22 054 Wapenexportbeleid

Nr. 242 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 18 maart 2014

De algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken en de vaste commissie voor Defensie hebben op 5 februari 2014 overleg gevoerd met Minister Ploumen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en Minister Timmermans van Buitenlandse Zaken over:

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 11 november 2013 inzake de aanbieding van het rapport Het Nederlandse wapenexportbeleid in 2012 (Kamerstuk 22 054, nr. 233);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 18 december 2013 met een reactie op het verzoek van de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking om openbaarmaking van de vertrouwelijke brief inzake het Syrisch chemisch wapenprogramma (Kamerstuk 22 054, nr. 238);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 26 november 2013 inzake afgifte vergunning voor export militair materieel via Zuid-Korea naar Indonesië (Kamerstuk 22 054, nr. 234);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 26 november 2013 inzake de universalisering en tenuitvoerlegging VN-wapenhandelsverdrag (Kamerstuk 22 054, nr. 235);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 13 augustus 2013 inzake afgifte van een vergunning voor export van militair materieel via China naar Algerije (Kamerstuk 22 054, nr. 231);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 30 juli 2013 inzake afgifte van een vergunning voor de export van militair materieel naar Taiwan (Kamerstuk 22 054, nr. 228);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 31 juli 2013 inzake aanvullende informatie over de afgifte vergunning voor export militair materieel naar Taiwan (Kamerstuk 22 054, nr. 229);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 15 juli 2013 inzake afgifte vergunning voor export militair materieel naar Singapore (Kamerstuk 22 054, nr. 227);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 04 februari 2014 inzake afgifte vergunning voor export overtollig defensiematerieel naar Jordanië (Kamerstuk 22 054, nr. 239).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, De Roon

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Eijsink

De voorzitter van de vaste commissie voor Defensie, Ten Broeke

De griffier van de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Van Toor

Voorzitter: De Roon

Griffier: Wiskerke

Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: De Caluwé, Jasper Van Dijk, De Roon, Servaes en Sjoerdsma,

en Minister Ploumen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en Minister Timmermans van Buitenlandse Zaken, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministerie.

Aanvang 18.30 uur.

De voorzitter: Ik open dit algemeen overleg van de commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Het onderwerp van bespreking is het wapenexportbeleid. De commissie spreekt met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Buitenlandse Zaken, die ik beiden van harte welkom heet, net als hun ambtenaren. Ik stel voor dat we in deze termijn een spreektijd hanteren van vijf minuten en ik sta per fractie twee interrupties toe.

De heer Sjoerdsma (D66): Voorzitter. Nederland is een van de grote spelers in de wapenexport. Ook de afgelopen jaren hebben wij onze plek in de top tien van exporteurs in de wereld weten te behouden. Dat levert geld, groei en banen op. Dat is de vernislaag op deze handel. Wel moeten grenzen worden gesteld aan de exportactiviteiten van de defensiegerelateerde industrie vanuit het belang van de internationale rechtsorde en de bevordering van vrede en veiligheid. In dat kader vraag ik de Ministers te reageren op het standpunt van organisaties die stellen dat Nederland die grenzen wat te ruim neemt. Neem een internationaal gerespecteerde organisatie als het Center for Global Development, ook door deze Minister geprezen. Dit beoordeelt Nederland slecht, niet vanwege de omvang van de wapenexport, maar wel vanwege de bestemming ervan: voornamelijk arme en ondemocratische landen. Hoe beoordelen de Ministers deze keerzijde van het wapenexportbeleid? Hoe beoordelen zij het lijstje landen waarnaar wij exporteren?

Binnen de gestelde grenzen kan er legitiem worden geëxporteerd. Wij lezen in de brieven van dit kabinet echter ook dat er steken zijn gevallen bij het bewaken van die grenzen. Dat kan wat D66 betreft niet. Ik noem er twee. Een versnelde rapportage inzake Turkmenistan is niet uitgevoerd en export naar Bahrein is ondanks een verbod toch toegelaten. Eerst Turkmenistan. Het kabinet heeft abusievelijk geen Kamerbrief verzonden over export naar dit land. Daarmee heeft het de versnelde rapportage laten zitten. In de begeleidende brief staat hierover dat de toetsing achteraf positief is geweest. De Kamer heeft zich daar echter niet over kunnen buigen. Ik vraag de Minister alsnog een brief over deze vergunning naar de Kamer te sturen, zoals gebruikelijk is, want het kan echt niet door de beugel. Ondanks het verzoek om exportaanvragen naar Bahrein aan te houden, ging het kabinet niet één, niet twee, maar drie keer de mist in. Ik ben benieuwd wat voor aftersalesvergunning het hier precies betrof, maar ik vraag me vooral af hoe dit zo heeft kunnen gebeuren. Nederland kent een verbod op uitvoer van militair materiaal totdat er een vergunning wordt verleend. Dat is een nee, tenzij. Welke maatregelen neemt de Minister, of heeft de Minister genomen, om dit voortaan te voorkomen?

Daarnaast is er sinds 9 september weer de mogelijkheid om de vergunninguitgifte voor Bahrein en Jemen te hervatten. Ik snap niet zo goed waarom het kabinet hiervoor kiest. Waarom meent het kabinet dat die leveringen weer mogelijk zouden moeten zijn? Omdat wapenexport gevoelig ligt, is het van belang dat wij als Kamer snel en goed worden geïnformeerd. Dat gebeurt doorgaans ook. Wel komt de rapportage over de uitvoer van militaire goederen een beetje laat. Eind 2013 ontving de Kamer de rapportage over 2012. Ik vraag de Minister of dat voortaan iets sneller kan.

Ik zal het niet hebben over de brief die wij eerst in vertrouwelijke en nu in openbare vorm hebben gekregen. Daar spreken we zo dadelijk in beslotenheid verder over. Ik wil het wel over de «dual use»-goederen hebben. Collega Leegte is er niet, maar ik deel een aantal van zijn zorgen. Voor wapenexport gelden namelijk acht criteria. Die kennen wij allemaal. Het is een wegingskader voor alle leveringen, met een Europees consultatiesysteem. Uit de briefwisseling met Duitsland wordt duidelijk dat die consultatie voor dual-use goederen nog niet optimaal werkt.

De voorzitter: De brief over dual-use is van de agenda gehaald. Ik weet niet of dit bericht u heeft bereikt. Als u er desondanks iets over wilt zeggen, zal ik dat niet verhinderen.

De heer Sjoerdsma (D66): Ik wil daar inderdaad iets over zeggen, ik was al halverwege. Ik vind het hoogst ongemakkelijk dat wanneer de ene lidstaat nee zegt, de ander toch ja kan zeggen. Die verschuilt zich achter het feit dat men niet over de relevante informatie beschikte om alsnog nee te kunnen zeggen. In de brief van 28 juni en het rapport van begin november lezen we dat hier een EU-Raadswerkgroep Dual-use mee bezig is. Het resultaat zal eind 2013 in de vorm van een definitieve wijziging van de verordening beschikbaar zijn. Ik vraag de Minister of deze verordening er al is, en zo nee, of ze daar zo snel mogelijk werk van kan maken.

Tot slot een klein puntje over een groot onderwerp. De grote stap tegen illegale en foute wapenhandel is gezet in de vorm van een VN-wapenhandelsverdrag. Ik hoop van de Ministers te vernemen wanneer het verdrag ter ratificatie wordt voorgelegd.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. Wapenexportbeleid kan niet los worden gezien van de geopolitieke verhoudingen in de wereld. De energierevolutie leidt bijvoorbeeld tot een geopolitieke verschuiving. We zien dat aan de terugtrekkende beweging van de VS als politieman van de wereld. Nog steeds heeft de VS blijvend baat bij rust vanwege handelsbelangen, maar het directe belang van toegang tot betaalbare energie neemt af. Voor Nederland ligt een groot belang bij de zeeroutes. Bijna 90% van het goederentransport en driekwart van het olietransport gaat over zee. De mondialisering van de wereldhandel vindt plaats met zeecontainers. Ruim de helft gaat over de Indische Oceaan. De Chinese invloed op de Indische Oceaan neemt steeds verder toe. De westerse invloed neemt af. Hetzelfde geldt voor de strategische inzet van nieuwe economieën in opkomende landen. Voor Europa zijn veilige vaarroutes van belang om de kosten voor transport en daarmee voor de wereldhandel laag te houden. De vraag dringt zich op of de terugtrekkende VS en het oprukkende China in het Europese belang zijn. Als dit niet zo is, hoe kan het Europese belang dan het best worden gediend?

Wapenexport moet wat ons betreft in deze context worden bekeken. Nederland verkoopt vooral scheepsinstrumenten en datacommunicatie-apparatuur. Dat zijn belangrijke instrumenten waarmee overheden scheepsroutes veilig kunnen houden, en daarmee de kosten voor internationale handel laag. Bovendien levert de Nederlandse defensie-industrie 15.000 arbeidsplaatsen, waarvan 30% in research and development. 60% van de werknemers is technisch hoog opgeleid. Het belang van onze wapenindustrie moet niet onderschat worden. Wapenexport moet wel verantwoord gebeuren, en volgens de Europese criteria. Deze criteria voor wapenhandel zijn er niet voor niets. Het kabinet schrijft dat Nederland drie keer een vergunning heeft verleend voor wapenexport aan Bahrein, terwijl dit eigenlijk niet had gemoeten. Het positieve punt is dat Nederland graag wil exporteren, maar de keerzijde van een te graag willen kan verkeerde export zijn. Het is goed dat incidenten bekend worden. We kunnen dan bezien of het een incident is, of een indicatie voor een trend. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen? Zijn er ook andere landen in de EU waar dit soort zaken mis zijn gegaan?

In het recente debat over de vervanging van de JSF bleek de waarde van de defensie-industrie. In de Kamer leefde de brede wens voor het aanstellen van een economisch diplomaat, die werkgelegenheid voor de JSF naar Nederland kan halen. Inmiddels is de heer Verhagen aangesteld. De VVD hoort graag op welke wijze de economische diplomatie voor wapenexport verder versterkt kan worden.

De Algemene Vergadering van de VN heeft op 2 april 2013 het VN-wapenhandelsverdrag aangenomen. Sindsdien hebben 114 staten het verdrag ondertekend, waarvan 8 het ook geratificeerd hebben. Belangrijke landen als China, Rusland, India, Saudi-Arabië en Indonesië hebben zich tot nu toe onthouden van ondertekening. Wat is nu de houding van deze landen? De Minister is daar in een brief al op ingegaan, maar zijn er in de tussentijd nog wijzigingen geweest? Welke gevolgen ziet de Minister voor de universeel toepasbaarverklaring van het verdrag? China, Rusland en de VS staan gezamenlijk immers garant voor het overgrote deel van de wapenexport.

