst u de aanbevelingen van de Wereldbank over de toegang tot Palestijnse grond te steunen om daarmee de Palestijnse donorafhankelijkheid te verkleinen?

Antwoord

Nederland ondersteunt het proces van economische ontsluiting van het C-gebied middels het land and water resource programma, waarbij boeren worden gesteund in de rehabilitatie en ontwikkeling van Palestijnse landbouwgronden. Ongeveer de helft van dit programma wordt uitgevoerd in Area C.

Vraag 73

Hoe beoordeelt u de plannen van de PA met Rusland m.b.t. de exploratie van aardgas in het Palestijnse deel van de Middellandse Zee en olie op de Westelijke Jordaanoever (http://news.yahoo.com/abbas-seeks-1-billion-gaza-deal-russia-143355144.html )? Deelt u de opvattingen dat de PA (en Hamas), Rusland en Israël zouden moeten overleggen over exploratie en verdelingen van de opbrengsten van deze grondstoffen? Indien neen, waarom niet? Indien ja, deelt u de mening dat Nederland d.m.v. het Samenwerkingsforum met Israël aangaande energie hierop bij Israël moet aandringen?

Antwoord

Het kabinet heeft kennis genomen van de plannen van de PA en Rusland op energiegebied. De details van de afspraken over exploratie en verdeling zijn het kabinet echter niet bekend. Nederland is niet betrokken bij deze commerciële onderhandelingen. In het algemeen is Nederland voorstander van overleg tussen partijen als het gaat om grensoverschrijdende olie- en gasvelden.

Vraag 74

Hoe waarborgt de regering dat activiteiten in het verlengde van het Nederlands-Israëlische Samenwerkingsforum niet doelstellingen en activiteiten van het Nederlands-Palestijnse Samenwerkingsforum ondermijnen, specifiek op het gebied van water?

Antwoord

Het Kabinet is van mening dat beide fora naast elkaar kunnen bestaan en gezamenlijk het Midden-Oosten vredesproces ondersteunen.

Vraag 76

Hoe waarborgt de regering dat activiteiten in het verlengde van het Nederlands-Israëlische Samenwerkingsforum niet bijdragen aan schendingen van de mensenrechten en/of het humanitair oorlogsrecht?

Antwoord

Het ontmoedigingsbeleid wordt onverkort toegepast bij alle activiteiten die voortvloeien uit het bilaterale samenwerkingsforum.

Vraag 77

Heeft Nederland een schriftelijke overeenkomst met Israël dat de door Nederland gedoneerde scanner voor de grens van Gaza gebruikt gaat worden voor de uitvoer van containers van Gaza naar de Westoever? Zo neen, welke overeenkomst is er wel?

Antwoord

Nederland heeft met Israël een gezamenlijke verklaring getekend. Hierin wordt gesteld dat de installatie van de scanners een belangrijke infrastructurele bijdrage vormt in het proces van goederenvervoer van de Westelijke Jordaanoever en Gaza naar Jordanië en andere landen, evenals tussen de Westelijke Jordaanoever en Gaza.

Vraag 79

Wanneer maakte Israël op informele wijze bekend dat de scanners niet gebruikt zouden worden?

Vraag 80

Wanneer maakte Israël op formele wijze bekend dat de scanners niet gebruikt zouden worden?

Antwoord vragen 79 en 80

Een dergelijke boodschap heeft Israël niet afgegeven, formeel noch informeel. De scanners kunnen wel worden gebruikt maar worden vooralsnog niet voor de verruiming van de export van Gaza naar de Westelijke Jordaanoever en vice versa. Zie het antwoord op vragen 62–65, 78 en 81–84.

Vraag 86

Er wordt gesproken over zorgen van Palestijns-Arabische vertegenwoordigers over het Israëlische beheer van «Area C» en het feit dat de Palestijnse Autoriteit geen volledige toegang tot dat gebied heeft. Deelt u de opvatting dat Area C alleen al op basis van de door de PLO ondertekende Oslo-akkoorden momenteel legitiem onder Israëlisch beheer valt en dat de toekomstige status ervan en die van de Joodse dorpen en stadjes in het gebied, moet worden bepaald in bilaterale onderhandelingen tussen de staat Israel en de PLO? Zo nee, waarom niet?

