Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201921501-32 nr. 1193

21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 1193 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 15 juli 2019

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de brief van 4 juli 2019 over de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 15 juli 2019 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1191).

De vragen en opmerkingen zijn op 8 juli 2019 aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voorgelegd. Bij brief van 12 juli 2019 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Kuiken

De adjunct-griffier van de commissie, Goorden

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Vragen en opmerkingen van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor de Landbouw- en Visserijraad op 15 juli 2019. Deze leden hebben nog enkele aanvullende vragen en opmerkingen.

Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 15 juli 2019

De leden van de VVD-fractie constateren dat het definitieve rapport van de High Level Group suiker nog niet gereed is. Kan de Minister aangeven wanneer dit rapport wel gereed zal zijn en hoe verdere behandeling plaats gaat vinden? Zonder beschikking te hebben over het rapport, is het voor deze leden moeilijk een oordeel te vellen en de juiste vragen te stellen. De Minister geeft aan dat zij de presentatie van de Eurocommissaris zal aanhoren en eventueel in lijn met de eerdere inbreng van Nederland zal reageren. Op welke manier gaat de Minister pleiten voor een meer gelijk speelveld, zowel binnen als buiten de EU? Is de Minister het met deze leden eens dat de Nederlandse suikerbietentelers al op achterstand staan, bijvoorbeeld door het verbod op het gebruik van neonicotinoïden? De Minister benadrukt dat zij het van belang vindt dat alle suikerproducerende landen zich houden aan de regels van de World Trade Organisation (WTO). Heeft de Minister signalen dat dit niet gebeurt? Zo ja, welke zijn dat? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat hier controle op plaatsvindt?

Het eindrapport van de High Level Group on Sugar is op 5 juli jl. gepubliceerd. Het definitieve rapport zal worden besproken in de Landbouw- en Visserijraad van

15 juli aanstaande. Ik zal in de bespreking in de Raad het belang benadrukken van een gelijk speelveld voor bietentelers en suikerproducenten, zowel in de EU als mondiaal. Daar hoort bij dat in de EU het verbod op gebruik van neonicotinoïden in de suikerbietenteelt moet worden toegepast. Als er al gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van tijdelijke ontheffingen zoals het geval is in een aantal lidstaten, dan moet de Europese Commissie strikt toezien op de juiste toepassing daarvan om oneerlijke concurrentie zoveel mogelijk te voorkomen. Ook op mondiaal niveau is het van belang dat er een zoveel als mogelijk gelijk speelveld bestaat. In dat verband is een procedure van belang die in WTO-verband tegen India loopt. India zou binnenlandse steunmaatregelen en exportsubsidiemaatregelen voor suiker en suikerriet hebben genomen die strijdig zijn met de WTO-afspraken. De Europese Unie heeft zich in deze zaak gevoegd. Het is in deze van belang op te merken dat dit soort procedures lang kunnen duren.

De Minister zal tijdens de Raad de Nederlandse ambities met betrekking tot het klimaat nogmaals onderstrepen, gelet op het doel van klimaatneutraliteit in de EU in 2050, en het ophogen van het CO2-reductiedoel naar 55% in 2030. Kan de Minister aangeven hoe zij ervoor gaat zorgen dat er op dit punt een gelijk speelveld ontstaat? Eerder hebben de leden van de VVD-fractie al aangegeven dat er, voordat er keuzes gemaakt worden, helderheid moet zijn over het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Kan de Minister aangeven waarom zij toch zal pleiten voor financiële allocatie voor eco-regelingen? Hoe ziet deze er volgens haar uit? Waarom wordt nu al een voorschot genomen op de inzet van financiële middelen? Kan de Minister bevestigen dat budgettaire flexibiliteit niet zal leiden tot een ongelijk speelveld?

Nederland zet zich in Europees verband, conform het regeerakkoord, in om de ambities op klimaat te realiseren. Inzetten op EU-klimaatambities, conform de afspraken in het klimaatakkoord van Parijs, is niet alleen nodig om hoge adaptatiekosten in de toekomst te voorkomen, maar biedt ook een kans om het concurrentievermogen van de EU te versterken en de transitie betaalbaar te houden. Afspraken op EU-niveau bieden tenslotte meer een internationaal gelijk speelveld en lange termijn-investeringszekerheid dan nationale afspraken dat kunnen. Een voorbeeld hiervan is de EU-doelstelling van klimaatneutraliteit in 2050. De land- en tuinbouwsector heeft aangeven haar bijdrage hieraan te willen leveren.

Ik zie het GLB als een instrument voor de land- en tuinbouw sector om een bijdrage te kunnen leveren aan de klimaatambities. Zo zet ik mij binnen de discussies rondom de herziening van het GLB in voor verplichte eco-regelingen en oormerking van middelen daarvoor, juist om het gelijke speelveld te kunnen garanderen. Onafhankelijk van de discussie over de hoogte van het budget voor het toekomstige GLB vind ik dat het GLB als instrument moet bijdragen aan de ambities van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties en het klimaatakkoord van Parijs. Het streven naar budgettaire flexibiliteit is met name gericht op het voorkomen van onbenutte middelen, zodat alle middelen eraan bijdragen dat de vastgestelde doelen aan het eind van de GLB-periode worden behaald. Er wordt hiermee geen voorschot genomen op de inzet van de financiële middelen. Dus ambities zijn conform hetgeen gesteld in het BNC-fiche.

De leden van de VVD-fractie lezen over de aandacht voor de Afrikaanse varkenspest. Terecht dat hier blijvend aandacht voor is. De Afrikaanse varkenspest is nog steeds een potentieel probleem voor Nederland. In negen Europese lidstaten hebben al besmettingen plaatsgevonden. Deze leden maken zich zorgen zolang de ziekte in Europa geconstateerd is en wordt. Is de Minister bereid het uitgebreide overzicht met de Kamer te delen?

Ik ben te allen tijde bereid om de informatie die de Europese Commissie ter beschikking stelt met uw Kamer te delen. De informatie die de Europese Commissie met de lidstaten heeft gedeeld, is al openbaar en op de website van de Europese Commissie.1 Hier zijn de maatregelen te vinden, de kaarten van de besmette gebieden en alle maatregelen en acties die de Europese Commissie sinds 2014 heeft genomen.

De leden van de VVD-fractie lezen de oproep van de Europese Commissie over het transport van dieren tijdens de warme zomermaanden. Kan de Minister aangeven of deze oproep in alle lidstaten van de Europese Unie opgevolgd wordt? Zo nee, op welke manier gaat de Minister dit bepleiten?

