Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201822112 nr. 2582

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 2582 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juni 2018

Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij vijf fiches, die werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC).

Fiche: Mededeling en richtlijn een «new deal» voor consumenten (Kamerstuk 22 112, nr. 2580)

Fiche: Richtlijn representatieve acties voor de bescherming van de collectieve belangen van consumenten en intrekking van Richtlijn 2009/22/EC

Fiche: Aanpassing verordeningen invoering en werking.eu-topniveaudomein Internet (Kamerstuk 22 112, nr. 2583)

Fiche: Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen (Kamerstuk 22 112, nr. 2584)

Fiche: Verordening Biometrie op identiteitskaarten (Kamerstuk 22 112, nr. 2585)

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok

Fiche: richtlijn representatieve acties voor de bescherming van de collectieve belangen van consumenten en intrekking van Richtlijn 2009/22/EC

1. Algemene gegevens

  • a) Titel voorstel

    Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG

  • b) Datum ontvangst Commissiedocument

    april 2018

  • c) Nr. Commissiedocument

    COM (2018) 184

  • d) EUR-lex

    https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=COM:2018:184:FIN

  • e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Impact-assessment Board

    SWD (2018) 96

  • f) Behandelingstraject Raad

    Raad voor Concurrentiekracht

  • g) Eerstverantwoordelijk ministerie

    Ministerie van Justitie en Veiligheid in nauwe samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

  • h) Rechtsbasis

    Dit voorstel is gebaseerd op artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

  • i) Besluitvormingsprocedure Raad

    gekwalificeerde meerderheid

  • j) Rol Europees Parlement

    Medebeslissing

2. Essentie voorstel

a) Inhoud voorstel

Het voorstel is onderdeel van een breder pakket maatregelen van de Europese Commissie die tot doel hebben de rechten van consumenten te versterken bij schendingen van Europese regels. Het voorstel moderniseert en vervangt de bestaande richtlijn 2009/22/EG (de Injunctions richtlijn).1Deze richtlijn geeft Europese consumentenorganisaties de mogelijkheid een procedure in te stellen voor groepen gedupeerde consumenten van gelijksoortige inbreuken door handelaren op bepaalde Europese consumentenregels. In de procedure onder de huidige richtlijn kan een consumentenorganisatie een verbod vragen voor bepaalde specifiek in de lijst bij de richtlijn genoemde inbreuken. Dit zijn bijvoorbeeld oneerlijke handelspraktijken. In Nederland is de Consumentenbond op basis van de richtlijn aangewezen als organisatie die een verbod kan vragen.2 De huidige richtlijn biedt niet de mogelijkheid voor gedupeerde consumenten om collectief schade te vorderen.

In 2013 heeft de Commissie een aanbeveling en een mededeling vastgesteld over collectief verhaal.3 Collectief verhaal is de mogelijkheid voor consumenten om gezamenlijk tot afwikkeling van schade te komen die zij door eenzelfde gebeurtenis hebben geleden. Denk bijvoorbeeld aan de verkoop van beleggingsverzekeringen in het verleden door banken en verzekeraars. De doelstelling van de aanbeveling en de mededeling was om lidstaten te bewegen mechanismen voor collectief verhaal in te stellen voor de vorderingen tot staking van inbreuken en de vergoeding van schades. De aanbeveling formuleerde een aantal beginselen voor collectief verhaal voor de lidstaten. Deze beginselen zagen zowel op de introductie en vormgeving van een collectieve verhaalsactie als op het introduceren van procedurele waarborgen om misbruik van collectief verhaal te voorkomen. Daarnaast gaf de Commissie een aantal aanbevelingen over de vormgeving van een procedure om collectief schikken mogelijk te maken. De aanbeveling richtte zich op alle soorten collectief verhaal door consumenten en was niet beperkt tot bepaalde specifieke inbreuken.

