Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201821501-07 nr. 1542

21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken

Nr. 1542 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 augustus 2018

Hierbij zend ik u de geannoteerde agenda voor de Eurogroep en informele Ecofinraad van 7 en 8 september te Wenen.

Het is mogelijk dat nog punten worden toegevoegd aan de agenda of dat bepaalde onderwerpen worden afgevoerd of worden uitgesteld tot de volgende vergadering.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Geannoteerde agenda Eurogroep en informele Ecofinraad 7 en 8 september te Wenen

Eurogroep 7 september

Reguliere samenstelling

Bezoek Commissie Economische en Monetaire Zaken van het Europees Parlement

Document: N.v.t.

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Eurogroep zal van gedachten wisselen met de Commissie Economische en Monetaire Zaken van het Europees Parlement (EP). Deze parlementaire commissie houdt zich onder meer bezig met het economisch en monetair beleid van de Unie, vrij verkeer van kapitaal, mededinging en belastingen. De voorzitter van deze Commissie is de Italiaan Roberto Gualtieri van de S&D. Het is bij het schrijven van deze bijdrage onduidelijk waar de gedachtewisseling specifiek betrekking op heeft. Er is tot op heden ook geen achtergrondstuk met de lidstaten gedeeld.

Thematische discussie over groei en banen – allocatieve efficiëntie

Document: N.v.t.

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Eurogroep zal een discussie voeren over allocatieve efficiëntie. Er is geen besluitvorming voorzien. Allocatieve efficiëntie betreft de mate waarin de productiefactoren in een veranderende economie tijdig en soepel naar de juiste bedrijven en sectoren in de economie worden verplaatst. Dit draagt bij aan productiviteitsgroei en schokabsorptie, hetgeen ook voor de eurozone zeer relevant is.

Er bestaan op dit moment nog aanzienlijke verschillen in allocatieve efficiëntie tussen de EMU landen. De discussie zal zich daarom naar verwachting ook richten op het type maatregelen dat het meest kan bijdragen aan het verbeteren van de allocatieve efficiëntie. Mogelijke maatregelen zijn het verlagen van toetredingsbarrières en het moderniseren van insolventieraamwerken, om zo te zorgen dat minder productieve bedrijven de meer productieve bedrijven niet belemmeren. Extra aandacht voor de duurzame inzetbaarheid van werkenden kan daarnaast het overstappen van werknemers naar nieuwe opkomende sectoren vergemakkelijken. Nederland zal benadrukken dat structurele hervormingen op de arbeidsmarkt nodig zijn om transitie te faciliteren en allocatieve efficiëntie te waarborgen.

Nederland vindt het belangrijk dat thematische discussies leiden tot meer consensus over goed economisch beleid. Dit kan vervolgens in kwantitatieve benchmarks worden omgezet, om landen zodoende middels peer pressure aan te zetten tot structurele hervormingen. Vooralsnog zijn er geen voorstellen voor een benchmark op het gebied van allocatieve efficiëntie. Nederland is van mening dat extra onderzoek naar allocatieve efficiëntie en beleidsopties nodig is.

Missie naar Portugal in het kader van post-programma surveillance

Document: Persverklaring, te vinden op https://ec.europa.eu/info/news/economy-finance/statement-european-commission-and-ecb-staff-following-eight-post-programme-surveillance-mission-portugal_en

Aard bespreking: Toelichting

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Eurogroep zal een terugkoppeling ontvangen over de achtste missie in het kader van post-programma surveillance (PPS) naar Portugal, die plaatsvond van 5 tot 12 juni dit jaar. De ECB, het ESM en de Europese Commissie namen deel aan de missie. Het voornaamste doel van PPS is te beoordelen of de lidstaat in kwestie voldoende capaciteit heeft om EU-leningen terug te betalen en indien nodig aanbevelingen te doen.

De voornaamste bevindingen van de missie waren positief. De economie laat een robuuste groei van 2,7% in 2017 zien, al zal deze iets afnemen naar niveaus die gelijk zijn aan het gemiddelde van de eurozone. Ondanks het feit dat banken stabieler zijn geworden, blijven verdere maatregelen nodig om het niveau van non-performing loans naar beneden te brengen. Daarnaast wijzen de instellingen erop dat de gunstige economische omstandigheden een kans bieden om publieke en private schulden verder terug te dringen en productie – die achter blijft bij de rest van de eurozone – te vergroten. De toezegging van Portugal om meevallers te gebruiken om de schuld af te bouwen wordt dan ook verwelkomd. Het kabinet kan zich vinden in de bevindingen van de instellingen.

Inclusieve samenstelling

Follow-up Eurotop van juni, inclusief backstop

Document: N.v.t

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Eurogroep zal van gedachten wisselen over de Economische en Monetaire Unie (EMU), ter opvolging van de Eurotop van 29 juni jongstleden, met in het bijzonder aandacht voor de backstop van het gemeenschappelijk resolutiefonds.

