Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201422452 nr. 41

22 452 Internationalisering van het onderwijs

Nr. 41 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 juli 2014

1. Inleiding

Onderzoekers van de University of Florida gaven aan drie groepen studenten eenzelfde reeks creatieve opdrachten.1 Eén groep bestond uit studenten die in het buitenland hadden gestudeerd, de tweede groep was dit nog van plan, en de derde was vastbesloten in eigen land te blijven. Wat blijkt: de creatieve vaardigheden van de internationaal ervaren student waren verreweg het meest ontwikkeld. Internationalisering zorgt voor uitdagend onderwijs en kan bijdragen aan slimmere, creatievere en ondernemendere studenten. William Maddux, hoogleraar aan INSEAD en expert op het gebied van internationalisering van onderwijs, bevestigt dit beeld: «People who have international experience are better problem solvers and display more creativity. What’s more, we found that people with this international experience are more likely to create new businesses and products and to be promoted.»2 Het is mijn overtuiging dat het Nederlands onderwijs «competente rebellen» op moet leiden, grensoverschrijdende denkers en doeners die door creativiteit, lef en ambitie verandering teweeg brengen. Ik zet in deze brief mijn visie op internationalisering van het hoger onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs uiteen.

In mijn ogen is internationalisering cruciaal voor het verwerven van kennis, vaardigheden en beroepscompetenties. Tegelijkertijd is internationalisering ook zeer waardevol voor de persoonlijke ontwikkeling en identiteitsvorming van studenten. Er liggen dan ook interessante raakvlakken met mijn inzet op andere OCW-beleidsterreinen, gericht op het bevorderen van burgerschap, mensenrechten, emancipatie en internationaal bewustzijn. Wel wil ik benadrukken dat instellingen die internationaal actief zijn bovenal hun zaken «thuis» op orde moeten hebben, met opleidingen van goede kwaliteit.

De manier waarop deze visiebrief tot stand is gekomen verdient bijzondere aandacht. Het onderwijsveld heeft duidelijke ambities op het vlak van internationalisering. Het leek mij daarom gepast het veld uit te dagen zijn visie uit te werken en te presenteren. Ik ben verheugd te zien dat de universiteiten en hogescholen die vraag in samenwerking met elkaar hebben beantwoord. Het resultaat is een visie op internationalisering die ik in grote mate kan onderschrijven3. Het is dan ook mijn intentie om de ambities die zij in hun visie beschrijven samen te realiseren.

Ook heb ik uw Kamer toegezegd in deze visiebrief op een aantal onderwerpen nader in te gaan. Deze brief behandelt naast het hoger wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs ook het middelbaar beroepsonderwijs (hoofdstuk 6).4 Het middelbaar beroepsonderwijs kent een andere dynamiek ten aanzien van internationalisering. Deze integrale visie voor internationalisering in het ho en het mbo houdt daarmee rekening. Deze brief richt zich vooral op ho en mbo; internationalisering van de wetenschap zal worden behandeld in de Wetenschapsvisie die u na de zomer ontvangt. Onderwijs en wetenschap zijn sterk verweven, vanzelfsprekend houd ik de synergie tussen beide visies scherp in de gaten.

2. Het mondiale gezicht van het Nederlandse onderwijsstelsel

Het Nederlands hoger onderwijs trekt jaarlijks duizenden studenten van over de hele wereld. Zij plukken de vruchten van de kwaliteit van het Nederlandse onderwijsstelsel en zijn op hun beurt een verrijking voor het Nederlands onderwijs, de wetenschap en kenniseconomie. Dat geldt ook voor de internationale staf in Nederland en voor de vele samenwerkingsverbanden tussen Nederlandse en buitenlandse instellingen. De kennissector is een belangrijk visitekaartje voor Nederland en kennis is in toenemende mate een waardevol exportproduct. Het is mijn overtuiging dat Nederland naast het stimuleren en behouden van talent van eigen bodem, ook actiever kan inspelen op de mogelijkheden die deze mondiale onderwijsmarkt biedt. Een hoeksteen van het internationaliseringsbeleid is het samen optrekken in het buitenland, voor de gezamenlijke positionering van het Nederlandse hoger onderwijs en wetenschap in het buitenland.

De koepels identificeren een aantal unique selling points van het Nederlands onderwijs. Zo biedt het Nederlandse binaire systeem (hbo en wo) een breed aanbod van hoogwaardig onderwijs, van de korte arbeidsmarktgerichte Associate degrees, tot beroepsgeoriënteerde bachelors en academische researchmasters. Ook kenmerkt Nederland zich door de nauwe samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijfsleven. Nederland is onder niet-Engelstalige landen koploper in het aanbod van Engelstalige opleidingen. De koepels benadrukken ook dat Nederland bekendstaat als een land met een onderwijs- en onderzoekscultuur waarin vrijheid van meningsuiting, kritische reflectie en intellectuele onafhankelijkheid centraal staan.

Ik deel de analyse van de VSNU en Vereniging Hogescholen dat Nederland deze unique selling points sterker voor het voetlicht kan brengen. Hierin moeten onderwijs en onderzoek samen optrekken. Ook is het nuttig als vaker samenwerking wordt gezocht met het beleid en de infrastructuur van andere departementen, zoals dat van Economische en Buitenlandse Zaken. Onderdeel hiervan is hoe de Study in Holland-branding past binnen de bredere Holland-branding. Ik zal mij inzetten voor optimale synergie tussen kennisinstellingen, bedrijfsleven en overheid, in buitenlandse reizen, gezamenlijke handelsmissies en andere vormen van samenwerking, waarbij structuren als de topsectoren en de Dutch Trade Board als belangrijke kanalen fungeren. Een voorbeeld hiervan is de economische missie van het Koninklijk Paar aan Brazilië in november 2012. In deze missie maakten onderwijsinstellingen onderdeel uit van een breed samengestelde handelsdelegatie, waardoor de synergie tussen onderwijs en bedrijfsleven optimaal werd benut.

De VSNU en Vereniging Hogescholen wijzen op een instrument dat in veel andere landen om ons heen de kern is van internationale positionering: een nationaal scholarship-programma voor internationale mobiliteit. Een dergelijk scholarship-programma heeft als directe meerwaarde dat het topstudenten uit het buitenland naar Nederland haalt (zie ook hoofdstuk 4), maar kan ook worden ingezet om mobiliteit van talentvolle Nederlandse studenten naar het buitenland te stimuleren. In bredere zin werkt een nationaal scholarship-programma als profileringsinstrument voor het Nederlandse hoger onderwijs, dat het aantrekkelijke onderwijsklimaat van Nederland wereldwijd zichtbaar maakt. Het is van groot belang om Nederland met een krachtig en efficiënt scholarship-programma internationaal zichtbaarder te maken en internationale mobiliteit te stimuleren.

Daarom creëer ik een scholarship-programma, dat jaarlijks circa 5 miljoen euro aan scholarships beschikbaar zal stellen. Dit programma zal zich primair richten op internationale studenten van buiten de EER, maar zal ook open staan voor Nederlandse studenten (dus zowel inkomende als uitgaande mobiliteit). Het zal komend decennium ongeveer 10.000 topstudenten in staat stellen om over de grens te studeren. De kosten van de scholarships worden in ieder geval voor inkomende studenten voor de helft gedragen door instellingen, die ook in samenwerking met de Nuffic verantwoordelijkheid dragen voor de selectie van de kandidaten. De nadere voorwaarden en de verhouding tussen scholarships voor inkomende en uitgaande mobiliteit zal ik nog nader bepalen. Bij de uitwerking zal worden gekeken naar mogelijkheden om het bedrijfsleven te betrekken. Ook zal ik met onderwijsinstellingen en Nuffic kijken hoe we in de selectie van studenten optimaal kunnen aansluiten bij de behoeftes van de Nederlandse kenniseconomie en (regionale) arbeidsmarkt. Begin 2015 zal ik uw Kamer informeren over de details van dit scholarship-programma.

