Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201521501-32 nr. 833

21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 833 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 maart 2015

Met deze brief informeer ik u over de onderwerpen die op de agenda staan van de Landbouw- en Visserijraad op 16 maart a.s. en over mijn inzet tijdens deze bijeenkomst.

Ik informeer u daarnaast over het voorstel van de Europese Commissie over de betaling van de superheffing als gevolg van de overschrijding van het melkquotum. Tevens informeer ik u over de door de Europese Commissie aangekondigde openstelling van een regeling voor particuliere opslag van varkensvlees.

Tot slot geef ik een stand van zaken over het Trans-Atlantisch Vrijhandels- en Investeringsverdrag (TTIP), conform mijn toezegging hierover in het Algemeen Overleg Landbouw- en Visserijraad van 21 januari jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 832), en geef ik uitvoering aan het verzoek van het Kamerlid Lodders om een reactie op het bericht «EUWEP laat EU kiezen tussen eieren of Oekraïne».

Agenda Landbouw- en Visserijraad 16 maart

Tijdens de Raad zal het Commissievoorstel over biologische landbouw en etikettering van biologische producten besproken worden. Tevens zal van gedachten gewisseld worden over de implementatie en vereenvoudiging van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Daarnaast zullen de stand van zaken omtrent de marktsituatie van de melksector en internationale landbouw handelszaken besproken worden. Mogelijk zal er een politiek akkoord gesloten worden over de aanpassing van de Verordening over visserijvangstmogelijkheden in de EU-wateren en daarbuiten. Tot slot heeft Nederland onder diversen een agendapunt ingebracht over de herkomst van angorawol en pelsdierenbont.

Biologische landbouw en etikettering biologische producten

(oriënterend debat)

In de Raad zal een oriënterend debat worden gevoerd over het voorstel tot herziening van de Verordening biologische productie en etikettering van biologische producten (EG nr. 834/2007).

De Raad heeft in december 2014 een oriënterend debat gevoerd over een beperkt aantal onderwerpen van dit voorstel. Na afloop concludeerde het Italiaanse voorzitterschap dat er voldoende steun is voor de politieke oriëntatie die richting kan geven aan de verdere werkzaamheden.

In haar werkprogramma 2015 «A New Start» stelt de Europese Commissie dat, indien er in de eerste helft van 2015 geen akkoord wordt bereikt, het voorstel zal worden ingetrokken en zal worden vervangen door een nieuw voorstel.

Het Letse voorzitterschap beschouwt de afronding van dit dossier als een topprioriteit. Zij streeft, na een oriënterend debat tijdens deze Raad, naar een algemene oriëntatie tijdens de Landbouw- en Visserijraad op 11 mei a.s.

De algemene oriëntatie vormt vervolgens het mandaat voor onderhandelingen met het Europees parlement over het voorstel.

Nederland stelt zich in de onderhandelingen kritisch op overeenkomstig hetgeen is vermeld in het BNC-fiche (Kamerstuk 33 920, nr. 3). Tijdens de Biofach 2015 waar Nederland «Land van het Jaar» was, heb ik Eurocommissaris Hogan opgeroepen om met een ander, beter voorstel te komen. Hij gaf aan daartoe bereid te zijn op basis van bijdragen van de lidstaten.

De inhoud van het voorstel waarover het debat zal worden gevoerd is nu nog niet bekend.

Nederland vindt dat de huidige regelgeving de basis moet zijn voor de verbeteringen en wijst voorstellen af die een grote breuk met het verleden betekenen.

Mijn inzet in het debat zal zijn dat de Europese Commissie met een nieuw voorstel moet komen, waarin de volgende punten staan:

  • aanzienlijke vermindering van gedelegeerde handelingen;

  • per uitzondering (derogatie) beoordelen of schrappen wenselijk is en op welke termijn;

  • gemengde bedrijven blijven toestaan, om zo de omschakeling van gangbaar naar biologische landbouw niet te belemmeren;

  • mogelijkheid voor de lidstaten om de detailhandel uit te zonderen van deelname aan het controlesysteem conform de huidige bepaling;

  • geen maximum residu-eis invoeren, want deze is in de praktijk onhaalbaar;

  • omschakeling moet met terugwerkende kracht mogelijk blijven;

Ik maak mij ook zorgen over de voorgestelde wijzigingen van het importstelsel; door over te stappen op een systeem met strikte conformiteitseisen zou dit kunnen leiden tot verminderde markttoegang van producenten uit ontwikkelingslanden.