Op EU-niveau wordt al getoetst of een wapenleverantie geen bedreiging is voor de mensenrechten en geen interne conflicten aanwakkert, of de regionale stabiliteit geborgd is en of er een omleidingsrisico is. In dit verdrag is afgesproken dat er wordt getoetst of wapens worden gebruikt voor genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. Nederland heeft een actieve rol gespeeld tijdens de totstandkoming ervan en streeft, ook via de EU, naar universalisering ervan. Het bevordert committering eraan door middel van diplomatieke kanalen, door het verstrekken van financiële steun en door het ondersteunen van relevant onderzoek. Daar is de VVD blij mee.

De heer Servaes (PvdA): Voorzitter. Ik ben nieuw in dit illustere gezelschap en nieuw op dit dossier. Ter voorbereiding ben ik in de literatuur en de voorgeschiedenis gedoken. Ik moet zeggen: het was niet eenvoudig. Technisch niet eenvoudig, met alle verschillende regimes, criteria, notificaties, sondages et cetera, maar bovenal politiek niet eenvoudig. Bij de export van wapens moet altijd een lastige afweging worden gemaakt. Het grootste probleem dat ik zie, is dat het elke keer een momentopname is in het betreffende land. Om met de Britse historicus Taylor te spreken: voorspellen is moeilijk, vooral als het over de toekomst gaat. Ik voeg daaraan toe dat dit vooral geldt voor sommige regio's. Binnen deze lastige kaders heb ik vertrouwen in de integere en secure wijze waarop dit kabinet afwegingen maak. Dit geldt zowel voor de reguliere wapenexport als voor de zogenaamde dual-use goederen. Het is goed dat op dit laatste terrein veiligheid altijd prevaleert en risico's worden vermeden. Dank dus voor het uitgebreide en heldere rapport over het Nederlandse exportbeleid in 2012. Natuurlijk zie ik nog wel een aandachtspunt. Collega's hebben dat al genoemd: Bahrein. Er zijn drie aftersalesvergunningen afgegeven, terwijl het beleid was om aanvragen aan te houden. Dat vindt mijn fractie zorgelijk. Hier wreekt zich dat de uitvoerende dienst op grond van een basisinstructie werkt, waarin is opgenomen dat de dienst bepaalde aanvragen zelfstandig mag afhandelen, terwijl de tijdelijke maatregel dat voor de bestemmingen Bahrein en Jemen ongedaan maakt, of maakte, moet ik zeggen. De Partij van de Arbeid vindt het een goede zaak dat de betreffende dienst op zijn fout is aangesproken en dat de interne protocollen zijn aangescherpt. De vraag is natuurlijk hoe dit heeft kunnen gebeuren en hoe we voorkomen dat dit in de toekomst nog een keer gebeurt. Welke maatregelen zijn genomen? Kan de Minister garanderen dat dergelijke fouten tot het verleden behoren?

De collega's noemden ook Turkmenistan. Ik sluit me aan bij de vragen op dit punt.

De heer Sjoerdsma (D66): Ik geloof dat de PvdA en D66 zowel de zorgen delen over wat er is gebeurt, als dezelfde vragen hebben. Vindt de heer Servaes dat de vergunninguitgifte voor Bahrein en Jemen hervat kan worden?

De heer Servaes (PvdA): Ik vind dat lastig in te schatten. We zien dat de situatie met name in Bahrein wel is veranderd sinds twee jaar geleden, toen het echt acuut onrustig was. Zo noem ik het maar even. Het is nog geen Zweden, to put it mildly, maar ik vind het lastig om hier zo een antwoord op te geven.

De heer Sjoerdsma (D66): Toch is dat wel belangrijk, omdat het kabinet ervoor gekozen heeft om de vergunningverlening te hervatten. Het heeft dus een oordeel uitgesproken over het feit dat het weer mogelijk moet zijn voor Bahrein en Jemen. Ongetwijfeld zullen de Ministers aangeven waarom daarvoor is gekozen. Mijn fractie heeft zorgen over deze landen en ziet eigenlijk niet waarom dit zou moeten. Daarom de vraag, ook aan de PvdA, om hier kleur te bekennen.

De heer Servaes (PvdA): De kleur van mijn partij moge bekend zijn. Het feit dat de vergunning niet per definitie wordt tegengehouden, wil niet zeggen dat die per definitie wel wordt gegeven. De zorgvuldigheid en de afweging voor iedere export gelden nog steeds en zijn nog steeds scherp. Ik hoor ook graag het antwoord van de Minister op de vraag van de heer Sjoerdsma. Toestemming wil niet zeggen dat alles zomaar geëxporteerd kan worden.

Ik heb ook een opmerking over de exportvergunning voor een radarvuurleidingssysteem en onderdelen daarvan met eindbestemming Taiwan. De transactie vindt plaats in het kader van het groot onderhoud van eerder geleverde systemen. Het kabinet schrijft dat de naleving van mensenrechten in Taiwan sinds 2000 is verbeterd en dat ze in toenemende mate worden gerespecteerd. Dat is een opvallende constatering, gezien het feit dat de doodstraf recentelijk weer is ingevoerd in Taiwan. Het kabinet schrijft dat de EU op dit punt met zorg heeft gereageerd. Hoe verhouden beide constateringen zich tot elkaar? Welke consequenties heeft dit voor het toetsen van het wapenexportbeleid?

Ik heb mijn huiswerk gedaan. Tijdens vorige overleggen is veel gesproken over de verdere harmonisering van het Europese wapenexportbeleid, inclusief dual-use goederen. Dit is een terecht streven dat breed wordt gedeeld in de Kamer. Dat valt mij op. Er zijn in de afgelopen periode door Kamer en kabinet verschillende suggesties gedaan hoe de verschillen in de informatiepositie te verklaren en te verbeteren zijn. Is er een rol voor een zogenaamd «Europees clearing house»? Hoe verbeteren we het delen van denials en voorkomen we dat daarvan wordt afgeweken? Er zou een update van de zogenaamde Gebruikersgids komen. Daar zou eind vorig jaar meer duidelijkheid over zijn. De heer Sjoerdsma sprak daar al over. Volgens mij heeft hij ook wel eens gesuggereerd dat de Europese Commissie een openbaar advies kan geven. Het valt me op dat met name voor de dual-use goederen er nog grote verschillen zitten tussen de verschillende regimes zoals het Wassenaar Arrangement en de Australië Groep. Er zijn er ten minste vier, die niet allemaal hetzelfde regime hebben voor sondages. Het lijkt mij logisch dat dit wel het geval is. Het voert misschien te ver op al deze punten in detail in te gaan, maar ik hoor graag van de Ministers welke concrete stappen zij denken te kunnen zetten om deze harmonisering handen en voeten te geven. Dat kan wellicht vandaag, en anders kunnen we er misschien op een later moment uitgebreid op terugkomen.

Tot slot sluit ik me aan bij de vragen over het wapenhandelsverdrag. Ook mijn fractie is daar zeer content mee. Wanneer kunnen wij dit ter ratificatie in het parlement verwachten?

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik heb een vraag over de wapenverkoop aan Jordanië. Dat heeft de heer Servaes ongetwijfeld ook gezien. Het is niet mis wat men daar beoogt te verkopen. Bij de toetsing van de criteria zegt het kabinet dat het wat het kabinet betreft kan. De regionale situatie is echter zeer volatiel en de crisis in Syrië heeft steeds meer spillover naar andere landen in de regio. Is dit voor de PvdA geen enkel probleem, zo'n wapendeal als in de brief van gisteren wordt aangekondigd?

De heer Servaes (PvdA): Dank voor deze vraag. Deze informatie is niet nieuw. Er wordt nu gesproken over een concrete verkoop, maar we zijn in februari vorig jaar al geïnformeerd over dit voornemen. Ik meen dat het zelfs een nog breder palet aan wapens en munitie betrof. We moeten erkennen dat de regio waarin Jordanië ligt, de meest volatiele regio is. Tegelijkertijd moeten we veel waardering hebben voor de rol die Jordanië in de regionale conflicten heeft gespeeld, met alle kanttekeningen die je bij de interne processen in Jordanië kunt zetten. Of het nu over het Israëlisch-Palestijnse conflict gaat of over de opvang van vluchtelingen uit het Syrië-conflict, Jordanië heeft daarin zonder meer een goede, positieve rol gespeeld. De kern zit hem in welk materiaal het betreft en welke functie dit vervult. Ik heb gelezen dat het uitsluitend om defensief materiaal gaat, luchtafweergeschut kort gezegd, dat niet voor offensieve doeleinden kan worden ingezet. De heer Van Dijk kan het kabinet daarover zelf bevragen, als hij er nog vragen over heeft.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het is altijd een mooie discussie, of een wapen defensief of offensief is. Volgens mij is dat heel betrekkelijk. Er staan volgens mij ook vijftien F-16's op de rol om verkocht te worden aan Jordanië. Dat zijn uitdrukkelijk ook offensieve wapens. Begrijp ik dat de heer Servaes zegt dat hij daar nog wel vragen bij heeft? Of vindt hij dat het allemaal akkoord is?

De heer Servaes (PvdA): Dat laatste element staat vandaag niet op de agenda. Het gaat specifiek over het luchtafweergeschut. Als de heer Van Dijk een vraag wil uitlokken, dan zou dit een goede zijn: Minister, zijn dit louter defensieve wapensystemen of kunnen ze ook voor andere doeleinden worden ingezet? Dat lijkt me een legitieme vraag. Als de heer Van Dijk die niet zelf wil stellen, dan doe ik het hierbij.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Ik sluit me helemaal aan bij de laatste uitstekende en scherpe vraag van de heer Servaes. In het rapport van de Europese Unie van vorige maand wordt de omvang van de wapenexport van de EU naar het Midden-Oosten in 2012 geschat op zo'n 10 miljard euro. Dat is een toename van 22% ten opzichte van 2011. Aangezien een groot deel van de regio in deze periode in brand stond, lijkt ons dit behoorlijk onverantwoord. Wat bezielt deze landen, die zich erop laten voorstaan dat zij de internationale rechtsorde handhaven, om doodleuk nieuwe wapens of wapenonderdelen naar deze zeer explosieve regio te exporteren? Hoe zien de Ministers dit? In het EU-gemeenschappelijk Standpunt met betrekking tot het wapenexportbeleid wordt gesproken over gemeenschappelijke normen als een minimum. Dus het gaat niet om harmoniseren, maar om een proces waarin lidstaten worden aangesproken als ze de gemeenschappelijke criteria te gemakkelijk hanteren. Is er sprake van zo'n proces en hoe verloopt dit?

We maken ons zorgen over de mogelijkheid die wij als Kamer hebben om deugdelijke controles op wapenexport uit te voeren. We kregen het rapport over het wapenexportbeleid in 2012 pas afgelopen november. De afzonderlijke vergunningen zijn per vandaag slechts tot april 2012 beschikbaar gemaakt. Delen de Ministers de mening dat dit veel te laat is? Bovendien willen we graag weten wat de eindbestemming is van de vele wapenonderdelen die we naar Duitsland en de VS exporteren. Kunnen we daar een overzicht van krijgen? Ook zochten we tevergeefs naar een overzicht van de «dual use»-goederen met uitsluitend eindgebruik door leger, politie en andere veiligheidsdiensten, met een drempelwaarde van 2 miljoen euro. Dit is al eerder in een motie samengevat.