Het aandeel internationale staf in met name de universiteiten is aan het stijgen. Die ontwikkeling vind ik positief, het is belangrijk dat Nederland aantrekkelijk is voor talentvolle onderzoekers en docenten. Vooral de bijdrage van promovendi uit het buitenland is inmiddels niet meer weg te denken. Tegelijkertijd wordt door de internationale staf de aansluiting bij de internationale onderzoeksnetwerken verder versterkt.

Onderwijsinstellingen moeten zich in toenemende mate internationaal profileren. Ook hierin zijn Nederlandse instellingen pioniers. Zo bieden verschillende instellingen MOOCs aan, die niet alleen tienduizenden studenten van over de hele wereld met elkaar in contact brengen, maar ook een impuls geven aan de zichtbaarheid van het Nederlands hoger onderwijs als geheel. Zoals reeds aangegeven in mijn brief over Open en online onderwijs zal ik de ontwikkeling van MOOCs en andere vormen van online onderwijs stimuleren in samenwerking met SURF en de hogescholen en universiteiten.5

De VSNU en Vereniging Hogescholen merken op dat instellingen ook steeds vaker hun grenzen verleggen door samenwerkingen aan te gaan met buitenlandse instellingen (er zijn nu al zo’n 15 Nederlandse instellingen met een joint degree-programma en aanzienlijk meer met een double of multiple degree-programma).6 Ik heb reeds aangegeven dat ik de joint en double degrees verder mogelijk wil maken, door obstakels in wet- en regelgeving weg te nemen. Sommige instellingen willen ook verdere stappen zetten. Dit kan bijvoorbeeld door opleidingen volledig in het buitenland aan te bieden (transnationaal onderwijs, ook bekend als offshore onderwijs). De British Council laat zien dat het Verenigd Koninkrijk op dit gebied de grootste speler is met 1.395 transnationale programma’s, 73 overzeese campussen en wel 454.473 transnationale studenten.7 Nederlandse hogescholen en universiteiten zien transnationaal onderwijs als een interessante manier om het Nederlands hoger onderwijs in het buitenland te promoten, instellingen wereldwijd te profileren in opkomende onderwijsmarkten, samenwerkingsverbanden te intensiveren, studentenuitwisseling te vergemakkelijken en het Nederlandse onderwijs te vermarkten.

Ik onderschrijf deze meerwaarde en wil transnationaal onderwijs mogelijk maken voor zowel de onbekostigde rechtspersonen voor hoger onderwijs (rpho’s) als bekostigde instellingen, voor zowel bachelor- als masteropleidingen. Met de Wet versterking besturing is in 2009 een wettelijke basis gelegd voor transnationaal onderwijs (WHW artikel 1.19). Deze bepaling treedt in werking nadat per AMvB nadere voorwaarden zijn gesteld. Mijn ambtsvoorganger heeft, in reactie op de kwaliteitsproblemen aan Inholland, besloten deze AMvB voorlopig niet op te stellen. Inmiddels vind ik de tijd rijp om wel tot die stap over te gaan. Ik zet daardoor de reeds in 2009 ingezette lijn ten aanzien van transnationaal onderwijs door. Per AMvB zal ik nadere voorwaarden stellen voor de borging van kwaliteit en de zuivere scheiding van private en publieke middelen. In deze AMvB zal ik tevens ingaan op welke instellingen volledige opleidingen in het buitenland mogen aanbieden. Mijn uitgangspunt is dat dit alleen geldt voor instellingen en opleidingen waarvan de kwaliteit boven iedere twijfel verheven is. Het gaat immers om het visitekaartje van het Nederlands onderwijs.

De koepels vragen aandacht voor de positie van Nederlandse masteropleidingen in vergelijking met de vaak tweejarige masteropleidingen in het buitenland. Ik vind het op dit moment echter niet opportuun om op grote schaal over te gaan tot tweejarige masters. Dit zou voor een deel van de studenten leiden tot een verlenging van de nominale studieduur, met hoge bijbehorende kosten. Met de onderwijsinstellingen wil ik wel het gesprek voeren over de mogelijkheden die zij zelf zien.

Onderwijsinstellingen hebben elk hun eigen profiel en excelleren op verschillende thema’s. Ik wil hen uitdagen om niet alleen binnen Nederland een scherp onderwijsprofiel te kiezen ten opzichte van andere Nederlandse instellingen, maar om dat vooral ook in internationaal opzicht te doen.

Een voorbeeld van positionering op basis van reputatie, kennis en netwerk is het onderwijs en onderzoek in de sectoren Agrofood en Tuinbouw. Kennis en competenties, gericht op climate-smart agriculture, efficiënte ketens en kansrijke agribusiness, zijn een belangrijk Nederlands exportproduct. De topsectoren Agrofood en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen hebben een ambitieuze internationale agenda die zich richt op het uitbreiden van handelsrelaties en investeringen in opkomende markten en ontwikkelingslanden. Nederlandse oplossingen voor mondiale uitdagingen zoals voedingszekerheid, duurzaamheid en de bio-economie. Het groene onderwijs onderscheidt zich door naast de juiste mensen op te leiden voor de arbeidsmarkt een actieve bijdrage te leveren aan capaciteitsopbouw en verspreiding van praktijkgerichte kennis op basis van een gezamenlijke infrastructuur. Hiermee wordt het onderwijs verrijkt en het bedrijfsleven ondersteund. Het overheidsbeleid is er op gericht om samen met het groen onderwijs de internationale positionering van het cluster verder te versterken.

3. Internationaal talent werven en binden aan Nederland

Nederland kan niet zonder internationaal talent. Werving en binding van talentvolle internationale studenten is van groot belang voor de Nederlandse kenniseconomie. Het verhoogt de kwaliteit van het onderwijs en het studiesucces van zowel Nederlandse als internationale studenten, verbetert de studie-ervaring van internationale studenten, versterkt de internationale profilering van het Nederlandse hoger onderwijs, het draagt bij aan de beschikbaarheid van personeel in sectoren als bèta-techniek en de topsectoren en het levert stevige economische baten op. Bovendien blijkt dat maar liefst 70% van de studenten in Nederland zou willen blijven, terwijl naar schatting slechts 27% daadwerkelijk blijft; er is dus ruimte voor verbetering. Het CPB heeft becijferd dat, met een aantal aannames voor belangrijke onzekere factoren, inkomende mobiliteit jaarlijks een netto positief effect kan opleveren van 740 miljoen euro.8 Met andere woorden: binding van internationaal talent zorgt voor een versterking van het Nederlandse onderwijs en de Nederlandse kenniseconomie.9

Het aantal buitenlandse studenten dat naar Nederland komt voor een complete studie groeit, vooral in het wo. In het wo is ruim 12% van de studentenpopulatie internationaal. In het hbo schommelt het percentage internationale studenten de laatste jaren rond de 7%. Ondanks deze groei scoort Nederland echter onder het Europees gemiddelde voor inkomende studentenmobiliteit. Met al wat het Nederlands onderwijs te bieden heeft, is het mijn overtuiging dat we het beter moeten en kunnen doen. Net als in voorgaande jaren staat kwaliteit van de studenten voorop, ik vind targets voor inkomende mobiliteit daarom niet wenselijk.

Op 23 november jl. is het gezamenlijk actieplan «Make it in the Netherlands!» gelanceerd en op 12 december jl is dit met uw Kamer besproken.10 Dit actieplan vormt de komende jaren een leidraad voor het beleid op inkomende mobiliteit, vanuit de overheid, maar vooral ook vanuit onderwijsinstellingen, bedrijfsleven en andere (studenten)organisaties. In dit actieplan is een scala aan maatregelen bijeengebracht om de binding van internationale studenten aan Nederland te versterken. De afgelopen maanden is voortvarend gewerkt aan de acties in dit plan. Nuffic voert het secretariaat van dit actieplan en rapporteert elk kwartaal over de voortgang. Stappen tot nu toe zijn:

  • Een online introductie Nederlandse taal zal bijdragen aan de integratie van internationale studenten in Nederland en het vinden van een baan. Een inventarisatie naar verschillende online varianten is afgerond, ik kies voor de vorm van een serious game die ook mobiel beschikbaar wordt. Daarbij wordt een voorbeeld genomen aan succesvolle vergelijkbare serious games in het buitenland. Naar verwachting zal de online introductie Nederlandse taal voor de zomer 2015 worden gelanceerd.