Ook wens ik duidelijkheid over de financiële en administratieve gevolgen van het voorstel voor de overheid, het bedrijfsleven en de consumenten.

Ik steun de Europese Commissie wel in haar voorstel om de verplichte jaarlijkse controles te vervangen door controles op basis van risicoprofielen en haar voorstel om voor kleinschalige bedrijven een groepscertificeringssysteem te introduceren.

Ik zet mij samen met andere lidstaten in voor het komen tot een nieuw Commissievoorstel. De afgelopen maanden heb ik met deze lidstaten en de Europese Commissie informeel overleg gevoerd om in gezamenlijkheid de Europese Commissie te bewegen tot substantiële wijzigingen van het huidige voorstel. Dit zal ik de komende maanden blijven doen.

Ik houd uw Kamer uiteraard op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen op dit punt.

Melksector

(stand van zaken)

Over de marktsituatie, trends en EU-maatregelen met betrekking tot de melksector zal de Europese Commissie een stand van zaken geven. Na een dalende trend in heel 2014, zijn sinds begin januari 2015 de prijzen voor magere melkpoeder, boter en kaas gestegen. Dit is terug te zien in de rapportages van het Milk Market Observatory van de Europese Commissie. De zuivelindustrie is dan ook weer voorzichtig optimistisch. Ik zal bij de Europese Commissie aangeven dat de marktontwikkelingen in de zuivelsector ook in Nederland positief zijn.

De prijsstijging heeft een aantal oorzaken. De ten opzichte van de euro sterke dollarkoers zorgt ervoor dat Europese zuivelproducten beter kunnen concurreren met het aanbod uit andere zuivelregio’s in de wereld. Ook de boterexport is interessant geworden, aangezien de Europese boterprijs zich min of meer op het niveau bevindt van de wereldmarktprijs. Bovendien lijken melkveehouders in Europa hun productie enigszins te dempen als gevolg van de dreigende superheffing. In Nederland bijvoorbeeld, werd in december en januari minder gemolken dan in de vergelijkbare maanden in het jaar daarvoor. Het is aannemelijk dat de melkaanvoer in het vervolg van het eerste kwartaal verder wordt afgeremd. De prijsontwikkeling is verder mede sterk beïnvloed door de positieve resultaten op de Nieuw-Zeelandse GlobalDairyTrade-veilingen van januari en februari. Achtergrond van deze stijging is de vertraging in de Nieuw-Zeelandse melkproductie vanwege het lage melkprijsniveau en droge weersomstandigheden. Onzekere factor voor 2015 is de ontwikkeling van de Chinese en Russische markt. Ondanks deze positieve trend zijn de prijzen nog steeds grofweg 30% lager dan vorig jaar (toen de prijzen het hele jaar goed waren).

Ook op de lange termijn zijn de vooruitzichten voor de wereldwijde zuivelvraag goed. Een groeiende bevolking die welvarender wordt, doet de mondiale vraag naar zuivelproducten verder toenemen, met name in opkomende landen in Azië, Zuid-Amerika en Afrika.

Implementatie en vereenvoudiging Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)

(oriënterend debat)

Tijdens de Landbouw- en Visserijraad zal een eerste discussie plaatsvinden over implementatie en vereenvoudiging van het GLB.

Implementatie

Met betrekking tot de directe betalingen zal ik in mijn inbreng aangeven dat met deze hervorming een belangrijke stap is gezet. Op historie gebaseerde betalingen worden omgevormd naar gelijke hectarebetalingen binnen lidstaten en met de introductie van de vergroening worden de betalingen ook meer doelgericht. Bij de vergroening streef ik naar een ambitieuze invulling die leidt tot echte winst voor biodiversiteit en inpasbaar is in de bedrijfsvoering, in een goede balans tussen ecologie en economie. Bij de implementatie in Nederland heb ik gestreefd naar een uitvoering met zo weinig mogelijk administratieve lasten voor de landbouwers en zo weinig mogelijk uitvoeringskosten voor de overheid. Bij de implementatie is gebleken dat met name de bepalingen bij vergroening ingewikkeld zijn. Daarom ben ik ook verheugd over het initiatief van Eurocommissaris Hogan om te vragen om voorstellen voor vereenvoudiging.