Vraag 87

Er wordt gesproken over zorgen van Palestijns-Arabische vertegenwoordigers over de factor veiligheid die Israël toebedeelt aan terreinen die noodzakelijk zijn voor het economisch levensvatbaar maken van de Westelijke Jordaanoever (de landstreken Judea en Samaria). Deelt u de opvatting dat Israel op grond van de Oslo-akkoorden het recht heeft en in algemene volkenrechtelijke zin zelfs de plicht, om de veiligheid in die gebieden te handhaven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vragen 86 en 87

In de Oslo-akkoorden tussen Israël en de PLO is een verdeling in gebieden A, B en C gemaakt, als tijdelijke oplossing met als doel om na vijf jaar een twee-statenoplossing overeen te komen. In de akkoorden zijn afspraken gemaakt over de geleidelijke overdracht van gebieden, met inbegrip van «Area C», aan de Palestijnse Autoriteit, in aanloop naar een finale statusakkoord. Zolang deze overdracht nog niet is gerealiseerd, is Israël, als bezettende macht, verplicht alle maatregelen in zijn vermogen te nemen teneinde de openbare orde en het openbare leven in de bezette gebieden zoveel mogelijk te herstellen en te verzekeren. Als bezettende macht is Israël bevoegd om alleen die veiligheidsmaatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor de eigen veiligheid. Dit dient altijd te worden afgewogen tegen de belangen van de Palestijnse bevolking. In de Oslo-akkoorden zijn geen afspraken gemaakt ten aanzien van Israëlische nederzettingen in die gebieden. Zolang geen finale statusakkoord hierover is bereikt, geldt dat deze nederzettingen in strijd zijn met het internationaal recht.

Vraag 89

Tijdens het regeringsbezoek aan Israël werd sterk de nadruk gelegd op bilaterale samenwerking op het gebied van innovatie. Wat zijn de precieze redenen waarom de Minister van Economische Zaken, die voor innovatiebeleid verantwoordelijk is, niet is meegegaan en bijgevolg niet aan de eerste sessie van het samenwerkingsforum heeft deelgenomen?

Antwoord

De Minister van Economische Zaken had verplichtingen in de Eerste Kamer.

Vraag 91

Is met de Israëlische gesprekspartners ook gesproken over het «staande» Nederlandse «ontmoedigingsbeleid» ten aanzien van het zaken doen met Israëlische bedrijven die zijn gevestigd of (ook) opereren in de Joodse stadjes en dorpen in de betwiste gebieden die op basis van Israëlische overeenkomsten met de PLO momenteel onder Israëlisch beheer vallen en waarvan de toekomstige status in bilaterale onderhandelingen tussen Israël en de PLO moet worden beslist? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u daar dan uitgebreid verslag van doen en daarbij ook de Israëlische reactie weergeven?

Antwoord

Met de Israëlische autoriteiten is in algemene zin gesproken over de toepassing van het Nederlandse ontmoedigingsbeleid ten aanzien van Israëlische nederzettingen in de context van het bilaterale samenwerkingsforum. Tevens heeft naar aanleiding van de geuite Israëlische zorgen een ambtelijke missie in februari 2014 het beleid nogmaals aan de Israëlische autoriteiten toegelicht.

Vraag 92

Hebben ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzake het «staande» Nederlandse «ontmoedigingsbeleid» sinds het aantreden van het kabinet Rutte II actief contact gezocht met Nederlandse bedrijven die in Israël investeren of daar anderszins actief zijn?

Antwoord

Sinds het aantreden van het kabinet Rutte II hebben de Nederlandse ambassade in Tel Aviv en het Ministerie van Buitenlandse Zaken enkele malen contact opgenomen met Nederlandse bedrijven, wanneer er concreet aanleiding was aan te nemen dat sprake was van activiteiten in of ten behoeve van nederzettingen. Dit wijkt niet af van het beleid onder de kabinetten Balkenende IV en Rutte I.

Vraag 93

Kunt u toelichten waarom er voor andere landen met territoriale disputen geen vergelijkbaar ontmoedigingsbeleid geldt en er tijdens handelsmissies ook geen vergelijkbare maatregelen ter ontmoediging van handel worden genomen als het gaat om landen als China, Turkije en Marokko?