  • Voor internationale studenten is op maat gemaakte informatie over het starten van een carrière in Nederland samengebracht op de portal www.careerinholland.nl. Deze informatieportal wordt actief onder de aandacht gebracht van internationale studenten op career events en via online promotie. De aansluiting met het bedrijfsleven wordt versterkt, onder meer via het jaarlijkse congres NL4Talents en door gerichte informatie over arbeidsmarktperspectieven in de verschillende (top)sectoren via de informatieportal www.careerinholland.nl.

  • Het aanpakken van knelpunten in de regelgeving is complex en zorgvuldige uitwerking vraagt tijd. Er vinden constructieve gesprekken plaats tussen de Ministeries van EZ, SZW, OCW, VWS en VenJ. Een van de aanpassingen is de uitbreiding van het zogenoemde Zoekjaar Afgestudeerde met de doelgroepen van de Regeling Hoogopgeleiden, zodat het vereiste van een tewerkstellingsvergunning verdwijnt voor vreemdelingen die in Nederland onderwijs hebben genoten of zijn gepromoveerd. Hiermee verdwijnen ook de onduidelijke verschillen tussen de beide regelingen. Verder is het Mobstacles meldpunt ingericht voor problemen met de regelgeving rondom stages. De voorlichting over de regelgeving wordt eenduidiger en sneller: de Pathfinder applicatie zorgt voor eenduidige en up-to-date informatie over regelgeving. Bovendien wordt het aantrekkelijker gemaakt voor internationale ondernemers om in Nederland een onderneming te starten. Hierover heeft u onlangs van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een voorstel ontvangen.11

  • De eerste stappen voor de regionale pilots zijn gezet. In vier regio’s (Noord-Nederland, Oost-Nederland, West-Nederland en Brainport Eindhoven) wordt momenteel gewerkt aan een pilot voor de binding van internationaal talent, waarin samenwerking met bedrijfsleven en de regionale arbeidsmarktbehoefte centraal staan. De opbrengsten van deze pilots krijgen via het actieplan een landelijke uitstraling waardoor ook andere regio’s in Nederland bereikt worden.

  • Tot slot is ook de organisatie van het actieplan op orde: acties zijn opgenomen in de budgetten en taakverdeling, de klankbordgroep is ingesteld, er is prioritering aangebracht in de acties en er is een eerste bijeenkomst geweest van de Stuurgroep.

De motie Duisenberg roept op tot meer strategische werving en binding.12 Dit krijgt vooral vorm binnen de regionale pilots. Zo richt de pilot van Brainport Eindhoven zich specifiek op het werven en binden van bètatechnische studenten. Daarnaast laat ik aan instellingen het initiatief om strategische focus aan te brengen in hun wervings- en bindingsbeleid. Zij zijn in staat samen met het bedrijfsleven de behoefte aan talent binnen de regio vast te stellen. Aangezien de arbeidsmarkt vaak sneller verandert dan de nominale duur van een opleiding, kan werving meer generiek georiënteerd zijn. De binding van buitenlands talent, daarentegen, zal wel meer gebeuren vanuit een strategische focus. Dit gebeurt bijvoorbeeld via NL4Talents, een conferentie waar jaarlijks zo’n 900 buitenlandse studenten en alumni in contact worden gebracht met Nederlandse werkgevers uit top- en tekortsectoren.

Het scholarship-programma zal een belangrijke impuls zijn om inkomende mobiliteit te stimuleren. Het deel van de scholarships voor internationale studenten wil ik vooral benutten om topstudenten van buiten de EER aan te trekken. Het gaat hierbij niet om zogenaamde «full cost» scholarships, maar om een tegemoetkoming in de studiekosten. Naast dit nieuwe instrument blijven we ook de Europese programma’s optimaal benutten. Naast de bekende Erasmusbeurzen zal Erasmus+ bijvoorbeeld de mogelijkheid introduceren een aanvullende lening af te sluiten voor een masteropleiding in het buitenland (de Erasmus Master Leenfaciliteit). Ik verwacht dat deze faciliteit voor het aantrekken van talent uit de EU zeker kansen biedt, voor Nederlandse studenten heeft deze voorziening weinig toegevoegde waarde ten opzichte van de Nederlandse meeneembare studiefinanciering.

Het Modern Migratiebeleid (MoMi) dat per juni 2013 in werking is getreden, zorgt onder meer voor een versnelling van de migratieprocedures en vermindering van de administratieve lasten. Bovendien wordt met de Regeling normering verplichte studievoortgang verzekerd dat internationale studenten ook daadwerkelijk komen om te studeren.13 Internationale studenten moeten immers minimaal 50% van de nominale studielast per jaar behalen om hun studievisum te behouden. Misbruik van studievisa en verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt worden daarmee ingeperkt. De bekendheid van de regeling verplichte studievoortgang is een aandachtspunt. Recent onderzoek van de gedragscodecommissie laat zien dat de informatievoorziening op de websites van instellingen over dit vereiste beter kan.14 Met de onderwijsinstellingen wordt dit momenteel aangepast, zodat nog dit studiejaar de informatievoorziening op orde is. De Regeling normering verplichte studievoortgang zal begin 2015 geëvalueerd worden.

Indien internationale studenten na afstuderen naar het buitenland terugkeren, blijven zij waardevolle contacten voor Nederland. Het zijn waardevolle ambassadeurs die het Nederlandse hoger onderwijs en ook ons bedrijfsleven verder kunnen helpen in hun internationale ambities. Actief alumnibeleid is daarvoor noodzakelijk. Instellingen en Nuffic zullen hier actiever op gaan inspelen (mede met inzet van het 44.000 leden tellende Holland Alumni Network). Alumnibeleid is ook van grote waarde voor de groep studenten uit ontwikkelingslanden. Met ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s als NFP en NICHE krijgt dit talent de mogelijkheid om (een deel van) een opleiding in Nederland te volgen, met de verplichting na afstuderen terug te keren om braindrain tegen te gaan. In het kader van ons internationale beleid blijven zij waardevolle contacten. Dit geldt ook voor Nederlandse studenten die in het buitenland studeren. Het is belangrijk om ook aandacht te houden voor het stimuleren en behouden van Nederlandse studenten en, indien ze kiezen voor een carrière buiten Nederland, via actief alumnibeleid de banden te onderhouden.