Recent heeft de Commissie de naleving door de lidstaten van deze aanbevelingen onderzocht. De uitkomst hiervan was dat een aantal Europese lidstaten nog steeds geen mogelijkheid voor collectief verhaal kent en dat de aanbeveling niet goed werd nageleefd. Daarnaast is gelijktijdig een REFIT Check uitgevoerd door de Commissie. Deze controle had tot doel te bezien of de bestaande Europese consumentenregels verbeterd kunnen worden. De uitkomst hiervan was dat de huidige Injunctions richtlijn 2009/22/EG tekortschiet, omdat het bereik van de richtlijn beperkt is tot schendingen van bepaalde specifieke Europese consumentenregels. Ook bieden de beslissingen over het staken van consumenteninbreuken slechts in beperkte zin een oplossing voor gedupeerde consumenten. Voorts duurt de procedure te lang en zijn de kosten te hoog. Voorts heeft het Europees Parlement de Commissie meerdere malen verzocht om te komen met een voorstel voor een horizontaal en geharmoniseerd instrument voor collectief verhaal.4

De Commissie stelt nu voor richtlijn 2009/22/EG in te trekken en een nieuwe richtlijn vast te stellen die de mogelijkheid invoert om collectief schade te verhalen die consumenten hebben geleden door een gelijksoortige inbreuk van een handelaar op specifiek aangewezen Europese regels. Volgens de Commissie dient de voorgestelde richtlijn niet ter vervanging van de nationale regels voor collectief verhaal. De regels kunnen worden ingevoerd als alternatief voor bestaande nationale procedures voor collectief verhaal of als een onderdeel ervan. De regels zijn alleen van toepassing bij collectieve procedures voor schendingen van Europese regels die in de annex bij de richtlijn zijn genoemd. Dit is Europese consumenten-, energie-, en financiële, telecommunicatie, gezondheids-, milieu, data- en vervoersregelgeving. Een procedure kan alleen worden gestart door organisaties die voorafgaand door de lidstaat zijn aangewezen. Deze organisaties moeten aan een aantal vereisten voldoen: zij moeten naar behoren zijn opgericht volgens het recht van een lidstaat, geen winstoogmerk hebben en een legitiem belang ervoor te zorgen dat de bepalingen van de het Unierecht waarop de richtlijn betrekking heeft, in acht worden genomen. Dit kunnen zowel organisaties zijn die zijn opgericht voor een specifieke collectieve procedure als organisaties die reeds langer bestaan. Wel stelt de richtlijn dat met name consumentenorganisaties en onafhankelijke publieke lichamen in aanmerking moeten komen voor aanwijzing. Deze organisaties kunnen vervolgens bij de rechter een verklaring voor recht, een gebod- of verbod vorderen of een schadevergoeding. De richtlijn bevat voorts de nodige maatregelen voor het reguleren van financiering door derden van een collectieve procedure. Zo moeten lidstaten voorkomen dat deze derdenfinanciers een oneigenlijke invloed kunnen uitoefenen op de collectieve procedure. Daarnaast creëert de richtlijn de mogelijkheid voor lidstaten om te bepalen dat aangewezen organisaties en een handelaar die een schikking hebben getroffen voor een groep gedupeerde consumenten, gezamenlijk een rechter of administratieve autoriteit kunnen verzoeken om die schikking goed te keuren. De uitspraak van de rechter of administratieve autoriteit in de voorgestelde collectieve procedure waarbij een inbreuk wordt vastgesteld, is dwingend bewijs voor andere procedures waarin over deze inbreuk tegen dezelfde handelaar wordt geprocedeerd. Daarnaast bevat de richtlijn nog bepalingen over verjaring, bewijs en het opleggen van boetes voor niet nakoming van definitieve rechterlijke uitspraken of definitieve beslissingen van een administratieve autoriteit. Ook zijn lidstaten verplicht om aangewezen entiteiten ondersteuning te bieden, zodat er voor hen geen financiële obstakels bestaan om hun taak op basis van de richtlijn uit te voeren. Dit kan door bijvoorbeeld de griffierechten te beperken, of door rechtsbijstand of financiering door de overheid mogelijk te maken. Ten slotte moeten lidstaten aangewezen organisaties in de gelegenheid stellen om gemaakte kosten te verhalen op aangesproken partijen.

b) Impact assessment Commissie

De Commissie heeft ter onderbouwing van het voorstel in haar effectenbeoordeling drie opties onderzocht. De eerste optie was om de afschrikkende werking en de proportionaliteit van publieke handhaving te vergroten door strengere regels voor boetes en een betere procedure voor inbreuken op consumentenrechten. Een tweede optie was om aanvullend individuele rechten voor consumenten te creëren. Een derde optie was om daarnaast ook aanvullende maatregelen voor collectief verhaal mogelijk te maken. Er zijn volgens de Commissie geen mogelijkheden om richtlijn 2009/22/EG te herzien, waardoor de richtlijn moet vervallen. Optie 3 heeft de voorkeur van de Commissie vanwege de sterkere aansporing voor handelaren om de EU consumentenregels na te leven. De kosten van optie 3 zijn hoger dan voor andere opties vanwege de breedte van het voorstel. Daar staat tegenover dat ook de besparingen hoger zijn dan bij de twee andere opties. De besparingen kunnen worden bereikt doordat handelaren de regels beter naleven en doordat heldere regels meer rechtszekerheid geven en minder kosten voor risico-inventarisatie met zich brengen.