Er is nog geen zicht op hoe de andere lidstaten omgaan met de oproep van de Europese Commissie. Nederland zal voorafgaand aan de Raad een uitvraag doen naar mogelijke posities van andere lidstaten in het netwerk van nationale contactpunten voor de Transportverordening Op dit moment is bekend dat alleen het Italiaans contactpunt voor de Transportverordening op 4 juli jl. aan de andere nationale contactpunten heeft laten weten dat zij lange afstand transporten niet meer toestaan bij voorspelde temperaturen van 30 graden of meer. Dit geldt voor transporten die vanaf Italië vertrekken; er is geen verbod op doorvoer, of transporten uit andere landen met bestemming Italië. In België en Duitsland bestonden al dergelijke richtlijnen maar het is niet duidelijk hoe dit in de praktijk uitpakt.

Vooral omdat lange afstand transporten de grenzen van de EU landen overschrijden, hecht ik er groot belang aan dat er binnen de EU op gelijke wijze omgegaan wordt met maatregelen zoals de Europese Commissie beschrijft. Ik zal daar ook toe oproepen tijdens de Raad.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie de Raad zal informeren over het voortgangsrapport over het implementatieplan om de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico te verhogen en de implementatie van geïntegreerde gewasbescherming in de lidstaten te versnellen. Deze leden hebben al vaker aandacht gevraagd voor een versnelde toelating van (verschillende) middelen. Het is niet uit te leggen dat er veel informatie en deskundigheid buiten Europa beschikbaar is en deze niet gebruikt wordt. De Minister geeft aan dat zij de noodzaak van een snellere toelating onderschrijft en zet vervolgens in op nationale actie. Kan de Minister aangeven waarom aanpassing van de Europese regelgeving achterwege blijft? Welke stappen zijn er in de afgelopen periode gezet en welk tijdpad voor aanpassing van regels wordt gevolgd? Is de Minister bereid om in het verslag van de LenV-Raad een samenvatting van het rapport van de Europese Commissie op te nemen en het rapport als bijlage te delen? Op welke manier gaat de Minister de aangenomen motievan de leden Ziengs en Lodders (Kamerstuk 27 858, nr. 468) uitvoeren?

De REFIT van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is gestart. Het is op dit moment nog niet duidelijk wanneer de Europese Commissie (EC) met voorstellen komt. Mijn inzet voor laag-risicostoffen en -middelen komt er in het kort op neer, dat ik me op nationaal en Europees niveau inzet om deze stoffen en middelen zo makkelijk mogelijk en zo snel mogelijk goedgekeurd en toegelaten te krijgen. Hierbij blijft uiteraard het uitgangspunt gelden dat ook deze stoffen en middelen beoordeeld moeten worden en dat uit deze beoordeling moet blijken dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu en dat deze stoffen en middelen daadwerkelijk laag-risico zijn.

Ik zal deze inzet ook aan de orde stellen in de Landbouw- en Visserijraad en de Europese Commissie vragen al het nodige te doen om het proces rond de goedkeuring van laag-risicostoffen te versnellen en daarmee rekening te houden bij het formuleren van voorstellen in het kader van de REFIT. Ik blijf uw Kamer hier uiteraard van op de hoogte houden en ben bereid om een samenvatting van het voortgangsrapport op te nemen in het verslag van deze landbouw- en visserijraad. Het is helaas niet mogelijk om uw Kamer het document te doen toekomen, omdat dit document door de Europese Commissie gelimiteerd ter beschikking is gesteld.

Met de motie van de leden Ziengs en Lodders (Kamerstuk 27 858, nr. 468) heeft uw Kamer de regering verzocht de procedure tot toelating van biologische gewasbeschermingsmiddelen te versnellen door gebruik te maken van de informatie van landen waar deze middelen al zijn goedgekeurd. Deze motie sluit aan bij mijn inzet, zoals hierboven beschreven. Daarnaast kan ik uw Kamer melden dat het Ctgb aanvragers die buiten de EU toegelaten middelen op de markt hebben, zoals in de VS, de mogelijkheid biedt om in overleg te treden om voorafgaand aan de aanvraag te bepalen welke studies uit het Amerikaanse dossier geaccepteerd kunnen worden in een EU-aanvraag. Het is namelijk zo dat studies die worden geleverd ter onderbouwing van een aanvraag voor goedkeuring van een stof of toelating van een middel moeten voldoen aan de Europese datavereisten en representatief moeten zijn voor Europese omstandigheden (klimaat, landbouwkundig). Is dat het geval, dan kunnen studies uitgevoerd in andere delen van de wereld ook voor een EU-aanvraag worden geaccepteerd.

De leden van de VVD-fractie bedanken de Minister voor het overzicht inzake het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Deze leden constateren dat er nog een aantal stappen gezet moeten worden alvorens er zicht is op een nieuw GLB. Deze leden benadrukken nogmaals het standpunt dat er eerst duidelijkheid moet zijn over het MFK alvorens er keuzes gemaakt kunnen worden over de invulling van het GLB en de bijbehorende middelen. Al vaker hebben zij benadrukt dat er veel meer wensen zijn dan dat er budget beschikbaar is. Dat betekent dat er straks keuzes gemaakt moeten worden. Zij willen voorkomen dat er meer gevraagd wordt van boeren terwijl er minder middelen zullen zijn. Zij gaan ervan uit dat de Minister dit onderschrijft.

In het regeerakkoord is afgesproken dat in het nieuwe GLB minder gericht zal worden op inkomensondersteuning en meer op innovatie, duurzaamheid, voedselzekerheid en voedselveiligheid. Dat betekent een verschuiving van inkomensondersteuning van boeren naar doelgerichte betalingen voor maatschappelijke opgaven, ook wanneer, zoals de verwachting is, de middelen voor het GLB afnemen. Uiteraard zal er wel een balans moeten zijn tussen de middelen en wat er van boeren gevraagd wordt.

Een tweede zorgpunt is dat Nederland een ambitieuze agenda voert. Dat is terecht en de leden van de VVD-fractie onderschrijven op een aantal punten de ambitie. Er is wel een zorg omdat niet duidelijk is of deze ambitie uiteindelijk zal leiden tot een soort «keuzemenu», waarbij Nederland voorop zal lopen en van de Nederlandse boeren en tuinders een grote inzet gevraagd wordt terwijl de inzet in de landen om ons heen achterblijft. Kan de Minister deze zorg wegnemen? Op welke manier gaat zij borgen dat er een gelijk speelveld ontstaat?

