21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 1070 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 7 december 2017

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de brief van 30 november 2017 inzake de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 11 en 12 december 2017 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1069).

De vragen en opmerkingen zijn op 4 december 2017 aan Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voorgelegd. Bij brief van 6 december 2017 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Kuiken

Adjunct-griffier van de commissie, Konings

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 11 en 12 december 2017. Deze leden hebben enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de voorgestelde aanpak voor de vangst van Noorse kreeft in de Noordzee voor Nederland problematisch kan zijn. Meerdere lidstaten hebben problemen met deze maatregel. Kan de Minister aangeven welke lidstaten dit zijn? Kan Nederland, tezamen met deze andere lidstaten, genoeg gewicht in de schaal leggen om de Europese Commissie te verleiden af te zien van de voorgestelde aanpak? Welke alternatieven zal Nederland, tezamen met andere lidstaten, aandragen? Hebben deze alternatieven een goede kans van slagen?

Verschillende lidstaten, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en België hebben aangegeven problemen te hebben met de voorgestelde aanvullende bepaling voor Noorse kreeft. De Europese Commissie heeft op basis van de positie van de lidstaten en op basis van de herziene adviezen aangekondigd om het voorstel voor een aparte TAC (Total Allowable Catch) voor een specifiek bestand in de Noordzee in te trekken. Dat de voorgestelde bepaling niet naar tevredenheid is van de lidstaten wil niet zeggen dat geen rekening moet worden gehouden met de gevolgen van het beheer van meerdere bestanden in de Noordzee op basis van één TAC. In overleg met de Adviesraad voor de Noordzee en met betrokken lidstaten zal ik bezien welke werkbare alternatieve beheermaatregelen mogelijk zijn.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister terecht aangeeft dat een totaalverbod voor de vangst van aal in kustwateren zeer nadelige gevolgen kan hebben voor tientallen Nederlandse kleinschalige kustvissers. De Nederlandse aanpak is gericht op een tijdelijk vangverbod (in de maanden september, oktober, november). In hoeverre is een totaalverbod nog af te wenden? Is de Minister bereid om met andere lidstaten (die in een vergelijkbare situatie zitten als Nederland) in overleg te treden hoe een totaalverbod te stoppen?

Ik maak mij zorgen over de toestand van aal in Europa. Effectieve beschermingsmaatregelen voor deze bedreigde soort zijn belangrijk, zo ook op zee. Volgens het advies van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES) van mei 2017 zou 98% van de vangsten op zee toe te schrijven zijn aan 4 lidstaten, te weten Frankrijk, Denemarken, Zweden en Duitsland. Een totaalverbod raakt ook lidstaten die via hun nationale beheerplannen onder het EU aalherstelplan (2007) al afdoende maatregelen genomen hebben. Zo is in het Nederlandse aalbeheerplan – door de jaarlijkse 3 maanden sluiting op aalvisserij in het najaar – al rekening gehouden met de trek van schieraal naar hun paaigebied. Een jaarrond vangstverbod raakt tientallen kleinschalige kustvissers. Mijn inzet is geen totaalverbod, maar een verbod in lijn met het NL beheersplan en ik trek daarvoor nauw op met andere lidstaten om deze inzet te realiseren.

De leden van de VVD-fractie hebben vernomen dat op 28 september jl. een conferentie heeft plaatsgevonden over «Modern Biotechnologies in Agriculture – Paving the way for responsible innovation». Kan de Minister aangeven wanneer het achtergronddocument van deze conferentie beschikbaar is en met de Kamer gedeeld zal worden?

Het achtergronddocument voor de Raadsbespreking is helaas nog altijd niet beschikbaar. Ik zal zoals gebruikelijk de documentcode opnemen in het verslag van de Raad. Tot die tijd verwijs ik u graag naar een website1 van de Europese Commissie over de conferentie «Modern biotechnologies in agriculture – paving the way for responsible innovation» van 28 september jl. Daar heeft zij de stukken, foto’s en een video van de conferentie geplaatst.

De leden van de VVD-fractie hebben vernomen dat op de agenda de mededeling over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2020 staat. Deze leden constateren dat er nog geen achtergronddocument beschikbaar is. Overigens is dat niet alleen op dit punt, bij veel agendapunten ontbreekt een achtergronddocument. Juist op dit punt is het belangrijk dat er voorafgaand aan een Raad voldoende informatie beschikbaar is om als Kamer voorafgaand aan een Raad een gedachtewisseling hierover te kunnen hebben. Bij de herziening van het GLB is het regeerakkoord leidend. Op welke wijze gaat de Minister een vertaalslag maken vanuit het regeerakkoord (ambitie, innovatie) naar de inzet voor het GLB? Op welke wijze gaat zij borgen dat aan de ene kant meer ruimte voor lidstaten bij de implementatie van het GLB kan zijn en aan de andere kant een eerlijk speelveld waar onze boeren belang bij hebben?

De Mededeling van de Europese Commissie geeft de richting aan die haar voor ogen staat voor de modernisering en vereenvoudiging van het GLB. Het regeerakkoord geeft aan dat de regering streeft naar vereenvoudiging van het GLB en daarmee naar een verlaging van de regeldruk vanuit Europa, alsook dat er op nationaal niveau meer ruimte komt om te bepalen hoe de op EU-niveau vastgestelde doelen bereikt moeten worden. Dat is de koers die de Mededeling ook kiest: meer subsidiariteit. Daarbij moet wel het eerlijke speelveld voor boeren op de Europese binnenmarkt behouden blijven. De Europese Commissie zal voor de zomer van 2018 met voorstellen komen voor regelgeving voor het nieuwe GLB. Ik zal deze voorstellen beoordelen op de waarborgen die zij bieden voor een eerlijk speelveld voor boeren en mij daarvoor inzetten in de Raad.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister zal pleiten voor een verdere bespreking van moderne biotechnologieën. Deze leden ondersteunen dit van harte. Welke agenda zal de Minister voeren om op dit punt concrete stappen te zetten en is zij bereid om als nodig zelf met initiatieven te komen?

Voor wat betreft het verder bespreken van dit onderwerp heb ik vernomen dat de Europese Commissie een vervolg zal geven aan deze conferentie en zorgt voor verdere Europese agendering. Dit zal ik zeker steunen en Nederland zal hieraan actief meedoen. Daarnaast zal het kabinet binnenkort, in de aan de Kamer toegezegde voortgangsrapportage inzake de modernisering van het veiligheidsbeleid biotechnologie (Kamerstuk 27 428, nr. 346), nader ingaan op concrete stappen en initiatieven op dit onderwerp.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister oneerlijke handelspraktijken en het verbeteren van de positie van de boer in de keten aan de hervorming van het GLB koppelt. Voor deze leden is het belangrijk dat er meer duidelijkheid komt over wat nodig is om de positie van de boer te versterken en als de markt extra (bovenwettelijke) eisen stelt hoe deze terug te vinden zijn in de prijs voor een product. De Minister wil pleiten om de onduidelijkheid over de mogelijke spanning tussen de mededingingswetgeving en het GLB weg te nemen, zodat er duidelijkheid komt over de mogelijkheden die de producenten hebben om samen te werken. Het regeerakkoord vraagt dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) erop toe gaat zien dat boeren en tuinders hogere prijzen ontvangen van afnemers die bovenwettelijke eisen stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid of dierenwelzijn. Is de Minister bereid om in een brief uiteen te zetten welke stappen er in Europese wetgeving gezet moeten worden om in Nederland meer ruimte te hebben om dit te regelen en er door de ACM op toe te zien.

Ik vind het belangrijk dat boeren en tuinders hun positie in de keten kunnen versterken. Het gaat mij erom dat boeren op de markt een eerlijke prijs krijgen voor het duurzaam produceren van ons voedsel. Boeren kunnen zelf hun positie in de keten versterken onder andere door krachten te bundelen en samen te werken in de keten. Daarvoor biedt het GLB mogelijkheden.