3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein

Nederland is voorstander van effectieve en efficiënte afwikkeling van massaschade. Sinds 1994 kunnen representatieve belangenorganisaties in Nederland een verklaring voor recht krijgen wanneer zij opkomen voor gelijksoortig belangen van groepen gedupeerden.5 Bovendien heeft Nederland sinds 2005 de mogelijkheid om een collectieve schikking door de rechter verbindend te laten verklaren (Wet collectieve afwikkeling massaschade).6 Binnen Europa heeft Nederland altijd voorop gelopen met effectieve en innovatieve systemen van collectief verhaal.7 Op dit moment kan een representatieve belangenorganisatie in Nederland nog geen schadevergoeding vorderen, maar in 2016 is een wetsvoorstel ingediend om dit mogelijk te maken8.

Het wetsvoorstel heeft tot doel de afwikkeling van massaschade te verbeteren en meer coördinatie te bieden. Het bevat waarborgen voor organisaties die mogen opkomen voor gedupeerden in een collectieve procedure. De waarborgen zien onder andere op de expertise van de bestuursleden, de financiering en de governance van de belangenorganisatie. De rechter toetst aan deze waarborgen om te bepalen of een organisatie voor een bepaalde collectieve procedure ontvankelijk is. De rechter kan een exclusieve belangenorganisatie aanwijzen als hoofdeiser in de procedure, wanneer zich meerdere representatieve belangenorganisaties hebben gemeld om voor dezelfde massaschade een schadevergoeding te eisen voor gedupeerden van deze schade. Schikken wordt gestimuleerd maar de rechter kan ook zelf een collectieve schadeafwikkeling vaststellen. De uitkomst van de procedure is bindend voor alle gedupeerden. Gedupeerden kunnen aan het begin van de procedure en na goedkeuring door de rechter van een collectieve schikking aangeven dat zij niet gebonden willen zijn. Het wetsvoorstel is, in tegenstelling tot het Europese voorstel, niet beperkt tot consumentenvorderingen maar geldt voor elk soort schade en rechtsgebied, dus bijvoorbeeld ook voor schade van beleggers door een verkeerde prospectus.

b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Nederland ondersteunt de doelstelling van het voorstel dat in elke lidstaat een vorm van collectief verhaal mogelijk wordt. De positie van de consument, en dan met name in lidstaten waar nog geen mogelijkheden tot collectief verhaal bestaan, wordt versterkt. Ook het bedrijfsleven heeft, met name in lidstaten waar nog geen mogelijkheden tot collectief verhaal bestaan, baat bij eenduidigere regelgeving over de mogelijkheden voor verhaalacties binnen Europa.

Nederland vraagt zich wel af of de gekozen aanpak ertoe gaat leiden dat Europese consumenten en bedrijven kunnen profiteren van effectieve en efficiënte afwikkeling van massaschade. Voor bedrijven die collectief worden aangesproken door consumenten is van belang dat er sprake is van coördinatie en dat de procedure de mogelijkheid biedt om in de collectieve procedure tot een definitieve afwikkeling te komen (finaliteit). Het voorstel kan op deze punten nog aan kracht winnen.

Nederland ziet als grootste uitdaging voor collectief verhaal in Europa dat door voortschrijdende globalisering massazaken steeds vaker consumenten in meer dan één lidstaat zullen treffen (Facebook, Dieselgate). Nederland had gehoopt dat het Europese voorstel daarom ook het punt van de coördinatie zou regelen. Hoe om te gaan met acties in verschillende lidstaten waarin wordt opgekomen voor alle benadeelde Europese consumenten tegen één bedrijf? Welke actie krijgt dan voorrang? Hoe worden ze op elkaar afgestemd? De Commissie heeft ervoor gekozen om dit onderwerp niet te regelen. Nederland wil met de andere lidstaten bespreken of dit alsnog in het voorstel moet worden opgenomen of dat hier op andere wijze afspraken over kunnen worden gemaakt tussen de lidstaten.