4. Nederlands talent de grens over

De Nederlandse jongere zelf is dé drijvende kracht achter internationalisering. Dit begint al voor de studietijd. Eén van de vele mogelijkheden is het tussenjaar in het buitenland. Meer dan 90% van de studenten met reiservaring in het tussenjaar is van plan tijdens de studie ook naar het buitenland te gaan, en 53% vond de buitenlandervaring tijdens het tussenjaar inhoudelijk zinvol tijdens de studie.15 Jongeren blijken ook verbazingwekkend internationaal in hun sociale contacten: 95% van de jongeren met een internationaal tussenjaar houdt contact met een vriend of vriendin in het buitenland, 50% zelfs wekelijks of vaker.16

Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt ziet dat het opdoen van internationale en interculturele vaardigheden tijdens de studietijd een alsmaar belangrijkere indicator van succes op de arbeidsmarkt wordt. 17 Voor veel werkgevers is internationale ervaring al de standaard; het valt op als iemand niet in het buitenland geweest is. Van een buitenlandervaring wordt de student echter niet alleen internationaler, maar hij/zij ontwikkelt zich ook op tal van andere vlakken. Het is mijn overtuiging dat het Nederlands onderwijs zich voor moet nemen «competente rebellen» op te leiden, grensoverschrijdende denkers en doeners die door creativiteit, lef en ambitie verandering teweeg brengen. Hiermee wordt ook bijgedragen aan het stimuleren van vaardigheden voor de 21e eeuw, een streven dat ook is opgenomen in de kabinetsreactie op het WRR-advies «Naar een lerende economie».18

Ik streef naar meer evenwicht tussen inkomende en uitgaande mobiliteit. De uitgaande mobiliteit van Nederlandse studenten is in de afgelopen jaren nauwelijks gestegen.19 Hiermee zetten we onze studenten op een achterstand en doen we geen recht aan het belang van internationale kennis en vaardigheden. Daarom wil ik de komende jaren het verwerven van interculturele en internationale vaardigheden stimuleren en presenteren als de standaard. Iedere student hoort die tijdens zijn studietijd op te doen, bijvoorbeeld door een studie in het buitenland. Ik ben me ervan bewust dat een deel van deze studenten ervoor kan kiezen in het buitenland te blijven en zal me actief inzetten om ook de binding van Nederlandse studenten te versterken.

Om uitgaande mobiliteit te versterken zie ik vier belangrijke voorwaarden:

  • Inpassen in het curriculum met een mobiliteitsvenster;

  • Informatievoorziening;

  • Financiële ondersteuning;

  • De international classroom.

De meest zichtbare vorm om internationale ervaring op te doen, is door fysieke mobiliteit van de student. Dit kan zowel korte studiepuntmobiliteit of een stage zijn, als een volledige opleiding in het buitenland (diplomamobiliteit). Zoals ook de koepels opmerken, is het mobiliteitsvenster – een vaste periode in het curriculum van een opleiding om zonder vertraging in het buitenland te kunnen studeren – dé manier om uitgaande mobiliteit te faciliteren. Het invoeren van een mobiliteitsvenster komt ook de onderwijsinstellingen ten goede: zo weten zij zeker dat ze de student een kwalitatief hoogstaande buitenlandervaring aanbieden zonder dat deze studievertraging oploopt. Daarbij ben ik me ervan bewust dat een mobiliteitsvenster niet binnen alle curricula is in te passen en ook niet voor alle opleidingen meerwaarde heeft. Maar voor de meeste opleidingen is een mobiliteitsvenster een goede stap. Ik wil toe naar een situatie waar vrijwel elke opleiding een mobiliteitsvenster heeft.

Bij het kiezen van een kwalitatief goede opleiding of vakkenpakket in het buitenland is keuzevrijheid voor studenten belangrijk. Tegelijkertijd is het ook van belang dat inhoudelijke aansluiting bij het curriculum wordt gevonden. Grote diversiteit in bestemmingen zorgt ook voor veel uitzoekwerk; studenten en instellingen moeten in veel gevallen opnieuw het wiel uitvinden. Ik zie daarom ruimte voor verbetering indien meer opleidingen vaste partnerinstellingen uitkiezen en daarmee hoogwaardige uitwisselingsprogramma’s opzetten. In die gevallen is een studieperiode ook beter onderdeel te maken van het curriculum. Dit kan tevens in de vorm van joint en double degrees. Omdat ik ook de waarde zie van maatwerk-uitwisseling, zie ik deze twee opties als complementair.

De informatievoorziening over studie in het buitenland kan altijd beter, maar ik constateer dat op dit vlak al veel is geregeld. Met www.wilweg.nl en www.beursopener.nl heeft Nuffic veel generieke informatie beschikbaar gesteld. Daarnaast heb ik met de Nuffic afgesproken dat de Neso-kantoren in het buitenland zich ook actiever zullen richten op het faciliteren van uitgaande mobiliteit, met name via generieke informatievoorziening. Ook de onderwijsinstellingen kunnen hun informatievoorziening aan studenten perfectioneren.

Studeren in het buitenland brengt soms extra kosten met zich mee, die voor studenten een barrière kunnen zijn om deze stap te zetten. Nederlandse studenten die een deel van hun opleiding in het buitenland willen doen hebben de voorziening van meeneembare studiefinanciering en daarnaast is er een stijgend aanbod aan Erasmusbeurzen beschikbaar. Ik zal bezien hoe het nieuwe scholarship-programma het beste de bestaande voorzieningen kan aanvullen. In de uitwerking van dit programma zal ik nader ingaan op de voorwaarden om voor deze scholarships in aanmerking te komen.

Ik heb toegezegd te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor een versnelde procedure voor excellente opleidingen, zodat bijvoorbeeld een student aan een topopleiding aan Harvard sneller zekerheid heeft over meeneembare studiefinanciering. Gezien de reeds nu al snelle doorlooptijd van het onderzoek naar de kwaliteit en het niveau van de specifieke buitenlandse opleiding, zie ik geen mogelijkheden versnelling aan te brengen. Zoals ik al eerder aangaf in antwoorden op kamervragen20 bedraagt de gemiddelde doorlooptijd van de kwaliteits- en niveautoets door de Nuffic minder dan 15 werkdagen; de gemiddelde doorlooptijd van de volledige afhandeling van de aanvraag door DUO komt daarmee op 24 werkdagen. Dat gemiddelde ligt ver onder de maximale termijn van 12 weken. Ik vind dat een dergelijk korte doorlooptijd studenten snel voldoende zekerheid biedt. Bovendien draait deze procedure niet zozeer om de kwaliteit van in dit geval het onderwijs aan Harvard, maar wordt gekeken of het opleidingstype wel vergelijkbaar is met een opleiding waar in Nederland studiefinanciering voor beschikbaar is. Die toets blijft ook van belang bij excellente opleidingen.

Fysieke mobiliteit is geen doel op zich, het draait om de leeropbrengsten, om de kennis en vaardigheden die een periode in het buitenland oplevert. Er zijn andere manieren dan fysieke mobiliteit om hetzelfde te bereiken. Belangrijk daarbij is dat fysieke mobiliteit betrekking heeft op een beperkt deel van de studenten. Ook de groep die gedurende hun hele studie in Nederland blijft, hoort internationale en interculturele vaardigheden op te doen. In het Nederlandse onderwijsveld wordt veel ondernomen om internationale en interculturele componenten in het eigen onderwijs te verweven, zo blijkt uit onderzoek uitgevoerd door de Nuffic.21 Instellingen zien deze internationalisation at home als complementair aan fysieke uitgaande mobiliteit. Zo geven instellingen in hun beleid aan dat zij participeren in internationale projecten, buitenlandse docenten colleges laten verzorgen en modules interculturele vaardigheden aanbieden. De Katholieke Pabo in Zwolle organiseert een gastdocentenweek, waarin docenten van buitenlandse onderwijsinstellingen gastcolleges geven in Zwolle en studenten zo kennis laten maken met internationaal onderwijs.

Internationalisation at home wordt onder meer bewerkstelligd door bestaande vakinhoud in een internationale context te plaatsen. Voor het breder verweven van internationale en interculturele competenties in het hoger onderwijs schenken instellingen aandacht aan de didactiek en taalvaardigheid van het eigen onderwijspersoneel. De koepels geven aan dat de instellingen dit zelf ook verder willen vormgeven, bijvoorbeeld door ontwikkelingsafspraken in het kader van de cao, door afspraken te maken in het kader van de Basiskwalificatie Onderwijs (BKO), door het aanbieden van trainingen gericht op de international classroom, of door het stimuleren van fysieke docentmobiliteit (zoals met Erasmus plus). Een belangrijk voordeel is dat met een international classroom alle studenten worden bereikt, wat bij fysieke mobiliteit niet het geval is. Ik laat op dit moment onderzoeken hoe we ook de international classroom kunnen versterken, bijvoorbeeld door te leren van het buitenland en door te bezien in hoeverre ook studenten in programma’s voor ontwikkelingssamenwerking kunnen bijdragen aan de international classroom. Samenwerking tussen onderwijs en ontwikkelingssamenwerking draagt bij aan zowel duurzame voorziening van «global public goods» als aan het topsectorenbeleid.