In het regeerakkoord staat dat de ACM erop toe gaat zien dat boeren en tuinders hogere prijzen ontvangen van afnemers die bovenwettelijke eisen stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid of dierenwelzijn. Daarnaast bevat het regeerakkoord passages over het versterken van de positie van de boer in de keten in relatie tot het aanpassen van mededingingswetgeving. Ik zal uw Kamer in het eerste semester van 2018 informeren over de nadere uitwerking van het regeerakkoord op dit punt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad op 11 en 12 december 2017. Deze leden hebben hierover nog vragen.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister gaat pleiten voor een Total Allowable Catch (TAC)-verhoging van 66% voor tarbot en griet, zoals naar voren komt uit de herziening van het rekenmodel. Deze leden dringen hierop aan, mede vanwege de eerdere kortingen op deze bestanden.

Ik heb kennis genomen van het nieuwe advies en ben blij om te zien dat het goed gaat met het tarbotbestand in de Noordzee. Ik begrijp dat het frustrerend is om volwaardige volwassen vis verplicht overboord te moeten zetten, omdat het quotum beperkend is en aanlanden niet toelaat. Tijdens de aanstaande Landbouw- en Visserijraad zal ik mij dan ook inzetten voor het volgen van het wetenschappelijk advies. Het huidige voorstel van de Europese Commissie is voor mij niet toereikend, te meer omdat door het onnodig overboord zetten van volwaardige tarbot de afgelopen jaren een deel van de vangsten onterecht aangemerkt is als ongewenst. Om hier een einde aan te maken is mijn inzet dan ook de volledige ophoging van de TAC voor tarbot en griet.

Het zal naar alle waarschijnlijkheid geen gelopen race zijn om ook het discarddeel van het vangstadvies om te zetten in een daadwerkelijke TAC-verhoging. Wel verwacht ik dat een aanzienlijke verhoging van de TAC mogelijk zal zijn.

De leden van de CDA-fractie zijn evenals de Minister kritisch op het voorgestelde totaalverbod van vangst van paling groter dan 12 centimeter in zee. Deze leden vragen om een inschatting van hoe andere lidstaten hiernaar kijken. Zij vragen de Minister wat de voortgang is van de nationale aalbeheerplannen in Brussel.

Tot op heden toonde een aantal lidstaten (name Frankrijk, Denemarken, Duitsland, Polen en Spanje) zich zeer kritisch over het totaalverbod, vanwege de sociaaleconomische gevolgen die dit zou hebben. Zweden kan een totaalverbod op zee steunen. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland vinden dat maatregelen weliswaar nodig zijn, maar voelen meer voor een voortvarende uitvoering van de nationale beheerplannen. Een aantal lidstaten vindt dat de derde landen en de landen rondom de Middellandse Zee meegenomen zouden moeten worden.

In juni 2018 moeten lidstaten de derde tussentijdse rapportage van hun nationale aalbeheerplan indienen. De Europese Commissie heeft de lidstaten geïnformeerd dat zij in 2018 een externe evaluatie van de aalverordening laat doen om de effectiviteit en de bijdrage aan het aalherstel te bepalen. Dit met het oog op een mogelijke herziening.

De leden van de CDA-fractie zijn tegen de maatregelen gericht op de sportvisserij ten aanzien van zeebaars. Deze leden vinden dat het verbod op de sportvisserij te ver gaat omdat deze in zeer geringe mate bijdragen aan de neergang van het zeebaarsbestand. Is de Minister bereid zich te verzetten tegen de vangstmaatregelen gericht op de sportvisserij?

Ik zal mij verzetten tegen een verbod op de recreatievisserij op zeebaars. Ik acht een dergelijk verbod slecht handhaafbaar en ook onnodig. Een reden voor de Europese Commissie om tot een verbod te komen in een deel van het jaar is dat men ook bij «catch-and-release» nog een aanzienlijke sterfte verwacht van de gevangen en teruggezette vis. Ik beschik over een recent uitgebracht rapport «Research for PECH Committee – Marine recreational and semi-subsistence fishing – its value and its impact on fish stocks»2 waaruit blijkt dat de sterfte op een lager niveau ligt. Ik heb dit rapport in het kader van de voorbereiding op de Decemberraad gedeeld met het voorzitterschap.

Ten aanzien van de aanlandplicht, waarvan de invoering dichterbij komt zonder dat er oplossingen zijn, vragen de leden van de CDA-fractie of de Minister bereid is om te werken aan een discardsplan waarmee de verduurzaming met werkbare maatregelen voortgang vindt, maar waarbij geen draconische maatregelen nodig zijn die de visserij voortijdig stoppen.

Ik herken en deel de zorgen rondom de implementatie van de aanlandplicht in 2019 en het risico op verstikkingssoorten. In het afgelopen jaar heeft Nederland zich daarom in de Scheveningengroep en de Noordwestelijke Wateren-groep ingezet om de problematiek inzichtelijk te maken en oplossingen te inventariseren. Hierbij waren de sector en Ngo’s betrokken. Dit is recent ook bij de Europese Commissie onder de aandacht gebracht.

Gelet op de korte tijd voordat het discardplan 2019 gereed dient te zijn, wil ik de huidige mogelijkheden binnen de GVB-verordening, zoals selectiviteit, overleving en onderzoek, maximaal benutten. Daarnaast wil ik mij, in lijn met het regeerakkoord, inzetten voor versoepeling van de aanlandplicht zodra er alternatieven zijn die dezelfde doelen dienen. De inbreng van de visserijsector en de Ngo’s en samenwerking met overige lidstaten en de Europese Commissie zijn hiervoor onontbeerlijk. De noodzaak tot verbetering van de selectiviteit, overleving, onderzoek en innovatie houdt overigens niet op in 2019. Ik wil mij er, samen met de sector en Ngo’s, voor inzetten om op praktische en efficiënte wijze te werken aan een sterke en duurzame visserijsector.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de door de Europese Commissie gepubliceerde toekomstplannen voor het GLB. Deze leden zijn positief over de voorstellen om het GLB eenvoudiger en flexibeler te maken, mits dit bijdraagt aan het verminderen van de regeldruk. Zij constateren dat de Commissie meer verantwoordelijkheid bij de lidstaten wil neerleggen wanneer het gaat om controles, sancties en toezicht. De leden van de CDA-fractie vragen hoe ervoor gezorgd gaat worden dat de nationale bevoegdheden, die de lidstaten dan zouden krijgen, overal op correcte wijze uitgevoerd en gecontroleerd gaan worden. In hoeverre zijn dit nieuwe bevoegdheden en zou het kunnen zijn dat de uitvoering anders belegd moet worden? De leden van de CDA-fractie vragen wat de verwachting van de Minister is over de inzet van andere lidstaten Europa ten aanzien van het voorstel om een plafond vast te stellen voor directe betalingen van 60.000 tot 100.000 euro per bedrijf. Deze leden zijn voorstander van een dergelijk plafond maar vragen zich af of naleving van deze maatregel wel voldoende is te controleren, want bedrijven zouden hun bedrijf kunnen gaan splitsen. Zij vragen de Minister welke mogelijkheden zij ziet om invoering van groene (ecosysteem)diensten en blauwe (water)diensten verder vorm te geven binnen het GLB met daarbij een eerlijke marktconforme vergoeding voor grondeigenaren en grondgebruikers. Ziet de Minister ruimte om maatregelen in het GLB op te nemen die het bodemleven, de bodemvruchtbaarheid en CO2-vastlegging door verhoging van het organische stofgehalte, verbeteren?

De Mededeling van de Europese Commissie geeft de richting aan die haar voor ogen staat voor de modernisering en vereenvoudiging van het GLB. Het regeerakkoord geeft aan dat de regering streeft naar vereenvoudiging van het GLB en daarmee naar een verlaging van de regeldruk vanuit Europa, alsook dat er op nationaal niveau meer ruimte komt voor de invulling van de op EU-niveau vastgestelde doelen. Dat is de koers die de Mededeling ook kiest: meer subsidiariteit. Uit de Mededeling is niet op te maken in hoeverre het hier om nieuwe bevoegdheden gaat maar wel dat de lidstaten een grotere rol krijgen bij uitvoering en controles. Wat de Europese Commissie precies van plan is zal blijken uit de voorstellen voor regelgeving voor het nieuwe GLB waarmee zij voor de zomer van 2018 zal komen.