De doelen voor het GLB worden op Europees niveau vastgesteld, waar de lidstaten de ruimte krijgen hoe zij deze doelen nationaal zullen bereiken. Dit betekent dat aan alle boeren in de Europese Unie gevraagd wordt om inzet te leveren. De Europese Commissie zal bij het goedkeuren van de nationale Strategische Plannen het gelijke speelveld moeten bewaken. Mede daarom zet ik mij in voor meer transparantie in het beoordelingsproces van de Strategische Plannen, zodat ook inzichtelijk wordt alle lidstaten voldoende ambitie hebben ten aanzien van de gemeenschappelijke doelen en proportionele bijdrage daaraan leveren.

De leden van de VVD-fractie lezen dat Nederland het belang benadrukt van innovatie en kennisuitwisseling gericht op versterking van de concurrentiekracht en de toekomstbestendigheid van de Nederlandse boeren en tuinders. Ook in het Commissievoorstel ligt hier meer nadruk op dan in het verleden, zo lezen deze leden. Er is voor lidstaten veel ruimte om hier invulling aan te geven in hun Nationale Strategische Plannen en ze lezen dat hier weinig discussie over is. Dat bevreemdt hen. Al langer pleiten zij voor innovatieve oplossingen, bijvoorbeeld op het mestdossier (groene kunstmest, nieuwe methode om fosfaat te onttrekken aan mest en deze op andere wijzen afzetten) en op het gewasbeschermingsdossier (precisietoepassingen). Veel van deze ontwikkelingen lopen aan tegen verschillende Europese regels. Kan de Minister aangeven of deze regels geslecht zijn en of er meer ruimte voor dit soort toepassingen is? Zo nee, hoe kan dit dan tot de conclusie leiden dat er geen discussie is? Welke rol heeft Nederland hierin?

Binnen het GLB is er veel ruimte voor het stimuleren van innovatiemogelijkheden ten behoeven van de gezamenlijke doelen van het GLB. Voor mij is innovatie heel belangrijk. Dat er weinig discussie is over dit deel van de Commissievoorstellen, komt doordat alle partijen het belang van innovatie onderschrijven. De discussie over die beperkingen wordt elders gevoerd en is geen onderdeel van de discussie over de GLB-voorstellen.

Het is van belang om duidelijk te maken dat brancheorganisaties in de groente- en fruitsector ondersteuning verdienen. Om te kunnen beoordelen of Nederland de juiste inzet pleegt, zouden de leden van de VVD-fractie graag willen weten wat de Minister beoogt met het aanpassen van de SP-verordening en de GMO-verordening met betrekking tot de sectorale steun.

In de GLB-onderhandelingen blijf ik mij inzetten voor opname van brancheorganisaties in alle sectoren, inclusief de groente- en fruitsector, als begunstigden van sectorale steun. Het kabinet streeft ernaar om brancheorganisaties te kunnen ondersteunen voor activiteiten die bijdragen aan grotere duurzaamheid (vanuit oogpunt van sociaal en milieu) van landbouwproducten en -ketens en het organiseren van risicobeheer. Daartoe zet het kabinet in op aanpassing van met name de SP-verordening en de GMO-verordening voor zover nodig om die activiteiten duidelijker onder de doelen van de brancheorganisatie te brengen.

De Nederlandse inzet stuit echter op veel weerstand onder de andere lidstaten en de Europese Commissie. De weerstand wordt met name ingegeven door vrees dat steun aan activiteiten van brancheorganisaties de mededinging zou kunnen beperken of het level-playing field zou kunnen verstoren. Die vrees is onterecht en Nederland spant zich in om die vrees weg te nemen.

Verslag Informele Landbouwraad 2–4 juni 2019(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1185)

De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd naar de uitslag van de stemming voor de nieuwe directeur-generaal voor de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties en ontvangen graag een toelichting hierop.

Op 23 juni jl. vond de de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties plaats. Voor de verkiezing van Directeur-Generaal van de FAO waren er drie kandidaten waarop kon worden gestemd, namelijk Catherine Geslain-Lanéelle (Frankrijk), Davit Kirvalidze (Georgië) en Qu Dongyu (China). De Chinese viceminister Qu Dongyu is één stemronde verkozen tot directeur-generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties. In een eerdere fase hadden de kandidaten uit Kameroen en India zich teruggetrokken.

Verslag Landbouw- en Visserijraad van 18 juni 2019(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1190)

In het verslag van de LenV-raad van 18 juni beschrijft de Minister onder «diversen» dat Nederland onlangs vier gezamenlijke verklaringen heeft ingediend, waarvan één samen met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Dit betreft vermoedelijk de instandhouding van Natura 2000-gebieden en andere beschermde gebieden. Kan de Minister toelichten wat de inhoud was van de ingediende verklaringen en wat zij hiermee beoogt?

Voor een toelichting op de ingediende gezamenlijke aanbevelingen verwijs ik naar mijn brief aan uw kamer van 14 december 2018 (Kamerstuk 32 670, nr. 142). Hierin heb ik beschreven wat het proces is geweest om te komen tot de voorstellen voor bodembeschermende maatregelen voor de Doggersbank, Klaverbank, Friese Front en Centrale Oestergronden. Het indienen van de aanbevelingen bij de Europese Commissie is onderdeel van de in de kamerbrief beschreven vervolgstappen. De in de aanbevelingen beschreven visserijmaatregelen voor deze gebieden dragen bij aan de ambitie van het kabinet uit de Mariene Strategie deel 1 om 10–15% van de Nederlandse Noordzeebodem te vrijwaren van noemenswaardige bodemberoering.

Vragen en opmerkingen van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad die gehouden wordt op 15 juli aanstaande. Hierover hebben deze leden nog vragen.

De leden van de CDA-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat de Europese Commissie de Raad zal informeren over de stand van zaken rondom de Afrikaanse varkenspest. Deze leden vragen tot welke passende maatregelen de Europese Commissie oproept en of de Minister deze maatregelen voldoende acht. Welke mogelijkheden ziet de Minister om de huidige uitbraken op Europees niveau beter aan te pakken? Nemen de risico’s voor de insleep van Afrikaanse varkenspest in Nederland toe?

