Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201222112 nr. 1290

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 1290 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 december 2011

Naar aanleiding van het verzoek van de griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken van 15 december jl., ga ik hierbij, mede ten behoeve van het algemeen overleg van 21 december as., graag in op de bestaande praktijk van informatievoorziening aan de Tweede Kamer over Europese dossiers.

Ik wijs in dit kader graag allereerst in positieve zin op de inmiddels ingebedde praktijk van het parlementaire behandelvoorbehoud op nieuwe EU-voorstellen. Dit nieuwe instrument heeft in mijn ogen geleid tot een gerichte intensivering van de informatievoorziening over die EU-voorstellen waar uw Kamer, vaak tezamen met het kabinet, het meeste belang aan hecht. Naast additionele informatievoorziening heeft dit geleid tot uitgebreide en vroegtijdige politieke gedachtewisseling tussen uw Kamer en het kabinet over de Nederlandse positie in de EU ten aanzien van de betreffende voorstellen van de Europese Commissie.

In uw brief wordt gevraagd naar de tijdigheid, de vorm en de inhoud van BNC fiches over nieuwe EU-voorstellen. Ten aanzien van de tijdigheid van die fiches is mijns inziens een belangrijke stap vooruit gezet met de afspraak, in april 2010 (Kamerstuk 22 112, nr. 1012), dat alle fiches over EU-voorstellen waarop uw Kamer voornemens is een behandelvoorbehoud te maken of een subsidiariteitstoets uit te voeren, voortaan binnen drie weken na publicatie van het betreffende voorstel aan de Kamer worden gezonden. Die afspraak wordt nageleefd, waardoor de betreffende vaste commissie ruim binnen de termijnen die gelden voor behandelvoorbehoud en subsidiariteitstoets (twee maanden resp. 8 weken, met opschortende werking voor de periode van het zomerreces) heeft kunnen beschikken over het kabinetsstandpunt ten aanzien van het betreffende EU-voorstel. Voor alle overige BNC-fiches geldt een termijn van zes weken na publicatie. Ook deze termijn wordt nauwgezet nageleefd. In gevallen waarin de naleving van de termijnen toch problemen dreigt op te leveren, vindt in de regel overleg plaats, gericht op het in ieder geval informeren van de Kamer voorafgaand aan besluitvorming of anderszins substantiële inhoudelijke bespreking van het voorstel in EU-verband. Het zeker stellen van die volgtijdelijkheid moet mijns inziens leidend zijn in dit opzicht, wat niet wegneemt dat ik mij sterk maak en zal blijven maken voor de strikte naleving van de overeengekomen termijnen.

Ten aanzien van de vorm en de inhoud van de fiches verwijs ik u kortheidshalve naar mijn brief van 4 juli 2011 (Kamerstuk 22 112, nr. 1198), die geagendeerd staat voor het algemeen overleg van 21 december.

In het verlengde van de gedachtewisseling daarover binnen uw Kamer afgelopen voorjaar (Kamerstuk 32 726, nr. 1; zie m.n. de vierde bullet van de brief van 1 april van de ondervoorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, in bijlage bij dat Kamerstuk) zou ik het algemeen overleg van 21 december as. ook aan willen grijpen om te verkennen of er inderdaad afspraken kunnen worden gemaakt over een selectiever en effectiever gebruik van het instrument BNC-fiche. Uiteraard gaat de Kamer zelf over het eventueel maken van keuzes of stellen van prioriteiten, zoals in het betreffende stuk voorop wordt gesteld. Vanuit mijn perspectief zou ik kunnen denken aan een aantal mogelijkheden. Voor wat betreft de niet-wetgevende voorstellen van de Europese Commissie zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan het schrijven van fiches «op verzoek» in plaats van standaard. Voorbeelden waarbij naar mijn gevoel niet evident is dat een BNC-fiche toegevoegde waarde heeft voor de Kamer, zijn voorstellen als de «herziening van de bioscoopmededeling», de «raadpleging van de Europese sociale partners over het combineren van werk, gezin en privéleven», de «mededeling over de aanpassing van de EU-bosbouwstrategie» of het «pakket over een sociale maritieme agenda». Voor het reeds genoemde «maken van keuzes» leent zich mogelijk het proces van vaststelling van prioritaire EU-voorstellen op basis van dat jaarlijkse werkprogramma van de Europese Commissie. Afspraken op dit terrein zouden goed kunnen aansluiten op het streven naar een krachtige, kleine en dienstverlenende overheid, met minder belastinggeld, minder ambtenaren, minder regels en minder bestuurders. Bovendien zou dit in mijn ogen een goede «spiegel» vormen van de bovenvermelde intensivering van de informatievoorziening over prioritaire EU-onderwerpen zoals bijvoorbeeld in het kader van het behandelvoorbehoud op nieuwe EU-voorstellen.