De Europese Commissie schetst in de Mededeling verschillende opties voor een eerlijke en doelgerichtere ondersteuning van het landbouwersinkomen, waaronder verplichte plafonnering van de directe betalingen. Concrete bedragen worden niet genoemd. Hoe lidstaten tegen plafonnering aankijken zal blijken uit de discussies in de Raad. Daar zal de vraag of naleving daarvan controleerbaar is ook aan de orde moeten komen.

De Mededeling koerst aan op omvorming van de directe betalingen naar betalingen voor maatschappelijke diensten («prestatiebetalingen»). Dat sluit aan bij de inzet van het regeerakkoord. Groene en blauwe diensten met een marktconforme vergoeding voor grondeigenaren en -gebruikers zijn goede voorbeelden van dergelijke prestatiebetalingen. Duurzaam bodembeheer zou een invulling daarvan kunnen zijn.

Conform de aanbevelingen van Agricultural Markets Taskforce (commissie Veerman) zou in het GLB ingezet moeten worden op het versterken van de positie van boeren en tuinders in de keten. De leden van de CDA-fractie nemen aan dat de Minister niet wacht op het nieuwe GLB met de uitvoering van het regeerakkoord om de positie van landbouwers te versterken. Klopt dat? Welke struikelblokken ziet de Minister nog bij de invulling van het nieuwe GLB?

Ik vind het belangrijk dat de positie van de boer in de keten wordt versterkt en ik hecht veel waarde aan de aanbevelingen die de Agricultural Markets Task Force daarover in 2016 presenteerde en de Raadsconclusies die daaruit zijn voortgekomen. Met de consultatie over het verbeteren van de voedselvoorzieningsketen geeft de Europese Commissie gevolg aan deze Raadsconclusies. Ook met de Omnibusverordening, die naar verwachting op korte termijn wordt vastgesteld, wordt de positie van de boer in de keten versterkt, onder andere door producentenorganisaties met onderhandelingsbevoegdheden in alle landbouwsectoren toe te staan. Het Regeerakkoord bevat een aantal passages om de samenwerking in de keten te stimuleren en de notie dat de ACM erop toe gaat zien dat boeren en tuinders hogere prijzen ontvangen van afnemers die bovenwettelijke eisen stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid of dierenwelzijn. Daarnaast bevat het regeerakkoord passages over het versterken van de positie van de boer in de keten in relatie tot het aanpassen van mededingingswetgeving. Zoals ook gemeld in mijn antwoord op de vraag van de VVD-fractie zal ik uw Kamer in het eerste semester van 2018 informeren over de nadere uitwerking van het regeerakkoord op dit punt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 11 en 12 december en willen de Minister nog enkele vragen stellen.

De leden van de D66-fractie hebben een aantal vragen ten aanzien van de vangstmogelijkheden voor 2018 in de Atlantische Oceaan en Noordzee. Deze leden hebben kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie over een akkoord over de verordening inzake de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2018. Hierin wordt vermeld dat de Europese Commissie met een voorstel gaat komen over het ophogen van de vangstmogelijkheden voor een deel van de demersale visserijsector dat problemen ondervind door de aanlandplicht. Eén van de redenen waarom er een aanlandplicht bestaat is dat vissers gestimuleerd moeten worden om nieuwe vistechnieken te gebruiken die er voor zorgen dat er minder bijvangst is. Deze leden begrijpen dat dit in sommige gevallen problemen oplevert, maar constateren ook dat het ophogen van de vangstmogelijkheden leidt tot meer bijvangst. Is de Minister van mening dat het ophogen van de vangstmogelijkheden ervoor kan zorgen dat de positieve effecten van de aanlandplicht op de hoeveelheid bijvangst teniet worden gedaan? Zo ja, is dit dan een verstandig voorstel?

Door het verhogen van de vangstmogelijkheden evenredig met het teruggooipercentage in voorgaande jaren wordt voorkomen dat vissers onredelijk worden benadeeld in de hoeveelheid aan te landen en commercieel te vermarkten vis. Toch blijft er ook met ophogingen van de vangstmogelijkheden voldoende stimulans om de hoeveelheid ongewenste bijvangst (ondermaatse vis) zoveel mogelijk te beperken. De aangelande ondermaatse vis mag immers niet bestemd zijn voor directe menselijke consumptie. De opbrengst van ondermaatse vangst blijft daardoor erg laag, waardoor vissers worden gestimuleerd selectiever te vissen.

Voorts hebben de D66-leden nog enkele andere vragen over visserij. Waarom stelt Nederland geen aalvangstverbod in voor zee, waar het International Council for the Exploration of the Sea (ICES) om vraagt? Ons aalmanagementplan is helemaal niet duurzaam. Nederland gaat niet uit van 40% ongestoorde situatie, maar van 40% huidige situatie. Waarom wordt er niet voor gekozen de paairijpe aal niet gewoon weg te laten zwemmen? Voor de economie hoeft deze keuze niet te worden gemaakt. Of is het een handhavingsprobleem? Is het, gelet op gelijk speelveld mogelijk een roll over te realiseren van de maatregelen 2017 voor de zeebaars voor zowel de sportvisserij als de kleinschalige kust visserij? Is de oplossing voor herstel ook te zoeken in technische maatregelen in plaats van vangstbeperkingen?

In 2011 is het Nederlandse aalbeheerplan door de Europese Commissie duurzaam bevonden en goedgekeurd. Het plan voldoet aan de criteria en doelstelling van het EU-aalherstelplan. Uw conclusie dat het beheerplan helemaal niet duurzaam deel ik daarom niet. Nederland heeft ook een aalvangstverbod, maar dan voor drie maanden tijdens de migratieperiode. De gesloten tijd uit het aalbeheerplan is zodanig gekozen dat de schieraal de gelegenheid krijgt om uit te trekken om te paaien.

Gezien het advies van ICES is mijn inzet de vangsten van zeebaars in 2018 verder te reduceren. Een herstel van dit bestand is nog niet ingezet. Ik vind het van belang bij het aanscherpen van de maatregelen te zorgen voor een gelijk speelveld en zal hier bij de Commissie op aandringen. Ik zie ook het belang van alternatieve maatregelen, zoals tijdelijke gebiedssluitingen en zal daartoe met de sector in overleg treden om de mogelijkheden hiervoor te onderzoeken. Dergelijke maatregelen kunnen niet in deze verordening van vangstmogelijkheden worden genomen.

De leden van de D66-fractie hebben ook vragen over het GLB 2020. Deze leden hebben kennisgenomen van de mededeling over de hervorming van het GLB na 2021. Eén van de veranderingen die hierin worden vermeld is dat er meer ruimte komt voor lidstaten voor vrijheid bij de implementatie van het nieuwe GLB. Deze ontwikkeling juichen de leden van de D66-fractie zeker toe, temeer indien sterker wordt gestuurd op doelen in plaats van met middelvoorschriften. Dit zal dus ook een aanpassing van de nationale uitvoeringscultuur vergen. Hoe staat de Minister hier tegenover? Voorts zouden deze leden willen weten op welke wijze het nieuwe GLB bijdraagt aan een transitie van de Nederlandse landbouw die meer op kringlopen is gebaseerd? Deelt de Minister de mening dat inkomenssteun dient te worden afgebouwd, omdat deze betalingen vaak niet bij de boeren terechtkomen maar bij de eigenaren van de grond? Deelt de Minister de mening dat inkomenssteun dient te worden afgebouwd ten gunste van betalingen voor onder meer biodiversiteit en klimaat? Is de Minister bereid om de vergroening van het GLB ook daadwerkelijk impact te laten hebben en geen genoegen te nemen met de huidige maatregelen, die nauwelijks een positief effect hebben gehad op biodiversiteit? De leden van de D66-fractie staan positief ten opzichte van de mening van de Minister dat de gehele voedselketen te weinig wordt meegenomen in het GLB. Deze leden zouden graag horen wat de Minister gaat doen om ervoor te zorgen dat er meer aandacht wordt gevestigd op voedsel in het nieuwe GLB, vooral in relatie tot voorlichting en activiteiten met betrekking tot gezonde voeding voor kinderen.