Voor wat betreft de tweede pijler heeft de Europese Commissie op 13 februari jl. het Plattelandsontwikkelings Programma voor de periode 2014 t/m 2020 (POP3) goedgekeurd. De komende periode zal dit programma geïmplementeerd worden. Naar verwachting zal de Europese Commissie een stand van zaken geven over de voortgang van het goedkeuringsproces.

Vereenvoudiging

De Europese Commissie is momenteel bezig met een screening van het GLB en heeft lidstaten in dat kader gevraagd vereenvoudigingsvoorstellen in te dienen. Nederland heeft, na consultatie van agrariërs, andere betrokkenen, 41 vereenvoudigingsvoorstellen bij de Europese Commissie en het voorzitterschap ingediend. Uw Kamer is hierover geïnformeerd per brief van 24 februari jl. (Kamerstuk 28 625, nr. 221).

De Nederlandse voorstellen hebben betrekking op verschillende aspecten van vereenvoudiging: onnodige belemmeringen voor de stakeholders wegnemen, uitvoerings- en controlelasten beperken, meer zaken aan de lidstaten overlaten en zorgen voor duidelijke regels.

Nederland hanteert bij de vereenvoudigingsdiscussie twee belangrijke randvoorwaarden: 1) de vereenvoudigingen mogen de realisering van de doelstellingen van het nieuwe GLB niet bemoeilijken en 2) de vereenvoudigingen mogen de bescherming van de financiële belangen van de EU niet in gevaar brengen.

Het voorzitterschap wil op basis van de oriënterende discussie in deze Landbouw- en Visserijraad, Raadsconclusies voorbereiden. Deze zullen naar verwachting worden behandeld in de Landbouw- en Visserijraad van 11 mei a.s.

Internationale handelszaken

(stand van zaken)

De Europese Commissie zal naar verwachting de stand van zaken geven over de voortgang van de internationale handelsakkoorden met onder andere de Verenigde Staten en Canada (respectievelijk de «Transatlantic Trade and Investment Partnership» (TTIP) en «Comprehensive Economic and Trade Agreement» (CETA)). Daarbij zal specifiek worden ingegaan op de agrarische handelsissues in deze akkoorden.

Aanpassing vangstmogelijkheden visserij

(mogelijk politiek akkoord)

De Raad zal mogelijk komen tot een politiek akkoord over de aanpassing van een aantal vangstmogelijkheden (Total Allowable Catch, TAC) voor 2015. Het betreft aanpassingen als gevolg van overeenkomsten met derde landen, reparaties van fouten of nieuwe voorstellen.

Het wetenschappelijk advies over de vaststelling van een TAC voor zandspiering is in februari jl. verschenen. Denemarken wil dat de Raad hierover snel een besluit neemt. Denemarken wil voorkomen dat de TAC voor deze soort pas na de start van het visseizoen op 1 april a.s. wordt vastgesteld. In het gebied rondom de Doggersbank, veruit het belangrijkste gebied in de Noordzee, adviseert het International Council for the Exploration of the Sea (ICES) een TAC van maximaal 133.000 ton, in lijn met de MSY-benadering (Maximale Duurzame Opbrengst).

De voor Nederland relevante voorstellen betreffen de bag limit voor zeebaars en de TAC voor roggen voor de Noordzee. Wat betreft zeebaars stelt de Europese Commissie een bag limit van 3 stuks voor recreatieve vissers voor. In december 2014 kon hierover tijdens de Raad geen akkoord worden bereikt. Ik heb u hierover geïnformeerd (Kamerstuk 21 501-32, nr. 818). Maatregelen ten aanzien van zeebaars in de TAC en quotumverordening zijn nieuw. Deze bag limit maakt onderdeel uit van een totaal pakket aan maatregelen. De eerste stap in het pakket was een noodmaatregel die eind januari 2015 is vastgesteld waarin de pelagische visserij gericht op zeebaars wordt verboden tot eind april 2015. Met de Europese Commissie wordt verkend of er ook voor de overige visserijen op zeebaars maatregelen nodig zijn. U ontvangt spoedig een BNC-fiche over dit onderwerp.

Wat betreft de TAC voor roggen voor de Noordzee stelt de Europese Commissie voor om de deze voor 2014 met terugwerkende kracht met 10% te verhogen. Nederland had hier in 2014 reeds om verzocht, vanwege de vroegtijdige uitputting van het quotum. De Europese Commissie acht de door Nederland aangeleverde wetenschappelijke onderbouwing voldoende en een ophoging duurzaam.