Daarnaast werd de verplichte publicatie van exportgegevens ernstig vertraagd. Die export gaat volgens het jongste rapport van de Campagne tegen Wapenhandel nog steeds door. In 2012 gaf het SIPRI ons een vijfde plaats in de wereldrangorde, vergeleken met de elfde plaats als gemiddelde in de vijf jaar daarvoor. Er is dus alle reden om goed geïnformeerd te worden. Hebben de Ministers een reactie op het recentelijk uitgegeven rapport van de Campagne tegen Wapenhandel, een analyse van de wapenexport in 2012?

Ik heb vragen over de wapenexport naar een aantal landen. Die betreffen het te soepel toepassen van de criteria, bijvoorbeeld bij de exportvergunningen voor de radar- en C3-systemen aan de marine van Algerije. Er bestaat immers nog steeds een gevoelige relatie met buurland Marokko. Het kabinet geeft dit zelf aan. Vanwaar dan het akkoord voor deze deal? Bovendien is in 2012 een exportvergunning van 10 miljoen afgegeven voor Marokko, zonder dat de Kamer hierover werd geïnformeerd. Waarvoor diende die vergunning?

Dan is er ook de verkoop van vijftien F-16's aan Jordanië, plus de nieuwste verleende vergunning voor de levering van pantserrupsen tegen luchtdoelen (PRTL's), luchtafweersystemen, bergingstanks en de bijbehorende onderdelen. Volgens het kabinet ligt Jordanië in een instabiele regio, maar is het zelf een stabiel land en dus geschikt voor Nederlandse wapenleveranties. Dat lijkt ons wat kort door de bocht. De regio staat in brand. Vanuit Jordanië opereren rebellen in Syrië, die zijn opgeleid in Jordanië. Wanneer komt de eindtoetsing voor de verkoop van de Nederlandse wapens en de F-16's?

Bahrein is al genoemd door al mijn voorgangers. Op bijkans onnavolgbare wijze worden vergunningaanvragen voor zowel dit land als voor Jemen niet langer automatisch geblokkeerd, maar van geval tot geval beoordeeld. De situatie zou overzichtelijker zijn geworden. Ik hoor daarop graag een toelichting, want met de schending van mensenrechten gaat het nog steeds niet goed. Hoeveel vergunningen zijn er inmiddels afgegeven en waarvoor?

Er is in augustus 2013 een beperkt wapenembargo tegen Egypte afgekondigd. Kan de Minister ons informeren of de leveringen op basis van vergunningen die al eerder waren afgegeven, zijn gedaan? Dit betrof radarapparatuur van Thales en communicatieapparatuur. Aan de marine van Libië is een onbekend aantal patrouilleboten geleverd. Dat is opmerkelijk, gezien het gammele karakter van de Libische staatsmacht. Is het niet zo dat er nog steeds een EU-embargo voor Libië geldt? Is deze leverantie behandeld door de speciale sanctiecommissie?

Tot slot het internationale wapenhandelsverdrag. Hoe staat het met de vooruitgang hieromtrent? Helaas hebben China en Rusland niet getekend. Hoe staat het met de pogingen om de niet-ondertekenaars alsnog over de streep te trekken? Nederland steunt projecten in ontwikkelingslanden om de bepalingen in het verdrag ten uitvoer te brengen. Worden er daadwerkelijk landen door dit programma geholpen? De door het wapenhandelsverdrag nagestreefde transparantie in de internationale wapenhandel is in ieder geval sterk toe te juichen.

In het licht van de parlementaire controle pleiten we voor een overzicht van de vergunningen voor strategische diensten in het jaarrapport, in overeenstemming met de Wet strategische diensten.

Voorzitter: Jasper van Dijk

De heer De Roon (PVV): Voorzitter. Een veel gebezigde maar nog steeds relevante uitdrukking is «guns don't kill people, people kill people». Daarom is het letterlijk van levensbelang dat de landen waaraan wij wapens leveren, democratische rechtsstaten zijn waar de mensenrechten hoog in het vaandel staan. Dat is bij een flink aantal landen een punt waar de schoen wringt, zeker bij de meeste islamitische landen. Je zou verwachten dat de EU extra voorzichtig is met leveranties aan islamitische landen sinds de bloedige Arabische revoltes en de al even bloedige onderdrukking daarvan. Het tegendeel lijkt het geval. Terwijl de EU-wapenexport in 2011 tot 2012 in totaal steeg met 5%, nam de EU-wapenexport naar het Midden-Oosten met 22% toe. Dat lijkt niet erg logisch. Ik sluit me van harte aan bij de woorden van de heer Van Dijk op dit punt. Het oudste exportland van islamitische ellende, Saudi-Arabië, is kennelijk zelfs de nummer één van de Duitse wapenexport. Het is het enige land ter wereld waar vrouwen niet mogen autorijden, waar kerken verboden zijn en waar ze separate rijstroken hebben voor niet-moslims. Dat is het land waaraan enorm veel Europese wapens worden verkocht. Kan de Minister toelichten hoe het mogelijk is dat wapenexporten naar zo'n land blijkbaar voldoen aan de toetsingscriteria van de EU? Is de Minister het met mij eens dat de EU-minimumnormen dan kennelijk wel erg laag zijn, als zelfs zo'n land vrijwel zonder belemmeringen in aanmerking kan komen voor Europese wapenexporten?

Ik wil pleiten voor het toevoegen van een negende exportcriterium, namelijk het niet leveren aan de landen uit de Organisatie van de Islamitische Conferentie (OIC). De situatie in de meeste, zo niet alle, islamitische landen is instabiel. Bij sommigen is dat heel acuut, bij anderen is dat op wat langere termijn duidelijk zichtbaar. Het risico dat wapens in deze landen in handen komen van jihadisten en islamitische fundamentalisten en de risico's op extremistische regime-changes zijn groot. Van leveringen in islamitische landen gaat nog iets anders uit, zelfs al zouden de wapens niet rechtstreeks worden ingezet voor mensenrechtenschendingen. Daar gaat het politieke signaal van uit dat die onderdrukkende regimes daardoor worden gelegitimeerd. Terecht zeggen mensen van de Campagne tegen Wapenhandel dat het niet over de export van bloembollen of kaas gaat. Het gaat om de export van middelen waarmee je die onderdrukkende regimes bestendigt. Je biedt hen de mogelijkheid daarmee te overleven. Het valt op dat het Nederlandse kabinet driemaal zoveel vergunningaanvragen van Israël als van Saudi-Arabië heeft geweigerd. Dat is natuurlijk vreemd. Ziet het Nederlandse kabinet het handen afhakkend en mensen onthoofdend Saudi-Arabië als een betere bestemming voor onze wapens dan de enige democratie in het Midden-Oosten, Israël?

De PVV is tegenstander van de verkoop van al dat wapentuig aan Jordanië. Jordanië is in onze ogen allesbehalve stabiel. Dat de onrust in Jordanië nog helemaal niet vergelijkbaar is met de situatie in Egypte of Syrië, mag geen excuus zijn om aan dat land wel wapens te leveren. Ik wil memoreren dat de Jordaanse koning Abdullah vorig jaar augustus heeft gezegd dat hij bang is dat hij binnen een jaar de macht kan verliezen, ten gevolge van de enorme demografische verandering in zijn land. In juli 2013 heeft een Jordaanse gevechtspiloot zich bij Al-Nusra aangesloten. Erkennen de bewindslieden dat de situatie in Jordanië niet stabiel is, en dat het niet uitgesloten is dat straks ons wapentuig in extremistische handen eindigt? Zijn zij bereid om de export naar Jordanië op te schorten?

De PVV betreurt het dat Nederland sinds begin jaren tachtig geen nieuwe wapensystemen meer wil leveren aan Taiwan. Dat weten we op basis van het één-Chinabeleid, zoals neergelegd in een joint communiqué van Nederland en China uit februari 1984. China is een land dat zijn militaire macht enorm opbouwt en moderniseert. China legt daarnaast ook steeds meer claims op de regio. Het land heeft een assertieve en intimiderende houding ten opzicht van die regio. Ik denk bijvoorbeeld aan de eenzijdige instelling van de luchtverdedigingszone boven de Oost-Chinese Zee en de vergrote politieaanwezigheid in de betwiste Zuid-Chinese Zee. Alle landen in die regio, en ook daarbuiten, zijn daar zeer ongerust over. Hoewel de VS in de jaren tachtig met China zijn overeengekomen de wapenleveranties aan Taiwan op termijn af te bouwen, blijft het land wel defensieve wapens aan Taiwan leveren, ondanks druk van China. Taiwan is een ordentelijke, democratische rechtsorde, en voert in tegenstelling tot China geen intimiderende buitenlandpolitiek. Deelt de Minister de visie van de PVV dat het, mede gelet op de Chinese militaire expansiedrift, tijd is om na te denken over een herziening van dat restrictieve wapenexportbeleid ten aanzien van Taiwan? Welke van de acht criteria die vanuit de EU zijn ingesteld en waar het kabinet zich aan houdt, verhindert de export naar Taiwan? Of gaat het nu nog steeds om de vrees voor onze exportpositie, zoals die ons in 1984 inspireerde om dat joint communiqué af te spreken met China? Is de situatie op dat punt nog hetzelfde als in 1984? Is het nog steeds noodzakelijk voor onze handelsbelangen om dit wapenembargo voor Taiwan te handhaven? Moeten we blijven buigen voor de Chinese draak?

In de aanbiedingsbrief bij de rapportage over het wapenexportbeleid in 2012 zaten drie onaangename verrassingen. De eerste betreft de drie vergunningen die aan Bahrein zijn afgegeven, terwijl er een vergunningenstop voor dat land van kracht was. Het is mij niet duidelijk hoe dit heeft kunnen gebeuren. Kan de Minister aangeven wat de aanscherping van de protocollen behelst die zij heeft toegezegd? Hoe verzekert het kabinet zich ervan dat deze protocollen worden nageleefd? Je kunt veel op papier zetten, maar als het niet wordt nageleefd heb je er niets aan. De mensen van de Campagne tegen Wapenhandel hebben aangegeven dat volgens hen de communicatie met de Centrale Dienst In- en Uitvoer (CDIU) eigenlijk al vijftien jaar lang verre van vlekkeloos verloopt. Kan de Minister hierop ingaan?