Sterker sturen op doelen in plaats van middelen vraagt in principe geen aanpassing van de nationale uitvoeringscultuur. De uitvoering van het GLB door de overheid geschiedt zorgvuldig en naar beste kunnen. Ook bij een herzien GLB zal dat het geval zijn.

Voor wat betreft een transitie naar een Nederlandse landbouw die meer op kringlopen is gebaseerd biedt de Mededeling van de Europese Commissie aanknopingspunten. Eén en ander zal echter afhangen van de voorstellen voor regelgeving waar de Europese Commissie in 2018 mee komen zal.

Ik ben van mening dat de systeemverandering naar subsidiariteit en prestatiebetalingen die de Europese Commissie in de Mededeling voorstelt kansen biedt om de landbouw in evenwicht te brengen met de doelen ten aanzien van klimaat, natuur en biodiversiteit. Die omvorming helpt ook borgen dat de boeren zelf beloond worden en de steun niet naar derden gaat. Mijn inzet is ook dat deze omvorming tot een werkelijke realisatie van de doelen van de vergroening leidt.

Voor wat betreft de positie van voedsel in het GLB zet ik onder meer in op sterkere bewustwording bij consumenten van het belang van duurzaam geproduceerd en gezond voedsel (voorlichting), transparantie daarover in de handel (etikettering) en bevordering van regelingen gericht op duurzaam geproduceerd en gezond voedsel voor jong en oud (o.a. schoolregelingen voor fruit en zuivel).

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 11 tot 12 december 2017. Deze leden hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie willen graag een reactie van de Minister op de mededeling van de Europese Commissie over het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid. Naar de mening van deze leden lijken de eerste signalen erop te duiden dat er enorm veel kansen worden gemist om de daadwerkelijke stap te zetten naar een duurzame landbouw met een goed verdienmodel voor boeren en tuinders. Deze leden zijn bezorgd over het vergroten van vrijheid van lidstaten indien er geen concrete en meetbare doelen worden gesteld, onder andere omtrent het vergroten van biodiversiteit, het reduceren van chemische gewasbescherming, de bijdrage van de landbouw aan het klimaatprobleem en het sluiten van kringlopen. Zij voorzien hierdoor een «race to the bottom» waarbij lidstaten, redenerend vanuit het perspectief van het voorkómen van concurrentienadelen ten opzichte van andere lidstaten, zoveel mogelijk zullen trachten de regels zo ruimharig mogelijk voor de eigen sector toe te passen. Terwijl juist een systeemverandering nodig is om de landbouw in evenwicht te brengen met klimaatdoelen, natuur en biodiversiteit. Deelt de Minister deze zorg? Is de Minister bereid om deze bezorgdheid over te brengen aan de Europese Commissie en de lidstaten? Zo nee, waarom niet? Is de Minister daarnaast bereid om nadrukkelijk de Europese Commissie te verzoeken om alleen Europese subsidies te verstrekken indien er concrete, meetbare prestaties ten behoeve van verduurzaming of andere maatschappelijke opgaven er tegenover staan? Wat betreft de leden van de GroenLinks-fractie betekent dit een verandering van het huidige pijlersysteem, waarbij een groot gedeelte van de gelden directe inkomenssteun zijn. Naar de mening van deze leden heeft deze directe inkomenssteun niet of nauwelijks bijgedragen aan een betere inkomenspositie van de boer, eerder aan een betere inkomenspositie voor bedrijven in de verdere voedselketen. Kan de Minister in een tijdlijn aangeven hoe het verdere proces eruit gaat zien? Wanneer wordt de Kamer betrokken bij de besluitvorming?

Subsidiariteit is naar mijn mening niet hetzelfde als het niet nakomen van op EU-niveau gestelde doelen met betrekking tot bijvoorbeeld biodiversiteit, natuur en klimaat. Subsidiariteit zoals omschreven in de Mededeling biedt de mogelijkheid om op nationaal niveau uit te werken hoe die doelen behaald worden. Dat is op zich een goede zaak en in lijn met het regeerakkoord. Het toekomstig GLB zal die doelen op EU-niveau moeten vastleggen, samen met criteria die bepalen of de gestelde doelen gehaald worden. Ik ben van mening dat de systeemverandering naar subsidiariteit en prestatiebetalingen die de Europese Commissie in de Mededeling voorstelt juist kansen biedt om de landbouw in evenwicht te brengen met de doelen ten aanzien van klimaat, natuur en biodiversiteit. Vanzelfsprekend zal ik mij ervoor inzetten dat de formulering van de doelen en criteria daar recht aan doet en dat er bij betalingen voor maatschappelijke diensten inderdaad zoveel mogelijk sprake is van concrete, meetbare prestaties.

De Europese Commissie heeft aangegeven op 29 mei 2018 te zullen komen met voorstellen voor het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) en kort daarna, voor de zomer van 2018, met voorstellen voor regelgeving voor het nieuwe GLB. Vanaf dat moment start het formele traject in de Landbouw- en Visserijraad. De Nederlandse inzet daarvoor zal zoals gebruikelijk in samenspraak met de Tweede Kamer tot stand komen.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat het voorzorgsbeginsel van groot belang is in het vaststellen van de TAC’s in de visserij. Deze leden maken zich in het bijzonder zorgen over de Europese aalpopulatie. Zij delen daarom de mening van de Europese Commissie om adequate maatregelen te treffen en steunen ook het voorstel om de visserij op aal van meer dan 12 centimeter op zee en in de kustwateren het hele jaar te verbieden. De leden van de GroenLinks-fractie verbazen zich erover dat Nederland bezwaar wil maken tegen het vangstverbod. Nederland verwijst daarbij naar het Nederlandse aalbeheerplan uit 2011 dat is beoordeeld als duurzaam. Kan de Minister aangeven wat de concrete resultaten zijn van het Nederlandse aalbeheerplan in de afgelopen jaren? En wat bedoelt de Minister met «volgens het ICES-advies lijkt het probleem» van de vangsten op zee beperkt tot een aantal lidstaten? Hoe past deze stellingname van de Minister in het eerder geschetste voorzorgsbeginsel? Deze leden vragen aan de Minister hoe veel Nederlandse kustvissers er zijn die primair op aal vissen en hoe groot het Nederlandse aandeel is in de Europese aalvisserij.

Voor de resultaten van het Nederlandse aalbeheerplan verwijs ik naar de in 2012 en 2015 uitgebrachte evaluatierapporten. Uw Kamer is daarover geïnformeerd (Kamerstuk 29 664, nr. 105, d.d. 5 juli 2012 en Kamerstuk 29 664, nr. 125, d.d. 8 juni 2015). Het ICES-advies geeft aan dat de aalvangsten op zee en in de kustwateren gedomineerd (98%) worden door Zweden, Duitsland, Denenmarken en Frankrijk. Volgens de begin 2017 door lidstaten aangeleverde gegevens bedroegen de aalvangsten op zee in 2014 naar schatting 580 ton. In 2016 werd in de Nederlandse kustwateren 9 ton gevangen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de eerste berichten van de Europese Commissie over het nieuwe GLB. Wat deze leden betreft is het beeld gemengd. Zij zijn blij dat er een voorstel voor een subsidieplafond van 100.000 euro ligt en horen graag of de Minister dit onderschrijft. De grotere vrijheid die lidstaten zouden krijgen op het gebied van uitvoering van Europese regels kan tot voordelen leiden als hiermee betere op plaatselijke omstandigheden wordt ingespeeld, maar biedt ook risico’s op nationale uitzonderingen om bijvoorbeeld uit ecologisch oogpunt noodzakelijke hervormingen te vermijden.

De leden van de SP-fractie zijn blij met de grotere aandacht voor de rol van landbouw binnen de klimaatproblematiek, maar constateren dat het probleem van de afnemende biodiversiteit in de voorstellen van de Commissie er karig af lijkt te komen. Deze leden zouden graag zien dat de Minister hier in de Raad aandacht voor vraagt. Zowel op het gebied van klimaatverandering als biodiversiteit lijken concrete doelstellingen in het GLB uit te blijven, hetgeen een hervorming van beperkte waarde zou maken. De leden van de SP-fractie dringen aan op harde doelstellingen op deze gebieden. Daarnaast wijzen ze op de wenselijkheid van een GLB van beperktere financiële omvang in het algemeen.