De Commissie heeft ervoor gekozen om collectief verhaal mogelijk te maken voor inbreuken op specifieke in een annex aangewezen regelgeving. Dit roept bij Nederland de vraag op of de Commissie in de toekomst nog met nieuwe instrumenten voor collectief verhaal gaat komen voor bijvoorbeeld mededingingsinbreuken. Het voorstel staat haaks op de horizontale aanpak in de eerdere aanbeveling van de Commissie over collectief verhaal en op de resolutie van het Europees Parlement uit 2012. Deze aanbeveling had tot doel de lidstaten te bewegen een collectieve schadevergoedingsactie te introduceren voor grensoverschrijdende schendingen van alle Europese regelgeving. Het huidige voorstel heeft een beperktere reikwijdte. Daarnaast kan de lijst met regelingen waarvoor het voorstel geldt, tot discussies tussen partijen leiden over de reikwijdte van de richtlijn en over de vraag of en op welke wijze collectief kan worden geprocedeerd in zaken waar een aangesproken partij zowel Europese regelgeving heeft geschonden waar de richtlijn op van toepassing is als Europese regelgeving waar de richtlijn niet op van toepassing is. Bovendien bevat het voorstel geen vorm van coördinatie voor de gevallen waarin bedrijven geconfronteerd worden met meerdere belangenorganisaties die allemaal opkomen voor dezelfde groep gedupeerde consumenten. Ten slotte kan het voorkomen dat consumenten onder het voorstel niet altijd een schadevergoeding krijgen wanneer ze daar wel recht op hebben omdat lidstaten de rechter of de administratieve autoriteit de bevoegdheid kunnen geven om in naar behoren gemotiveerde gevallen waarin de schade zich lastig laat kwantificeren, af te zien van een schadevergoeding voor consumenten. Dit is niet in het belang van consumenten, omdat de afwikkeling van schade dan verdere vertraging oploopt.

Voor Nederland is van belang dat de voorgestelde procedure effectieve en efficiënte nationale systemen van collectief verhaal niet gaat doorkruisen. Dat geldt eveneens voor bestaande efficiënte en effectieve systemen van alternatieve geschilbeslechting zoals de Stichting Geschillencommissie, de Kifid, de Huurcommissie, en de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen. Het Europese voorstel moet ruimte laten voor innovatieve initiatieven op nationaal niveau die een effectieve en efficiënte afwikkeling van massazaken stimuleren.

Het doel van het voorstel, nl. dat elke lidstaat beschikt over een systeem van collectief verhaal voor consumenten, kan ook worden bereikt met een voorstel gebaseerd op uitgangspunten in plaats van gedetailleerd vormgegeven voorschriften. Dit zou de Nederlandse voorkeur hebben.

De eerste indruk is dat het voorstel de ruimte biedt voor verschillende systemen van collectief verhaal in de lidstaten. In die zin kan het voorstel als een steun in de rug worden gezien voor het Nederlandse wetsvoorstel dat eveneens tot doel een collectieve schadevergoeding mogelijk te maken. Wel is van belang dat ook uit de tekst en de overwegingen van het voorstel voldoende duidelijk blijkt dat lidstaten vrij zijn om naast de Europese collectieve schadevergoedingsactie hun nationale systemen van collectief verhaal te houden en verder te ontwikkelen.

Voor het overige zet Nederland in op verduidelijking of aanpassing van bepalingen om tot een werkbare Europese regeling voor collectief verhaal te komen. In het bijzonder wil Nederland verduidelijking of het voorgestelde systeem van de Commissie om entiteiten die mogen procederen in een collectieve actie vooraf aan te wijzen en op een lijst op te nemen verenigbaar is met het Nederlandse wetsvoorstel. In het wetsvoorstel wordt een collectieve vordering van een representatieve belangenorganisatie opgenomen in een register en toetst de rechter vervolgens of de representatieve belangenorganisatie ontvankelijk is in deze collectieve schadevergoedingsactie. Nederland is ook in Europa voorstander van een systeem waarbij lidstaten zelf kunnen kiezen of zij de ontvankelijkheid van representatieve belangenorganisaties door de rechter laten toetsen of door een andere instantie. Ook de mogelijkheid om boetes op te leggen voor niet nakoming van civielrechtelijke vonnissen tot betaling van schadevergoeding is in Nederland onbekend. Dit onderdeel en de verplichting voor lidstaten om consumentenorganisaties financieel te ondersteunen voor het organiseren van acties tegen aangesproken partijen zijn punten waarop Nederland aanpassing van het voorstel wenst. Doel hiervan is het voorstel beter uitvoerbaar te maken en beter te laten aansluiten bij de bestaande en mogelijk toekomstige Nederlandse wetgeving.