5. Nederland werkt samen met de wereld

Niet alleen voor studenten wordt internationaal steeds meer de standaard, ook instellingen acteren vaker als internationale spelers in een mondiale markt. Ontwikkelingen in bijvoorbeeld de BRICS-landen22 en de next eleven23, zullen impact hebben op de concurrentiepositie van Nederland. Deze landen doen in toenemende mate mee aan de «battle for talent», maar zullen ook nieuwe samenwerkingsmogelijkheden bieden, zoals de VSNU en Vereniging Hogescholen terecht constateren. Ondanks de toenemende investeringen in deze landen, zowel publiek als privaat, overtreft de vraag naar hoger onderwijs de groei van het aanbod. De mogelijkheden om aan die vraag te voldoen ontwikkelen zich ook razendsnel. Open en online onderwijstechnologie maakt het mogelijk om onderwijs laagdrempelig, massaal en mondiaal aan te bieden. In dit globale speelveld wordt samenwerking tussen instellingen alsmaar belangrijker. Deze internationale onderwijssamenwerking krijgt bijvoorbeeld duidelijk vorm binnen het Bolognaproces en binnen de Europese Unie.

Het intergouvernementele Bolognaproces heeft sinds 1999 voor grote veranderingen in het Nederlands hoger onderwijs gezorgd. De Europese hoger onderwijsruimte is stapsgewijs gerealiseerd, van de introductie van het bachelor/master-stelsel en het Europese systeem voor de overdracht van studiepunten (ECTS) tot het diplomasupplement en het nationaal kwalificatieraamwerk. In de aanloop naar de ministeriële conferentie in Yerevan in 2015 krijgt de Nederlandse inzet voor deze agenda verder vorm.

De Europese Unie heeft met ruim 25 jaar aan Erasmusbeurzen een grote rol gespeeld in het stimuleren van internationale mobiliteit en heeft daardoor tevens een onmisbare infrastructuur voor internationalisering gecreëerd. Met het nieuwe Erasmus+ en de mogelijkheden binnen bijvoorbeeld Horizon2020, laat de EU zien dat het altijd ambitieuzer kan. Het Erasmus+ programma zal in 2014–2020 substantiële ondersteuning leveren aan belangrijke onderdelen van internationalisering: internationale mobiliteit, joint degrees, internationale partnerschappen en capaciteitsopbouw in opkomende en ontwikkelingslanden. Tijdens de Europese Raad van 7-8 februari 2013 is afgesproken dat het bedrag aan beschikbare beurzen voor internationale mobiliteit in het hoger onderwijs een reële groei zal laten zien ten opzichte van 2013, in 2014 is het budget ongeveer 17 miljoen euro. Verder krijgen studenten met de Erasmus Master Leenfaciliteit een nieuw instrument om hun studie te financieren. Nederlandse instellingen zullen optimaal gebruik kunnen maken van de mogelijkheden van Erasmus+. Het Nationaal Agentschap voor Erasmus+ zal hen hierbij actief ondersteunen.

Tegelijk biedt de Europese Unie een waardevol podium om de ontwikkelingen in het hoger onderwijs te bespreken en ervaringen met beleid in andere landen uit te wisselen. Dit gebeurt bijvoorbeeld in het kader van de Europa 2020-strategie en de Onderwijs en Training 2020-strategie, maar ook via mededelingen over modernisering van het hoger onderwijs en digitaal onderwijs.

Ook zet de Europese Commissie in op het verhogen van transparantie in het onderwijs, in het bijzonder door instrumenten als U-multirank, het nieuwe multidimensionale rankingsinstrument om hoger onderwijsinstellingen inhoudelijk te vergelijken. Op 13 mei jl is dit instrument gelanceerd en een groot aantal Nederlandse instellingen zal eraan deelnemen. Dit stelt hen in staat zich te profileren en internationale samenwerkingspartners te vinden. Nederland zal de Europese Unie blijven benutten om de ontwikkeling van het hoger onderwijs krachtig door te zetten. Onderwijs zal daarom niet ontbreken op de agenda van het Nederlandse EU-voorzitterschap in 2016.

Internationale samenwerking is een vanzelfsprekend onderdeel van de wetenschap. In de wetenschapsvisie zal ik hierop terugkomen. Ik onderschrijf de visie van VSNU en Vereniging Hogescholen dat versterking van internationale netwerken en samenwerking wenselijk is, ik steun hierin hun ambities. Daarnaast zie ik ook de waarde van internationale netwerken van instellingen, zoals LERU en UNICA. Deze netwerken helpen om duurzame samenwerkingsverbanden op te zetten.

Tot slot is het mijn ambitie om de realisering van deze visie ook door mijn persoonlijke inzet, en waar nodig door gezamenlijk optreden met collega-bewindslieden, te ondersteunen. De ervaring leert dat dit vaak deuren opent die anders gesloten blijven, bijvoorbeeld op thema’s als uitwisseling van studenten, docenten en promovendi. De focus ligt daarbij op het duurzaam opbouwen en onderhouden van samenwerkingsrelaties met het buitenland. Een voorbeeld hiervan is de bilaterale samenwerking tussen Nederland en Duitsland.

Bijzondere aandacht bestaat daarbij ook voor de betrekkingen met Duitsland. Het politieke en economische belang van Duitsland vergt vanuit Nederland de nodige investeringen, met het oog op de toekomst zeker ook in het hoger onderwijs. Zowel met het Bundesministerium für Bildung und Forschung (BMBF) als met de collega’s in Nordrhein-Westfalen heb ik inmiddels het initiatief genomen om de studiemobiliteit van Nederland naar Duitsland te vergroten. Dat gebeurt in de vorm van een pilot-beurzenprogramma (de zgn. «Duitsland Desk») én via een gezamenlijke inspanning om de samenwerking tussen universiteiten en hogescholen in Nederland én Nordrhein-Westfalen te intensiveren, zo mogelijk in de vorm van joint programmes. Het webportaal www.studereninduitsland.nl vervult hierbij een belangrijke rol. De uitkomsten van deze pilots zullen in 2016 worden geëvalueerd, op basis waarvan mogelijk verdere stappen kunnen worden gezet ook in de richting van andere Duitse Länder.

6. Volgende stappen in het middelbaar beroepsonderwijs

In 2009 heeft uw Kamer een Internationaliseringsagenda MBO ontvangen (Kamerstuk 27 451, nr. 102). Veel van de overwegingen uit deze «oude» agenda zijn nog actueel, maar dat geldt niet voor de meeste acties die erin waren opgenomen; die waren veelal beperkt tot de jaren 2009–2011. Sinds 2009 is er alweer veel veranderd, vooral in de Europese dimensie van het internationaliseringsbeleid voor het mbo. Deze visiebrief, biedt de gelegenheid om indertijd gemaakte observaties en keuzes te herijken. Door dit te doen in dezelfde context als het internationaliseringsbeleid voor het hoger onderwijs (hbo en wo), kunnen overeenkomsten en verschillen tussen de sectoren worden benoemd. Ik deel bijvoorbeeld de opvatting van de MBO Raad dat het mbo kan leren van de ervaringen met internationale mobiliteit, die in het hoger onderwijs zijn opgedaan.

Als het om internationalisering in het mbo gaat, is de eerste vraag die gesteld moet worden: waarom? Mbo-studenten zijn gemiddeld een paar jaar jonger dan ho-studenten, en bij het bepalen van de studiekeuze is hun oriëntatie buiten het eigen land en zelfs buiten de eigen regio beperkt. Niet zonder reden introduceerde de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) in 1996 regionale opleidingencentra (roc’s) en agrarische opleidingencentra (aoc’s) met een regionale functie. Voor veel jongeren die een mbo-opleiding overwegen, staat de regionale arbeidsmarkt voorop. Toch zijn we het stadium waarin internationalisering in het mbo zich zou moeten beperken tot alleen de grenslanden of «internationalisation at home» definitief voorbij. De wereld is de afgelopen decennia veranderd, ook voor vaklieden. Het steeds internationaler georiënteerde bedrijfsleven vraagt ook van hen andere competenties dan rond de eeuwwisseling.