Antwoord

De situaties in andere landen met territoriale disputen worden elk op hun eigen merites beoordeeld. Er is niet alleen beleid ten aanzien van de Palestijnse gebieden, maar ook ten aanzien van andere gebieden. Het kabinet waarschuwt bijvoorbeeld voor het doen van investeringen en zaken in het gebied van de Westelijke Sahara onder de 27e breedtegraad vanwege het conflict over de status van dat gebied. Dit ondernemingsadvies staat ook vermeld op de website van rvo.nl. Zie ook de antwoorden op Kamervragen gesteld door het lid Van Bommel over handel in zand uit West-Sahara, ingezonden op 12 september 2013 (Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 32).

Vraag 94

Hoe apprecieert u de beslissing van Duitsland om entiteiten in nederzettingen expliciet uit te sluiten van twee bilaterale overeenkomsten aangaande wetenschappelijke en high samenwerking (http://www.haaretz.com/news/diplomacy-defense/.premium-1.570071 en http://www.dtoday.de/startseite/politik_artikel,-Vor-Merkels-Israel-Reise-Streit-um-Forschungsabkommen-_arid,316677.html )? Wenst u samenwerking met de Hebreeuwse Universiteit en met high tech firma’s te heroverwegen in dit licht? Indien neen, waarom niet?

Antwoord

Het kabinet heeft kennis genomen van de inhoud van dit bericht, dat door de Duitse regering wordt ontkend noch bevestigd. Het kabinet acht het dan ook niet opportuun op dit bericht te reageren. Bij de samenwerking met de Hebreeuwse universiteit en high tech bedrijven gaat het om afspraken tussen private partijen.

Vraag 95

Hoe verhoudt zich de investering van de regering in de lange termijn relatie met Israël tot de enorme investering die de Israëlische regering tegelijkertijd doet in de uitbreiding van nederzettingen en de verdieping van de bezetting van de Palestijnse gebieden?

Vraag 96

Waarom kwalificeert de regering de betrekkingen met Israël als voortreffelijk, terwijl de Israëlische regering het internationaal recht op zeer ernstige wijze blijft schenden en doorgaat met beleid dat de twee-statenoplossing ernstig bedreigt? Op welke wijze heeft het kabinet gedurende het Nederlands-Israëlische Samenwerkingsforum kenbaar gemaakt dat dit beleid onaanvaardbaar is en moet stoppen?

Antwoord op vragen 95 en 96

De betrekkingen tussen Nederland en Israël bouwen voort op de bijzondere historische band tussen beide landen en omvatten vele vormen van samenwerking en contacten op alle niveaus. Het feit dat het Nederlandse kabinet tegenstander is van Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden staat een versterking van de bilaterale relatie met Israël niet in de weg. Het kabinet zet juist de goede betrekkingen met Israel in voor het bevorderen van de slagingskansen van het vredesproces. Zo spreekt het kabinet de Israëlische regering consequent aan op de nederzettingen en wijst het op de grote risico’s voor Israël van verdere uitbreiding ervan.

Vraag 97

Waarom heeft u in antwoord op schriftelijke vragen van het lid Voordewind (2014Z00450) gesteld dat het kabinet «geen bezwaar heeft tegen samenwerking met Mekorot, voor zover die samenwerking betrekking heeft op activiteiten binnen de Groene Lijn of buiten Israël die niet ten gunste van nederzettingen komen?», en anderzijds in de media gesteld dat het kabinet «geen enkel bezwaar ziet» tegen de samenwerking tussen Vitens en Mekorot? Hoe verklaart u het verschil?

Antwoord

Onverkort geldt dat het kabinet geen bezwaar heeft tegen samenwerking met Mekorot, voor zover die samenwerking betrekking heeft op activiteiten binnen de Groene Lijn of buiten Israël die niet ten gunste van nederzettingen komen. Volgens de informatie waarover het kabinet beschikte, voldeed de voorgenomen samenwerking tussen Vitens en Mekorot aan deze voorwaarde.

Vraag 98

Het ontmoedigingsbeleid van het kabinet richt zich onder meer op «activiteiten buiten nederzettingen die ten gunste komen aan nederzettingen». Kunt u hier een nadere uiteenzetting over geven? In hoeverre verricht Mekorot activiteiten ten gunste van nederzettingen, zoals waterzuivering, die vallen onder het ontmoedigingsbeleid, en waarom bent u ten aanzien van dit bedrijf dan van mening dat Nederlandse bedrijven er zaken mee kunnen doen?

Antwoord

Mekorot verzorgt onder meer de waterleverantie en waterzuivering ten behoeve van nederzettingen. Indien een Nederlands bedrijf ten aanzien van de activiteiten ten behoeve van nederzettingen zou willen samenwerken met Mekorot, zou het kabinet dit ontmoedigen.

Vraag 100

Waarom ziet het kabinet de beslissing van Vitens om de samenwerking met Mekorot te beëindigen niet als een uitvloeisel van zijn beleid, terwijl Vitens zelf de afzegging van het geplande bezoek aan Mekorot door de Minister voor BuHa & OS, en de ophef die dit veroorzaakt heeft, aanvoert als reden om in gesprek te gaan met het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de samenwerking met Mekorot, alsmede gesteld heeft dat Buitenlandse Zaken de zorgen van Vitens over de samenwerking met Mekorot in dit gesprek «op geen enkel moment» heeft weggenomen?

Vraag 103

Waarom heeft de Minister van Buitenlandse Zaken voor het NOS-journaal gezegd «geen enkel bezwaar» te hebben tegen de samenwerking tussen Vitens en Mekorot, en is dit standpunt niet kenbaar gemaakt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in het gesprek op 9 december 2013 met Vitens?

Vraag 104

Waarom heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken (NRC, 7 januari 2014) gesteld zich niet te herkennen in het beeld dat van het gesprek met Vitens werd geschetst?

Vraag 105

Waarom heeft de Minister van Buitenlandse Zaken voor het NOS-journaal (http://nos.nl/video/585774-timmermans-geen-druk-op-vitens.html ) gezegd «geen enkel bezwaar» te hebben tegen de samenwerking tussen Vitens en Mekorot, en kon het Ministerie van Buitenlandse Zaken desgevraagd niet verklaren waarom het «geen bezwaar» had tegen de voorgenomen samenwerking tussen Vitens en Mekorot (NRC, 7 januari 2014)? Klopt het dat de Minister in het journaal een ander standpunt innam dan zijn eigen ministerie in het gesprek met Vitens op 9 december 2013?

Antwoord op vragen 100, 103, 104 en 105

Het ontmoedigingsbeleid is uitvoerig uitgelegd aan Vitens en het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft helder aangegeven geen bezwaar te zien in de voorgenomen samenwerking met Mekorot voor zover die samenwerking betrekking heeft op activiteiten binnen de Groene Lijn of buiten Israël die niet ten gunste van nederzettingen komen.

Vraag 101

Waarom heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken, indien samenwerking met Mekorot niet valt onder het ontmoedigingsbeleid, Vitens in het gesprek op 9 december 2013 niet juist aangemoedigd om zaken te doen met Mekorot, aangezien de Minister van Buitenlandse zaken doen met Israël aanmoedigt om dat het goed is voor Israël, voor Nederland en het vredesproces?

Antwoord

Het kabinet treedt niet in de beslissingen van individuele bedrijven over hun economische activiteiten.

Vraag 102

Klopt het dat de Minister-President tijdens het bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden openlijk gesteld heeft voor Mekorot een uitzondering te maken op het ontmoedigingsbeleid, omdat het een monopolie heeft en «we dus geen alternatief hebben» (NRC, 7 januari 2014) Zo ja, hoe verhoudt zich deze uitspraak tot het afzeggen van het bezoek van de Minister voor BuHa en OS aan Mekorot?

Vraag 107

Klopt het dat de Minister-President tijdens het bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden een uitzondering heeft gemaakt op het ontmoedigingsbeleid ten aanzien van Mekorot? Zo ja, waarom heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken dit niet medegedeeld aan Vitens in het gesprek met Vitens op 9 december 2013?