De Mededeling van de Commissie geeft geen concrete plafonds voor de subsidies. Hoe lidstaten tegen plafonnering aankijken zal blijken uit de discussies in de Raad. Daar zal de vraag of naleving daarvan controleerbaar is aan de orde moeten komen.

Voor wat betreft concrete doelstellingen met betrekking tot klimaatverandering en biodiversiteit verwijs ik u naar mijn antwoord op de vraag daarover van de GroenLinks-fractie.

De leden van de SP-fractie zijn het oneens met de Minister waar het gaat om het voorstel van de Europese Commissie om in het kader van het aalherstelplan de vangst totaal te verbieden. Wat deze leden betreft is de situatie dusdanig nijpend dat hiertoe moet worden overgegaan en is er geen legitieme reden om het verbod te beperken tot een aantal maanden. Ten overvloede wijzen zij erop dat het commissievoorstel is gebaseerd op een advies van ICES.

Ik ben het met de leden van de SP-fractie eens dat de situatie nijpend is. Ik wil de urgentie dan ook onder de aandacht brengen van mijn collega’s in Brussel. Nederland heeft in 2011 een ambitieus plan vastgesteld. Daar wordt nog volop aan gewerkt. Ik wil dat andere landen ook voortvarend aan de slag gaan. Het ICES-advies geeft aan dat vier lidstaten samen verantwoordelijk zijn voor 98% van de vangsten op zee. Nederlandse vissers onttrekken slechts een heel klein deel van de aal op zee (voor de hoeveelheden verwijs ik u naar het antwoord op vragen van GroenLinks-fractie). In de drie maanden waarin Nederland de aalvisserij gesloten heeft trekt het merendeel van de schieraal uit. Dit biedt de schieralen voldoende gelegenheid om naar hun paaigronden te zwemmen. Ik acht het dan ook niet noodzakelijk een jaarrond verbod op aalvisserij in te stellen.

Voor wat betreft de zeebaars zijn de leden van de SP-fractie verbaasd over het commissievoorstel, waarbij de sportvisserij voor wat betreft de eerste helft van 2018 een vangstverbod krijgt en de tweede helft alleen catch&release-visserij is toegestaan, terwijl de kleinere commerciële visserij vanuit economische overwegingen nog wel vangstmogelijkheden behoudt. Deze leden wijzen erop dat de recreatieve sportvisserij in het verleden slechts zeer beperkt heeft bijgedragen aan afname van zeebaarsbestanden, in tegenstelling tot commerciële visserij. Ook wijzen zij op het relatieve economische belang van recreatieve visserij voor kustgebieden. Ten slotte hebben de leden van de SP-fractie twijfels bij de handhaafbaarheid. In algemene zin stellen deze leden voor ofwel een totaalverbod op zeebaarsvangst voor zowel commerciële als recreatieve visserij, ofwel een (zeer) beperkte vangst voor beide sectoren. Dit voorstel lijkt echter de recreatieve vissers disproportioneel te benadelen.

Ik streef naar een gelijke behandeling van de commerciële visserij en de recreatieve visserij. Dit is voor mij één van de redenen om te pleiten voor een «catch-and-release» beleid voor de recreatieve visserij in plaats van een verbod gedurende (een deel van) het jaar. Verder verwijs ik naar het antwoord ter zake op een vraag van de fractie van het CDA.

De leden van de SP-fractie maken zich zorgen over de verspreiding van Afrikaanse varkenspest in verscheidene Midden- en Oost-Europese lidstaten. Deze leden horen graag van de Minister welke preventieve maatregelen Nederland stelt om verspreiding op ons grondgebied te voorkomen, met name op het gebied van het controleren van handelsstromen. Zij vragen of dit niet een goede aanleiding is om in Europees verband te wijzen op de onwenselijkheid van lange transporten, zowel uit het oogpunt van ziekteverspreiding, als milieulasten, als dierenwelzijn.

De verspreiding van Afrikaanse varkenspest in verschillende lidstaten van de Europese Unie is zorgwekkend. Alle lidstaten en de Europese Commissie zijn zich zeer bewust van de risico’s van verdere verspreiding. De ziekte is vooral moeilijk te bestrijden in de wilde zwijnenpopulaties. De introducties van het virus naar nieuwe gebieden, zoals onlangs in Polen, wordt vooral geassocieerd met menselijk handelen. Het risico daarvan wordt al tijden onderkend en daar wordt in besmette landen en ook in andere lidstaten van de Europese Unie voortdurend op gewezen.

In Nederland geldt, om de kans op introductie zo klein mogelijk te maken, een verplichting van een extra reiniging en desinfectie van wagens die leeg terugkeren uit landen waar uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens zijn vastgesteld. De NVWA voert daarop een administratieve controle uit.

Het is belangrijk dat alle betrokken sectoren in Nederland hun verantwoordelijkheid nemen om insleep van de ziekte te voorkomen. Het nemen van bioveiligheidsmaatregelen, zoals het naleven van het verbod van het voeren van keukenafval aan varkens, is essentieel, zowel op varkenshouderijen als door jagers en bezoekers van natuurgebieden.

De Europese Commissie kent de gevaren en er gelden strenge maatregelen voor transporten uit besmette landen. Er is strikte Europese regelgeving die moet voorkomen dat de ziekte door middel van transporten wordt verspreid. Milieulasten en dierenwelzijnsaspecten die samen hangen met lange afstandstransporten staan echter los van de Afrikaanse varkenssituatie in de Oost-Europese landen. Het kabinet heeft de afgelopen jaren steeds gepleit om de transportduur voor slachtdieren te beperken tot maximaal 8 uur. Verder heeft Nederland bij de Europese Commissie de wens te kennen gegeven dat het aantal transporten langer dan 8 uur of 500 kilometer substantieel vermindert. Daarbij is er ingezet op strengere transportcondities naarmate het transport langer duurt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 11 en 12 december 2017.

Ten aanzien van de vangstmogelijkheden voor 2018 in de Atlantische Oceaan en Noordzee hebben de leden van de fractie van de ChristenUnie de volgende vragen. Deze leden constateren dat jarenlang de gezamenlijke TAC voor tarbot en griet is gekort, omdat het «data limited stocks» waren: omdat er geen gegevens waren moest de TAC voor de zekerheid jaarlijks met 20% gekort worden. Vorig jaar is mede op instigatie van Nederland het benchmarkonderzoek gestart om een kwalitatief beter model voor tarbot en griet te maken. De daaruit volgende modelmatige schatting van visserijdruk en visbestand komt goed overeen met ervaringen uit de praktijk. In de in juni en november jl. gepubliceerde adviezen voor tarbot en griet heeft ICES nu vastgesteld dat de stock van tarbot met een factor 3 groter is en de visserijsterfte, net als bij tong en schol, heel laag, ruim binnen Maximum Sustainable Yield-grenzen. De berekeningen in dit robuuste model (met een geldigheid van twee jaar) leiden ertoe dat de gezamenlijke TAC voor tarbot en griet met 66% omhoog kan binnen het duurzaamheidskader zoals vastgesteld. Desondanks heeft de Europese Commissie besloten het wetenschappelijk advies niet te willen volgen en stelt zij een verhoging van 20% voor. Een dergelijke beperkte verhoging zal onnodig discarden laten voortbestaan. Bovendien brokkelt daarmee het draagvlak voor de aanlandplicht verder af. Is de Minister bereid om er tijdens de Landbouw- en Visserijraad voor te pleiten dat de wetenschappelijke modellen consequent gevolgd worden, dus niet alleen wanneer het ICES-advies leidt tot een lagere TAC, maar ook wanneer het leidt tot een hogere TAC? Is zij bereid te pleiten voor een verhoging groter dan 20%?

Voor mijn antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op de vraag van de CDA-fractie.