De lidstaten nemen de maatregelen zoals die zijn voorgeschreven in de richtlijn 2002/60 en in het besluit 2014/709. Deze maatregelen zorgen ervoor dat de ziekte in gehouden varkens wordt bestreden en dat veilige handel in varkens en varkensproductenkan worden gegarandeerd. De ziekte in gehouden varkens wordt adequaat aangepakt door de lidstaten. De ziekte in de wilde zwijnen laat zich echter moeilijk bestrijden. De populaties zijn groot, de gebieden waar de ziekte bij wilde zwijnen voorkomt eveneens. Voorlopig ga ik er van uit dat de ziekte de komende jaren nog in de wilde zwijnen aanwezig zal blijven en daarmee een risico zal vormen voor introductie van de ziekte in varkenshouderijen in deze lidstaten.

Op Europees niveau doet de Europese Commissie er alles aan om lidstaten te ondersteunen maar zoals gezegd laat de ziekte bij wilde zwijnen zich moeilijk beteugelen. De oproep van de Commissie om alert te blijven en om goede hygiënemaatregelen te nemen kan ik onderschrijven en ik ben daarover voortdurend met belanghebbenden over in gesprek.

De risico’s voor introductie in Nederland zijn niet toegenomen. De ontwikkelingen in België geven daartoe geen aanleiding, niet ten opzichte van de situatie een half jaar geleden. Belanghebbenden in Nederland kennen de risico’s en nemen passende maatregelen. Het blijft primair de verantwoordelijkheid van de sectorpartijen om hun achterban op te roepen alert te blijven en passende maatregelen te blijven nemen.

Zoals vermeld in mijn brief aan uw Kamer op 26 april jl. (Kamerstuk 35 000 XIV, nr. 75) heb ik een taskforce AVP opgericht waarin de Producentenorganisatie varkenshouderij, de vier betrokken provincies, terreinbeherende organisaties en LNV vertegenwoordigd zijn. De taskforce is onlangs van start gegaan en zal de komende maanden een roadmap opstellen met acties die gericht zijn op het zo veel mogelijk verkleinen van het risico op insleep van Afrikaanse varkenspest.

De leden van de CDA-fractie lezen dat het voortgangsrapport over het implementatieplan voor laagrisicogewasbeschermingsmiddelen wordt besproken. Deze leden vragen naar het verdere Europese proces om de huidige toelatingssystematiek voor laagrisicogewasbeschermingsmiddelen te vereenvoudigen. Welke acties gaat de Minister ondernemen om dit onderwerp op de agenda te zetten, zo mogelijk gezamenlijk met andere lidstaten?

De REFIT van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is gestart. Het is op dit moment nog niet duidelijk wanneer de Europese Commissie (EC) met voorstellen komt. Mijn inzet voor laag-risicostoffen en -middelen komt er in het kort op neer, dat ik me op nationaal en Europees niveau inzet om deze stoffen en middelen zo makkelijk mogelijk en zo snel mogelijk goedgekeurd en toegelaten te krijgen. Hierbij blijft uiteraard het uitgangspunt gelden dat ook deze stoffen en middelen beoordeeld moeten worden en dat uit deze beoordeling moet blijken dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu en dat deze stoffen en middelen daadwerkelijk laag-risico zijn.

Ik zal deze inzet ook aan de orde stellen in de Landbouw- en Visserijraad en de Europese Commissie vragen al het nodige te doen om het proces rond de goedkeuring van laag-risicostoffen te versnellen en daarmee rekening te houden bij het formuleren van voorstellen in het kader van de REFIT.

De leden van de CDA-fractie lezen tussen de regels door dat Nederland pleit voor minder GLB en hogere eisen. Vindt de Minister dit rechtvaardig? Hoe gaat de Minister erover zorgen dat Nederlandse boeren er niet disproportioneel op achteruitgaan?

Het kabinet zet in op hervorming van het GLB na 2020. Het GLB moet minder gericht worden op inkomensondersteuning en meer op innovatie, duurzaamheid, voedselzekerheid en voedselveiligheid. Daarnaast moet het GLB samenwerking tussen landbouwers faciliteren en bijdragen aan de crisisbestendigheid van de sector. Met deze focus kan ook de verkleining van het GLB-budget door de Brexit worden opgevangen. Daarbij zal gezorgd moeten worden voor een balans tussen de middelen en wat er van boeren gevraagd wordt. Daarnaast zie ik in het nieuwe GLB mogelijkheden om de positie van de boer in de keten te versterken.

Vragen en opmerkingen van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 15 juli 2019 en hebben hierover nog enkele vragen.

De voortgang op de uitvoering van het implementatieplan voor geïntegreerde gewasbescherming zal worden besproken. De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het feit dat het aantal laagrisicomiddelen dat de toelatingsprocedure voor het op de markt brengen van de middelen heeft doorlopen, nog steeds laag is. Kan de Minister aangeven hoe Nederland het doet ten opzichte van andere EU-landen als het gaat om de implementatie van geïntegreerde gewasbescherming en het gebruik van laagrisicomiddelen? Er worden een aantal aanbevelingen gedaan voor de verdere uitvoering van het implementatieplan. Wat wordt de inzet van de Minister tijdens de discussie over dit onderwerp? Kan de Minister aangeven wat haar appreciatie is van de aanbevelingen?

Het is voor mij niet mogelijk om aan te geven hoe Nederland het ten opzichte van andere lidstaten doet op het gebied van laag-risicostoffen / middelen en geïntegreerde gewasbescherming. In het voortgangsrapport van de Europese Commissie wordt namelijk alleen gesproken over aantallen lidstaten per aspect dat aan de orde komt.

De REFIT van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is gestart. Het is op dit moment nog niet duidelijk wanneer de Europese Commissie (EC) met voorstellen komt. Mijn inzet voor laag-risicostoffen en -middelen komt er in het kort op neer, dat ik me op nationaal en Europees niveau inzet om deze stoffen en middelen zo makkelijk mogelijk en zo snel mogelijk goedgekeurd en toegelaten te krijgen. Hierbij blijft uiteraard het uitgangspunt gelden dat ook deze stoffen en middelen beoordeeld moeten worden en dat uit deze beoordeling moet blijken dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu en dat deze stoffen en middelen daadwerkelijk laag-risico zijn.

Ik zal deze inzet ook aan de orde stellen in de Landbouw- en Visserijraad en de Europese Commissie vragen al het nodige te doen om het proces rond de goedkeuring van laag-risicostoffen te versnellen en daarmee rekening te houden bij het formuleren van voorstellen in het kader van de REFIT. Ik zal daarnaast wijzen op de «Toekomstvisie gewasbescherming 2030» en het uitvoeringsprogramma dat we aan het opstellen zijn.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het EU-Mercosur principeakkoord van 28 juni jl. Kan de Minister specificeren op welke manier de EU-standaarden voor duurzaamheid en dierenwelzijn worden gewaarborgd als het gaat om landbouwproducten? Op welke wijze worden non-trade concerns betreffende landbouwproducten meegenomen in het handelsakkoord? Op welke wijze draagt het Mercosur-akkoord bij aan het tegengaan van de ontbossing van het Amazonegebied?

Op dit moment is alleen een hoofdlijnendocument gepubliceerd door de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft aangegeven zo snel mogelijk de geconsolideerde teksten beschikbaar te stellen. In het VAO handelsbevordering van 4 juli jl. is toegezegd dat uw Kamer inzage krijgt in deze teksten (Handelingen II 2018/19, nr. 102, VAO Handelsbevordering). Het kabinet neemt pas een standpunt in op basis van de formele teksten die voorgelegd worden voor bespreking in de Raad. Bij de standpuntbepaling worden voor- en nadelen van het handelsakkoord meegenomen, inclusief duurzaamheid en de effecten voor de land- en tuinbouwsector.

De leden van de D66-fractie hebben er kennis van genomen dat op 1 juli Finland het voorzitterschap van de Raad overneemt van Roemenië en dat duurzaamheid een belangrijk speerpunt wordt tijdens het voorzitterschap. Kan de Minister haar appreciatie geven van het programma van het Finse voorzitterschap op het gebied van landbouw?

Het Fins voorzitterschap besteedt in haar werkprogramma veel aandacht aan duurzaamheid, klimaat, bioeconomie, circulaire economie en dierenwelzijn. De accenten die de Finnen leggen in hun werkprogramma komen op veel punten overeen met de Nederlandse prioriteiten en de LNV-visie.

Op welke wijze gaat de Minister inspelen op de prioriteiten van het Finse voorzitterschap ten aanzien van biodiversiteit en de uitvoering van de moti van de leden Jetten en De Groot (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1440) over inzet voor ambitieuze en bindende doelstellingen in Beijing?

Ik waardeer de aandacht van het Finse voorzitterschap voor biodiversiteit. Die aandacht is ook nodig, getuige het recente rapport van het Intergovernmental panel on Biodiversity and Ecosystemservices (IPBES). Ik zal de geplande vergaderingen van de (informele) Milieuraad, met biodiversiteit op de agenda, gebruiken om toe te werken naar een Europese kopgroep die streeft naar een ambitieus nieuw biodiversiteitsakkoord. Direct na de zomer zal ik uw Kamer informeren over mijn plannen voor een versterking van de biodiversiteit en het traject naar het nieuwe akkoord voor het biodiversiteitsverdrag.

Daarnaast hebben de leden van de D66-fractie nog enkele vragen omtrent het bijenrichtsnoer en de gepubliceerde implementatievoorstellen. De leden zijn positief dat er eindelijk een aantal facetten van het bijenrichtsnoer worden geïmplementeerd en dat de Minister deze inzet steunt. Echter, deze leden maken zich ook zorgen over het ontbreken van de beoordeling van acute toxiciteit voor honingbijen, chronische blootstelling, subletale effecten, cumulatieve effecten op wilde (solitaire) bijen en hommels en hun larven. Zij constateren dat deze effecten nu niet worden meegenomen in de implementatie. Is de Minister van mening dat deze onderdelen ook zo snel mogelijk geïmplementeerd moeten worden en op welke wijze wordt hier invulling aan gegeven?

In de gepubliceerde implementatievoorstellen wordt de beoordeling van de acute risico’s voor honingbijen, als onderdeel van het A-deel – op korte termijn geïmplementeerd. Ik heb u hierover op 4 juli geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 479). Deel B van het implementatieplan ziet op chronische toxiciteit, sublethale effecten en risico’s voor hommels en solitaire bijen. Deze onderdelen worden momenteel door EFSA verder uitgewerkt met een deadline van maart 2021 alvorens deze worden geïmplementeerd.

In lijn met mijn reactie op de aangenomen motie van lid Ouwehand (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1181) ben ik voornemens om in te stemmen met het bijenrichtsnoer en implementatieplan zoals deze nu voorliggen en hierbij een stemverklaring af te geven waarbij ik de Europese Commissie en Lidstaten oproep om voor eind 2019 de bijenrichtsnoer in zijn geheel in te voeren.

Vragen en opmerkingen van de Partij voor de Dieren-fractie

Vervolg bijenrichtsnoer

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie bedanken de Minister voor het toesturen van enkele stukken die betrekking hebben op pesticiden en de vaststelling en invoering van het bijenrichtsnoer. De stukken roepen wel de nodige vragen op. Ook hebben deze leden vragen over de uitvoering van de aangenomen nader gewijzgde motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1175) die de regering verzoekt zich in te zetten voor de benodigde aanscherping van de bestaande Europese methoden voor de beoordeling van pesticiden, en dus voor inwerkingtreding van het bijenrichtsnoer als geheel, zoals in 2013 gepresenteerd door de European Food Safety Authority (EFSA), inclusief de tests op het gebied van chronische toxiciteit en de gevolgen voor solitaire bijen en hommels, uiterlijk eind 2019. En ook zijn er nog steeds vragen over het feitenrelaas dat de Minister aan de Kamer heeft gestuurd (waarvoor nogmaals dank).

Feitenrelaas

Pas nadat de leden van de Partij voor de Dieren-fractie de Minister in schriftelijke vragen en bij verschillende overleggen hadden gevraagd wat de positie van Nederland was in de Europese overleggen over het bijenrichtsnoer en pas nadat deze leden aandrongen op een feitenrelaas, stuurde de Minister afgelopen april een tijdlijn (Kamerstuk 27 858, nr. 451). Hier waren de schriftelijke commentaren bijgevoegd die Nederland tussen 2013 en 2019 aan de Europese Commissie heeft gestuurd. Uit deze schriftelijke commentaren bleek pas echt duidelijk hoe Nederland achter de schermen heeft geopereerd op dit dossier. In de brieven wordt gesproken over de grote zorgen die Nederland heeft over de impact van de invoering van het bijenrichtsnoer op de toelating van middelen. Niet de zorgen over de bijen en hommels, maar zorgen over de kosten en de snelheid van de risicobeoordeling en dus over de beschikbaarheid van middelen voor de landbouw.

Bij het laatste commentaar van Nederland dat is bijgevoegd bij de tijdlijn van de Minister, een e-mail zonder datum, wordt opeens gesteld dat Nederland geen formele positie heeft, maar dat het College voor de toelating van biociden en gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb) positief is over het voorstel. Gesteld wordt dat de bescherming van bijen belangrijk is voor Nederland en dat men de noodzakelijke stappen wil zetten om het nieuwe richtsnoer zo snel mogelijk te implementeren. Maar ook hierbij wordt nog altijd benadrukt dat het wel werkbaar moet zijn voor aanvragers. Wanneer is deze e-mail (bijlage 7) verstuurd naar de Europese Commissie?

Wat is er tussen oktober 2018, toen Nederland in een «tour de table» in een overleg van het Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) heeft aangegeven tegen het op dat moment voorliggende voorstel te zijn, en het moment dat dit e-mailbericht aan de Europese Commissie is gestuurd, veranderd waardoor Nederland op dat moment wel positief was over het voorstel? Heeft dit te maken met de vereisten voor de veldstudies waar Nederland in november 2018 nog grote zorgen over had?

De betreffende e-mail – die een reactie bevat op het implementatieplan van de Europese Commissie – is op 18 januari 2019 naar de Europese Commissie verzonden. De inhoud van de e-mail is in lijn met de reactie tijdens de SCoPAFF vergadering van oktober 2018 en eerdere Nederlandse inbreng, waarbij Nederland steeds heeft aangegeven voor een snelle implementatie van het bijenrichtsnoer te zijn en dat onderdelen die nog onvoldoende wetenschappelijk actueel en praktisch uitvoerbaar zijn verder moeten worden uitgewerkt. De Nederlandse inzet is dus steeds consistent geweest.

Uitvoering van de aangenomen motie-Ouwehand over inwerkingtreding van het bijenrichtsnoer als geheel

De Minister schreef de Kamer op 29 mei dat zij de motie als volgt wilde uitvoeren: «Indien de Europese Commissie in juli 2019 een voorstel voor gefaseerde invoering van het bijenrichtsnoer en bijbehorende aanpassing van de Uniforme Beginselen voorlegt aan de Lidstaten, ben ik voornemens in te stemmen met het voorstel met een stemverklaring waarbij ik de Europese Commissie en Lidstaten oproep om voor eind 2019 de bijenrichtsnoer in zijn geheel in te voeren». Gelet op de positie die Nederland sinds de presentatie van het bijenrichtsnoer door EFSA in 2013 heeft ingenomen in het SCoPAFF en in brieven aan de Europese Commissie – waarbij grote zorgen werden geuit over het gepresenteerde bijenrichtsnoer, de drempelwaarden, de tests voor hommels en wilde bijen, de tests voor chronische toxiciteit en sublethale effecten en de eisen die in het richtsnoer werden gesteld aan veldstudies – moet nu heel duidelijk worden dat Nederland nu een geheel andere positie inneemt, en alle eerder genoemde bezwaren intrekt.

Kan de Minister bevestigen dat de Kamer met de aangenomen motie-Ouwehand heeft uitgesproken dat Nederland al haar eerder genoemde bezwaren tegen het bijenrichtsnoer zoals dat in 2013 door EFSA is gepresenteerd moet laten varen en zich alsnog achter het destijds gepresenteerde voorstel moet scharen? Zal de Minister in haar stemverklaring duidelijk maken dat Nederland haar eerder genoemde bezwaren tegen het bijenrichtsnoer zoals dat in 2013 door EFSA is gepresenteerd intrekt, en verruilt voor een pleidooi voor invoering van dit bijenrichtsnoer als geheel, uiterlijk eind 2019? Is de Minister bereid deze stemverklaring ook naar de Kamer te sturen?

Ik was en ben nog steeds voorstander van een zo spoedig mogelijke implementatie van een goed bijenrichtsnoer. Hierbij dienen onderdelen die wetenschappelijk actueel en praktisch uitvoerbaar zijn op korte termijn te worden geïmplementeerd. De overige onderdelen dienen door EFSA verder te worden uitgewerkt. Ik ben blij dat EFSA hiervoor een mandaat heeft gekregen van de Europese Commissie en blijf aandringen op snelheid. In lijn met mijn reactie op de motie-Ouwehand (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1181) zal ik de Europese Commissie en Lidstaten in een stemverklaring oproepen deze overige onderdelen voor eind 2019 te implementeren.

Zoals eerder is gebleken uit de stukken die Follow the Money heeft gepubliceerd en de stukken en het feitenrelaas dat de Minister op verzoek van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie naar de Kamer heeft gestuurd – die de bevindingen van Follow the Money bevestigden – heeft Nederland de afgelopen jaren niet alleen in SCoPAFF maar ook in brieven aan de Europese Commissie bovengenoemde bezwaren geuit tegen het bijenrichtsnoer zoals dat in 2013 door EFSA was gepresenteerd. Omdat de positie van Nederland is gewijzigd en het van groot belang is om het oorspronkelijk voorgestelde bijenrichtsnoer snel als geheel ingevoerd te krijgen, moet ook de Europese Commissie weten dat Nederland haar eerder opgevoerde bezwaren intrekt. Is de Minister bereid naast haar stemverklaring in SCoPAFF in een brief aan de Europese Commissie duidelijk te maken dat Nederland haar bezwaren tegen het bijenrichtsnoer zoals dat in 2013 door EFSA is gepresenteerd intrekt, en verruilt voor een pleidooi voor invoering van dit bijenrichtsnoer als geheel, uiterlijk eind 2019? Is de Minister bereid deze brief nog deze week, dus uiterlijk 12 juli, te versturen naar de Europese Commissie? Is de Minister bereid een afschrift van deze brief aan de Kamer te sturen?

Zoals in mijn voorgaand antwoord vermeld is mijn positie niet gewijzigd en ben ik nog steeds voorstander van een zo spoedig mogelijke implementatie van een goed bijenrichtsnoer. Wanneer de Europese Commissie een definitief voorstel aan de lidstaten voorlegt, ben ik voornemens om hiermee in te stemmen met een stemverklaring waarbij ik oproep tot een spoedige implementatie van het gehele bijenrichtsnoer voor eind 2019.

Intussen is er helaas, mede dankzij het verzet van Nederland tegen invoering van het bijenrichtsnoer zoals het was voorgesteld door EFSA in 2013, sprake van een gefaseerde invoering van het richtsnoer middels een zogenaamd implementatieplan. Als de wijziging van de Nederlandse positie niet alsnog leidt tot invoering van het bijenrichtsnoer als geheel, uiterlijk eind 2019, moet er dus over een gefaseerde invoering worden gesproken en besloten.

De Minister meldde in reactie op de aangenomen motie van het lid Ouwehand voornemens te zijn in te stemmen met het implementatieplan, met een stemverklaring. Toen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie de Minister vroegen naar het implementatieplan dat voorligt, om zelf te kunnen beoordelen wat dan het verschil is met c.q. de verbetering ten opzichte van de bestaande beoordelingsmethode, zei de Minister in het algemeen overleg over de Landbouw en Visserijraad van 12 juni 2019: «De Commissie zegt dat datgene wat nu voorligt, in stemming wordt gebracht. (...) Ik zal uw Kamer een overzicht toesturen van wat er nu ligt en wat dat inhoudt. Dan kunt u dat zelf ook beoordelen.» Deze leden hebben de Minister bedankt voor die toezegging. Vervolgens bleef het echter stil vanuit het ministerie, en stuurde de Minister pas een brief naar de Kamer nadat journalistiek platform Follow the Money weer een nieuw artikel had gepubliceerd over het bijenrichtsnoer, waaronder het implementatieplan dat nu voorligt. Waarom heeft de Minister de Kamer niet zelf geïnformeerd over het implementatieplan, zodat de Kamer zelf kan beoordelen of instemmen met dit plan een betere bescherming van bijen en hommels dichterbij brengt of juist in de weg zit? Als zij haar toezegging om een overzicht te sturen «van wat er nu ligt en wat dat inhoudt» bij nader inzien toch niet na kon komen vanwege geheimhouding, waarom heeft ze dat dan niet uit zichzelf aan de Kamer gemeld?

Zoals in mijn brief van 4 juli gemeld (Kamerstuk 27 858, nr. 479) betreft het gepubliceerde implementatieplan een conceptversie. Het is niet gebruikelijk om dergelijke werkdocumenten van de Europese Commissie openbaar te maken. Wanneer de Europese Commissie het bijenrichtsnoer en implementatieplan ter besluitvorming aan de lidstaten voorlegt zal ik uw Kamer hierover informeren en de verschillen aangeven ten opzichte van het huidige toetsingskader.

In de brief (Kamerstuk 27 858, nr. 479) die de Minister op 4 juli alsnog stuurde na de publicatie van Follow the Money, schreef ze dat «het gepubliceerde implementatieplan» een conceptversie is waarin gemeld wordt dat het een vertrouwelijk werkdocument betreft dat bedoeld is voor discussie, en dat het «niet gebruikelijk» is om dergelijke werkdocumenten van de Europese Commissie openbaar te maken. Bij wijze van uitzondering, schrijft de Minister, stuurt ze het deze keer wel toe. Erkent de Minister dat «niet gebruikelijk» niet hetzelfde is als «niet mogelijk»?

Ik heb in dit geval – bij wijze van uitzondering – uw Kamer een conceptversie gestuurd van het implementatieplan, zodat uw Kamer kan zien waar het bericht van Follow the Money over gaat (Kamerstuk 27 858, nr. 479). Daarbij woog voor mij ook mee dat het document reeds openbaar was. Het is namelijk niet aan lidstaten om werkdocumenten van de Europese Commissie openbaar te maken, temeer omdat de Europese Commissie deze documenten onder voorwaarde van vertrouwelijke behandeling verstrekt.

Ik vind het natuurlijk van groot belang om transparant te handelen en uw Kamer te voorzien van alle informatie die nodig is om haar controlerende taak uit te oefenen. Vandaar dat ik de Kamer voorafgaand aan elke SCoPAFF gewasbescherming informeer over de zaken die ter besluitvorming voorliggen.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie kregen op hun vragen over het proces rond het bijenrichtsnoer en de Nederlandse positie in de Europese discussie hierover in eerste instantie telkens te horen dat de Kamer zou worden geïnformeerd zodra er een (definitief) voorstel van de Europese Commissie op tafel zou liggen. Nu dit voorstel waarschijnlijk (vrijwel) gereed is, schrijft de Minister feitelijk dat het te laat is om nog bij te sturen. Als de Kamer haar nu vraagt om tegen het voorstel te stemmen, zal dat leiden tot vertraging in de besluitvorming. Erkent de Minister dat deze conceptversies voor de Tweede Kamer essentieel zijn om te kunnen beoordelen of instemmen met dit plan een betere bescherming van bijen en hommels dichterbij brengt of juist in de weg zit? Erkent de Minister dat deze conceptversies voor de Tweede Kamer essentieel zijn om te kunnen beoordelen hoe de Europese discussies voorafgaand aan besluitvorming verlopen? Is de Minister bereid om voortaan voorstellen van de Europese Commissie die zij niet één op één naar de Kamer mag sturen, in detail te beschrijven zoals zij nu na publicatie van het laatste Follow the Money-artikel ook heeft gedaan?

Er vindt besluitvorming plaats over definitieve versies van voorstellen van de Europese Commissie. Werkdocumenten en concepten zijn onderdeel van het ambtelijk proces. Deze documenten zijn dus aan verandering onderhevig. Voor de controlerende taak van de Tweede Kamer acht ik het van belang dat de Kamer vooraf wordt geïnformeerd over zaken die ter besluitvorming voorliggen in SCoPAFF gewasbescherming en dat doe ik dus ook. Werkdocumenten en concepten vallen daar niet onder. Ik informeer uw Kamer daarnaast tussentijds over mijn beleidsinzet op specifieke onderwerpen, zoals laag-risico middelen en kleine toepassingen.

Mercosur-akkoord

Op 28 juni kreeg de Kamer antwoord op de vragen die de leden van de Partij voor de Dieren-fractie op 27 mei hadden gesteld over de gevolgen van het (toen nog) op handen zijnde handelsverdrag tussen de EU en de Mercosur-landen, waaronder Brazilië (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1186). Inmiddels is het akkoord tussen de Europese Commissie en Mercosur helaas gesloten. Afgelopen maandag (1 juli) kwam de Europese Commissie met een niet-bindende samenvatting van zeventien bladzijdes. Die samenvatting leert dat er niet wordt «vastgehouden» aan hoge Europese standaarden, zoals de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking suggereerde in de brief die zij op 2 juli aan de Kamer stuurde (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1187). Uit de samenvatting die de Europese Commissie heeft gepubliceerd, blijkt dat er helemaal geen bindende eisen zijn gesteld voor zaken als dierenwelzijn, klimaat en naleving van het verdrag van Parijs. Over dierenwelzijn staat bijvoorbeeld dat er «gepraat gaat worden» en dat er «informatie over dierenwelzijn wordt uitgewisseld». Erkent de Minister dat «gepraat» en «uitwisseling van informatie» over dierenwelzijn, natuur- en milieustandaarden niet hetzelfde is als daadwerkelijk gelijke standaarden hanteren? Erkent de Minister dat dergelijke gesprekken vrijblijvend zijn?

Op dit moment is alleen een hoofdlijnendocument gepubliceerd door de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft aangegeven zo snel mogelijk de geconsolideerde teksten beschikbaar te stellen. De Kamer zal inzage krijgen in deze teksten. Het kabinet neemt pas een standpunt in op basis van de formele teksten die voorgelegd worden voor bespreking in de Raad. Bij de standpuntbepaling worden voor- en nadelen van het handelsakkoord meegenomen, inclusief duurzaamheid en de effecten voor de land- en tuinbouwsector.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vroegen op 27 mei naar de impact van de Mercosur-deal op de Nederlandse landbouw. De Minister schreef dat zij «geen toegevoegde waarde» zag voor een specifieke effectbeoordeling over de gevolgen voor de Nederlandse landbouw. Dat was in strijd met een eerder aangenomen motie, destijds ingediend door de leden Koopmans (CDA) en Snijder-Hazelhoff (Kamerstuk 21 501-32, nr. 460). Kan de Minister verklaren waarom de destijds aangenomen motie door haar ministerie is genegeerd? Inmiddels heeft de Kamer een nieuwe motie aangenomen, ingediend door het lid Voordewind c.s. (Kamerstuk 34 952, nr. 75) die (opnieuw) opmerkt dat in de Mercosur-landen landbouwproducten worden geproduceerd die niet voldoen aan onze eigen duurzaamheids- en dierenwelzijnsmaatstaven, en dat het toelaten van die producten kan leiden tot oneerlijke concurrentie. De motie vraagt de regering (opnieuw, want dat deed de motie Koopmans/Snijder-Hazelhoff ook al) de gevolgen van het Mercosur-akkoord voor de Europese land- en tuinbouw en in het bijzonder voor de Nederlandse (gezins)bedrijven in de vlees- en zuivelsector, gekwantificeerd in kaart te brengen. Is de Minister hier nu wel toe bereid?

Op 27 mei jl. was er nog geen akkoord met Mercosur. Er loopt een duurzaamheidsimpactanalyse door de Europese Commissie. Verder zijn in 2017 de resultaten gepubliceerd van een cumulatieve impactanalyse door de Europese Commissie waarbij een voorgenomen handelsakkoord met Mercosur is meegenomen. Deze cumulatieve impactanalyse is mede op verzoek van Nederland uitgevoerd. Hiermee werd uitvoering aandacht gegeven aan de motie van de leden Koopmans en Snijder-Hazelhoff. Nu er een akkoord is, zal het kabinet op basis van de geconsolideerde teksten een nieuwe effectenanalyse kunnen uitvoeren. Dit zowel in uitvoering van de motie van de leden Koopmans en Snijder-Hazelhoff als de motie van het lid Voordewind c.s.

Langeafstandstransport tijdens de warme zomermaanden

De afgelopen weken zijn er in Europa weer eens nieuwe recordtemperaturen bereikt, waarbij het in Zuid-Frankrijk bijna 46 graden werd. Deze extreme temperaturen kunnen we de komende jaren veel vaker verwachten, zolang de benodigde actie om klimaatverandering te stoppen, uitblijft. De Europese Commissie zal de lidstaten tijdens de komende Raad oproepen om boven de 30 graden Celsius geen langeafstandstransporten met dieren meer toe te staan.

De Minister steunt deze oproep, schrijft ze. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie steunen in beginsel het verzoek van de Minister aan de Europese Commissie om ook de Transportverordening op dit punt aan te passen. De maximale temperatuur van 30 graden Celsius is echter nog altijd veel hoog.

Is de Minister bereid de bevindingen van dierenartsen en wetenschappers, onder andere van EFSA, de voedsel-en warenautoriteit van de Europese Commissie zelf, zoals beschreven in het rapport «Op de bres tegen hittestress» van Eyes on Animals en de Dierenbescherming te delen tijdens de komende Raad en daarbij in te brengen dat ook een temperatuur van 30 graden Celsius tot ernstige hittestress leidt bij alle diersoorten die over lange afstanden worden getransporteerd? Is de Minister bereid deze oproep van de Europese Commissie aan te grijpen om te pleiten voor de noodzakelijke verdere verlaging van de maximale temperatuur waarbij diertransporten, zowel op korte als op lange afstand, plaatsvinden?

Tegelijk worden in Nederland, ook binnen de vrijblijvende sectorafspraken in het kader van het Nationaal plan voor veetransport en extreme temperaturen, nog altijd diertransporten toegestaan tot een temperatuur van 35 graden Celsius. En zelfs hier weigert de pluimveesector zich aan te houden. Welke actie zal de Minister zelf deze zomer nog ondernemen op de oproep van de Europese Commissie? Zal zij de maximale temperatuur waarbij diertransporten zijn toegestaan verlagen in het Nationaal plan voor veetransport en extreme temperaturen? Zo niet, hoe kan zij dit rijmen met haar steun voor de oproep van de Europese Commissie? Wanneer kan de Kamer de antwoorden tegemoet zien van de vragen die zijn gesteld over hittestress bij dieren, onder andere tijdens transport?

Ik zal tijdens de Raad van 15 juli aandringen op duidelijkere bepalingen in de Transportverordening ten aanzien van transport bij hoge temperaturen. Daarbij ligt het voor de hand dat – indien de normen worden aangepast – deze gebaseerd zijn op wetenschappelijke onderzoeken. Ik hecht er aan om inzake de oproep van Europese Commissie samen met andere EU-lidstaten op te trekken (zie hiervoor ook mijn antwoorden bij de VVD-fractie).

We hebben nu te maken met de Transportverordening, waar ook Nederland zich aan moet houden. Dat betekent dat voor lange transporten, de temperatuur bij de dieren tussen de 5 en 30 graden moet zijn, met een tolerantie van +/– 5 graden, afhankelijk van de buitentemperatuur. Tegelijkertijd volgt uit de algemene voorwaarden van de Transportverordening dat het verboden is dieren op zodanige wijze te vervoeren dat het de dieren letsel of onnodig lijden berokkent. Ook moet er rekening gehouden worden met weersomstandigheden. Mijn inzet blijft onverminderd dat de NVWA controles uitvoert en dat zij optreden als er sprake is van hittestress en onnodig lijden door vervoer onder warme omstandigheden, dat kan ook als temperatuur bij de dieren nog binnen de genoemde marges zit.

De antwoorden op de vragen over hittestress worden deze week nog naar uw Kamer gestuurd.