Het tweede onaangename punt in de aanbiedingsbrief is de beslissing om in principe de vergunningsaanvragen voor wapenexporten voor Bahrein en Jemen weer in behandeling te nemen. De situatie in deze landen zou overzichtelijker zijn geworden. Ik ben daar bepaald niet van overtuigd. Ik vind het eigenlijk een verbazingwekkende constatering, zeker als het over Jemen gaat. Ik wijs erop dat in augustus 2013 in Jemen veel westerse ambassades, waaronder die van Nederland, dichtgingen vanwege een hoge terreurdreiging. Dat was een maand voordat we deze brief kregen. In december jongstleden vond de grootste aanslag sinds achttien maanden plaats, nota bene in het militaire hart van Jemen, het Ministerie van Defensie. De verslechterde veiligheidssituatie heeft onlangs op de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van de EU gestaan. Is de Minister het met mij eens dat de hervatting van het beoordelen van vergunningaanvragen voor Jemen voorbarig is?

Het laatste onaangename punt is de kwestie van de wapenexport naar Turkmenistan. Daarover bleek namelijk helemaal geen brief te zijn gestuurd, terwijl dat volgens de selectiecriteria voor versnelde rapportage wel had moeten gebeuren. Het was geen klein dealtje, het ging om 20 miljoen euro. Amnesty International heeft in haar rapportage over dat land geschreven dat in Turkmenistan «een sfeer heerst van totale repressie, mensenrechtenschendingen en van alles doordringende angst. Er is geen enkele werkelijke oppositiepartij, geen onafhankelijke mensenrechtenorganisatie en geen onafhankelijke media.» Hoe kan het dat aan zo'n land voor zo'n enorm bedrag aan wapensystemen wordt geleverd?

Voorzitter: De Roon

De voorzitter: Ik constateer dat ik wat lang heb gesproken. Dat zie ik nu pas.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ja, ik was vandaag wat ruimdenkend.

De voorzitter: Mijn excuses dat ik zo uit de bocht ben gegaan. Ik hoor dat de bewindslieden vijf minuten nodig hebben. We gaan om 19.15 uur verder met de beantwoording door de bewindslieden.

De vergadering wordt van 19.11 tot 19.17 uur geschorst.

De voorzitter: Ik heropen de vergadering. Ik geef als eerste het woord aan de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Ik sta in deze ronde per fractie drie vragen toe, voor beide Ministers samen.

Minister Ploumen: Voorzitter. Dank aan de commissieleden voor hun vragen en opmerkingen en de zorgen die zij hebben geuit. Daar zal ik zo op ingaan. Misschien is het goed te beginnen met de vraag van de heer Sjoerdsma. Hoe zit het met de score van Nederland op de Commitment to Development Index (CDI)? Nederland scoort relatief laag. Dat geldt overigens ook voor een land als Zweden. Dat is geen excuus, maar ik stel het wel vast. Voor Nederland wordt de score veroorzaakt door een vergunning die is afgegeven voor de uitvoer van drie fregatten voor de Marokkaanse marine. Deze levert strafpunten op. Ik draag de index overigens een warm hart toe en acht deze zeer hoog, zoals de heer Sjoerdsma terecht opmerkte. Wij hebben deze levering getoetst aan de acht criteria. Het achtste criterium is de verenigbaarheid van de export met het technisch en economisch vermogen van het land, de zogenaamde OS-toets. Wij hebben op basis van de toetsing besloten om de vergunning af te geven. De CDI vindt dit incoherent met ons OS-beleid, maar wij zien dat gezien de inkomenspositie van Marokko niet zo. Je ziet dat de scores of strafpunten op de CDI fluctueren aan de hand van casussen. De heer Sjoerdsma kan ervan verzekerd zijn dat ik de score elk jaar analyseer. Ik neem het niet als gegeven, maar wil weten hoe die tot stand is gekomen om daarvan te leren.

De heer Sjoerdsma (D66): Ter verheldering: ik sprak over het Center for Global Development. Is dat hetzelfde als de organisatie die de Minister noemt?

Minister Ploumen: Volgens mij maakt het Center for Global Development de CDI.

De heer Sjoerdsma (D66): Nee, dan heeft de Minister het over één wapendeal. Zoals ik de analyse van deze organisatie begrijp, hangt dat niet op één deal, maar meer op de hoeveelheid export die wij toestaan naar landen die zij als ondemocratisch rangschikken. Als ik de zorgen van verschillende fracties beluister over het rijtje landen waarnaar Nederland exporteert, vind ik dat die wel begrijpelijk zijn. Ik vraag de Minister ook daarop te reflecteren.

Minister Ploumen: De CDI komt volgens een bepaalde formule, de Kaufmann-score geloof ik, tot scores voor het democratisch gehalte van landen. Op basis daarvan worden punten of strafpunten toegekend. Wij toetsen case by case op de acht criteria van de EU, tenzij er embargo's zijn. Minister Timmermans zal hier aan de hand van de aangedragen casussen op ingaan. Onze specifieke aanpak leidt dan wellicht tot andere scores dan volgens de meer generieke index van de CDI. De Marokko-casus is een leverantie ter waarde van 555 miljoen euro. Heel fors dus. Het is een voortschrijdend gemiddelde van drie of vijf jaar. Dat speelt ook mee. Er zijn verschillende factoren van belang. Ik duid de verschillen, waarbij ik benadruk dat ik die steeds analyseer bij het bekend worden van de CDI.

Alle woordvoerders hebben zorgen geuit naar aanleiding van de rapportage. Dit betrof vooral het niet versturen van een notificatie over Turkmenistan en over drie leveranties aan Bahrein. Dit is niet conform de regels die met de Kamer zijn afgesproken. Ik heb naar aanleiding van de feiten rond Bahrein onmiddellijk een gesprek gehad met de Staatssecretaris van Financiën en met de Algemeen Directeur Douane. Het betrof drie aanvragen voor aftersalessystemen, delen van luchtafweerradarsystemen. Het is van belang te weten welke maatregelen zijn genomen om dit tegen te gaan. Deze hebben te maken met de wijze waarop de processen bij de CDIU zijn georganiseerd en vallen in twee soorten uiteen. Er is al enige tijd gewerkt aan een verdere automatisering van de systemen van de CDIU. Deze is medio december afgerond. Een tweede fase van deze automatisering volgt in 2014. Onderdeel hiervan zijn extra checks-and-balances, waardoor onafhankelijk van elkaar door twee paar ogen wordt gekeken. Ik hecht eraan te melden dat deze gevallen incidenten zijn. Naar aanleiding van het nieuwe automatiseringssysteem en de aangescherpte protocollen zal de Auditdienst Rijk (ADR) op ons verzoek een audit doen op het gehele nieuwe werkproces. Dat betekent dat we incidenten voorkomen door het aanscherpen van procedures, maar dat ook de procedure op zichzelf extra wordt geaudit. Als er verbeterpunten uitkomen, worden die natuurlijk onmiddellijk in gang gezet. Die komen bovenop de maatregelen die al zijn genomen. Buitenlandse Zaken heeft een service level agreement (SLA) afgesloten met de CDIU. Daarin zijn deze afspraken ook vastgelegd. De afspraken zijn dus meer dan alleen notulen van een gesprek.

De Kamer zegt terecht dat de notificatie over Turkmenistan wel verstuurd had moeten worden. Ik voldoe graag en zo spoedig mogelijk aan het verzoek om deze brief alsnog te sturen. Ook dit is een incident, maar incidenten zijn er om voorkomen te worden. Wij hebben hiervan geleerd.

Vanuit verschillende invalshoeken is gesproken over de «dual use»-verordening, mogelijke wijzigingen daarin en de rapportage over dual use in het rapport dat ik de Kamer heb toegestuurd. Dat rapport is inderdaad aan de late kant verzonden. Dat heeft alles te maken met de systemen die nu gelukkig geautomatiseerd worden. Ik zeg toe dat ik alles op alles zet om het rapport van 2013 voor het zomerreces van 2014 aan de Kamer toe te sturen. Dat moet haalbaar zijn, zeker gezien de maatregelen die genomen zijn voor de informatieverschaffing.

De overzichten zijn nog niet allemaal beschikbaar. Daarin lopen we echt achter. Dat heeft wederom te maken met het automatiseringstraject van de CDIU. Ik zeg toe dat ik hier bij de Staatssecretaris van Financiën nogmaals aandacht voor zal vragen. Ik hoop dat dit in het kader van de tweede fase van de automatisering met gezwinde spoed kan worden uitgevoerd. Transparantie wordt er alleen maar beter van als het real time geleverd kan worden. De heer Van Dijk en ik vinden elkaar daarin.

Op 28 januari heb ik de Kamer een brief gestuurd over dual use, over een wijziging die door de Europese Commissie is voorgesteld. De commissie werkt aan een herziening van het Europese exportcontrolebeleid. Onderdeel daarvan is het voorstel voor de nieuwe procedure voor de EU-verordening rond dual use. Die brief staat niet op de agenda, maar ik wil vast melden dat het voorstel medio april in de plenaire vergadering van het Europees Parlement zal worden goedgekeurd. Dat lijkt mij een goed moment om de Kamer te informeren over de definitieve gewijzigde verordening en de consequenties daarvan. Mijn voorstel is dat ik dan ook antwoord geef op de vragen van de heer Servaes over de verschillende regimes en hoe die zich tot elkaar verhouden. Ik meld dan ook hoe een EU-regime zich verhoudt tot de wens van landen om rond de export van strategische goederen eigen beleidsvrijheid te houden en wat die beleidsvrijheid betekent. We hebben afgesproken dat de denials, het weigeren van vergunningen, worden gemeld. Daar is onderlinge communicatie over. Ik vind zelf dat dit nog wat beter kan. De vaststelling van de nieuwe verordening is een goed moment om scherpe interventies uit de commissie te krijgen, maar daarover ook te rapporteren aan de Kamer.

Nederland laat zich op het Europese speelveld kennen als een speler die aandringt op transparantie, maximale informatievoorziening en harmonisatie en een race to the top voor het borgen van veiligheidsbelangen. Ik zie de stap die de Europese Commissie heeft gezet met dit voorstel als een stap in de richting die Nederland al langer bepleit.

De heer Van Dijk stelde een aantal vragen over specifieke casussen uit de rapportage 2012. Aan Marokko is een vergunning van 10 miljoen verleend. De reden dat dit niet via een versnelde procedure bij de Kamer is genotificeerd, is dat het de nalevering van onderdelen voor eerder geleverde fregatten betreft. Het is dus geen nieuwe levering en volgens de regels hoeft dan geen versnelde notificatie verzonden te worden. De heer Van Dijk meldt dat er Nederlandse patrouilleboten zijn geleverd aan Libië, maar dat Libië niet als land van bestemming in het jaarrapport wordt genoemd. Daarin heeft hij gelijk. Dit betreft twee leveringen, in 2012 en 2013. Ik meld 2013 hierbij alvast, dat staat natuurlijk nog niet in de rapportage over 2012. Er zijn twee keer vier patrouilleboten van 16 meter lengte aan de Libische marine geleverd. Die schepen zijn onbewapend en vallen derhalve niet onder de lijst militaire goederen. Ze zijn daarmee niet vergunningplichtig en komen dus niet in het rapport.