c) Eerste inschatting van krachtenveld

De afgelopen jaren heeft een groot aantal lidstaten systemen van collectief verhaal ingevoerd die nu in meer of mindere mate door het voorstel van de Commissie worden doorkruist. Daarom is de voorlopige inschatting dat Nederland binnen de Raad steun kan vinden voor haar bezwaren, omdat meerdere landen kritisch zijn over de vormgeving van het voorstel. De talloze vragen van lidstaten over het parallelle karakter van de voorgestelde procedure tijdens de eerste raadwerkgroep bevestigen deze inschatting. Het Europees Parlement heeft zich in het verleden uitgesproken voor een horizontaal instrument van collectief verhaal. Daarom is de verwachting dat ook het Europees Parlement de nodige bezwaren heeft tegen de huidige vormgeving van het voorstel.

4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit

a) Bevoegdheid

Het voorstel is gebaseerd op artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De voorgestelde richtlijn moet richtlijn 2009/22/EC vervangen. Die richtlijn is ook op artikel 114 VWEU is gebaseerd. De reikwijdte wordt uitgebreid doordat meer regelingen onder het toepassingsgebied komen te vallen. Ook de in te zetten middelen voor consumenten worden uitgebreid: naast het verbod/gebod van richtlijn 2009/22/EC krijgen consumenten de mogelijkheid van collectief schadeverhaal. Deze uitbreidingen hebben het zelfde doel als de huidige richtlijn, namelijk een goede handhaving van EU-consumentenrecht in de interne markt. De grondslag van artikel 114 lijkt daarom de juiste. Artikel 114 VWEU geeft de Unie de bevoegdheid om wetgeving vast te stellen inzake de werking van de interne markt Dit artikel geeft een gedeelde bevoegdheid van de Unie en de lidstaten (artikel 4, lid 2, onder a, VWEU). Volgens de Commissie draagt het voorstel bij aan het goed functioneren van de interne markt door te garanderen dat representatieve belangenorganisaties verhaalsacties kunnen instellen die de gemeenschappelijke belangen van consumenten kunnen beschermen bij inbreuken op bepaalde Unierechten. Uit artikel 169, lid 1, en artikel 169, lid 2, onder a) van het Verdrag (VWEU) volgt voorts dat de Unie moet bijdragen aan de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming door middel van maatregelen die op grond van artikel 114 VWEU worden genomen.

b) Subsidiariteit

Nederland beoordeelt de subsidiariteit van het voorstel als positief met een kanttekening. Op het punt dat het voorstel ervoor zorgt dat elke lidstaat hierdoor een vorm van collectief verhaal voor consumenten krijgt, is het oordeel positief. De kanttekening is dat volgens het kabinet hiervoor niet nodig is om specifieke voorschriften op te nemen voor de vormgeving van de collectief verhaalsmogelijkheden.

c) Proportionaliteit

De gekozen vorm (een richtlijn) ligt in de rede. Het voorstel gaat door het geven van specifieke voorschriften voor de vormgeving van de collectief verhaalsmogelijkheden echter verder dan noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken.

Nederland ziet daarnaast vooral een rol voor de EU weggelegd in het faciliteren van verschillende nationale systemen door het introduceren van Europese maatregelen op het gebied van de bevoegdheid van nationale rechters alsmede de erkenning en tenuitvoerlegging van hun beslissingen en het verzamelen van informatie op het gebied van samenwerking, informatievoorziening en het verhogen van consumenten-bewustzijn. De richtlijn kiest een andere insteek door specifieke voorschriften op te nemen ten aanzien van de inrichting en de vormgeving van collectieve verhaalsmogelijkheden in de lidstaten. Ook beperkt de richtlijn zich niet tot grensoverschrijdende gevallen. Voor zover de richtlijn daarmee tot doel heeft bestaande effectieve en efficiënte systemen van collectief verhaal al dan niet deels te vervangen is het Nederlandse oordeel over de proportionaliteit negatief. Nederland wil onderzoeken of een richtlijn gebaseerd op uitgangspunten waarbij de uitwerking van een systeem voor collectief verhaal aan de lidstaten zelf wordt overgelaten, meer recht doet aan de mogelijkheden voor lidstaten om op nationaal niveau de vormgeving zelf in te vullen.