Een belangrijke opgave is het vergroten van de internationale concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven. Het opdoen van internationale vaardigheden door (toekomstige) werknemers, de export van goed onderwijs door Nederlandse instellingen en het ontwikkelen van internationale (culturele) competenties van studenten en docenten kunnen daaraan bijdragen. Ook mbo-studenten moeten worden voorbereid op een dynamische arbeidsmarkt die al lang niet meer begrensd is tot Nederland. Denk hier bijvoorbeeld aan de grensregio met Duitsland en België. Meer dan voorheen moet een internationale oriëntatie een vanzelfsprekend onderdeel uitmaken van hun opleiding; zeker in sectoren zoals agrofood, horeca en toerisme, handel, economische en financiële dienstverlening. Maar door de toenemende globalisering ook in zorg en welzijn, sport en bewegen, techniek en veiligheid. De Nederlandse economie en Nederlandse mbo-studenten worden naar mijn overtuiging het beste gediend door een aanzienlijke verhoging na te streven van de inkomende en uitgaande mobiliteit.

Mate van internationalisering mbo minstens tien keer geringer dan in het ho

De internationaliseringsgraad van het mbo is niet te vergelijken met die van het ho. Daar zit minimaal een factor tien en soms nog meer verschil tussen. Een belangrijke verklaring is al genoemd: mbo-studenten beginnen als regel twee jaar eerder met hun studie en zijn dus veelal jonger dan ho-studenten. De uitgaande mobiliteit in het mbo die met publiek geld bekostigd wordt, is in de afgelopen jaren weliswaar gestegen, in 20 jaar tijd zijn circa 50.000 mbo studenten op stage naar het buitenland geweest, maar bedraagt slechts 1,1 procent van de studentenpopulatie (5500 studenten in 2013).24 In totaal – want soms delen studenten en/of hun buitenlandse stagebedrijf de kosten – bedraagt deze uitgaande mobiliteit misschien twee procent. De inkomende mobiliteit in het mbo is nog aanzienlijk lager: bekostigd uit Europese middelen kwamen in 2013 954 studenten een meestal kortdurende stage lopen.25 Hoewel het AWT-rapport Kiezen voor kenniswerkers suggereert dat dit anders gezien zou mogen worden, is de praktijk dat mbo-studenten niet gerekend worden tot de categorie «kenniswerkers».26 Anders dan in het ho («Make it in the Netherlands!») wordt inkomende mobiliteit in het mbo niet gestimuleerd. Mondiale uitwisseling is in het mbo nog heel beperkt. Anders dan in het ho, is er ook geen Erasmus Mundus – programma voor het mbo, gericht op samenwerking met landen buiten de EU. Samen met België heeft Nederland in het Raadgevend Comité voor de Beroepsopleidingen daar tevergeefs op aangedrongen.

Goede internationale reputatie mbo leidt tot «meer brengen dan halen»

In het buitenland heeft het Nederlandse mbo een uitstekende naam, vooral door de goede afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt die in het stelsel is verankerd en de relatief lage jeugdwerkloosheid; zeker onder mbo-afgestudeerden. In de EU-mededeling Rethinking education («Een andere kijk op onderwijs») uit december 2012 wordt het Nederlandse mbo genoemd als één van de vijf world class systems in Europa (de andere zijn: Zwitserland, Oostenrijk, Duitsland en Denemarken). De toch al vrij grote internationale belangstelling voor het Nederlandse mbo is sindsdien alleen maar toegenomen. In het Kopenhagen-proces van samenwerking op het gebied van het beroepsonderwijs wordt, vooral tijdens Peer Learning Events, graag naar de Nederlandse praktijk gekeken.

Door de nadruk op de kwaliteit van het Nederlandse mbo – die terecht is en een speerpunt van beleid blijft vormen – is naar mijn gevoel de balans tussen «brengen» en «halen» in internationale fora en vooral in Europa verstoord. Vanuit het mbo kan vaker dan nu gebeurt worden deelgenomen aan gezamenlijke missies. Het moet daarbij in mijn opvatting wel gaan om missies die voor het mbo daadwerkelijk kansen opleveren. Voor de betrokken instellingen geldt dat zij hun zaken «thuis» op orde moeten hebben, met opleidingen van goede kwaliteit. De uitgaande mobiliteit in het mbo blijft in de praktijk beperkt tot stages, die bijdragen aan een goede vakopleiding.

De EU-benchmark voor uitgaande mobiliteit in het mbo

De indertijd ook door Nederland onderschreven EU-doelstelling voor studentenmobiliteit in het mbo is ambitieus: in 2020 zou zes procent van de populatie tenminste twee weken naar het buitenland moeten gaan voor studie of stage. Dit percentage is een streven dat richting geeft aan nationaal beleid, maar niet ten koste mag gaan van de kwaliteit. Om deze doelstelling te halen, is een stevige en gezamenlijke inspanning nodig van alle betrokken partijen. Het mbo kan daarbij leren van de ervaringen met internationale mobiliteit die het hoger onderwijs in de afgelopen decennia heeft opgedaan, zoals het onderbrengen van internationale mobiliteit in het curriculum. Hierbij geldt dat kwaliteit van de studie- of stageperiode in het buitenland leidend is en dat instellingen hun zaken thuis op orde moeten hebben.

Met de komst van Erasmus+ per 2014, worden de financiële mogelijkheden verruimd: ook voor het mbo zal sprake zijn van een significante budgetstijging.27 Nederlandse instellingen moeten hiervan optimaal gebruik maken.

  • Op grond van een uitgewerkt eigen internationaliseringsbeleid beschikken negen Nederlandse mbo-instellingen onder het Europese Life Long Learning-programma al over een certificate for mobility, waarmee zij vereenvoudigde toegang hadden tot het subsidieprogramma Leonardo da Vinci. De bedoeling is dat alle Nederlandse mbo-instellingen die structureel internationaal beleid voeren, in 2020 zullen beschikken over het nieuwe mobility charter, dat bedoeld is om de toegang tot EU-middelen vergaand te vereenvoudigen. De middelen van Erasmus+ kunnen een stimulans zijn om ook eigen middelen in te zetten voor uitgaande mobiliteit.

  • Ook docenten moeten nadrukkelijk worden gestimuleerd gebruik te maken van de mogelijkheden binnen Erasmus+. Evenals de MBO Raad zie ik hen als belangrijke trekkers van internationalisering in het mbo.

  • Ik vraag het Nationaal Agentschap voor Erasmus+ daarom met publiciteit en ondersteuning in te zetten op zowel docenten- als studentenmobiliteit in het mbo en daarbij ruim aandacht te besteden aan kwaliteitsaspecten.

  • De MBO Raad en de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs – Bedrijfsleven (SBB) vraag ik mede in dit kader een voorstel uit te werken voor een vereenvoudiging van de erkenning van buitenlandse leerbedrijven en de erkenning van beroepspraktijkvorming in het buitenland.

EU-instrumenten die dienen om de transparantie en mobiliteit te bevorderen, zijn aan een samenhangende herziening toe op Europees niveau. Afgezien van het «onderwijs brede» European Qualifications Framework for Life Long Learning EQF – een raamwerk met acht kwalificatieniveaus waaraan lidstaten hun nationale kwalificaties koppelen om de transparantie van hun stelsels en de mobiliteit in het onderwijs en op de arbeidsmarkt te bevorderen – zijn er specifiek voor het mbo nog diverse andere EU-instrumenten ontwikkeld om mobiliteit te bevorderen. Deze instrumenten uit de jaren 2008–2009 zijn tot op heden helaas niet goed geïmplementeerd. Door de economische recessie die optrad onmiddellijk na de introductie van deze instrumenten, hebben veel lidstaten daaraan niet de noodzakelijke aandacht kunnen besteden en heeft de pilotfase doorgaans te lang geduurd. Het gaat om het European Credit transfer system for Vocational Education and Training ECVET en het European system for Quality Assurance in Vocational Education and Training EQAVET.Achtereenvolgens betreft het een systeem voor het verwerven van credits op grond van (buitenlandse) ervaringen en een systeem voor de beoordeling van de kwaliteit van onderwijsstelsels met als belangrijkste oogmerk de bevordering van het kwaliteitsbewustzijn en de kwaliteit van het mbo.