De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op het recente voorstel van de Europese Commissie met als doel een algeheel vangstverbod van paling groter dan 12 centimeter in zee. De Commissie baseert zich op ICES die vaststelt dat er geen vooruitgang zit in het herstel van de palingstand. De observaties uit de praktijk van de vissers komen echter niet overeen met deze vaststelling. Is de Minister bereid nader onderzoek te bepleiten voordat dit vangstverbod wordt ingesteld? Bij paling groter dan 12 centimeter in zee gaat het bovendien om vissen die vanuit het binnenwater de zee hebben bereikt om zich verder op de oceaan voort te planten. Juist op die trektocht naar zee ondervindt de paling de meeste problemen door dijken, sluizen, gemalen en waterkrachtcentrales. De echte winst voor de paling in Nederland is dan ook te behalen door de vele knelpunten in de binnenwateren op te heffen en een algeheel vangstverbod legt de oorzaak van het gebrek aan herstel ten onrechte bij de visvangst. Wanneer de bestaande afspraken in de Europese Aalverordening en het Nederlandse Aalbeheerplan worden nagekomen, zal de palingstand sneller herstellen. Op welke wijze kunnen de afgesproken maatregelen sneller uitgevoerd en gehandhaafd worden?

De geluiden uit de sector hebben mij ook bereikt. In het kader van het aalbeheerplan vindt elk jaar een uitgebreide monitoring plaats. Het is dus niet nodig extra onderzoek in te stellen. Volgend jaar zal de derde tussentijdse rapportage van de aalbeheerplannen plaatsvinden. Hieruit zal moeten blijken of er voortgang zit in het herstel van het aalbestand.

In de tussentijdse rapportage van 2015 is te lezen dat de doelstelling om 50% van de geplande migratiebelemmeringen op te lossen in 2015, is gehaald. Voor sluizen en gemalen worden grote investeringen gedaan. Waterschappen zullen daarom niet altijd per direct over kunnen gaan op visvriendelijke pompen, maar zij zullen hier wel rekening mee houden bij gepland onderhoud en bouw.

De leden van de fractie van de ChristenUnie lezen dat de Minister zich bewust is van de problemen die de sector ondervindt met de bijvangsten van geassocieerde soorten. De Minister wijst ook op het ontbreken van goede gegevens over de geassocieerde bestanden. Op welke manier zet de Minister zich ervoor in dat zo snel mogelijk gegevens verzameld worden over deze bestanden en daarmee voor tijdige duidelijkheid voor vissers over wat hen te wachten staat richting 2019?

Een goede kennis van bestanden op basis van betrouwbare gegevens is van belang, mede met het oog op de aanstaande volledige implementatie van de aanlandplicht in 2019. Daar staat tegenover dat onderzoek op zee kostbaar is. Ik zie dan ook een belangrijke rol weggelegd voor vissers waar het de registratie van teruggooi van ongewenste vis betreft, ook als vis overboord wordt gezet op basis van een de minimis-uitzondering. Door meer en betrouwbaardere discardgegevens kunnen betere bestandsadviezen worden gegeven door de wetenschappers van de International Council for Exploration of the Sea (ICES).

De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op de problemen met choke species bij de verdere implementatie van de aanlandplicht, waarbij nog geen oplossing in beeld is. Deze leden vragen of de Minister bereid is om aan een discardsplan te werken waardoor de verduurzaming in de visserij door kan blijven gaan en wordt voorkomen dat de visserij voortijdig moet stoppen.

Ik verwijs u naar de beantwoording van de vraag van de CDA-fractie.

Ten aanzien van de mededeling over het GLB na 2020 hebben de leden van de fractie van de ChristenUnie de volgende vragen. Deze leden steunen de inzet van de Minister met betrekking tot het GLB, onder meer door de aandacht voor maatschappelijke uitdagingen, innovatie en het borgen van het belang van voedsel. Terecht wijst de Minister op het ontbreken van het belang van de hele voedselketen voor de doelen van het GLB (zoals prijsvorming) in de mededeling van de Europese Commissie. De leden van de fractie van de ChristenUnie steunen de inzet van de Minister om de positie van boeren in de keten te versterken, naar aanleiding van de Raadsconclusies over oneerlijke handelspraktijken. De Minister zal onder meer pleiten voor het wegnemen van de spanning tussen de mededingingswetgeving en het GLB. Wat is de bredere inzet van Nederland richting het nieuwe GLB met betrekking tot de positie van boeren en tuinders in de keten, het borgen van het belang van de hele voedselketen en de mogelijkheden voor samenwerking?

De positie van boeren en tuinders in de keten is voor Nederland een centraal thema bij de herziening van het GLB. Het gaat mij erom dat boeren op de markt een eerlijke prijs krijgen voor het duurzaam produceren van ons voedsel. Een manier waarop de boer zijn positie kan verbeteren is door samen te werken met andere producenten en daarmee krachten te bundelen. Mijn verantwoordelijkheid daarbij is te helpen zoeken naar de mogelijkheden om die samenwerking gestalte te geven.

Mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de Agricultural Markets Task Force zijn in december 2016 Raadsconclusies aangenomen over het verbeteren van de positie van de boer in de keten. Op aandringen van Nederland wordt de Europese Commissie daarin verzocht om de mededingingsregels met betrekking tot de landbouw te verduidelijken. Nederland zette daar ook op in bij de inbreng voor de consultatie over het verbeteren van de voedselvoorzieningsketen (Kamerstuk 22 112, nr. 2399, bijlage 2). Met de Omnibusverordening, die naar verwachting op korte termijn wordt vastgesteld, zijn eerste stappen gezet door producentenorganisaties met onderhandelingsbevoegdheden in alle landbouwsectoren toe te staan. Ik zet mij ervoor in dat in de bredere GLB-herziening wordt bezien of verdere aanpassingen nodig zijn om producenten in staat te stellen optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden om samen te werken.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de visie van de Minister op risicomanagement in de mededeling van de Europese Commissie. De Commissie stelt voor om instrumenten op te nemen in het GLB om boeren weerbaar te maken tegen onder meer extreme weersomstandigheden.

Het GLB biedt mogelijkheden voor financiële ondersteuning vanuit de Europese Unie aan lidstaten voor privaat/publieke risicobeheersmaatregelen. De absorptie daarvan in de EU is op dit moment gering. Dat is onwenselijk omdat boeren en tuinders relatief grote risico’s lopen vanwege weersinvloeden en veterinaire en fytosanitaire risico’s. Ik steun daarom de koers van de Europese Commissie zoals verwoord in de Mededeling om nader te verkennen hoe het risicobeheersinstrumentarium van het GLB verbeterd kan worden, bijvoorbeeld door steun aan (her)verzekeringen of voorzorg-sparen en versterkte preventie.

Tot slot hebben de leden van de fractie van de ChristenUnie een aantal vragen over de uitkomsten van de high level-conferentie over Afrikaanse varkenspest van 8 en 9 november jl. Deze leden vinden de verspreiding van Afrikaanse varkenspest in onder meer Polen, Tsjechië en Roemenië zeer zorgelijk. Zij vragen meer toelichting op de maatregelen die worden genomen om een uitbraak in Nederland te voorkomen. Zo is het belangrijk om streng te controleren op diertransporten en de reiniging en desinfectie van wagens uit landen waar sprake is van besmetting. Hoe wordt deze controle uitgevoerd? Op welke manier vindt afstemming met andere lidstaten plaats over strikte controle op deze maatregelen? Zijn er aanscherpingen nodig in het risicobeheer voor wilde zwijnenpopulaties en voor buiten gehouden varkens?

De overheden van de getroffen lidstaten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de door de Europese Commissie opgelegde maatregelen om de ziekte te bestrijden en verspreiding te voorkomen. Zo gelden er bijvoorbeeld vervoersbeperkingen voor dieren en producten uit getroffen regio’s en moeten hygiënemaatregelen worden genomen.

De Europese Commissie voert audits uit onder andere om te zien of dit gebeurt. De lidstaten waar de audit is uitgevoerd dienen de aanbevelingen van de auditteams op te volgen. Lidstaten bespreken de situatie ook in diverse gremia, zoals het Permanent Veterinair Comité, de Landbouw- en Visserijraad en op de bijeenkomsten met Chief Veterinary Officers. In deze bijeenkomsten moeten getroffen lidstaten andere lidstaten informeren over de situatie en de aanpak, en kunnen andere lidstaten daarover vragen stellen. Op basis hiervan en van de informatie van de besmette lidstaten kan de Europese Commissie eventuele extra maatregelen nemen.