De TAC voor atlanto scando haring wordt met 29% verlaagd overeenkomstig het wetenschappelijk advies en het beheerplan. De TAC voor horsmakreel in de Zuidelijke Grote Oceaan Regionale Visserijbeheersorganisatie (SPRMO) gaat met 8% omhoog, wederom op basis van wetenschappelijk advies. De Nederlandse pelagische sector kan hiermee instemmen. Tot slot stelt de Europese Commissie voor de bepalingen over de omgang met soorten waarvoor de aanlandplicht geldt, te verhelderen.

Ik kan het voorstel van de Europese Commissie met de verschillende bovengenoemde elementen steunen, aangezien de maatregelen op korte of middellange termijn bijdragen tot een duurzaam beheer van de bestanden en een economisch perspectief voor de sector bieden.

Angorawol en pelsdierenbont

(diversen)

De afgelopen jaren zijn diverse malen op internet en televisie beelden te zien geweest van zeer welzijnsonvriendelijke praktijken bij de winning van wol bij angorakonijnen en bont van wasbeerhonden en andere pelsdieren. Het ging hierbij vooral om beelden van het levend «plukken» van wol van angorakonijnen en van het op zeer wrede wijze doden of zelfs levend villen van wasbeerhonden en andere pelsdieren. De dierenwelzijnsactiegroep die de beelden gemaakt heeft (PETA), heeft hiervan aangegeven dat deze in China zijn opgenomen. Voor wat betreft de welzijnsonvriendelijke praktijken bij pelsdieren is een paar jaar geleden ook het rapport «Fun fur? A report on the Chinese fur industry» (Care for the Wild International 2007) beschikbaar gekomen.

Nederland wil (eventueel samen met andere lidstaten) deze geconstateerde misstanden graag op Raadsniveau aan de orde stellen en met de lidstaten en Europese Commissie in overleg treden over wat we kunnen doen om dergelijke misstanden te voorkomen.

Ik ben van mening dat voorkomen moet worden dat dergelijke producten op de Europese markt komen. De getoonde praktijken zijn in strijd met de «guiding and general principles on animal welfare» van de werelddiergezondheidsorganisatie OIE, de aanbevelingen van de Raad van Europa, de bepalingen van richtlijn 98/58/EG inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren en de publieke moraal in de Europese Unie. Mijn uitgangspunt is dat de textiel- en kledingsector zelf eerstverantwoordelijk is om de geconstateerde problematiek rond de genoemde dierlijke producten in zijn producten aan te pakken. Bedrijven dienen zelf te kunnen garanderen dat het angorawol of bont dat ze benutten, niet afkomstig is van slecht behandelde dieren. De textiel- en kledingsector in Nederland heeft in overleg met de Nederlandse overheid aangegeven die verantwoordelijkheid ook te willen nemen. De sector is onder andere voornemens om in zijn internationale overlegorganen actief te pleiten voor de ontwikkeling respectievelijk het doorvoeren van tracerings- en borgingssystemen met onafhankelijke certificering voor dierlijke producten in de sector (zoals de Responsible Down Standard voor ganzendons). De sector heeft de Nederlandse overheid om hulp gevraagd om het onderwerp ook in de EU te agenderen, omdat de sector in een internationale markt opereert.

Ik wil de lidstaten en de Europese Commissie daarom oproepen om zich er voor in te zetten dat de textiel- en kledingsector in de lidstaten dergelijke systemen gaat realiseren. Gezamenlijke inzet is nodig, gelet op het sterk internationale karakter van deze sector.

Ook wil ik de Europese Commissie oproepen om in overleg te treden met derde landen, waaronder China (als ’s werelds grootste bontproducent), om de geconstateerde misstanden bespreekbaar te maken en daarbij te bespreken hoe deze kunnen worden tegengegaan. De Europese Commissie kan met hen de dialoog aangaan om afspraken te maken over afdoende regelgeving, toezicht en handhaving op het gebied van dierenwelzijn.