5. Financiële implicaties, gevolgen voor regeldruk en administratieve lasten

a) Consequenties EU-begroting

Er worden beperkte consequenties voorzien voor de EU-begroting, die in de bestaande begrotingsbudget voor veiligheid en burgerschap kunnen worden ingepast. De kosten bedragen circa 1 miljoen euro per jaar. Nederland is van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2014–2020 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Nederland wil niet vooruitlopen op de onderhandelingen over het volgende Meerjarig Financieel Kader (na 2020).

b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of decentrale overheden

Er kunnen mogelijk gevolgen zijn voor de rechterlijke macht en voor de Raad voor de Rechtsbijstand. Eventuele budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het/de beleidsverantwoordelijk(e)) departement(en), conform de regels van de budgetdiscipline.

c) Financiële consequenties (incl. personele) voor bedrijfsleven en burger

Burgers en bedrijven krijgen meer mogelijkheden om schade te verhalen naar aanleiding van inbreuken op Europese regelgeving. Door de invoering van een collectieve schadevergoedingsactie kunnen gedupeerden hun krachten bundelen bij een inbreuk op Europese regelgeving en gezamenlijk schadevergoeding vragen. Daardoor staan gedupeerden sterker ten opzichte van aangesproken partijen en zijn de kosten voor een dergelijke procedure over het algemeen geringer.

d) Gevolgen voor regeldruk/administratieve lasten voor rijksoverheid, decentrale overheden, bedrijfsleven en burger

Er worden geen administratieve lasten voorzien voor rijksoverheid, decentrale overheden, bedrijfsleven en burger.

e) Gevolgen voor de concurrentiekracht

De mogelijkheid voor collectieve acties en de coördinatie tussen de lidstaten hierover verhoogt de Europese concurrentiekracht omdat het instrument het vertrouwen van consumenten alsmede een gelijk speelveld voor bedrijven vergroot. Dit positieve effect wordt mogelijk getemperd als er minder ruimte is om effectievere en efficiëntere nationale systemen van collectief verhaal in stand te laten. De Commissie heeft inmiddels uitgesproken dat de bedoeling is dat die ruimte voor nationale systemen er wel is.

6. Implicaties juridisch

a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

Het voorstel kan binnen de kaders van het Wetboek en Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek worden geïmplementeerd. Het voorstel gaat uit van minimumharmonisatie en laat de ruimte om verdergaande regels te stellen of te handhaven. Onduidelijk is of het voorstel als optioneel regime kan worden opgenomen of dat aanpassing van bestaande wetgeving of het bestaande wetsvoorstel noodzakelijk is.

b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan

Nvt

c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

De voorgestelde implementatietermijn is achttien maanden. Het kabinet acht deze termijn te kort voor de vaststelling van de benodigde wet- en regelgeving ter implementatie van de richtlijn en zal inzetten op een termijn van twee jaar.

d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

Er is geen noodzaak voor een horizonbepaling. Evaluatie van de richtlijn na vijf jaar, zoals opgenomen in het voorstel, is wenselijk.

7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving

Er kunnen gevolgen zijn voor de rechterlijke macht, aangezien de rechter een rol krijgt in de beoordeling van collectieve zaken. Met de praktijk zal nader over dit punten worden gesproken. Voor het overige kan de richtlijn binnen het bestaande uitvoeringskader worden ingepast.

8. Implicaties voor ontwikkelingslanden

Geen


X Noot
1

Richtlijn 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen, Pb. 2009, L 110/30.

X Noot
2

Pb. 2003, C 321/26.

X Noot
3

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s «Naar een Europees horizontaal kader voor collectief verhaal», COM 2013 (401). Aanbeveling 2013/396/EU van de Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten, Pb.2013, L 201/60.

X Noot
4

Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012, Op weg naar een samenhangende Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen, 2011/2089(INI).

X Noot
7

Europese Commissie, DG SANCO, 26 augustus 2008, Evaluation of the effectiveness and efficiency of collective redress mechanisms in the European Union, p. 9 en p. 117 e.v

X Noot
8

Kamerstuk 34 608, nr. 2