In Nederland geldt een verplichting van een extra reiniging en desinfectie van wagens die leeg terugkeren uit landen waar uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens zijn vastgesteld. Daarop wordt door de NVWA gecontroleerd.

Het is belangrijk dat alle betrokken sectoren in Nederland hun verantwoordelijkheid nemen om insleep van de ziekte te voorkomen. Het nemen van bioveiligheidsmaatregelen is essentieel, zowel op varkenshouderijen als door jagers en bezoekers van natuurgebieden.

Op dit moment zijn er geen aanscherpingen voor het beheer van wilde zwijnenpopulaties. De ziekte komt weliswaar voor in wilde zwijnen in Polen, de drie Baltische Staten en Tsjechië, maar vooralsnog is de kans niet groot dat via verspreiding van de wilde zwijnen de ziekte zich snel westwaarts verplaatst. De Europese Voedselveiligheidsautoriteit (European Food Safety Authority, EFSA) acht dit risico niet groot. Ook experts in Nederland schatten het risico nog laag in. Zolang er geen besmetting is bij wilde zwijnen in Nederland, zijn maatregelen voor buiten gehouden varkens niet opportuun.

Groter risico is verspreiding van het virus door menselijk handelen. Daar wordt bij alle bijeenkomsten in Europa over dit onderwerp op gewezen. Varkenshouders, jagers, medewerkers van varkenshouderijen dienen hun verantwoordelijkheid te nemen onder andere door goede bioveiligheidsmaatregelen te nemen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de komende Landbouw- en Visserijraad, evenals van het verslag van de vorige Raad. Deze leden hebben hierover zoals gebruikelijk kritische vragen en opmerkingen bij.

Ten aanzien van de rapportage duurzaam gebruik bestrijdingsmiddelen hebben de leden van de Partij voor de Dieren-fractie de volgende vragen. Deze leden lezen dat de Europese Commissie een rapport heeft uitgebracht over de voortgang van het verduurzamen van het gebruik van «gewasbeschermingsmiddelen». Daaruit zou blijken dat er voortgang is geboekt, maar ook dat de Nationale Actieplannen van de lidstaten meer concrete en meetbare doelen zouden moeten bevatten. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn niet erg onder de indruk van de ambities van de Europese Commissie, die in het licht van de glyfosaat-affaire tamelijk ongeloofwaardig overkomen. Mooie woorden over het terugdringen van het bestrijdingsmiddelengebruik, terwijl het burgerinitiatief, waarin burgers uit de hele EU een dringende oproep aan de Commissie hebben gedaan om het gebruik van glyfosaat, het meest gebruikte landbouwgif ter wereld, volstrekt is genegeerd en de Europese Commissie doordramde met een ongeclausuleerde nieuwe toelating van glyfosaat met nogmaals tien jaar. Het is te danken aan kritische lidstaten als Frankrijk en België dat dit naar vijf jaar is teruggebracht, maar dat is natuurlijk nog steeds veel te lang en het optreden van de Europese Commissie is en blijft er een die gericht is op het beschermen van multinationals als het bedrijf Monsanto boven het beschermen van natuur, milieu, volksgezondheid en de voedselzekerheid op lange termijn, om nog maar te zwijgen van het schofferen van Europese burgers en de democratie.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van de mededeling van de Europese Commissie getiteld «The Future of Food and Farming». Deze leden constateren dat in de plannen van Commissie elke ambitie ontbreekt om een transitie in te zetten naar een echte hervorming van de Europese landbouw waarbij voedsel een mensenrecht is en de productie hiervan gebaseerd is op aandacht voor mens, dier en natuur. Zij vinden dat het GLB en de bijbehorende subsidies moet worden ingezet voor een transitie naar biologische of natuur-inclusieve landbouw die opereert binnen de grenzen van de draagkracht van de aarde en een morele omgang met dieren. Afgaande op het voorstel van de Europese Commissie lijkt van een dergelijke transitie voorlopig geen sprake te zijn. De Commissie geeft aan dat het systeem van directe betalingen te willen continueren met hier en daar een kleine aanpassing. Terwijl een radicale herziening van het landbouwbeleid broodnodig is met het oog op de biodiversiteitscrisis, de urgente klimaatproblematiek en de moreel volstrekt onhoudbare intensieve veehouderij, kiest de Commissie aan vasthouden aan de status qua met een vergroeningsdoekje voor het bloeden. Deelt de Minister de mening dat het tijd is voor het breken met het conservatieve beleid waarbij industriële systemen die draaien op overproductie gefinancierd worden? De 8.6 biljoen dieren die jaarlijks in deze Europese industrie worden gefokt en geslacht hoeven hiermee immers voorlopig niet te rekenen op betere leefomstandigheden. Vindt de Minister dat verantwoord?

Ik ben van mening dat de richting die de Europese Commissie kiest in de Mededeling om het GLB nadrukkelijk te laten bijdragen aan het realiseren van maatschappelijke doelen en opgaven als duurzaamheid, klimaat, energie, natuur en milieu niet behoudend is maar juist vernieuwend. De inzet op prestatiebetalingen biedt kansen om de landbouw in evenwicht te brengen met maatschappelijke doelen.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen in de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad dat een gedetailleerde beoordeling van de mededeling niet mogelijk is. Kan de Minister in aanloop van deze beoordeling wel vast duidelijk maken of zij het noodzakelijk vindt dat subsidies vanuit het GLB volledig transparant zijn en niet misbruikt worden voor evenementen waarbij dierenmishandeling plaatsvindt voor vermaak? Kan de Minister zeggen wat zij vindt van het stierenvechten en volksfeesten zoals Toro de Fuego, zoals dat in Het Laatste Nieuws van 13 november 2017 beschreven staat? Is de Minister bereid om haar internationale collega’s hierop aan te spreken? Is de Minister bereid zich in te zetten om binnen de totstandkoming van het nieuwe GLB geen subsidies te laten verstrekken aan sectoren die zich inlaten met het vermaak van dieren? Deelt de Minister de mening dat structurele financiële ondersteuning alleen gerechtvaardigd is als dit sectoren ondersteunt die uitgaan natuur-inclusieve landbouw waarbij dieren in staat zijn hun natuurlijk gedrag uit te voeren?

Ik vind het belangrijk dat subsidies maximaal transparant zijn. Ook dient iedereen zich te houden aan de regels voor dierenwelzijn. Op Europees niveau houdt de Europese Commissie daar toezicht op. De betalingen onder het toekomstige GLB dienen gericht te zijn op het realiseren van maatschappelijke doelen, waaronder dierenwelzijn.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de Commissie in de mededeling suggereert dat het systeem van directe betalingen gecontinueerd kan worden met minimale aanpassingen. Deze leden vinden dat een onverantwoorde uitgave van zeer grote sommen belastinggeld. Algemene inkomenssteun zou minstens vervangen moeten worden door een resultaatgerichte beloning voor boeren die daadwerkelijk substantieel bijdragen aan het verbeteren van natuur, landschap en milieu. Alleen zo kan het GLB bijdragen aan oplossingen voor natuur, klimaat, milieu, dierenwelzijn en voedselzekerheid. Inkomenssteun voor de melkvee- en kalverhouderij verhouden zich per slot van rekening zeer slecht tot de klimaatdoelen van Parijs. Kan de Minister dat beamen?

De Mededeling van de Europese Commissie kiest als belangrijke modernisering een omvorming van (een deel van) de directe betalingen naar resultaatgerichte betalingen c.q. beloningen. Daarmee zal het toekomstig GLB actief bijdragen aan oplossingen voor natuur, klimaat, milieu, dierenwelzijn en voedselzekerheid. Ik wil hier ook stevig op inzetten. De veehouderij moet haar bijdrage leveren aan het realiseren van de klimaatdoelen. Het kabinetsbeleid is gericht op het ontwikkelen en invoeren van kosteneffectieve technische oplossingen waarmee de impact van de Nederlandse veehouderijproductie op het klimaat wordt terug gedrongen. Daarnaast zal per 1 januari 2018 door de invoering van het stelsel van fosfaatrechten de omvang van de melkveestapel in Nederland worden begrensd.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben een vraag over het beëindigen van overbevissing. Binnen het GVB zijn lidstaten verplicht om per 2015 overbevissing te beëindigen en dit alleen uit te stellen (tot uiterlijk 2020) als aangetoond kan worden dat er serieuze sociaaleconomische impact voor de sector dreigt. Deze leden constateren dat de overbevissing door lidstaten nog niet is beëindigd. Gaat de Minister erop aandringen dat de visserijministers zich vanaf 2018 wel aan deze afspraak houden?