Overige punten niet op de Landbouw- en Visserijraad geagendeerd

Voorstel Europese Commissie gespreid betalen superheffing

De Europese Commissie heeft in het comité voor de integrale marktordening een voorstel gepresenteerd (in de vorm van een uitvoeringshandeling) waarbij lidstaten de mogelijkheid krijgen om melkveehouders de superheffing over het laatste melkquotumjaar (2014/2015) in drie termijnen van een jaar renteloos te laten betalen aan de Nederlandse overheid. Lidstaten mogen zelf weten of ze van de maatregel gebruik willen maken. De lidstaten op hun beurt moeten de superheffing afdragen op de gebruikelijke wijze en op het gebruikelijke moment: in november 2015. Dit voorstel heeft dan ook geen gevolgen voor de EU-begroting. De lidstaten schieten de superheffing feitelijk dus voor in dit voorstel.

De verwachting is dat Nederland het quotum met 4 tot 5% zal overschrijden. Dat betekent dat de superheffing tussen de € 132 en € 165 miljoen euro zal liggen.

Ik ben niet enthousiast over dit voorstel. De administratieve lasten voor de lidstaten voor het later incasseren van de superheffing zijn hoog. Administratief betekent het dat het quotasysteem in feite nog drie jaar moet worden gemonitord. Voorts levert het voorstel de melkveehouders mijns inziens weinig op, aangezien het totaalbedrag uiteindelijk toch betaald moet worden.

De stemming over dit voorstel in het comité is voorzien op 11 maart 2015, ik zal u hierover op de hoogte houden.

Particuliere opslag varkensvlees

In mijn verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 15 en 16 december 2014 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 818) informeerde ik uw Kamer dat enkele lidstaten de Europese Commissie in het licht van de Russische invoerbeperkingen hebben gevraagd om opening van een particuliere opslagregeling voor varkensvlees. Als gevolg van overaanbod staan de prijzen voor varkensvlees al enige tijd onder druk.

Ook in de Raad van 26 januari jl. vroegen diverse lidstaten de Europese Commissie vanwege de Russische importban om extra steunmaatregelen, met name voor de varkenssector. In mijn verslag van die Raad (Kamerstuk 21 501-32, nr. 828) berichtte ik uw Kamer dat de Europese Commissie die verzoeken van tafel veegde. De Europese Commissie deed wel de toezegging om naar de problemen in de varkenssector te kijken. De Europese Commissie hield ook in het comité dierlijke producten van 19 februari jl. vast aan dit standpunt.

Op 20 februari jl. werd bekend dat de Europese Commissie voorstellen voorbereidde voor een particuliere opslagregeling voor varkensvlees om de spanning op de markt voor varkensvlees te verlichten. Eurocommissaris Hogan kondigde namelijk tijdens de «Salon International de l’Agriculture» in Parijs de tijdelijke opslag van varkensvlees aan.

Het voorstel voor een particuliere opslagregeling voor varkensvlees dat de Europese Commissie op 24 februari jl. presenteerde, kreeg brede steun. Nederland heeft direct al aangegeven geen voorstander van een dergelijke voorstel te zijn. Volgens de Europese Commissie was er nieuwe marktinformatie beschikbaar gekomen waaruit bleek dat de prijzen voorlopig nog wel onder druk zouden blijven staan. Volgens Eurocommissaris Hogan is een opslagregeling het meest effectieve instrument als antwoord op de moeilijke marktsituatie. Door het varkensvlees op te slaan zou er een bodem in de markt gelegd worden en kan de financiële situatie van de varkenshouders zich herstellen.

Ik heb uw Kamer in de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 15 en 16 december (Kamerstuk 21 501-32, nr. 821) aangegeven dat Nederland, gezien de lage marktprijzen, de Europese Commissie zou steunen als zij een particuliere opslagregeling voor vlees zou openstellen.

Omdat de Europese Commissie de wens van Nederland (en veel andere lidstaten), zoals neergelegd in het comité, voor het mogelijk maken van tussentijds uit de opslag halen («vervroegde uitslag») van het vlees voor afzet op de interne markt èn daarbuiten niet heeft gehonoreerd, heeft Nederland zich onthouden van stemming.

Het bedrijfsleven verwacht dat het effect van de maatregel beperkt zal zijn omdat het vlees niet tussentijds uit de opslag mag worden gehaald. Daarnaast ligt de vergoeding op een dusdanig niveau dat het voor weinig partijen aantrekkelijk is om vlees in te vriezen.