In de brief van de griffier wordt verder gesproken over de tijdigheid, vorm en inhoud van kabinetsreacties op consultatiedocumenten en van geannoteerde agenda’s voor Raadsbijeenkomsten. Beide vormen in mijn ogen belangrijke componenten van de informatiestroom tussen kabinet en Kamer over besluitvorming in EU-verband. Vanuit mijn horizontale verantwoordelijkheid binnen het kabinet voor EU-gerelateerde zaken, zie ik toe op bijvoorbeeld het naleven van de afspraak dat concept-kabinetsreacties op wit- en groenboeken minimaal een maand voor de reageertermijn van de Europese Commissie aan uw Kamer worden gezonden. Algemene afspraken over de vorm en de inhoud wil ik echter primair laten liggen tussen de betreffende vaste commissie en bewindspersoon. Ten aanzien van de geannoteerde agenda voor Raadsbijeenkomsten geldt hetzelfde. Het is in het belang van de bewindspersoon dat hij of zij uw Kamer zo goed en volledig mogelijk informeert over de Nederlandse inzet voor de aanstaande Raadsvergadering en in het belang van de betreffende vaste commissie om daar met de betreffende bewindspersoon goede afspraken over te maken. De ervaring leert dat de dynamiek van ieder werkterrein en iedere Raadsformatie van de EU, net als die van iedere vaste commissie in uw Kamer, anders is. In algemene zin valt mij op dat de processen in Brussel minder voorspelbaar zijn dan in het verleden. Een «one size fits all»-afspraak over bijvoorbeeld de termijn of de vorm en inhoud van de geannoteerde agenda zou daaraan mijns inziens onnodig afbreuk doen.

Tot slot informeert de griffier in haar brief naar de «mogelijkheden om de Kamer van regeringswege inzage te bieden in documenten ten behoeve van de Europese onderhandelingen». Ik neem aan dat hier in het bijzonder wordt gedoeld op vertrouwelijke documenten. Vanuit uw Kamer zijn recentelijk bij herhaling verzoeken gekomen om inzage in vertrouwelijke onderhandelingsstukken, zoals concept-raadsconclusies of concept-versies van een Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad. Ook zou uw Kamer toegang willen krijgen tot de zogenaamde «EU-extranet»-database met vertrouwelijke onderhandelingsstukken. Het argument dat daarbij wordt gebruikt is dat in andere EU-Lidstaten het nationale Parlement reeds toegang heeft tot deze of soortgelijke databestanden. In een aantal gevallen zou uitsluitend de ambtelijke staf van het Parlement toegang hebben tot de informatie, en zou deze vervolgens beslissen over het al dan niet, eventueel in vertrouwelijkheid, delen van die informatie met de leden van dat Parlement. De laatstgenoemde werkwijze zou in mijn ogen niet passen bij de verhoudingen zoals we die in ons land kennen. Ten aanzien van het algemene punt van inzage van de Kamer in vertrouwelijke onderhandelingsstukken heeft het kabinet zijn zienswijze gegeven in een brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 29 augustus van dit jaar (Kamerstuk 21 501-08, nr. 378), waarnaar ik hier kortheidshalve verwijs. Die brief is, zoals wordt vermeld, opgesteld na overleg met mij als horizontaal verantwoordelijke binnen het kabinet voor informatie-uitwisseling over Europese aangelegenheden. Vanuit die verantwoordelijkheid wil ik er in dit kader graag nog aan toevoegen dat in mijn ogen juist het debat over de Nederlandse inzet in EU-verband in algemene zin gebaat is bij een zo volledig mogelijke openbaarheid.

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

H. P. M. Knapen