Ik zet mij in voor de afspraak die in het Gemeenschappelijk Visserij Beleid is gemaakt, waarbij wordt gestreefd naar het bereiken van de Maximale Duurzame Opbrengst (Maximum Sustainable Yield, MSY) uiterlijk in 2020 en eerder indien redelijkerwijs mogelijk. Overigens wil ik opmerken dat overbevissing inderdaad niet in alle gevallen is beëindigd, maar ik wil daarbij ook de successen benoemen. De belangrijkste commerciële bestanden in de Noordzee worden inmiddels bevist op MSY-niveau en zo is bijvoorbeeld het scholbestand op een historisch hoog niveau aanbeland. Ik ben daar blij mee en dat is voor mij aanleiding door te gaan op de ingeslagen weg.

Ook stellen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie een aantal vragen over wijting. De ophoging van de TAC voor bijvangstsoorten zal ertoe leiden dat duurzame instandhouding van die soorten nog verder onder druk komen te staan. Zo is de TAC voor de wijting met 38% opgehoogd ten opzichte van vorig jaar.3 Maar in vergelijking met het wetenschappelijke advies voor dit jaar is de TAC 99% hoger dan wat door wetenschappers wordt geadviseerd om als «gewilde vangst» van het Noordzee wijting bestand weg te vangen. Deelt de Minister de mening dat het ophogen van deze normen kunnen leiden tot niet-duurzame instandhouding van deze bijvangstsoorten? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat de duurzame instandhouding van bijvangstsoorten belangrijker is dan ophoging van de TAC?

Wijting is een bestand dat gezamenlijk wordt beheerd door de Europese Unie en Noorwegen. Op 2 december jl. is een akkoord bereikt over een 15% reductie van de TAC «gewenste vangst», berekend ten opzichte van de TAC «gewenste vangst» voor 2017. In verband met de implementatie van de aanlandplicht is een ophoging van 62,15% toegepast, die correspondeert met het gemiddelde teruggooipercentage voor wijting. In het geval van wijting is de keuze gemaakt om de hoeveelheid «gewenste vangst» beperkt terug te dringen en af te wijken van het MSY-advies van een reductie van 31%, mede vanwege het risico dat wijting in 2018 een verstikkingssoort wordt. De ophoging correspondeert met het teruggooipercentage en zorgt dus niet voor een toename van de visserijsterfte.

Tot slot hebben de leden van de Partij voor de Dieren een aantal vragen over zeebaars. Deze leden zijn tevreden over het voornemen van de Europese Commissie om de visserij op zeebaars verder te beperken. De Commissie stelt voor 2018 een totaalverbod voor, met uitzondering van de visserij met haken en lijnen. De Minister geeft aan de ernst van de situatie te onderschrijven en zich in te willen zetten voor een gelijk speelveld voor de kleinschalige visserij. Deze leden constateren dat het grootste deel van de zeebaarsvangsten4 uit de gemengde demersale visserij (voornamelijk sleepnetvisserijen met fijne mazen) komt, waar de zeebaars een bijvangstsoort is. Erkent de Minister dat bijvangst beperkende maatregelen een essentieel zijn voor de duurzame instandhouding van de zeebaars? Zo ja, gaat de Minister voor 2018 de aanpak van deze overbevissing hoge prioriteit geven middels passende maatregelen, zoals technische tuigschriften, move-on principes, real-time closures en het weren van de visserij met fijne mazen in gebieden waar veel jonge zeebaars voorkomt?

Ik zet mij in voor een stevige beperking van de zeebaarsvangsten. Ik streef hierbij wel naar een gelijke behandeling van alle betrokken visserijen (haken en lijnen en bijvangstregelingen voor staand want en de kottersector). Dit betekent dat ik mij zal inzetten voor een sterke, maar relatief even grote daling van de vangstmogelijkheden voor de betrokken visserijen.

Ik zie ook het belang voor de verdere toekomst van andere maatregelen zoals tijdelijke gebiedssluitingen en zal daartoe met de sector in overleg treden om de mogelijkheden hiervoor te onderzoeken. Dergelijke maatregelen kunnen niet in deze verordening van vangstmogelijkheden worden genomen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorliggende geannoteerde agenda. Deze leden delen op hoofdlijnen de inzet van de Minister. Zij hebben nog enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie lezen dat de Minister een eerste reactie geeft op de mededeling van de Europese Commissie over de hervorming van het GLB na 2021. Deelt de Minister de mening dat een gelijk speelveld voor landbouwbedrijven van groot belang is? De Europese Commissie overweegt ruimte te bieden voor cofinanciering van betalingen in de eerste pijler door lidstaten. Deze leden zijn hier kritisch over. Hoe groot is het risico op een minder gelijk speelveld?

Ik deel de opvatting van de SGP-fractie over het belang van een gelijk speelveld. Ook als Raad en Europees Parlement zouden besluiten om cofinanciering in te voeren voor de betalingen in de eerste pijler zal moeten worden geborgd dat het gelijke speelveld behouden blijft. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op de vraag van de fractie van de VVD.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de Europese Commissie ten aanzien van de TAC voor tarbot en griet slechts een verhoging van 20% voorstelt. Kan de Minister aangeven waarom de Europese Commissie niet het wetenschappelijk advies volgt, namelijk een verhoging van 66%? Deze leden willen benadrukken dat de TAC voor tarbot en griet al jarenlang bij gebrek aan wetenschappelijke gegevens op basis van politieke keuzes is verlaagd. Het heeft naar nu blijkt geleid tot veel onnodige discards. Daarbij komt dat de genoemde TAC als deze leden het goed hebben begrepen niet alleen voor 2018 maar ook voor 2019 wordt vastgesteld. In 2019 wordt de aanlandplicht in volle breedte ingevoerd. Is de veronderstelling juist dat met een TAC-verhoging van slechts 20% de tarbot en griet zogenaamde «choke species» dreigen te worden? Deelt de Minister de mening dat het van groot belang is, mede gelet op het voorkomen van onnodige discards, dat de door wetenschappers voorgestelde verhoging van 66% gerealiseerd wordt? Gaat zij zich daar voluit voor inzetten?

Voor mijn antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op dezelfde vraag van de CDA-fractie.

De leden van de SGP-fractie lezen in het regeerakkoord: «De aanlandplicht moet worden versoepeld zodra er alternatieven zijn die hetzelfde doel dienen.» De realiteit is dat er veel zogenaamde «choke species» zijn waarvoor nog geen zicht is op een goede oplossing. Deze leden horen graag wat de inzet van de Minister is voor een werkbare aanpak van ongewenste bijvangsten zonder vroegtijdige stillegging van de visserij. Is zij bereid de Kamer binnenkort separaat te informeren over haar inzet ten aanzien van de aanlandplicht?

Ik zal u separaat informeren over mijn inzet ten aanzien van de aanlandplicht in de volgende voortgangsrapportage over de implementatie van het GVB. Voor de verdere beantwoording van uw vraag verwijs ik u naar de beantwoording van de vraag van de CDA-fractie over dit onderwerp.


X Noot
2

Hyder, K, Radford, Z, Prellezo, R, Weltersbach, MS, Lewin, WC, Zarauz, L, Ferter, K, Ruiz,

J, Townhill, B, Mugerza, E, & Strehlow, HV, 2017, Research for PECH Committee – Marine

recreational and semi-subsistence fishing – its value and its impact on fish stocks, European

Parliament, Policy Department for Structural and Cohesion Policies, Brussels

X Noot
4

Op basis van de vangstcijfers van 2010–2013 is de gemengde visserij volgens STECF (STEFC (2015), p. 22) goed voor ongeveer 41% van de totale zeebaars vangst. De verhoudingen liggen nu mogelijk anders wegens genomen maatregelen in 2015 en 2016.

Naar boven