Stand van zaken TTIP-onderhandelingen

In het Algemeen Overleg Landbouw- en Visserijraad van 21 januari jl. is verzocht de Kamer nader te informeren over de stand van zaken in de TTIP-onderhandelingen specifiek gericht op het landbouw- en visserijterrein. Ik kan u melden dat op 11 maart 2015 een Algemeen Overleg van de Raad voor Buitenlandse Zaken (RBZ) is gepland. Met de geannoteerde agenda voor dit Algemeen Overleg RBZ zal de Kamer worden geïnformeerd over de actuele stand van de onderhandelingen, inclusief het landbouw- en visserijdossier.

Reactie op het bericht «EUWEP laat EU kiezen tussen eieren of Oekraïne»

In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Economische Zaken van 10 februari 2015 is op verzoek van het Kamerlid Lodders besloten om mij een reactie te vragen op het bericht «EUWEP laat EU kiezen tussen eieren of Oekraïne» 1. U heeft mij verder verzocht om een schets te geven van de stand van zaken en mijn inzet in Europa.

In het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 17 oktober 2014 (Kamerstuk 21 501–32, nr. 810) en in mijn antwoord op de vragen van het Kamerlid Lodders over «de toelating van eieren van Avangardco op de Europese interne markt» (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 377) heb ik aangegeven dat ik mij in algemene zin zorgen maak over het gelijke speelveld voor Europese landbouwers op het terrein van dierenwelzijn in relatie tot bilaterale en multilaterale onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden.

Nederland heeft in de Raad Buitenlandse Zaken (Handel) van 14 en 15 oktober 2014 het voorstel voor het toekennen van unilaterale handelspreferenties aan Oekraïne ruimhartig ondersteund. In de Landbouw- en Visserijraad van 13 oktober 2014 heeft Nederland aangegeven moeite te hebben met de heffingsvrije toelating van eieren uit Oekraïne die niet voldoen aan de dierenwelzijnsnormen van de EU. Nederland stond daarin alleen. In het comité dierlijke producten heeft Nederland als enige lidstaat om deze reden tegen de toelating van eieren uit Oekraïne gestemd. Het besluit tot toelating is daarmee aangenomen.

Zoals ik in de hiervoor genoemde correspondentie met uw Kamer reeds aangaf, is in het vrijhandelsakkoord met Oekraïne vastgelegd dat Oekraïne zich zal inspannen om zijn wetgeving op één lijn te brengen met die van de EU, ook op het terrein van dierenwelzijn. Dit is des te meer van belang omdat WTO-afspraken zich verzetten tegen het opleggen van restricties aan producten uit derde landen op basis van Europese interne dierenwelzijnsregels.

De huidige preferenties aan Oekraïne betreffen een eenzijdige toepassing van dit vrijhandelsakkoord. Ik blijf er bij de Europese Commissie, mijn collega’s in de EU en Oekraïne op aandringen om nu al werk te maken van het op één lijn brengen van de dierenwelzijnswetgeving in Oekraïne met die van de EU, in het bijzonder voor de legkippen. Ik ondersteun daarin de Europese organisatie van eierhandelaren en -verwerkers EUWEP.

Tegelijkertijd moet worden bedacht dat in de Europese Unie jaarlijks ruim 7 miljoen ton eieren wordt geproduceerd. Oekraïne mag jaarlijks in totaal 3.000 ton eieren en 1.500 ton eiproducten heffingsvrij uitvoeren naar de EU.

De hoeveelheid eiproducten wordt in jaarlijkse stappen verhoogd naar uiteindelijk 3.000 ton in 2020.

In december 2014 konden importeurs voor het eerst importcertificaten aanvragen voor 375 ton eiproducten en 750 ton eieren tegen nulheffing uit Oekraïne. Hiervan is géén gebruik gemaakt, mogelijk vanwege de huidige lage eierprijzen in de EU, de gestegen eierprijzen in Oekraïne en certificeringseisen waaraan niet alle Oekraïense exporteurs voldeden. Op dit moment komen er dan ook via deze tariefcontingenten géén (batterij) eieren/eiproducten uit Oekraïne naar de EU.

Nog niet bekend is of dit tariefcontingent ook in 2015 ongebruikt blijft. De volgende tranches voor de tariefcontingenten worden namelijk pas beschikbaar gesteld in maart, juni en september. Ten algemene geldt dat niet-aangevraagde hoeveelheden worden «doorgeschoven» naar de eerstvolgende tranche.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma