Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-32 nr. 508

21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 508 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 15 juli 2011

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie naar aanleiding van de brieven van 8 juli en 7 juli 2011 inzake de geannoteerde agenda voor de Landbouwraad op 19 juli 2011 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 503) en het verslag van de Landbouw- en Visserijraad op 28 juni 2011 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 504).

De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 14 juli 2011.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van der Ham

De adjunct-griffier van de commissie,

Blacquière

Inhoudsopgave

Blz.

       

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

       
 

Gezamenlijke vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD, de PVV, het CDA en de SGP

2

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van PvdA

3

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

4

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

5

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren

6

       

Reactie van de staatssecretaris

7

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Gezamenlijke vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD, de PVV, het CDA en de SGP

De leden van de fracties van de VVD, de PVV, het CDA en de SGP roepen gezamenlijk de staatssecretaris op in Brussel te pleiten voor verlenging van het EHEC-noodfonds en een eerlijkere verdeling van gelden onder de lidstaten.

De leden van deze fracties maken zich zorgen over de marktontwikkelingen in de nasleep van de uitbraak van de EHEC-bacterie. De vraag naar producten uit de voedingstuinbouw in Duitsland lijkt nog ongeveer 20% lager dan de normale vraag. De marktprijzen zijn en blijven daarom vooralsnog zeer laag. Tot 1 juli 2011 was een noodfonds opengesteld ter waarde van € 210 miljoen. De leden hebben enkele vragen over dit noodfonds. Is het waar dat Nederland maar € 20 miljoen vraagt uit dit noodfonds, terwijl andere lidstaten veel grotere claims hebben ingediend? Hoe hoog zijn de claims van andere lidstaten en hoe verhoudt dat zich tot de claim van Nederland en de mate waarin de tuinbouwsectoren in de betreffende lidstaten zijn getroffen? De verhouding lijkt scheef. Is de staatssecretaris bereid te pleiten voor een eerlijke en rechtvaardige verdeling ten faveure van de Nederlandse tuinbouw? De leden van de fracties van de VVD, de PVV, het CDA en de SGP vragen de staatssecretaris om tijdens de Landbouwraad ook te pleiten voor verlenging van de looptijd van het noodfonds. Nederland heeft eerder, zoals opgedragen in de met ruime meerderheid aangenomen motie van de leden Koopmans en Snijder-Hazelhoff over de opkoopregeling (Kamerstuk 21 501-32, nr. 498), gepleit voor een suppletieregeling voor de telers die voorafgaande aan de noodmaatregelen zich tot het uiterste hebben ingespannen om tenminste nog een zeer lage prijs voor hun producten te ontvangen. Het gaat hierbij om de periode 26 mei tot en met 14 juni 2011. Acht de staatssecretaris het haalbaar om ook deze periode vergoed te krijgen? De leden wijzen tot slot op het toegezegde budget voor promotie van producten uit de voedingstuinbouw. Dit budget dreigt pas eind 2011 beschikbaar te worden gesteld. Dan is het seizoen voor de Nederlandse voedingstuinbouw echter voorbij. De leden van de fracties van de VVD, de PVV, het CDA en de SGP vragen de staatssecretaris te pleiten voor het eerder beschikbaar stellen van het promotiebudget, bijvoorbeeld per 1 augustus 2011.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie zullen zich hoofdzakelijk beperken tot de visserijpunten van de Landbouw- en Visserijraad en de aanstaande herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB).

De leden van de PvdA-fractie zijn het met de staatssecretaris eens dat het GVB een fundamentele aanpassing behoeft. In grote lijnen zijn de leden van de PvdA-fractie het dan ook eens met de visie zoals geschetst in «Vis, als duurzaam kapitaal». Zo zijn de leden van de PvdA-fractie het eens met de stelling dat regionalisering noodzakelijk is voor het halen van langetermijndoelstellingen. In The Guardian van 12 juli 2011 wordt het Nederlandse beleid om te komen tot duurzame visserij geroemd. «The Netherlands raises the bar on sustainable fishing». Hiermee staat Nederland op de kaart als land dat duurzaamheid hoog in het vaandel heeft en vervullen wij een voorbeeldfunctie. De leden van de PvdA-fractie sporen de staatssecretaris aan om alles in het werk te stellen deze voorbeeldpositie te behouden. Verduurzaming is geen zaak van de markt alleen, maar de overheid zal hier een rol in moeten spelen door afdoende kaders te stellen.

De leden van de PvdA-fractie menen dat aan het oplossen van de bijvangstproblematiek de hoogste prioriteit gegeven zal moeten worden. De staatssecretaris stelt in de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad d.d. 19 juli 2011 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 503) dat hij zich nog beraadt op de nadere invulling en uitwerking van een aanlandingsverplichting. De leden van de PvdA-fractie zijn voorstander van een dergelijke verplichting. De leden van de PvdA-fractie verzoeken de staatssecretaris in zijn overweging over het al dan niet instellen van een dergelijke verplichting, de onderzoeken en conclusies mee te nemen van Ben Diamond en Bryce D. Beukers-Stewart, zoals verwoord in het artikel «Fisheries Discards in the North Sea: Waste of Resources or a Necessary Evil?» in Reviews in Fisheries Science, 19:3, p. 231–245. Dit onderzoek laat zien dat in Noorwegen de aanlandingsverplichting zeer grote invloed heeft op verduurzaming van de visserij en op de toename van de visbestanden.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat het Gemeenschappelijk Visserijbeleid als onderdeel van een groter geheel gezien moet worden, en meer in samenhang met Natura2000 en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Zo zal er echt meer haast gemaakt moeten worden met het aanwijzen van zeereservaten en gesloten gebieden, zodat visbestanden daadwerkelijk een kans krijgen weer op peil te komen. De leden van de PvdA-fractie willen de staatssecretaris vragen om tijdens de Landbouw- en Visserijraad op 19 juli 2011 in te brengen dat het GVB nadrukkelijk in samenhang met genoemde terreinen vastgesteld dient te worden.

De maatschappelijke organisaties wijzen op een belangrijk probleem waar in de visie van de staatssecretaris (in «Vis, als duurzaam kapitaal») nog onvoldoende aandacht is. De leden van de PvdA-fractie zijn het hiermee eens: overcapaciteit is een aanzienlijk deel van het probleem. De leden van de PvdA-fractie pleiten al enige jaren voor het teruggaan naar kleinschaligheid en meer aandacht voor kleinschalige vormen van visserij. Op welke wijze gaat de staatssecretaris meer aandacht geven aan kleinschalige visserijen?

De leden van de PvdA-fractie vinden het een goede zaak dat de staatssecretaris scherp zal blijven letten op de positie van de lokale bevolking bij de visserijonderhandelingen. De leden van de PvdA-fractie dringen er hierbij op aan dat «scherp letten op» ook in zou moeten houden: zorg dragen voor voldoende toezicht en controle, versterking van het nationale bestuur, bevorderen van regionale samenwerking en het ontwikkelen van lange termijn beheer- en ontwikkelingsplannen voor een verantwoorde visstand.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

Op 29 juni 2011 heeft de Europese Commissie haar voorstel voor de EU-meerjarenbegroting 2014–2020 gepresenteerd. Hieruit komen de uitgaven voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) voort en de daarmee samenhangende directe en andere betalingen voor de Nederlandse land- en tuinbouw. Het budget voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is in de voorstellen nominaal stabiel gebleven op het niveau van het budget van 2013. Dit leidt tot een reële daling van 2% per jaar tot en met 2020. In reële cijfers teruggerekend naar de huidige prijzen wordt een bedrag van totaal € 383 miljard uitgetrokken voor de periode 2014–2020. Wat is de impact voor Nederlandse land- en tuinbouw en het agrofoodcluster? En welke kansen- en bedreigingen ziet de staatssecretaris?

Een deel van het geld kan wel weer terugvloeien. Er worden nieuwe fondsen vrijgemaakt voor de land- en tuinbouw buiten het GLB-kader ter waarde van in totaal 15,2 miljard in de periode 2014–2020. Dit komt vrij in de vorm van een crisisfonds, geoormerkte fondsen in de onderzoeks- en innovatiefondsen, en mogelijkheden voor aanspraak op het globaliseringsfonds. Wat is de impact voor de Nederlandse land- en tuinbouw en de agrofoodsector? En welke kansen- en bedreigingen ziet de staatssecretaris? Welke inzet pleegt Nederland om de plannen zodanig uit te werken dat de passage over het Europees landbouwbeleid en de belangen van de Agrofoodsector wordt ingevuld en wordt voldaan aan de moties van de Kamer die hier mee samenhangen?

De belangrijkste componenten van de hervormingen, namelijk het inzetten van 30% van de eerste pijler voor extra vergroeningsmaatregelen en een «eerlijkere verdeling» van directe betalingen tussen de lidstaten verontrusten de leden van de CDA-fractie. Ook hier speelt de invulling een belangrijke rol. Kan de staatssecretaris deze zorgen wegnemen? Op welke wijze zet de staatssecretaris zich in om binnen de vergroeningscomponent ook een eerlijk aandeel voor de innovatieve, effectief en duurzaam producerende Nederlandse boer te bewerkstelligen? Zijn bij de discussie over de «eerlijkere verdeling» ook de andere structuur- en cohesiefondsen meegenomen?

De verwachting was dat de uitbetalingen met betrekking tot Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) door extra inzet van de Dienst Regelingen voor 30 juni 2011 gerealiseerd zouden zijn. Wat is de stand van zaken hieromtrent? Is het perceelsregistratiesysteem nu op orde? Hoeveel procedures lopen er nu nog? Wat is het vervolgtraject?

Klopt het dat voor aanvragen tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel die na 14 juni (ingangsdatum verordening EG 1107/2009) zijn ingediend of nadien in behandeling zijn genomen de nieuwe EU regels gelden ook al is de nationale regelgeving nog niet aangepast? Op welke wijze vindt de beoordeling nu plaats? Hoeveel middelen hebben hier mee te maken? Klopt het dat er nu een situatie is ontstaan dat sommige nationale voorschriften voor de aanvraag of beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen overlappen of niet in lijn zijn met de dwingende voorschriften uit de EU-verordeningen waardoor de situatie ondoorzichtig is geworden? Klopt het tevens dat de EU-verordeningen voorrang hebben op nationale voorschriften zolang de verordening nog niet in nationale wetgeving is geïmplementeerd? Welk effect kan dit hebben op de beschikbaarheid van middelen voor de Nederlandse ondernemer? Wat voor effect heeft dat op zijn concurrentievermogen?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de inzet van de staatssecretaris en steunen de aanpak voor het volgen van de beheerplannen, de beperking van de vangstmogelijkheden en de visserijinspanningen om in 2015 een niveau van de maximale duurzame opbrengst (MSY) te bereiken. Kan de staatssecretaris aangeven of tijdens de discussie ook de MSY-benadering ter discussie is gesteld? MSY is immers visserijbeheer op basis van individuele visbestanden. De huidige MSY negeert dat bestanden invloed op elkaar hebben (via de voedselketen). Is gesproken over het opwaarderen van de MSY om deze factoren beter mee te nemen? De leden van de CDA-fractie verzoeken om een reactie op deze vragen. De oproep tot zorgvuldigheid en betrokkenheid van stakeholders bij het uitwerken van de MSY-niveaus en geen generieke toepassing van een vangstreductie van 25% kan op steun van de leden van de CDA-fractie rekenen. De leden van de CDA-fractie vragen echter wel wat de inzet is om tot een oplossing te komen voor bestanden waarover informatie ontbreekt of beperkt is. Wordt de komende tijd geïnvesteerd in het ontwikkelen van transparante gegevens, materialen en methoden die naast bijvoorbeeld de gegevens van non-gouvernementele organisaties kunnen worden gelegd?

Het Europese Hof van Justitie heeft bevestigd dat in het EU verdrag geen goede rechtsgrondslag is voor het nieuwe minstbedeeldenprogramma. Nederland is en blijft dus tegen het programma. Het betreft sociaal beleid en sluit niet aan bij de doelstellingen van het GLB. Zeker in het moderne, toekomstgerichte GLB dat Nederland voor ogen heeft, is er geen plaats voor dit programma. Geldt dat ook voor steun in natura, zoals de benutting van voedselcomponenten bijvoorbeeld uit de GLB-interventievoorraden? Hoeveel bedragen deze op Europees en nationaal niveau? Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om deze instrumenten (tijdelijk) te benutten?

Frankrijk heeft de Landbouw- en visserijraad geïnformeerd over de uitkomsten van de bijeenkomst van landbouwministers van de G20, die heeft plaatsgevonden in Parijs op 22 en 23 juni 2011. Nederland heeft geen uitnodiging ontvangen voor deze bijeenkomst. Waarom niet? Nederland is toch tweede exporteur agrarische goederen van de wereld en zou daarom toch betrokken moeten zijn? Tijdens de bijeenkomst is een actieplan opgesteld ten aanzien van de prijsvolatiliteit van agrarische producten; een agendapunt dat veelvuldig op de agenda van de Kamer staat. Is het actieplan beschikbaar? Gaat de staatssecretaris zich inzetten om bij het actieplan betrokken te raken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze? Het actieplan wordt geformaliseerd tijdens de G20-top (voor regeringsleiders) op 3 en 4 november 2011 in Cannes. Kan de staatssecretaris de Kamer berichten over het proces daar naartoe?

Van juli tot en met december 2011 bekleedt Polen het voorzitterschap van de Raad. In de Landbouw- en Visserijraad zal het Poolse voorzitterschap zijn werkprogramma voor deze Raadsformatie presenteren. Kan de staatssecretaris, gezien het grote aantal voor Nederland zeer belangrijk prioriteiten, aangeven op welke wijze hij de Kamer bij het proces betrekt?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van juli (Kamerstuk 21 501-32, nr. 503). De leden van de D66-fractie maken graag gebruik van deze mogelijkheid om een aantal vragen te stellen over de inzet van de staatssecretaris, alsmede om de staatssecretaris te verzoeken voor, tijdens en rondom de bijeenkomst van de raad zich actief in te zetten in lijn met de door de Kamer aangenomen motie van de leden Van Veldhoven en Koopmans over het vergoeden van natuurbeheer (Kamerstuk 32 563, nr. 17).

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de agenda die het Pools voorzitterschap zal presenteren, met name waar het de verdere discussie over de voorstellen voor de toekomst van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) betreft. De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris om in de informele contacten op zowel ambtelijk als bestuurlijk niveau ten aanzien van de voorstellen van de Commissie nadrukkelijk uiting te geven aan de strekking van motie van de leden Van Veldhoven en Koopmans over het vergoeden van natuurbeheer (Kamerstuk 32 563, nr. 17), met name waar het gaat om de eerste pijler. De leden van de D66-fractie verzoeken de staatssecretaris om met het oog op deze motie in het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 19 juli 2011 aan te geven met welke andere delegaties er en marge van de raad contact geweest is over de GLB-voorstellen.

De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris voorts, met het oog op de komende Europese raden over dit onderwerp, de Kamer voor het einde van het zomerreces te informeren over wat de doorrekening van de GLB-voorstellen in de door de Europese Commissie opgestelde «impact assessment» aan economische en ecologische gevolgen voor Nederland betekent. Kan de staatssecretaris bijvoorbeeld aangeven welke ruimte er bij de huidige voorstellen lijkt te zijn voor het realiseren van de in de PBL studie «Bijdrage GLB aan beleidsdoelen milieu, natuur en landschap. Een verkenning van de mogelijke inzet van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid» omschreven maatschappelijke baten? Zouden de generieke percentages, die eind juni in de financiële meerjarenperspectieven worden genoemd voor het percentage van de middelen die voor het vergroenen van de eerste pijler van de landbouwuitgaven bestemd worden, ook voor Nederland gelden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zien een structurele herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid als een noodzakelijke voorwaarde om te komen tot herstel van de visbestanden en het leven in zee. Hoewel er positieve geluiden zijn zoals een vermindering van het aantal overbeviste bestanden, zijn er nog steeds structurele problemen die maar niet opgelost worden, zoals de overcapaciteit en het probleem van onvoldoende informatie voor een wetenschappelijk advies over de vangsten.

Uit het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 29 juni 2011 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 504) blijkt dat Nederland de vangstreductie van 25% bij bestanden waarbij gegevens ontbreken niet heeft gesteund, maar wel heeft opgemerkt dat hiervoor een oplossing moet komen. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dit jammer, temeer omdat de staatssecretaris in antwoord op vragen van deze fractie over die vangstbeperking nog zei dat het Nederlandse standpunt niet ver van dat van Eurocommissaris Damanaki zat. Waaruit zou dat dan nu gebleken zijn, als Nederland wel braaf zegt de zorgen over de overbevissing en het ontbreken van wetenschappelijke gegevens te delen, maar de Eurocommissaris niet steunt in haar voorstel om deze problemen aan te pakken? Als Nederland een generieke reductie van 25% te ver vindt gaan, waar kunnen we dan terugvinden welke tegenvoorstellen Nederland heeft gedaan? In het kader van het voorzorgsbeginsel zou visserij op soorten waarover gegevens ontbreken alleen onder strikte voorwaarden mogelijk moeten zijn, zodat het voortbestaan van de soorten ook op de lange termijn gegarandeerd blijft. Heeft de staatssecretaris concrete oplossingsrichtingen geformuleerd om te komen tot meer gegevens over visbestanden? Was hiervoor steun te vinden bij andere lidstaten? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren verzoeken meer duidelijkheid hierover, mede gelet op de bovengenoemde toezegging die de staatssecretaris heeft gedaan tijdens het op 22 juni 2011 gevoerde algemeen overleg over de Landbouw- en Visserijraad.

Uit het verslag blijkt eveneens dat er weer visserijakkoorden worden gesloten met de Seychellen en Sao Tomé om op tonijn te mogen vissen en dat Nederland daarmee in wil stemmen. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen de staatssecretaris zich te herbezinnen. Vorige week nog bleek uit nieuwe gegevens van de internationale unie voor natuurbescherming (IUCN) dat vijf van de acht tonijnsoorten bijna of geheel met uitsterven worden bedreigd. Doordat het langzaam voortplantende soorten zijn, die ook nog eens bedreigd worden door aantasting van hun leefgebieden en vervuiling, zou juist de visserijdruk sterk beperkt moeten worden. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren horen dan ook graag van de staatssecretaris om welke tonijnsoorten het in deze akkoorden gaat. Het kan toch niet zo zijn dat visserij op bedreigde soorten wordt gesubsidieerd én duurzaam wordt genoemd. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren verzoeken de staatssecretaris daarop een reactie te geven. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn überhaupt geen voorstander van de visserijakkoorden, maar mocht blijken dat het hier zelfs om bedreigde soorten gaat, dringen de leden van deze fractie er bij de staatssecretaris met klem op aan om in de komende Landbouw- en Visserijraad te pleiten voor een herziening van dit akkoord en er in elk geval geen steun aan te verlenen.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren danken de staatssecretaris voor het uitvoeren van de motie van het lid Ouwehand c.s. over het niet verlengen van het visserijprotocol met Marokko (Kamerstuk 21 501-32, nr. 496), door tegen verlenging van het akkoord met Marokko te stemmen. Wel willen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren de staatssecretaris erop wijzen dat naast de belangen van de bevolking van de Westelijke Sahara de motie ook wijst op het feit dat het akkoord Europa alleen maar geld kost. De vraag is dan ook of het Europese belastingsgeld niet beter besteed kan worden. Om de akkoorden daadwerkelijk te kunnen beoordelen op hun nut, noodzaak en opbrengst is het van groot belang dat er meer transparantie komt. Het evaluatierapport over het visserijakkoord met Marokko werd pas een half uur voor aanvang van het debat vertrouwelijk ter inzage gelegd. Op deze wijze hebben de Kamerleden onvoldoende tijd om de informatie tot zich te nemen en een afgewogen standpunt in te nemen. Bovendien wijzen de leden van fractie van de Partij voor de Dieren de geheimhouding van evaluatie van Europees beleid ten principale af: beleid dat wordt gefinancierd door de belastingbetaler moet openbaar kunnen worden verantwoord. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen de staatssecretaris zich in te zetten voor transparantie met betrekking tot de visserijakkoorden die Europa afsluit, onder andere door structurele evaluatie van de visserijakkoorden en de openbaarmaking van de resultaten daarvan. Is de staatssecretaris daartoe bereid?

II. REACTIE VAN DE STAATSSECRETARIS

Op 19 juli 2011 vindt in Brussel de volgende Landbouw- en Visserijraad plaats. Ik heb u op 8 juli een geannoteerde agenda van deze bijeenkomst gezonden.

In deze brief beantwoord ik de vragen uit het verslag van het schriftelijk overleg van 13 juli 2010.

EHEC-noodfonds

De gezamenlijke leden van de fracties van VVD, CDA, PVV en SGP hebben mij een aantal vragen gesteld over de nasleep van de besmetting met EHEC-bacteriën in Duitsland. De hoogte van de claims van andere lidstaten zijn momenteel niet bekend. Zoals ik u in het verslag van de Raad van 28 juni jl. schreef, heeft Eurocommissaris Ciolos aangegeven die informatie medio juli te kunnen verschaffen. Mede om die reden zal ik samen met mijn Belgische collega verzoeken om agendering van het onderwerp EHEC als de Commissie dat niet uit eigen beweging doet. Nederlandse telers hebben voor in totaal 27 miljoen euro aangevraagd. Het spreekt voor zich dat Nederland zich er voor sterk zal maken dat er strikt op wordt toegezien dat alleen degelijk onderbouwde claims van lidstaten worden gehonoreerd. Conform de door bovengenoemde fracties aangehaalde en met ruime meerderheid aangenomen Kamermotie zal ik opnieuw pleiten voor een suppletieregeling binnen het beschikbare budget van 210 miljoen euro2. Enkele andere lidstaten ondersteunen het Belgisch-Nederlandse verzoek om suppletie. Conform de wens van de leden van de fracties van VVD, PVV, CDA en SGP zal ik ook pleiten voor een verlenging van de opkoopregeling als uit de uitputtingscijfers blijkt dat daarvoor nog middelen binnen de gereserveerde 210 miljoen euro zijn. Tenslotte zal ik aandringen op een snelle beschikbaarstelling van de toegezegde extra EU-middelen voor promotie van groenten en fruit.

Meerjarenbegroting

Over de voorstellen van de Europese Commissie voor de EU-meerjarenbegroting 2014–2020 waarnaar de leden van de CDA-fractie verwijzen, zal de Kamer tijdig voor de eerste bespreking daarvan in de Raad een kabinetsstandpunt ontvangen. Het spreekt voor zich dat het kabinet zich daarbij rekenschap zal geven van de moties zoals die door uw Kamer zijn aangenomen. Op 28 maart jl. ontving u de kabinetsinbreng in de discussie over de voorbereiding van het Commissievoorstel dat op 29 juni werd gepresenteerd (TK 21 501-20, nr. 529). Daarin geeft het kabinet onder andere aan binnen een sobere totaalbegroting te streven naar een nominaal gelijkblijvend GLB-budget.

Zoals ik in eerdere Algemeen Overleggen ter voorbereiding op Landbouw- en Visserijraden al aangaf, acht ik een zeer beperkte herverdeling van het budget voor directe betalingen ten gunste van de nieuwe EU-lidstaten te verdedigen. Met de leden van de CDA-fractie ben ik daarbij van mening dat in de uiteindelijke totaalafweging het aandeel van deze lidstaten in andere EU-fondsen relevant is. Ook deel ik de inzet van de leden van de CDA-fractie om innovatie en duurzaamheid in het toekomstige GLB gericht te belonen.

SNL-uitbetalingen

In antwoord op de vragen van de CDA-fractie ten aanzien van de SNL-uitbetalingen kan ik uw Kamer meedelen dat de regeling Subsidiestelsel Natuur- Landschapsbeheer (SNL) op 30 juni jl., conform het eerder toegestuurde betaalschema, 100% is uitbetaald. In mijn van 14 juli jl. heb ik u hierover geïnformeerd. Met betrekking tot perceelsregistratie is het perceelsregistratiesysteem is nu actueel en stabiel, reguliere wijzigingen worden continu doorgevoerd. Het proces van het doorvoeren van wijzigingen loopt goed.

De CDA-fractie vraagt mij naar de bezwaar- en beroepsprocedures. Voor wat betreft de Bedrijfstoeslagregeling 2010 (BTR 2010) zijn er tot nu toe 1917 bezwaren ingediend waarvan er 539 zijn afgehandeld. Er zijn tot nu toe 10 beroepen ingediend die allemaal nog lopen. Voor wat betreft de initiële SNL 2010-beschikking zijn er 1 094 bezwaren ingediend waarvan er 966 zijn afgehandeld. Tegen de SNL-betaalbeschikking zijn tot nu toe enkele bezwaren ingediend.

Het aantal beroepen tegen de initiële SNL 2010-beschikking bedraagt 8 waarvan er 7 zijn afgehandeld. Deze aantallen zijn conform de verwachtingen.

Na het zomerreces zal ik het verbeterplan voor Dienst Regelingen naar uw Kamer sturen, zoals eerder aan uw Kamer gemeld per brief van 27 mei 2011 en tevens per brief van 13 juli.

Toelatingsprocedure gewasbeschermingsmiddelen

De leden van de CDA-fractie hebben mij vragen gesteld over gevolgen van de nieuwe EU-regels ten aanzien van de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen. Met ingang van 14 juni 2011 heeft Verordening (EG) 1107/2009 voorrang op eventueel strijdige of overlappende nationale wet- en regelgeving.

Dat betekent dat vanaf die datum volgens de regels van die verordening zal worden besloten over aanvragen tot toelating en andere besluiten omtrent het op de markt brengen van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen, ook al is de nationale wet- en regelgeving (gebaseerd op Richtlijn 91/414/EEG) nog niet aangepast. Beoordelingsmethoden uit de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn dus nog slechts relevant voor zover zij niet in strijd zijn met het geldende EU-recht.

Als gevolg van het amendement Koopmans3 mogen daarnaast geen nationale beoordelingsmethoden meer worden aangewezen als reeds een EU-brede methode in een richtsnoer is opgenomen, maar voorts ook dat een nationale methode alleen mag worden aangewezen als zij noodzakelijk is ter uitvoering van verordening (EG) 1107/2009. Anders ligt dat voor een toelatingsaanvraag die het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) reeds in behandeling had op 14 juni 2011, uit hoofde van artikel 4 van Richtlijn 91/414/EEG, dat wil zeggen een aanvraag op basis van een Europees goedgekeurde werkzame stof. Verordening (EG) 1107/2009 bepaalt dat deze wordt behandeld volgens het recht zoals dat op 13 juni 2011 gold. Daarna, dus bij een wijziging of verlenging van zo’n toelating, is de nieuwe verordening van toepassing. Aanvragen tot wederzijdse erkenning of uitbreidingen van bestaande toelatingen met kleine toepassingen vallen overigens niet onder dit overgangsrecht. Na 14 juni 2011 wordt op dergelijke aanvragen dus besloten volgens het recht van de nieuwe verordening. Ik heb het bedrijfsleven en andere belanghebbenden ingelicht over de gevolgen van de gewijzigde wet- en regelgeving.

Minstbedeeldenprogramma

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de mogelijkheid om interventievoorraden aan te wenden als voedselhulp voor de minstbedeelden. Op 13 juli jl. antwoordde ik vragen van vergelijkbare strekking van de leden Koopmans (CDA) en Van Gerven (SP). Volledigheidshalve zij daar naar verwezen. Ook als het gaat om steun in natura, is het kabinet van oordeel dat het om sociaal beleid gaat dat uit oogpunt van subsidiariteit een taak van individuele lidstaten en niet van de Europese Commissie is. Het budget voor het programma voor 2012 zoals dat recentelijk door de Commissie is vastgesteld, is als gevolg van de genoemde Hofuitspraak met ongeveer 80% verlaagd en louter gebaseerd op interventievoorraden. Deze interventievoorraden in het kader van minstbedeelden komen pas in de loop van het jaarprogramma fysiek op de markt.

Bijeenkomst landbouwministers G20

De leden van de CDA-fractie vragen naar de uitkomsten van de bijeenkomst van landbouwministers van de G20-landen. Nederland is geen lid van de G20 en daarom ook niet aanwezig geweest bij deze bijeenkomst of andere G20-bijeenkomsten onder Frans voorzitterschap.

Het actieplan dat landbouwministers van de G-20-landen overeen zijn gekomen is vrijelijk beschikbaar onder http://agriculture.gouv.fr/G20-agriculture. Nederland is, net als alle andere EU-landen die geen lid zijn van de G-20, bij de discussie betrokken via de EU-coördinatie voorafgaand aan deze en andere G-20-bijeenkomsten en de bespreking daarvan in eerdere landbouwraden. Dat geldt ook voor de verdere uitwerking van de acties zoals die in het actieplan zijn opgenomen. Mijn Franse collega Le Maire zal het actieplan namens de landbouwministers van de G-20-landen ter goedkeuring aanbieden aan de regeringsleiders van de G-20 die op 3-4 november in Cannes bijeenkomen.

Werkprogramma Pools Voorzitterschap

De leden van de CDA-fractie vragen mij op welke wijze ik de Kamer zal betrekken bij het Poolse voorzitterschap de komende zes maanden. Op de voorzitterschapsagenda voor de Landbouw- en Visserijraden die maandelijks plaatsvinden, staat een aantal zeer belangrijke onderwerpen voor Nederland. Het Poolse voorzitterschap zal de aankomende Raad haar werkprogramma voor het najaar presenteren. Zoals gebruikelijk zal ik voorafgaand aan elke Raad met de Kamer van gedachten wisselen over de onderwerpen die ter bespreking worden geagendeerd en de Nederlandse inzet daarbij, door middel van de Geannoteerde Agenda en de Algemene Overleggen. Uiteraard zal ik verslag blijven doen van de Landbouw- en Visserijraad.

Vergoeden Natuurbeheer en Impact Assessment GLB

De leden van de D66-fractie vragen mijn bijzondere aandacht voor de motie Van Veldhoven-Koopmans (TK 32 563, nr. 17) over ruimte «voor het vergoeden van natuurbeheer, met name waar het gaat om de eerste pijler». Het spreekt voor zich dat ik deze motie, evenals enkele andere aangenomen moties over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, doorlopend in gedachten houd in mijn gesprekken met de Europese Commissie en andere lidstaten. Voorts vragen de leden van D66-fractie mij naar een reactie op een doorrekening van een impactanalyse van nieuwe GLB-voorstellen van de Commissie. Naar ik veronderstel doelen de leden van de D66-fractie daarbij op berichten die in de pers zijn verschenen over een vermeende, uitgelekte versie van een dergelijke impactanalyse. De impactanalyse van de Europese Commissie behorend bij de wetgevingsvoorstellen over het GLB zal echter naar verwachting pas met die wetgevingsvoorstellen in oktober verschijnen. Zodra deze beschikbaar zijn, ontvangt u deze alsmede een kabinetsreactie. Wat betreft de vraag van de leden van de D66-fractie over het percentage verplichte vergroening van directe betalingen in de eerste pijler van het GLB, zoals door de Commissie gemeld in de voorstellen voor de meerjarenbegroting 2014–2020, is het inderdaad mijn verwachting dat dit percentage voor alle lidstaten geldt. Details zullen echter pas duidelijk worden als de Commissie haar wetgevingsvoorstellen voor het GLB presenteert.

Vangstmogelijkheden visserij 2012

De leden van de CDA-fractie hebben mij gevraagd of in de Raad de MSY-benadering (Maximum Sustainable Yield) ter discussie is gesteld en het effect van de wederzijdse beïnvloeding van bestanden op MSY-niveaus aan de orde is geweest. De MSY-benadering als zodanig staat niet ter discussie. Deze is mondiaal, Europees en door Nederland geaccepteerd ook in het wereldwijde actieprogramma Agenda 21. Wel is mijn inzet erop gericht om met inbreng van wetenschappers en stakeholders te komen tot zo goed mogelijk afgestemde niveaus. Zo hebben de stakeholders enkele weken geleden nog inbreng kunnen leveren in het wetenschappelijke advies over MSY-niveaus voor schol en tong. Het effect van wederzijdse beïnvloeding van bestanden op MSY-niveaus is niet aan de orde geweest in de Raad.

De leden van de CDA-fractie hebben mij gevraagd naar de inzet die gepleegd wordt om tot een oplossing te komen voor bestanden waarover informatie ontbreekt en naar de verzameling van data. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben gevraagd naar alternatieve oplossingsrichtingen voor de door de Commissie voorgestelde daling met 25 procent van de toegestane vangsthoeveelheden voor bestanden waarover informatie ontbreekt en naar de opvatting hierover van andere lidstaten. In de Raad heeft Nederland aangegeven zorgen te hebben over het hoge percentage bestanden waarover geen of onvoldoende advies is. Daar moet een oplossing voor komen. Van geval tot geval (maatwerk) moet bekeken worden of extra onderzoek of monitoring mogelijk is. Soms betreft het soorten met een wijd verspreidingsgebied, dat niet door een enkele lidstaat gemonitord kan worden. Eenzelfde soort reactie werd gegeven door de meeste lidstaten. Commissaris Damanaki heeft toegezegd in die gevallen de mogelijkheden in de Verordening over datacollectie te verruimen. Ik vind dat we naast extra onderzoek en monitoring ook moeten kijken naar alternatieve indicatoren, die ook iets kunnen zeggen over de toestand van de bestanden. Nederland heeft eerder aangedrongen op het verkennen van alternatieve richtsnoeren voor het beheer van soorten waarover geen wetenschappelijk advies is. Ik ben blij dat de wetenschappers van ICES (International Council for the Exploration of the Sea) in juni 2011 op basis van alternatieve indicatoren advies hebben gegeven over de geassocieerde bestanden. Tenslotte is het erg belangrijk dat de visserijsector medewerking geeft aan het vergaren van extra informatie over de betrokken bestanden. Dit is noodzakelijk om te komen tot een betere wetenschappelijke onderbouwing voor deze bestanden, zoals ook is verzocht door uw Kamer4.

Hervorming van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB)

De leden van de PvdA-fractie hebben mij gevraagd in te brengen dat het GVB in samenhang met Natura2000 en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) vastgesteld dient te worden. Dat is steeds mijn inzet geweest en dat blijft het ook. Ook ik ben van mening dat de verschillende beleidsterreinen beter aan elkaar gekoppeld en op elkaar afgestemd dienen te worden. In het toekomstige GVB moeten adequate instrumenten worden opgenomen om de visserijgerelateerde doelen in andere beleidsvelden te realiseren, zoals de relevante beleids- en beheerelementen van de KRM en Natura2000. Deze inzet wordt ook expliciet als aandachtspunt genoemd in de Nederlandse visie Vis, als duurzaam kapitaal en de recente brief aan uw Kamer5 (24 juni 2011) over de inzet bij de onderhandelingen over het nieuwe GVB.

De leden van de PvdA-fractie hebben mij verder gevraagd om in de overweging over al dan niet instellen van een aanlandingsverplichting de onderzoeken en conclusies mee te nemen van Ben Diamond en Bryce D. Beukers-Stewart, «Fisheries Discards in the North Sea: Waste of Resources or a Necessary Evil?» in Reviews in Fisheries Science. Ik heb kennis genomen van het genoemde artikel en de getrokken conclusies over de effectiviteit van het Noorse beleid inzake de discards. Ik zal bij mijn verdere afwegingen zeker ook de ervaringen van Noorwegen met de daar toegepaste aanlandingsverplichting meenemen.

De leden van de PvdA-fractie hebben mij voorts gevraagd op welke wijze meer aandacht gegeven gaat worden aan kleinschalige visserijen. In het huidige GVB wordt geen onderscheid gemaakt tussen kleinschalige en meer grootschalige vormen van visserij. Verduurzaming dient zowel in de grootschalige als de kleinschalige visserij plaats te vinden. Wel zijn in een aantal gevallen kleinere vaartuigen vrijgesteld van bepaalde administratieve verplichtingen, zoals bijvoorbeeld satellietvolgverplichting en het elektronisch logboek. Zoals uiteengezet in de Nederlandse visie Vis als duurzaam kapitaal blijf ik voorstander van een generieke benadering in het GVB.

Visserijpartnerschapsakkoorden van de EU met de Seychellen en São Tomé & Principe

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben mij gevraagd om welke tonijnsoorten het gaat in de akkoorden met de Seychellen en São Tomé en Principe en of het hier gaat om bedreigde diersoorten. Tevens hebben zij gevraagd om transparantie met betrekking tot de EU-visserijakkoorden door structurele evaluatie en openbaarmaking van de resultaten daarvan.

In antwoord op die laatste vraag kan ik u informeren dat ik daar voorstander van ben en bij de Commissie zal aandringen op transparantie met betrekking tot de visserijpartnerschapsakkoorden. De akkoorden met de Seychellen en São Tomé & Principe zijn tijdens de Raad voor Economische en Financiële Zaken van 12 juli jl. als A-punt aangenomen. Nederland heeft ingestemd met de partnerschappen. Het gaat hier om tropische tonijnsoorten, waaronder geelvintonijn, grootoogtonijn, skipjack en zwaardvisachtigen. Het betreft toegangsakkoorden waarbij de EU-vaartuigen gehouden zijn de afspraken en beperkingen, die daarover in de verantwoordelijke Regionale Visserij Organisatie zijn gemaakt, te respecteren. Geen van deze soorten komt voor op de CITES-lijst (Convention on International Trade in Endangered Species of wild fauna and flora) van bedreigde diersoorten. De assessments van de IUCN (International Union for the Conservation of Nature), waarnaar de fractie van de Partij voor de Dieren verwijst, zijn gepubliceerd en ons bekend. Indien de «rode lijst» (van met uitsterven bedreigde diersoorten) van IUCN in de toekomst wordt uitgebreid met de betreffende tonijnsoorten, dan zal ik de Commissie verzoeken dit mee te nemen in haar overwegingen ten aanzien van het aangaan van visserijpartnerschappen waarin deze soorten een rol spelen.

Visserijpartnerschapsakkoord van de EU met Marokko

De leden van de PvdA-fractie hebben mij ten aanzien van een eventueel nieuw meerjarig visserijpartnerschap met Marokko gevraagd om naast scherp te letten op de positie van de lokale bevolking ook scherp te letten op toezicht, controle, versterking van het nationale bestuur, bevorderen van regionale samenwerking en het ontwikkelen van langetermijnbeheer en ontwikkelingsplannen voor de betreffende visserij. Al deze zaken zullen onderdeel zijn van mijn inzet. Het sectorale programma, dat deel uitmaakt van elk partnerschapsakkoord en gericht is op versterking van bestandsbeheer, inspectie en controle, wetenschappelijk onderzoek, opleiding en verwerking, moet een duurzame ontwikkeling van de lokale visserij(sectoren) bevorderen. Regionale samenwerking inzake bestandsschatting en -beheer wil ik bevorderen via actieve participatie in de betreffende werkgroepen.

Overig

Het Verenigd Koninkrijk zal tijdens de Raad onder «diversen» aandacht vragen voor een rapport over vermindering van administratieve lasten, handhavingseisen en versterking van de concurrentiekracht.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Dijksma, S.A.M. (PvdA), Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), Koopmans, G.P.J. (CDA), Ham, B. van der (D66), voorzitter, Smeets, P.E. (PvdA), Samsom, D.M. (PvdA), Jansen, P.F.C. (SP), ondervoorzitter, Jacobi, L. (PvdA), Koppejan, A.J. (CDA), Graus, D.J.G. (PVV), Thieme, M.L. (PvdD), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Tongeren, L. van (GL), Ziengs, E. (VVD), Braakhuis, B.A.M. (GL), Gerbrands, K. (PVV), Lodders, W.J.H. (VVD), Vliet, R.A. van (PVV), Dijkgraaf, E. (SGP), Schaart, A.H.M. (VVD), Verhoeven, K. (D66) en Holtackers, M.P.M. (CDA).

Plv. leden: Jadnanansing, T.M. (PvdA), Elias, T.M.Ch. (VVD), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Koolmees, W. (D66), Dikkers, S.W. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Irrgang, E. (SP), Groot, V.A. (PvdA), Werf, M.C.I. van der (CDA), Dijck, A.P.C. van (PVV), Ouwehand, E. (PvdD), Gerven, H.P.J. van (SP), Schouten, C.J. (CU), Gent, W. van (GL), Leegte, R.W. (VVD), Grashoff, H.J. (GL), Mos, R. de (PVV), Taverne, J. (VVD), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Staaij, C.G. van der (SGP), Houwers, J. (VVD), Veldhoven, S. van (D66) en Ormel, H.J. (CDA).

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 21 501-32, nr. 498.

X Noot
3

Op de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en biociden; Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 372, nr. 41.

X Noot
4

Motie-Slob: Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 21 501-32, nr. 426.

X Noot
5

Brief van de staatssecretaris van EL&I, «Hervorming Gemeenschappelijk Visserijbeleid», Referentienr. 215956.