De heer Van Dijk vindt het inconsistent dat vergunningen en meldingen uit hoofde van de in 2012 van kracht geworden Wet strategische diensten niet in de overzichten op de website zijn opgenomen, en ook niet zijn besproken in het jaarrapport. De vergunningen worden meegenomen in de maandoverzichten, die op de website worden gepubliceerd. Daar is wel enige achterstand in. Wij kunnen in het jaarrapport ook een tabel opnemen met deze statistieken. Dat zal ik doen.

Mijn laatste punt betreft de uitvoering van de motie uit 2012, over het opnemen van uitvoerige informatie over «dual use»-export in het rapport. Ik zeg de heer Van Dijk toe dat ik dat met terugwerkende kracht voor 2012 zal doen, en zeer zeker voor 2013.

Dit waren de antwoorden op de vragen die aan mij zijn gesteld.

De voorzitter: Dan gaan we luisteren naar de Minister van Buitenlandse Zaken, die zijn snoepje nog moet wegwerken. Ik zie dat de heer Sjoerdsma een vraag heeft, dat geeft even lucht.

De heer Sjoerdsma (D66): Ik kom de Minister van Buitenlandse Zaken graag te hulp. Mijn vraag is misschien ook wel voor hem. Hij gaat over offensieve en defensieve wapens. We hadden het net over een lijstje met landen. Zolang wapens die wij leveren defensief van aard zijn, kunnen we eigenlijk aan elk land op aarde leveren. Gezien de diverse criteria die bestaan, lijkt mij dat een onwenselijke ontwikkeling. Aan welke landen kunnen wij op dit moment eigenlijk niet leveren? Dan gaat het niet om boycotlanden. Daarvan is het evident.

Minister Ploumen: De vergunningen die ik afgeef worden eerst ter toetsing voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken. Die doet de toetsing, case by case. Het lijkt mij goed als hij daar nader op ingaat.

Minister Timmermans: Voorzitter. Laat ik maar met deze vraag beginnen. Beoordelingen doen we per geval. Ik kan geen lijstje landen geven waarop dit generiek van toepassing is. We hebben duidelijk benoemde criteria. Daarlangs leggen we alle aanvragen ter beoordeling. Als op een van de criteria negatief wordt gescoord, wordt er geen vergunning verleend. Er is niet zo'n lijstje, want dan neem je je eigen criteria niet serieus. Alle aanvragen worden getoetst. Het is logisch dat je bij bepaalde landen sneller tot een conclusie kunt komen, dat bijvoorbeeld criterium twee over de mensenrechten of drie over de interne spanningen van toepassing zijn. Ik hecht eraan om het systeem van de «case by case»-benadering te blijven handhaven.

Ratificatie van het Arms Trade Treaty (ATT) volgt later dit jaar. Ik hoop dat we deze maand het advies van de Raad van State kunnen vragen. Daarna komt het snel naar de Kamer. Overigens passen we het verdrag materieel al toe. Voor Nederland verandert er in de praktijk dus weinig. Wel gaan we na ratificatie over de afgegeven vergunningen rapporteren aan het secretariaat van het ATT. Er komt dan nog een extra beoordelaar bij, om te zien of wij ons wapenexportbeleid binnen de afgesproken regels en het verdrag toepassen. Het gemeenschappelijk standpunt van de EU heeft hiervoor geen wijziging nodig. Mij moet van het hart dat een aantal lidstaten nogal afhoudend zijn als we het gemeenschappelijk standpunt op bepaalde landen gaan toepassen, en daar in meer generieke zin over willen spreken. Zij gaan dit soort algemene discussies uit de weg, meestal omdat zij anders dan Nederland een grote wapenindustrie hebben en speelruimte voor zichzelf willen behouden. Zij willen dit geen onderdeel maken van EU-gesprekken. Wij betreuren dat, maar we zullen ernaar blijven streven. Als je serieus neemt wat in de Europese Raad van december is besproken over meer Europese defensiesamenwerking, moet je ook op dit punt naar meer Europese harmonisatie toewerken.

Inmiddels hebben 116 landen getekend. Pas negen landen hebben het verdrag geratificeerd. Dat is niet zo gek. De procedure duurt niet overal zo lang als in Nederland, maar vraagt toch wel enige tijd. Het goede nieuws is dat de VS hebben getekend. Het slechte nieuws is dat Rusland niet heeft getekend, en dat waarschijnlijk voorlopig ook niet zal doen. Ook India, Saudi-Arabië en Indonesië lijken niet van zins op korte termijn te tekenen. Onze belangrijkste inzet blijft dat alle landen tekenen. We spreken daarop ook de landen aan waarmee wij veel contact en een goede relatie hebben. Dit zijn onder andere India en Indonesië. Ik hoop dat we zo stap voor stap een betere regulering van de wapenhandel kunnen bereiken.

Wat kunnen we nog meer doen? Via de VN werken, diplomatieke kanalen benutten, bilateraal, de EU beter in stelling brengen. De woordvoerders weten dat de EU niet monolithisch is op dit punt. Enkele landen hebben zulke grote belangen dat ze minder snel bereid zijn anderen over de streep te trekken. Een EU-lidstaat kan zich aan het verdrag houden, maar ook de relatie met een paar grote klanten niet noodzakelijk onder druk willen zetten. Dat merk ik bij sommige EU-landen soms in de discussie. De EU en Nederland hebben geld beschikbaar gesteld voor de ondersteuning van landen in ontwikkeling bij de implementatie van het ATT. Het wordt voor die landen soms een helse klus, omdat ze geen exportcontrolerende autoriteiten of relevante wetgeving hebben. We zullen dit doorzetten.

Waarom heeft Nederland de wapenexport naar Bahrein en Jemen hervat? We hebben op 9 september besloten om de individuele toetsing van vergunningaanvragen voor de wapenexport te hervatten. Sinds februari, maart 2011 waren die aangehouden. We vinden niet zozeer dat deze landen aan de criteria voldoen, maar de chaos die er was is verminderd. Nu kan ten minste weer toetsing aan de criteria plaatsvinden. In de praktijk betekent dit niet dat er ook wordt geleverd. Het wordt case by case beoordeeld. De meeste aanvragen worden afgewezen, meestal op grond van criteria twee en drie. Zo is er voor Jemen één aanvraag ontvangen. Die is afgewezen. Voor Bahrein zijn er twee ontvangen, waarvan er een is afgewezen. De tweede is nog in behandeling. In de praktijk passen we de criteria duidelijk toe, hetgeen hoogstwaarschijnlijk niet tot het afgeven van een vergunning leidt.

Taiwan is door verschillende woordvoerders genoemd. Het is teleurstellend dat de doodstraf in de praktijk weer wordt uitgevoerd. De doodstraf was overigens niet afgeschaft, maar er was een moratorium. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor Rusland. De mensenrechtensituatie is wel vooruit gegaan, maar het is zorgelijk dat er in 2012 zes doodstraffen zijn voltrokken en nog eens zes in april 2013. De EU heeft daar stevig op gereageerd met een verklaring van hoge vertegenwoordiger Ashton. Het is een onderwerp van discussie met de autoriteiten daar. Sinds april 2013 hebben er geen executies meer plaatsgevonden. We zullen blijven vragen om herstel van het moratorium. De uitvoer van militaire goederen die dienen voor onderhoud is niet uitgezonderd van toetsing. Toetsing vindt plaats op basis van een zorgvuldige analyse. Overigens is het wel zo dat het één-Chinabeleid hierbij vooropstaat. De afspraken die wij met China hebben gemaakt, zullen wij gestand doen. Daar wijken we niet van af.

Over de herziening van het gemeenschappelijk standpunt en de harmonisatie heb ik zojuist al een paar dingen gezegd. Het gaat moeilijker dan gehoopt. De Gebruikersgids wordt op dit moment herzien om een meer eenduidige toepassing van de criteria te krijgen. Ik hoop dat we op korte termijn het resultaat daarvan zien. Wij hebben aangedrongen op raadsconclusies na het aanpassen van de Gebruikersgids, zodat we deze openbaar kunnen maken. We bespreken jaarlijks de toepassing van criteria 2 en 8 in de raadswerkgroep. De lidstaten delen nu al meer relevante informatie als ze denials afgeven. In het verleden kwam het nog wel eens voor dat er een denial kwam zonder motivering. Iedereen was daar dan aan gebonden, en dat geeft een onbevredigend gevoel bij andere lidstaten. Dat gaat nu beter. Gevoelige bestemmingen worden iedere maand besproken. De commissieleden kunnen zich voorstellen dat vooral een land als Egypte onderwerp van discussie is. Wij blijven met de gelijkgestemde landen, Duitsland, de Benelux-partners en Zweden nastreven dat er verdere harmonisatie plaatsvindt. Je kunt daarbij denken aan een database van ervaringen met eindgebruikers, zodat omleidingsrisico's beter worden ondervangen. Je kunt ook actief informatie uitwisselen over de afgegeven vergunningen en voor bepaalde gevoelige bestemmingen toetsen of het uitpakt zoals je hoopt dat het zou uitpakken. Ik herhaal dat de grote wapenproducenten en -exporteurs niet zitten te springen om deze aanscherping. Dat zal nog een tijd duren. Zelfs kleine stappen zijn erg moeilijk. Een EU-discussie over het uitwisselen van informatie over afgegeven vergunningen voor landen als Egypte blijkt gewoon niet haalbaar. Landen weigeren hieraan mee te doen, omdat de commerciële en militaire belangen te groot zijn.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Ik heb een vraag over de harmonisatie. De Minister zegt dat de motivering van denials meer en opener wordt besproken. Dat is een goed teken. Constateert hij dan ook dat er naar aanleiding van het bespreken van die motivering vaker wordt afgeweken van een denial? Vroeger werden ze immers automatisch gevolgd.

Minister Timmermans: Bij mijn weten wordt een denial in de praktijk nog steeds gevolgd. Ik ken eigenlijk geen uitzondering, maar ik wil dat nog wel eens nagaan. Er is minder gemopper over als landen ook vertellen waarom de denial is afgegeven. Het is immers gemakkelijker als je tegenover je eigen industrie kunt verdedigen waarom een ander land het jou onmogelijk maakt om goederen te leveren. Als je moet zeggen dat je ook niet weet waarom er een denial is, komt dat niet altijd even overtuigend over. Dan wordt er nogal gefronst. Overigens valt dat in Nederland mee. We hebben geen defensie-industrie, maar een defensiegerelateerde industrie.

Ik kom bij Jordanië. Er is voor de transactie van de vijftien F-16's op 17 december jongstleden een contract getekend. Die aanvraag zullen we nauwkeurig toetsen aan de hand van de criteria. Ik wil wel de context schetsen. Deze toestellen dienen ter vervanging van oudere F-16-toestellen en leiden niet tot een uitbreiding van de capaciteit van de Jordaanse luchtmacht. Die zal de verouderde toestellen doorverkopen aan een ander land. Als het doorgaat worden de toestellen vanaf eind 2015 tot begin 2016 in drie tranches aan Jordanië geleverd. Mijn ministerie heeft de opdracht voor de overdracht van het materieel in januari 2012 getoetst aan de acht criteria, zoals geformuleerd in het gemeenschappelijk standpunt. Uit die toetsing is gebleken dat het niet te verwachten is dat de overdracht van dit materieel gevolgen zal hebben voor de mensenrechtensituatie in Jordanië of voor de interne verhoudingen. De vliegtuigen worden niet ingezet bij de schending van mensenrechten in Jordanië. Ook zal de levering niet leiden tot een verstoring van de machtsverhoudingen in de regio. Jordanië is met alle problemen die het heeft rond de vluchtelingen en de conflicten in de buurt, nog steeds een relatief stabiel land. Het heeft een goed geoutilleerde en professionele krijgsmacht, die zich aan de politieke macht onderwerpt en die ook voor Israël nog steeds een betrouwbare partner is in een zeer volatiele omgeving. Dit alles rechtvaardigt de stappen die we tot nu toe hebben gezet. We zullen alle criteria goed nalopen en daarbij ook kijken naar de interne instabiliteit.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik heb een vraag over Jordanië, of bent u daar nog mee bezig?

Minister Timmermans: Ja, ik ben bij de PRTL's die ook aan Jordanië worden geleverd. Dit was een gecombineerde vraag van de heren Servaes en Van Dijk. Kunnen deze wapensystemen ook offensief worden ingezet? Een PRTL is een wapensysteem dat met traditionele munitie met hoge snelheid vliegtuigen uit de lucht kan schieten, op een Leopard-onderstel. Als je de snelvuurkanonnen horizontaal richt, zou je dit apparaat met enige fantasie offensief kunnen gebruiken. Het Jordaanse leger beschikt echter over 750 zware tanks, dus de inzet van PRTL's voor dat soort werk is eigenlijk fantasie. Over de offensieve kant van dit wapensysteem maak ik me niet zoveel zorgen. Wel moet criterium 2 goed worden bekeken. Het is met de mensenrechten beter dan in andere landen in de regio, maar het is niet perfect.

De heer De Roon wil een criterium toevoegen aan de lijst van acht criteria. Dit betreft het niet leveren aan OIC-landen. Ik vind nog steeds dat we de aanvragen case by case moeten bekijken. Ik hoorde de heer De Roon vandaag een groot compliment uitdelen aan Tunesië. Dat is ook een OIC-land, dat een enorme positieve transitie naar een meer pluriform staatsbestel maakt. Laten we het case by case bekijken. Het parlement van Zweden onderzoekt op dit moment of de toetsing van export van militaire goederen naar niet-democratische landen op een andere wijze vormgegeven moet worden. De commissie heeft daarover geloof ik ook gesproken met het Zweedse parlement. Ik kijk uit naar hun bevindingen. Ik doe de Kamer de suggestie contact met hen te houden, om te kijken of er samen kan worden opgetrokken bij het formuleren van nadere criteria.

Dat geldt ook voor Europese export naar het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Ik hoor de zorgen die er zijn over de enorme toename van de export naar deze regio. Het is een zeer onrustige regio, met grote risico's voor de stabiliteit. Het is dan ook logisch dat landen die nog wel stabiel zijn of die een meer rustige ontwikkeling doormaken, zich willen voorzien van wapensystemen. Dat helpt de import van instabiliteit uit buurlanden voorkomen. Ik denk dat dit de reden is voor de toename van de export naar die landen. Overigens blijven wij wegen op basis van de wapenexportcriteria.

De heer Jasper van Dijk (SP): Nog even over Jordanië. Ik vind het opmerkelijk. In de brief van 4 februari staat een rits punten waaruit je mag opmaken dat het in Jordanië en zeker in de regio heel onrustig is. Op het laatst komt er dan een geruststellend zinnetje: «Maar onderhavige goederen zijn echter primair defensief van aard. Van het materieel gaat derhalve geen dreiging uit. Het voorziet in een legitieme veiligheidsbehoefte van Jordanië.» Defensief of offensief, dat is betrekkelijk. De Minister gaf dit al aan. Voertuigen kunnen op verschillende manieren worden ingezet. In mijn ogen kun je op grond van deze situatie ook tot een andere conclusie komen. Erkent de Minister dat de normen, de criteria waaraan wordt getoetst, minimumnormen zijn? Het zijn niet de standaarden. Het kabinet heeft het volste recht om te zeggen dat het daar nog eens extra kritisch naar kijkt. Is dat juist?

Minister Timmermans: Daar kun je voor kiezen. In het geval van Jordanië kun je ook een andere afweging maken, dat geef ik meteen toe. Wij hebben in de balans tussen de problemen die er zijn, de instabiliteit in de regio en de toch grote bijdrage aan het handhaven van enige stabiliteit door Jordanië, gekozen voor het laatste als doorslaggevend argument. Ik geef toe dat je daar ook een andere afweging in kunt maken. Je kunt ook besluiten dat je strenger wilt zijn en helemaal niets aan die regio wilt leveren. Dat is een politieke afweging. Vanuit ons perspectief is het van het grootste belang dat we proberen de Jordaanse overheid, die zich bijzonder verantwoordelijk heeft gedragen, die de grootste klappen te verduren krijgt, die een goede, stevige relatie met Israël heeft op basis van een vredesverdrag, in staat te stellen om zijn defensie-inspanning op peil te houden. Dat vind ik geen onverstandige keuze. Bij de F-16's gaat het echt om het op peil houden van het niveau van de Jordaanse luchtmacht, niet om een wapenwedloop in de regio. De PRTL's kun je met heel veel fantasie ook offensief inzetten, maar dat is compleet onlogisch als je 750 tanks hebt. Die paar PRTL's zijn primair geschikt voor luchtverdediging. Het is vergezocht die in te zetten voor offensief werk. Dat is de afweging die wij maken. Ik geef toe dat die ook anders kan uitvallen. Het is aan de Kamer om te beoordelen of het kabinet deze afweging in deze context op de juiste wijze heeft gemaakt.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat laatste is inderdaad terecht. Deze brief gaat niet over de F-16's. Daarvoor geldt een ander verhaal, neem ik aan. Dat zijn wel offensieve wapens, althans óók offensief. Hoe gaat het volgordelijk? We hebben er de vorige keer uitgebreid over gediscussieerd. De Minister heeft mij toen gerustgesteld. Hij zou het nog een keer goed toetsen. Pas daarna gaat de zaak mogelijk wel of niet naar Jordanië. Kan hij al iets meer zeggen over een datum en een tijdpad?

Minister Timmermans: Nee, ik kan de heer Van Dijk geen datum geven. Ik herhaal wel dat voordat de finale levering plaatsvindt, ik de verantwoordelijkheid heb om op basis van die criteria te oordelen. Op het allerlaatste moment geven we nog een go/no go. Ik kan de heer Van Dijk helaas niet zeggen op welke termijn we dat doen. We zijn er nu mee bezig. Ik hoor hiernaast dat het waarschijnlijk einde van dit jaar wordt.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voor alle helderheid: mag ik er dan van uitgaan dat de Minister de F-16's anders beoordeelt dan de meer defensieve wapens uit deze brief?

Minister Timmermans: We zullen de F-16's beoordelen op basis van wat een F-16 kan. Dat is niet alleen verdedigen, maar ook aanvallen.

De heer Van Dijk vroeg ook naar Algerije. Bij die aanvraag hebben we de afweging gemaakt dat de gevraagde goederen naar onze inschatting niet zullen bijdragen aan het toenemen van de mensenrechtenschendingen of de interne spanningen. Ook regionaal gezien is de escalatie en inzet van militaire middelen onwaarschijnlijk. Er is op dit moment spanning tussen Algerije en Marokko, maar die is puur van politieke aard. De kans op een gewapend conflict tussen beide landen acht ik niet groot. Ik herhaal dat het onderdelen waren van een veel grotere exportorder, die door Duitsland aan Algerije is geleverd. Het betreft elektronica voor pantservoertuigen ter waarde van 34 miljoen euro.

Bij leveringen aan Israël wordt ook gewerkt met de «case by case»-beoordeling. Sommige export is volgens de criteria mogelijk en vindt dus plaats. Ik noem als voorbeeld delen van vliegtuigmotoren. Soms passen de transacties niet binnen de criteria, met name als de wapensystemen mogelijk kunnen worden ingezet in de Palestijnse gebieden. Dan doorstaat de aanvraag de mensenrechtentoets niet.

Hiermee heb ik de aan mij gestelde vragen beantwoord.

De heer Sjoerdsma (D66): Ik heb een vraag over de criteria. De Minister zegt dat hij de aanvragen op een «case by case»-basis bekijkt. Hij legt de aanvraag langs de acht criteria, en als er op een van de criteria een onvoldoende wordt gescoord gaat het niet door. Dat is heel helder. Ik pik er twee aanvragen uit, voor Algerije en Turkmenistan. Als ik kijk naar de regionale situatie, maar ook naar de mensenrechtensituatie in beide landen, zou ik zeggen dat beide landen een onvoldoende scoren. Wat zegt de Minister echter? Het is een deel van een wapendeal, en het is zodanig defensief dat het niet zal bijdragen aan verdere verslechtering van de situatie. Toch bekruipt mij dan het gevoel dat wij het signaal aan beide regimes geven, dat we hen legitimeren. Een eerdere spreker zei dat ook al. Wij leveren hen wapens, ondanks het feit dat er op een tweetal criteria eigenlijk een onvoldoende wordt gescoord. Hoe ziet de Minister dat?

Minister Timmermans: Misschien moet ik de casus Turkmenistan nemen. Daar gaat het om de levering van patrouillevaartuigen of onderdelen daarvan voor de marine. Die kunnen op geen enkele manier een rol spelen bij de mensenrechtenproblemen die er in dat land zijn. De heer De Roon citeerde Amnesty over Turkmenistan. Dat is een glashelder en duidelijk citaat. Het is een totalitaire, puur vanuit één persoon geleide staat, waarin mensen inderdaad bang zijn om voor hun mening uit te komen. De patrouilles die het uitvoert op zee zijn in het belang van de regionale veiligheid en kunnen op geen enkele manier bijdragen aan de instandhouding van de wijze waarop het regime met zijn bevolking omgaat. Dat is de afweging die je maakt. Het is niet zo dat je geen militaire goederen kunt leveren, als het niet goed is met de mensenrechten. Dat is niet het punt. Het punt is dat er een relatie moet zijn tussen de levering en de situatie van de mensenrechten.

De heer Sjoerdsma (D66): Het meest prangende punt uit mijn vraag blijft overeind. Dit betekent niet dat wij die regimes met de wapenexporten op een bepaalde manier legitimeren. Ik begrijp dat ook dit soort staten een legitieme veiligheidsbehoefte heeft, en ook dit soort staten een bijdrage kan leveren aan regionale veiligheid. Tegelijkertijd zijn Turkmenistan en Algerije landen waarbij dit ongemakkelijk voelt. Zij kunnen schermen met de levering van patrouilleboten door het westen: maakt u zich geen zorgen, wij hebben bondgenoten.

Minister Timmermans: Nu haalt de heer Sjoerdsma een paar dingen door elkaar. Het leveren van wapensystemen betekent nog niet dat je een bondgenoot bent. Over de politieke stellingname over een land als Turkmenistan wil ik op geen enkele manier een misverstand laten bestaan.

De heer Sjoerdsma (D66): Om mijn vraag hierover af te maken: ik besef heel goed dat de Minister geen bondgenoot van Turkmenistan wil zijn, maar omgekeerd is hetzelfde regime vrij om te zeggen dat het kan rekenen op steun, als dit soort materiaal aan hen wordt geleverd. Ik vraag me af of we dat onwelkome signaal willen geven, en of we daar niet wat kritischer op moeten zijn bij de beoordeling. Anders kunnen we ook zeggen dat het niet uitmaakt hoe slecht het is gesteld met de regionale situatie en met de mensenrechtensituatie, want dat we aan elk land kunnen leveren als het maar defensief wapentuig is. Dat lijkt mij onwenselijk.

Minister Timmermans: Ons wapenexportregime is geen sanctieregime. Als de heer Sjoerdsma sancties wil omdat hij met een land geen zaken wil doen, dan moet hij sancties bepleiten. Laten we het eens omdraaien. Je kunt toch niet zeggen dat ik niets aan een land mag verkopen, als ik het niet eens ben met de politiek daar? That doesn't make sense voor mij. Je kunt toch niet zeggen dat het feit dat je levert aan een land, een legitimatie is van de politiek die dat land voert? Dat kun je toch niet in algemene zin volhouden? Je beoordeelt de aanvraag op basis van de vraag of de systemen bijdragen aan de instandhouding van een slechte mensenrechtensituatie. Dat is criterium 2. Verslechtert de mensenrechtensituatie daarmee of blijft hij even slecht? Bij deze leverantie moet het antwoord hierop nee zijn. Er zijn ook nog andere criteria. Hoe zit het met regionale instabiliteit, draagt het bij aan een verscherping van de interne verhoudingen en de mogelijkheid van interne strijd? Als je bij al die vragen moet oordelen dat het niet zo is, kan er geleverd worden. Er is geen criterium of we het een leuk land vinden.

De voorzitter: We gaan over naar de tweede termijn van dit algemeen overleg. Ik stel voor dat we daarvoor een spreektijd van twee minuten per fractie hanteren, met één interruptie.

De heer Sjoerdsma (D66): Voorzitter. Dank aan beide Ministers voor de beantwoording in de eerste termijn. Ik heb de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking duidelijk horen zeggen dat zij onze zorgen over de gemaakte fouten deelt, en ook dat zij de rapportage die over de wapenexport wordt geleverd sneller, vollediger en transparanter gaat maken. Dat is zeer welkom. Rond de «case by case»-benadering is het niet eerlijk om mijn standpunt om te draaien en te zeggen dat ik pleit voor een boycot. Ik vind dat er op bepaalde criteria strenger mag worden geoordeeld. Ik heb het idee dat Buitenlandse Zaken zo welwillend naar de criteria kijkt, dat wapenexport naar praktisch elk land mogelijk is, zolang het defensief materieel betreft. Ik vraag me nog steeds af of dat wenselijk is. Daarover kunnen we van mening verschillen, dat is legitiem. Ik pleit niet voor een boycot, maar wel voor een strengere blik op de criteria. Ik vind Algerije en Turkmenistan een case in point.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking had het over een race to the top. Dat is iets wat mijn fractie zeer aanmoedigt. Ik vraag haar hoe zij in dat opzicht kijkt naar digitale wapens. We breiden dit onderwerp nog iets uit met mass surveillance deep packet inspection hacking. In december hebben de lidstaten van het Wassenaar Arrangement besloten om de exportcontrolelijsten uit te breiden met verschillende soorten van deze technologie. De definities en categorieën zijn echter nog niet helder genoeg. Daardoor wordt niet elke soort gevaarlijke technologie gecontroleerd, maar vallen een paar soorten ongevaarlijke technologie er wel onder. Er is bovendien geen juridische verplichting binnen de EU. Vindt de Minister dat digitale wapens moeten worden getoetst aan de acht criteria, net als conventionele wapens? Is de Minister bereid om in Europees verband te pleiten voor een uitbreiding van de Europese exportcontrolelijsten, zodat deze toetsing verplicht wordt? Is de Minister het met me eens dat juist de definities en categorisatie essentieel zijn om te zorgen dat er geen onnodige regelgeving wordt gecreëerd?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. Allereerst dank aan beide Ministers voor de beantwoording van alle vragen. De VVD is blij te constateren dat er een snellere rapportage komt, dat de transparantie beter wordt en dat er binnen de EU meer informatie tussen de lidstaten wordt gedeeld. Wij zijn erg benieuwd naar de herziene Gebruikersgids en de consequenties die deze heeft. We worden minder vrolijk van het VN-wapenhandelsverdrag. De signalen van de Minister van BZ over de ratificaties, of beter gezegd het uitblijven ervan, en het uitblijven van tekenen door cruciale staten stemmen nog niet erg hoopvol. Daarom denkt de VVD dat de universele toepasbaarheid nog lang niet aan de orde is. Dat is enorm jammer. De Minister van Buitenlandse Zaken gaf terecht aan dat er niet zomaar een lijstje landen te geven is, en dat er iedere keer getoetst moet worden aan de hand van criteria of een bepaalde leverantie doorgang kan vinden. Tegelijk geeft de Minister aan dat de lidstaten van de EU afhoudend zijn om generiek over landen te praten, en dat Nederland dat betreurt. Wat zou het toevoegen om landen generiek te bespreken, als de Minister constateert dat je ieder geval afzonderlijk moet bezien als er een vraag om levering is? Ik heb nog één openstaande vraag over de aanstelling van de heer Verhagen als economisch diplomaat. Ik zie dat de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking daarop gaat antwoorden.

De heer Servaes (PvdA): Voorzitter. Ook van mij dank voor de beantwoording van de vragen, met name voor de opmerkingen die gemaakt zijn over snellere rapportage en het voorkomen van herhaling van de gang van zaken rond Bahrein. De automatiseringsslag en de auditprocedure lijken mij heel zinnige stappen. Wij zien uit naar de verslaglegging daarvan, als dat eenmaal zijn weg heeft gevonden. Dank ook aan de Minister dat zij in haar volgende schrijven in zal gaan op een aantal zaken rond harmonisatie. Ze heeft gesproken over de nieuwe «dual use»-verordening, waarover we recent al een brief ontvingen. Ook is het goed te komen tot een meer uniforme sondagemethodiek bij de verschillende «dual use»-regimes. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft ook over harmonisatie gesproken. Hij gaf aan hoe je dit verder kunt brengen, maar noemde tegelijkertijd ook de beperkingen die er zijn. Ik voel ervoor om de andere elementen die vandaag en ook al eerder genoemd zijn, bij dat schrijven te betrekken. Dan gaat het bijvoorbeeld om de suggestie die wel eens gedaan is voor een openbaar advies van de commissie, een update van de Gebruikersgids en een uitbreiding van het mensenrechtencriterium, waarbij de Europese speciale vertegenwoordiger voor de mensenrechten een rol zou kunnen spelen. Mijn partij heeft met de fractie van GroenLinks in het verleden een motie ingediend waarin dit idee stond. Ik begrijp heel goed dat zo'n overzicht van maatregelen niet binnen een jaar gerealiseerd kan worden, maar het zou goed zijn om een soort stip te zetten die we willen bereiken. We moeten openheid geven over hetgeen we denken te kunnen bereiken en de zaken die wat lastiger worden of langer duren, vanwege weerstand die er zit bij lidstaten. Dan hebben we een open discussie over het ambitieniveau van Nederland binnen de EU.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Dank voor de toezeggingen rond de rapportage et cetera. We zullen dat met belangstelling volgen. Ik heb een vraag over de doorvoer. Het blijft onduidelijk of meldingen van doorvoer naar niet-NAVO- of EU-landen, die vanaf 1 juli 2012 onder de verscherpte vergunningsplicht vallen, ook inderdaad een vergunningsprocedure doorlopen. Nadere uitleg is zeer gewenst. Ik weet niet of de Ministers hier al op in zijn gegaan, maar het staat ook in de rapportage van de Campagne tegen Wapenhandel. Ik heb gevraagd naar een reactie daarop. Ik benadruk nogmaals dat de Europese criteria minimumnormen zijn. Het staat Nederland dus vrij om daarbovenop zwaarder te toetsen, indien Nederland dat wenst. Soms is daar aanleiding toe. Het moge duidelijk zijn dat Jordanië hiervan een voorbeeld is, gezien de situatie rond de mensenrechten, de regio en de onrust in het binnenland. Bij wapenhandel zeg ik «bij twijfel niet inhalen». De Minister van Buitenlandse Zaken zei dat als de Tweede Kamer meent dat een bepaalde vergunning onterecht wordt verstrekt, het aan de Kamer is om daar nee tegen te zeggen. Dat is inderdaad iets wat wij zullen doen, als daar aanleiding toe is. We zullen daartoe de eindtoetsing afwachten.

Voorzitter: Jasper Van Dijk

De heer De Roon (PVV): Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor hun beantwoording in de eerste termijn. Ik wil voor het voetlicht brengen dat de inschatting of bij levering van bepaalde wapensystemen aan landen die qua mensenrechten niet zo fris zijn, een gevaar voor de mensenrechten is of niet, anders gemaakt kan worden dan die de Minister van Buitenlandse Zaken zojuist uiteen heeft gezet. Ik neem Turkmenistan als voorbeeld. Daar zie ik scenario's waarbij de patrouilleboten wel degelijk kunnen dienen om de mensenrechten te onderdrukken. Het zou zo kunnen zijn dat mensenrechtenactivisten op een gegeven moment Turkmenistan moeten ontvluchten en daarvoor de route over zee willen gebruiken. Dat wordt ernstig bemoeilijkt met de patrouilleboten die wij hebben geleverd. In de omgekeerde richting kun je je ook zo'n scenario voorstellen. Als mensenrechtenactivisten materiaal het land in willen brengen, waarmee zij voor de mensenrechten kunnen optreden, wordt het over zee binnen brengen ook weer door de patrouilleboten bemoeilijkt. Ik denk hierbij aan apparatuur waarmee je internetblokkades kunt omzeilen. Ik noem het voorbeeld van de PRTL's voor Jordanië. Ik geloof niet dat Jordanië de behoefte heeft om de lopen van die dingen horizontaal te zetten en ze dan ondersteunend aan de 750 tanks te laten opereren. Maar als enig Jordaans regime straks besluit om een ander land te gaan aanvallen met die tanks en die F-16's, dan is het natuurlijk goed denkbaar dat de PRTL's meegaan in de aanvalsgolf. De aanvallende macht zal luchtverdediging moeten hebben. Ik geef toe dat het niet voor de hand ligt dat het huidige regime dat volgende week gaat doen, maar hierbij spreek je niet meer alleen van een verdedigende taak van de PRTL. De PRTL kan in een offensief worden ingezet.

Voorzitter: De Roon

De voorzitter: We komen aan de beantwoording in tweede termijn. Ik kijk aan het einde van het betoog van de Ministers of er vragen zijn.

Minister Ploumen: Voorzitter. Ik streef ernaar om helder en volledig antwoord te geven op de vragen die de commissieleden hebben gesteld. Eerst de vraag over digitale wapens. Nederland was een van de landen die in Europees verband voorstelde een bepaling toe te voegen aan de «dual use»-verordening. Die maakt het mogelijk om de export van dergelijke goederen en technologie te verbieden, als het vermoeden bestaat dat deze worden ingezet voor mensenrechtenschendingen. In Europees verband heeft dat nog niet tot aanpassingen geleid. Het is wel een van de beleidsprioriteiten in de verklaring die we in april 2014 hopen te krijgen na de plenaire zitting van het Europarlement. Daar heb ik al iets over gezegd in de brief van 28 januari. Ondertussen zijn in het Wassenaar Arrangement stappen gezet om bepaalde hardware, software en technologie onder een generieke vergunningplicht te brengen. Begin december 2013 zijn tijdens de algemene vergadering van het Wassenaar Arrangement een aantal relevante uitbreidingen aangenomen. Op EU-niveau moeten deze wijzigingen worden verwerkt in de «dual use»-verordening. Dat principebesluit is genomen. We streven ernaar om de verschillende regimes te harmoniseren. Er zit altijd een zekere spanning op, omdat je niet te veel verschillende arrangementen wilt met verschillende regels en onnodige bureaucratie. Tegelijkertijd moet je erkennen dat het soms sneller is om binnen een bepaald arrangement een goed op een lijst te krijgen, dan binnen de EU. We streven wat dat betreft een zo simpel mogelijke regelgeving na, maar we aarzelen niet als we het nodig vinden om het tempo op te voeren. Vervolgens komen we later tot harmonisering.

Mevrouw De Caluwé vroeg naar aanleiding van de benoeming van de heer Verhagen hoe het zit met de economische diplomatie van de defensiegerelateerde industrie. Wij voorzien daar geen specifieke maatregelen voor. Uiteraard staat het defensiegerelateerde bedrijven vrij om deel te nemen aan economische missies. Vooralsnog hebben we geen klachten gekregen vanuit de defensiegerelateerde industrie.

De heer Servaes maakte in eerste termijn een opmerking over hetgeen hij graag in de brief zou zien, die na april komt. Het gaat niet alleen om het vaststellen van wat er binnen de EU is gerealiseerd, maar ook om het vastleggen van de ambitie voor de toekomst op een aantal terreinen. Dat zeg ik toe. Het is een mooi referentiekader. Het is goed dat hij erop wijst dat die ambities misschien niet altijd meteen gerealiseerd kunnen worden. Het is wel goed om te kijken wat een realistisch aspiratieniveau is, op welke termijn dat mogelijk zou kunnen zijn en met welke bondgenoten binnen de EU.

De heer Van Dijk vroeg naar de doorvoermeldingen en de vergunningplicht. Bij doorvoer waarbij overlading plaatsvindt, is er een vergunningplicht. Dit geldt ook als het doorvoer betreft waarbij geen bondgenoot betrokken is. Daarover rapporteren wij.

De voorzitter: Er zijn geen interrupties op dit betoog.

Minister Timmermans: Voorzitter. Er resten mij een paar vragen. Mevrouw De Caluwé vroeg naar case by case in verhouding tot het generiek bespreken van landen. Iedere vergunning zal afzonderlijk moeten worden beoordeeld, maar ik geef een voorbeeld: Egypte. Daar gebeurt ontzettend veel. Lidstaten zoeken naar de houding die zij moeten aannemen. We hebben daar vanmiddag in ander verband uitvoerig over gesproken. Er komen aanvragen, mogelijk voor de levering van wapens. Dan kan het nuttig zijn om als EU-landen te bespreken welke lijn men wil kiezen. Is het verstandig om het te doen of niet? Welke algemene lijn zullen we hier volgen? Bij een aantal grote lidstaten bestaan grote aarzelingen om dit te doen, omdat ze bang zijn dat daarmee hun speelruimte wordt ingeperkt of dat ze de kans verliezen om als eerste te gaan leveren. Dat vind ik ongemakkelijk, omdat er een soort wapenleverantiewedloop tussen lidstaten dreigt. Dit geldt met name voor de lidstaten met een grote wapenindustrie. Het kan dan nuttig zijn een algemene dialoog te hebben. We proberen dat met Duitsland en België. Dit geldt zeker voor landen waar de situatie verandert en fundamenteel verandert. Een tweede voorbeeld is het elkaar informeren over bepaalde landen waar de wapens uiteindelijk terechtkomen. Sommige landen krijgen voor het eerst een aanvraag voor een vergunning uit een bepaald land. Andere landen hebben misschien meer ervaring met dat land. Het kan nuttig zijn om van elkaar te weten of de wapens daar dan ook blijven, of men zich houdt aan de afspraken voor eindgebruik of niet. Daar wordt wel eens de hand mee gelicht. Dan kun je zelf in de problemen komen, als je aan een land levert dat doorverkoopt zonder dat dit bekend is. Dit gebeurt, ondanks het feit dat in het contract staat dat het verplicht is te melden wie de eindgebruiker is.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Is het zogenaamde generieke overleg tussen lidstaten over een bepaald land gerelateerd aan een concrete aanvraag voor wapenleveranties, of wordt dat mogelijkerwijs al gedaan voordat het überhaupt aan de orde is? Wordt nu bijvoorbeeld generiek over Egypte gesproken, zonder dat er een aanvraag is?

Minister Timmermans: We zouden er als Europese Unie beter van worden als we in de fase waarin we nu zitten met Egypte, met elkaar zouden praten over het al dan niet leveren van wapens aan dat land. Ik voel aan mijn theewater dat het niet lang gaat duren, en dan gaan ze weer. Dan heb ik liever dat we het nu bespreken, zodat we weten wat landen van plan zijn. Die kunnen we dan misschien nog beïnvloeden. Het is erg moeilijk om de EU daarover op een lijn te krijgen, want het is uiteindelijk nationaal beleid. Er is geen in een verdrag neergelegd EU-wapenexportbeleid. Het is een gemeenschappelijk standpunt. Je kunt landen niet dwingen om hierover te spreken. Daarom aarzel ik om de commissie hierin een bepaalde rol te geven. Als je dat doet, geef ik de woordvoerders op een briefje dat het laagste criterium zal worden toegepast. De commissie wil namelijk met niemand ruzie. Zolang het niet in een verdrag vastligt, aarzel ik dus om de verantwoordelijkheid voor het beoordelen van vergunningen bij de commissie neer te leggen. Ik weet dat de heer Sjoerdsma daar wel voorstander van is, maar dan heeft hij meteen antwoord op die mogelijke vraag.

De heer De Roon zei terecht dat je een andere inschatting kunt maken van de mensenrechtensituatie. Dat is bij iedere vergunningsaanvraag zo. Hij noemde het voorbeeld van Turkmenistan. Nederland levert radarsystemen voor boten die bedoeld zijn om de oliebelangen en gasbelangen van Turkmenistan in de Kaspische Zee te beschermen. Met een boot met een radar kun je ook andere dingen opsporen. Dat is duidelijk. Hij noemde ook de PRTL als voorbeeld. Een wapensysteem blijft een wapensysteem. Het is geen speelgoed en het is bedoeld om in een conflictsituatie in te zetten. Ook het meest zuivere en strenge wapenexportbeleid zal altijd gaan over het leveren van spullen die bedoeld zijn om een land te verdedigen, of in een gewapend conflict te gebruiken. Dat moeten we niet mooier maken dan het is. Bij de afweging die je maakt, pas je de criteria toe. Je maakt een judgement call, je vormt een eindoordeel. Dat kan altijd anders uitvallen.

De heer De Roon noemde ook Jordanië. Er kan in een land van alles misgaan. Op basis van de huidige positie van Jordanië, de relatie met de belangrijke Nederlandse bondgenoten VS en Israël, de rol die Jordanië speelt, de stabiliteit die het heeft gedemonstreerd en de wijze waarop het zich overeind houdt in een moeilijke situatie is er op dit moment geen reden om per definitie te twijfelen aan het toestaan van leveren van wapensystemen. Iedere vergunning moet natuurlijk apart worden beoordeeld. Het is in een regio waar de situatie volgend jaar anders kan zijn. Daar heeft de heer De Roon gelijk in. Dus zullen we iedere keer opnieuw moeten bezien wat we doen. Het kan in deze wereld altijd zo zijn dat je spijt krijgt van een beslissing, die je met je volle verstand en op basis van een goede afweging eerder hebt genomen. Dat kun je nooit helemaal uitsluiten.

Dat waren de antwoorden op de aan mij gestelde vragen.

De voorzitter: Ik krijg de indruk dat er geen interrupties meer zijn. Er zijn vier toezeggingen gedaan. Ik vraag u allen op te letten of deze goed zijn verwoord. Ik heb de volgende toezeggingen genoteerd:

  • De Kamer ontvangt alsnog een notificatiebrief inzake de afgegeven vergunning voor wapenexport naar Turkmenistan.

  • De Kamer ontvangt de wapenexportrapportage over het jaar 2013 voor het zomerreces 2014.

  • De Kamer wordt medio april 2014 per brief geïnformeerd over de gewijzigde EU-verordening inzake dual use. Daarbij zal ook worden ingegaan op de Nederlandse ambitie ter zake.

  • In de volgende wapenexportrapportage zal ook een overzicht worden opgenomen van de afgegeven vergunningen voor strategische diensten.

De heer Servaes (PvdA): Ik heb één opmerking bij de derde toezegging. Daar zegt u: ook inzetten op de ambitie ter zake. Dat ter zake zou dan alleen slaan op «dual use»-goederen. Ik heb in mijn inbreng aangegeven dat dit om het bredere palet van mogelijkheden gaat om tot een meer geharmoniseerd Europees wapenexportbeleid en het inzetten van «dual use»-goederen te komen.

De voorzitter: Ik kijk even naar de Ministers, of zij zich hierin kunnen vinden. Dat is het geval?

Minister Ploumen: Ja.

De voorzitter: Dan zullen we het op die manier verwoorden in de verslaglegging. Ik dank de leden voor hun inbreng, de bewindslieden voor de beantwoording van alle gestelde vragen en de aanwezigen voor hun belangstelling. Daarmee zijn we aan het einde van dit overleg. We gaan zo dadelijk verder met een besloten overleg.

Sluiting 20.30 uur.

Naar boven