Antwoord op vragen 102 en 107

Van een uitzondering op het ontmoedigingsbeleid is geen sprake. Het kabinet heeft geen bezwaar tegen samenwerking met Mekorot, voor zover dit binnen de kaders van het ontmoedigingsbeleid blijft. Aangezien Mekorot het staatsmonopolie op waterlevering en -zuivering in Israël heeft, is moeilijk voorstelbaar hoe een Nederlands bedrijf zaken zou kunnen doen in Israël zonder iets te maken te krijgen met Mekorot. De uitspraak van de Minister-President moet in dat licht worden beschouwd.

Vraag 106

Waarom heeft het kabinet het Nederlandse bedrijf Royal Haskoning wel actief ontmoedigd over de bouw van een rioolwaterzuiveringsinstallatie in Oost-Jeruzalem en de samenwerking tussen Vitens en Mekorot, voor zover deze betrekking zou hebben op activiteiten in bezet gebied en ten behoeve van nederzettingen, niet?

Antwoord

Het kabinet is in gesprek gegaan met Royal Haskoning DHV omdat het van mening was dat er een relatie was tussen het voorgenomen project en de Israëlische nederzettingenactiviteiten. Ten aanzien van de samenwerking tussen Vitens en Mekorot heeft het kabinet duidelijk kenbaar gemaakt bezwaar te hebben tegen samenwerking met Mekorot voor zover deze betrekking zou hebben op activiteiten in of ten behoeve van nederzettingen.

Vraag 108

Kunt u inzicht geven hoeveel bedrijven af hebben gezien van economische activiteit in de bezette gebieden vanwege het ontmoedigingsbeleid?

Antwoord

Het kabinet houdt een dergelijk overzicht niet bij.

Vraag 109

Wat houdt het «staande» Nederlandse «ontmoedigingsbeleid» precies in, wanneer werd het operationeel, hoe werd het sindsdien geïmplementeerd, en op welke wijze en wanneer werd dat met de Israelische regering gecommuniceerd?

Antwoord

Het Nederlandse ontmoedigingsbeleid is verwoord in communicatie van het kabinet met uw Kamer. Zo heeft Minister Bot tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken op 19 oktober 2006 aan uw Kamer gemeld dat: «...de regering economische relaties met bedrijven in de door Israël bezette gebieden ontmoedigt. Nederlandse bedrijven zullen hier zo nodig op worden aangesproken en er zal dus een dialoog ontstaan.» Dit heeft hij bevestigd in zijn antwoord op vragen van het lid Karimi van GroenLinks over economische relaties met Israëlische nederzettingen, verzonden op 12 februari 2007 (Aanhangsel Handelingen II 2006/07, nr. 782). Daaropvolgende kabinetten hebben dezelfde lijn uitgedragen en deze meerdere malen in brieven aan uw Kamer bevestigd, o.m. in de brief van 7 oktober 2013, met Kamerstuk 23 432, nr. 351).

Dit beleid is meerdere malen en op verschillende niveaus gecommuniceerd aan de Israëlische regering, die hiervan goed op de hoogte is.

Vraag 110

Kunt u een toelichting geven op de voorgenomen trilaterale ontwikkelingssamenwerking?

Vraag 113

Wat zijn Israëls belangen bij samenwerking met Nederland op het gebied van ontwikkelingssamenwerking in derde landen? Hoe verhouden zich deze samenwerkingsambities en eventuele toekomstige activiteiten in dat verband tot de grote schade die Israël heeft toegebracht en toebrengt aan duurzame ontwikkeling in de bezette Palestijnse gebieden?

Antwoord op vragen 110 en 113

Zoals staat beschreven in het verslag aan uw Kamer van het bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden van 20 december jl. is op hoog ambtelijk niveau afgesproken om een agenda op te stellen om tot concrete samenwerking te komen. Doel van de trilaterale samenwerking is om de kennis en ervaring van zowel Nederland als Israël in te zetten ter bevordering van welzijn en groei in lage inkomenslanden. Met Israël wordt momenteel verkend op welke thema’s en in welke landen trilateraal kan worden samengewerkt.

De ontwikkeling van de Palestijnse Gebieden blijft prioriteit voor het kabinet. Uiteindelijk is de duurzame ontwikkeling van de Palestijnse Gebieden afhankelijk van het welslagen van het vredesproces. Daarom blijft het kabinet beide partijen onverminderd steunen en aansporen om tot een oplossing te komen.