Een heroverweging van de effectiviteit van deze instrumenten (EQF, ECVET en EQAVET) en hun onderlinge samenhang is gewenst. Zoals aangegeven in de reactie op de brede consultatie over de European Area of Skills and Qualifications (EASQ), steunt Nederland de Commissie in haar opzet om de bestaande instrumenten te evalueren en beter uit te voeren.28 Nederland zal erop aandringen het systeem van credits voor het mbo (ECVET) beter uit te werken. Het gaat dan om het opdelen van kwalificaties in eenheden waaraan studiepunten worden toegekend die (ook op Europees niveau) uitwisselbaar zijn tussen instellingen. Buitenlandervaringen van studenten kunnen daarmee gevalideerd worden binnen het curriculum (zoals dit in het hoger onderwijs gebeurt met ECTS studiepunten). Volwassenen kunnen verkorte trajecten volgen en daarmee eenvoudiger vrijstellingen krijgen voor onderdelen van de opleiding. Dit kan ook de doorstroom van mbo naar hbo versoepelen. Met wisselend succes stroomt meer dan 40% van de mbo-studenten op niveau 4 door naar het hbo; 10% van hen doet dit later in de loopbaan. Afgezien van doorstroom naar het hbo zijn er nog talrijke andere perspectieven voor mbo-studenten op niveau 4, zoals doorstroom naar een associate degree of een deeltijd hbo-opleiding of uitstroom naar de arbeidsmarkt met een meestertitel. Het behoeft geen betoog dat in opleidingen, sectoren of regio’s waarin een internationale oriëntatie van belang is, de effectiviteit het grootst is als daarop in de gehele leerlijn wordt ingespeeld.

Inzet op mobiliteit

Volgens de MBO Raad is er een kleine groep van enkele honderden buitenlandse studenten op niveau 4 van het mbo. Dit gegeven, afkomstig uit de quick scan van de MBO Raad ten behoeve van mijn brief over Engelstalige opleidingen in het mbo, is om meerdere redenen interessant.29 De inkomende mobiliteit in het mbo blijkt nog buitengewoon gering te zijn. Buitenlandse studenten kunnen mogelijk niet voldoen aan het vereiste referentieniveau 3F voor Nederlandse taalvaardigheid. In mijn brief heb ik gewezen op enkele pragmatische oplossingen voor dit probleem.

Gezien het voorgaande kies ik er nu niet voor om de wet te wijzigen, maar om eerst te werken aan verhoging van de uitgaande mobiliteit in het mbo. Er kunnen specifieke niches zijn waarbij inkomende mobiliteit wel degelijk een rol kan spelen. In deze gevallen is gerichte stimulering van inkomende mobiliteit een optie. Bijvoorbeeld door de inkomende mobiliteit in het groen onderwijs te stimuleren in het kader van capaciteitsopbouw voor voedselzekerheid door verruiming van de mogelijkheden van een studievisum. Ik zal samen met EZ verkennen wat hiervoor de mogelijkheden zijn. De context van het groen onderwijs als onderdeel van de topsectoren Agrofood en Tuinbouw biedt goede mogelijkheden voor een eventueel experiment. Op deze manier kunnen we ook ervaring opdoen voor een eventueel breder stimuleringsbeleid. Hoewel ik nog niet toe ben aan een breed stimuleringsbeleid gericht op inkomende mobiliteit in het mbo, sta ik – ook indachtig het eerder genoemde AWT-rapport «Naar een lerende economie» – open voor de suggestie van de MBO Raad hierop een baten/lasten-analyse te laten verrichten. Op die manier kunnen we in de nabije toekomst in dezen meer gefundeerde keuzes maken.

Ondersteuning internationalisering mbo

Met de MBO Raad ben ik van mening dat internationalisering een goed middel kan zijn om excellentie in het mbo te stimuleren. Zoals ik in mijn brief Ruim baan voor vakmanschap – een toekomstgericht mbo al heb aangegeven, ben ik daarom bereid de instellingen hierin te faciliteren vanuit het budget van 25 miljoen euro dat in de begrotingsafspraken 2014 gereserveerd is voor de bevordering van excellentie in het mbo. Ik denk aan een bedrag van 4,5 miljoen euro. Voorwaarde voor de toekenning van deze middelen is wel dat de instellingen organisatorisch en financieel stabiel zijn en dat de opleidingen die zij voor ondersteuning in aanmerking willen brengen, naar het oordeel van de Inspectie van het onderwijs van voldoende kwaliteit zijn. De middelen kunnen ook worden ingezet voor de bekostiging van mobiliteit buiten Europa, zoals bijvoorbeeld met China.

Tijdens mijn bezoek aan Beijing in maart 2014, is een nieuw memorandum of understanding getekend met China. Dit legt de basis voor intensievere samenwerking, op termijn zeker ook voor het mbo bijvoorbeeld op het gebied van handel en logistiek, «hospitality»-opleidingen of groen onderwijs (waarin Nederland een sterke internationale reputatie geniet).

In aanvulling op de 4,5 miljoen euro voor de mbo-instellingen, stel ik jaarlijks uit de excellentiemiddelen 0,5 miljoen euro beschikbaar aan Nuffic. In het fusieplan stellen Nuffic en Europees Platform voor om een aantal generieke diensten geschikt te maken voor het mbo, zoals het NESO-netwerk. Een dergelijke ondersteuning lijkt onmisbaar om de plannen die de instellingen moeten ontwikkelen kans van slagen te geven en meer samenhang aan te brengen in het internationaliseringsbeleid voor het onderwijs.

Daarnaast zal worden bevorderd dat Nederlandse mbo instellingen goed deelnemen aan het Erasmus+ programma. Naast de eerder genoemde stimulering van leermobiliteit draagt dit programma via het instrument van kennis-allianties en strategische partnerschappen ook bij aan internationalisering op instellingsniveau. In de context van het Kopenhagenproces en het Brugge Communiqué zal ik bovendien bij de voorbereiding van het Nederlandse EU-Voorzitterschap in 2016 streven naar een agenda en inzet die de internationalisering in het mbo ondersteunt.

7. Naar een meer integrale ondersteuningsstructuur

Onderwijs als geheel moet meer samen optrekken in het buitenland, elkaar versterken, elkaars netwerken benutten. Die ambitie behoeft een ondersteuningsstructuur, die inspeelt op de kansen voor de gehele onderwijskolom. In mijn brief over de subsidiekorting uit 2013 heb ik reeds aangekondigd te streven naar meer samenwerking tussen de organisaties die de internationalisering van het onderwijs ondersteunen. Dit heeft geleid tot concrete stappen naar een fusie tussen Nuffic en Europees Platform. Ik vind dit een uitermate positieve ontwikkeling die zal leiden tot meer efficiëntie, maar bovenal tot betere resultaten. Ik zie deze fusie als een belangrijke eerste stap om te komen tot een integraal «huis van de internationalisering», een ondersteuningsstructuur voor de internationalisering van primair onderwijs tot wetenschappelijk onderwijs. De toekenning van middelen bestemd voor de ondersteuning van het mbo (zie hoofdstuk 6) moet in dit licht worden gezien. Bij die ontwikkeling betrek ik ook de synergie met het ambassadenetwerk en de Netherlands Business Support Offices (NBSO’s). Nuffic, Europees Platform en CINOP zetten hun samenwerking voort voor de uitvoering van het Nationaal Agentschap Erasmus+.

Het Neso-netwerk dat Nuffic heeft opgezet is een belangrijk onderdeel van deze ondersteuningsstructuur. In 2013 is besloten tot een bezuiniging op het Neso-programma.30 Dit geeft echter ook ruimte voor vernieuwing. In de herziene opzet heeft het NESO-netwerk een scherpere keuze in landen en activiteiten die goed aansluit bij de wensen vanuit het onderwijsveld. In de nieuwe opzet zullen enkele NESO-kantoren de deuren moeten sluiten of inkrimpen, maar ontstaat tevens ruimte voor intensivering in bijvoorbeeld India. Bovendien heeft dit geleid tot intensievere samenwerking met het ambassadenetwerk. In een aantal landen zal het Neso-kantoor ook fysiek bij de ambassade vorm krijgen. Om deze vernieuwing kracht bij te zetten en een aantal nieuwe taken te kunnen oppakken is voor 2015 en 2016 incidenteel tweemaal 1 miljoen euro beschikbaar gesteld.31

In dit verband, mede gezien het Nederlandse EU Voorzitterschap in 2016, zal ik de ondersteuning van de vertegenwoordiging van de onderwijs- en onderzoeksinstellingen in Brussel in de komende jaren continueren. Het Netherlands House for Education and Research (Neth-ER) is een waardevol initiatief gebleken voor het in een vroeg stadium betrekken van kennisinstellingen bij nieuw Europees onderwijs- en onderzoeksbeleid, en voor het stimuleren van deelname aan de EU-programma’s op deze terreinen.

8. Van visie naar beleid, de instrumenten op een rij

De kansen voor internationalisering in het onderwijs liggen in gezamenlijke positionering, inkomende mobiliteit, uitgaande mobiliteit, de international classroom en internationale samenwerking. Daarbij is belangrijk dat instellingen ook binnen Nederland de kwaliteit op orde hebben. Hoewel het mbo en het ho sterk verschillen wat betreft uitgangspositie en beleidsaccenten, worden de raakvlakken tussen deze sectoren optimaal benut. De visies van de VSNU en Vereniging Hogescholen, en van de MBO Raad zijn ambitieus en leggen een grote verantwoordelijkheid bij de onderwijsinstellingen zelf. Ik onderschrijf deze aanpak en zal de instellingen aan deze ambities houden. Van Engelse taalles voor docenten, tot het optimaal benutten van Erasmus+, instellingen moeten internationaal aan de slag. Dat vraagt gerichte extra inspanningen, maar ook het integraal opnemen van internationalisering in het instellingsbeleid: het mainstreamen van internationalisering. Daarmee is een nieuwe fase aangebroken voor het Nederlandse onderwijsbeleid.

De overheid stimuleert en faciliteert deze ambities. Belangrijke aspecten uit deze visiebrief zijn:

  • De lancering van een ambitieus scholarship-programma, gericht op de positionering van het Nederlands hoger onderwijs in het buitenland, het aantrekken van internationaal talent en het stimuleren van uitgaande mobiliteit van Nederlandse studenten;

  • Het mogelijk maken van transnationaal onderwijs en wegnemen van de obstakels voor joint en double degrees;

  • Gezamenlijk optrekken van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen in buitenlandse reizen en handelsmissies;

  • Voortvarende uitrol van het actieplan «Make it in the Netherlands!» met aandacht voor strategische werving en binding;

  • Het stimuleren van internationale en interculturele ervaring via het mobility window, de international classroom en verbeterde informatievoorziening;

  • Een ambitieuze beleidsagenda voor het Bolognaproces, de Europese Unie en daarbuiten, onder meer tijdens het Nederlandse EU Voorzitterschap in 2016;

  • Stimuleren van de mogelijkheden van Erasmus+ voor Nederlandse ho- en mbo-instellingen;

  • Toewerken naar een integrale ondersteuningsstructuur voor de internationalisering van het onderwijs, met als belangrijke stappen de fusie tussen Nuffic en Europees Platform en de continuering van Neth-ER.

Internationalisering maakt slimmer, creatiever en ondernemender. Voor grensoverschrijdende denkers en doeners bij instellingen, onder docenten en studenten ligt de wereld open: mijn ambitie is hen uit te dagen die wereld verder te verkennen en de kansen van internationalisering te grijpen.

Mede namens de Minister van Economische Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Lee, C. S., Therriault, D. J. and Linderholm, T. (2012), On the Cognitive Benefits of Cultural Experience: Exploring the Relationship between Studying Abroad and Creative Thinking. Appl. Cognit. Psychol., 26: 768–778. doi: 10.1002/acp.2857.

X Noot
2

Maddux et al. Expanding Opportunities by Opening your Mind – Multicultural Engagement Predicts Job Market Success Through Longitudinal Increases in Integrative Complexity. Social Psychological and Personality Science December 11, 2013. Citaat van Time Magazine, zie http://time.com/#79937/how-studying-or-working-abroad-makes-you-smarter/.

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
4

Hiermee geef ik uitwerking aan motie Jadnanansing – Straus (Kamerstuk 22 452, nr. 39).

X Noot
5

Kamerstuk 31 288, nr. 362, Kamerbrief over digitalisering van het hoger onderwijs, 8 januari 2014.

X Noot
6

Studenten internationaliseren in eigen land: Nederlands instellingsbeleid. Nuffic, 2014.

X Noot
8

Kamerstuk 22 452, nr. 34, De aantrekkelijkheid van Nederland voor internationale studenten, 8 juli 2013.

X Noot
9

Kamerstuk 22 452, nr. 35, Aanbiedingsbrief gezamenlijk actieplan «Make it in the Netherlands!».

X Noot
10

Kamerstuk 22 452, nr. 35, bijlage bij Aanbiedingsbrief gezamenlijk actieplan «Make it in the Netherlands!».

X Noot
11

Kamerbrief Start-up-regeling, 18 maart 2014.

X Noot
12

Kamerstuk 22 452, nr. 36, Motie van de leden Duisenberg en Jadnanansing, 17 december 2013.

X Noot
13

Regeling normering verplichte studievoortgang, Staatscourant nr 15622, 13 juni 2013.

X Noot
14

Landelijke Commissie Gedragscode internationale student, Onderzoek voorlichting websites, december 2013.

X Noot
15

Nuffic, Internationalisering in beeld 2013.

X Noot
16

Ibid.

X Noot
17

Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmark (ROA), De arbeidsmarkt naar de opleiding en beroep tot 2018 (2013).

X Noot
18

Kamerstuk 27 406, nr. 209.

X Noot
19

Nuffic, Internationalisering in beeld 2013.

X Noot
20

Aanhangsel Handelingen II 2012/13, nr. 2380.

X Noot
21

Studenten internationaliseren in eigen land: Nederlands instellingsbeleid. Nuffic, 2014.

X Noot
22

Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika.

X Noot
23

Bangladesh, Egypte, Indonesië, Iran, Mexico, Nigeria, Pakistan, Filipijnen, Zuid-Korea, Turkije en Vietnam.

X Noot
24

Cinop Erasmus+, mobiliteitsgegevens Leonardo da Vinci (2013; niet gepubliceerd).

X Noot
25

Cinop Erasmus+, gebaseerd op hhtp://nl.statisticsforall.eu/maps-leonardo-mobility-incoming countries.php.

X Noot
26

Kiezen voor kenniswerkers. Vaardigheden op de arbeidsmarkt voor kenniswerkers Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid, augustus 2013.

X Noot
28

Kamerstuk 22 112, nr. 1828.

X Noot
29

Kamerstuk 31 524, Nr. 195.

X Noot
30

Invulling subsidietaakstelling onderwijs en onderzoek, Kenmerk 495275, 30 mei 2013.

X Noot
31

Begrotingsafspraken 2014, kamerbrief 11 oktober 2013.