Vraag 111

Hoeveel geld zal Nederland aan het «Training Doctors» programma besteden?

Antwoord

Nederland draagt EUR 100.000 bij voor een periode van twee jaar aan een programma van het Peres Center for Peace waarbij Palestijnse artsen in Israëlische ziekenhuizen worden opgeleid.

Vraag 112

Heeft de regering, naar aanleiding van zorgen die Israël zou hebben geuit over de humanitaire situatie in Gaza, benadrukt dat de hoofdoorzaak van humanitaire noden in Gaza de aanhoudende Israëlische blokkade is? Heeft de regering het collectieve Europese standpunt overgebracht dat Israël de grensovergangen met Gaza onmiddellijk, blijvend en onvoorwaardelijk moet openen voor de doorstroom van humanitaire hulp, commerciële goederen en personen, conform de verplichtingen die Israël onder het internationaal recht heeft?

Antwoord

Het kabinet vraagt al geruime tijd consistent aandacht voor de situatie in Gaza. Het feit dat Nederland al jaren met de versoepeling van handelsstromen bezig is en ten behoeve daarvan een scanner doneerde bij de grensovergang tussen Israël en Gaza bewijst dat normalisering van het grensverkeer voor goederen en personen de onafgebroken aandacht van het kabinet heeft.

Vraag 115

De volgende bijeenkomsten van de bilaterale fora zullen, zo vermeldt de brief, op nader te bepalen momenten in 2015 in Nederland plaatsvinden. Kunt u toelichten om wat voor bijeenkomsten het zal gaan? Is de regering voornemens Israëlische en Palestijnse ondernemers naar Nederland te halen? Gaat de regering zich ook inzetten om Ministers van beide partijen in Nederland te verwelkomen?

Antwoord

De volgende bijeenkomsten van de fora in Nederland in 2015 zullen in principe hetzelfde format hebben als de eerste bijeenkomsten in december 2013.

Vraag 116

Gaat de Innovatiedag van 2014 in Nederland, Israël of de Palestijnse Gebieden plaatsvinden?

Antwoord

De bilaterale Innovatiedag met Israël in 2014 zal in Nederland plaatsvinden.

Vraag 118

Hoe rijmt u de conclusie dat dit «bijzonder geslaagde bezoeken» zijn geweest met de incidenten omtrent de containerscanner, de wandeling in Hebron en de Israëlische kritiek op het terugtrekken van Nederlandse bedrijven uit Israël en de Palestijnse Gebieden?

Antwoord

Het kabinet kijkt terug op bijzonder geslaagde bezoeken. Het is de eerste keer dat zulke grote Nederlandse bezoeken aan de Palestijnse Gebieden en Israël zijn gebracht. Van alle zijden is enthousiast gereageerd op het format van de fora, het aantal deelnemers en hun interesse om de samenwerking verder vorm te geven. Het door Nederland gekozen model voor samenwerking wordt van Palestijnse zijde zelfs gezien als mogelijk model voor samenwerking met andere landen. Tijdens het bezoek aan Israël zijn de historische banden herbevestigd en versterkt, hebben open gesprekken over politieke onderwerpen plaatsgehad en is een stevige impuls aan de economische relatie gegeven. Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen zijn enthousiast over de nieuwe kansen die zij kunnen aanboren.

Het kabinet meent dat Nederland met deze investering in de lange termijn relatie met beide partners op tal van niveaus, via het stimuleren van samenwerking tussen overheden, de private sector en kennisinstellingen, een constructieve bijdrage levert aan het vredesproces.

Vraag 16

Waren er bij officiële activiteiten van het programma Israëlisch bedrijven met nederzettingen in de bezette gebieden aanwezig? Zo ja, welke?

Vraag 28

Heeft u op basis van de besprekingen over het Bilateraal Samenwerkingsforum met de Palestijnse Autoriteit (PA) in de Palestijnse gebieden aanleiding om aanpassingen aan te brengen? Zo ja, welke aanpassingen worden doorgevoerd?

Antwoord op vragen 16, 28

Niet duidelijk is waarnaar gevraagd wordt.