Tijdens de Eurotop van 29 juni jl. is een verklaring opgesteld over de EMU. Daarin staat onder andere dat gegeven het bankenpakket van mei er nu gewerkt zal gaan worden aan een routekaart om politieke onderhandelingen over EDIS te starten, waarbij vastgehouden wordt aan alle elementen van de routekaart van 2016, waaronder de voor Nederland belangrijke discussies over de prudentiële behandeling van staatsobligaties. Ook is in de verklaring opgenomen dat er consensus was onder de lidstaten om het ESM de gemeenschappelijke achtervang van het SRF te maken en tegelijkertijd het ESM te versterken. Daarbij zal gewerkt worden op basis van alle elementen van een ESM-hervorming uit de brief van de voorzitter van de Eurogroep aan president Tusk. Daarnaast zal de Eurogroep verder spreken over alle andere elementen in de brief van de voorzitter van de Eurogroep. In de Eurotop van december 2018 zal weer gesproken worden over de toekomst van de EMU.

Om in december besluiten te kunnen nemen over al deze elementen, wordt in de Eurogroep de komende tijd over deelonderwerpen gesproken.

De Eurogroep zal nu waarschijnlijk met name van gedachten wisselen over de besluitvorming over het gebruik van de achtervang. Sommige lidstaten willen het besluit over het verstrekken van leningen van het ESM aan de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (Single Resolution Board; SRB) delegeren aan de directeur van het ESM. Nederland behoort tot de landen die pleiten voor unanieme besluitvorming in de Raad van bewind van het ESM. Omdat bij de afwikkeling van financiële instellingen snelle besluitvorming nodig is, zal het ESM daarvoor wel een bijzondere besluitvormingsprocedure moeten ontwikkelen.

In de routekaart ter voltooiing van de bankenunie uit 2016 is afgesproken dat de achtervang eerder dan aan het eind van 2023 ingevoerd kan worden als sprake is van voldoende risicoreductie. De Eurogroep zal mogelijk van gedachten wisselen over het proces om te bepalen of de risicoreductie voldoende is om de achtervang te activeren. Sommige lidstaten zijn van mening dat reeds voldoende risicoreductie is bereikt. Nederland behoort tot de landen die erkennen dat belangrijke stappen zijn gezet in het reduceren van de risico’s in het bankwezen, maar nog niet voldoende voor het activeren van de achtervang. Nederland zet in op afronding van het zogenaamde bankenpakket in lijn met het raadsakkoord van mei jongstleden over onder andere de Minimum Requirement for own funds and Eligible Liabilities (MREL) en de leverage ratio. Daarnaast zet Nederland in op aantoonbare verdere risicoreductie in de Europese bankensector. In de brief van Eurogroepvoorzitter Centeno aan de voorzitter van de Europese Raad (van juni 2018) staat dat de Europese instellingen in 2020 een rapport zullen presenteren over risicoreductie op het gebied van MREL en niet-presenterende leningen (NPL’s).

Als laatste zal mogelijk gesproken worden over de intergouvernementele overeenkomst betreffende de overdracht en mutualisatie van de bijdragen aan het gemeenschappelijke afwikkelingsfonds (IGA). Sommige lidstaten zijn van mening dat deze overeenkomst aangepast moet worden als de gemeenschappelijke achtervang wordt ingevoerd, omdat deze zonder aanpassing tot eind 2023 op een iets andere wijze functioneert dan daarna. Dit komt doordat de IGA voorschrijft dat tot eind 2023 leningen die de SRB aangaat (als de beschikbare middelen in het SRF zijn uitgeput) terugbetaald moeten worden door de financiële instellingen in het land waar de afwikkeling plaatsheeft. Na 2023 worden leningen van de SRB terugbetaald door alle financiële instellingen in de bankenunie. Nederland is geen voorstander van een aanpassing van de IGA. De politieke afspraken die gemaakt zijn, gaan over een gemeenschappelijke financiering van de achtervang, niet over de terugbetaling daarvan. Aanpassing van de IGA zou kunnen inhouden dat de in 2014 overeengekomen geleidelijke risicodeling in het SRF versneld wordt, zonder dat er sprake is van versnelde risicoreductie. Ook andere lidstaten zijn kritisch over het aanpassen van de IGA. Aanpassing van de IGA vergt door het intergouvernementele karakter instemming van de nationale parlementen.

Informele Ecofinraad 7 en 8 september

Europese Investeringsbank

Document: Presidency Issues Note European Investment Bank. Document wordt nog voor het Algemeen Overleg naar de Kamer verstuurd.

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Europese Investeringsbank (EIB) wordt besproken tijdens een werklunch van de Ecofin. De aanleiding voor het gesprek is het 60-jarige bestaan van de EIB. Dit jubileum biedt de gelegenheid om los van de dagelijkse gang van zaken van de Bank strategische onderwerpen te bespreken.

Onderwerpen die door het Voorzitterschap zijn voorgedragen ter discussie zijn: (1) European value added, (2) EIB’s organisational set-up: Comparative advantage and expertise en (3) EIB’s supervisory framework: Way forward. Discussievragen zijn onder andere hoe de EIB additionaliteit kan borgen en welke strategieën daaraan kunnen bijdragen, de organisatie van equity-activiteiten tussen het European Investment Fund (EIF; onderdeel van de EIB-Groep) en de EIB gegeven de comparatieve voordelen van beide organisaties en de mogelijkheid tot extern toezicht op de EIB, bijvoorbeeld door het SSM.

Zoals recent aan de Kamer gemeld1, heeft de Raad van bewind van de EIB op 24 juli jl. een voorstel gedaan voor vervanging van het Britse kapitaal. Daarnaast is het voorstel voor de wijzigingen van het statuut van de EIB voorgelegd aan de Raad van gouverneurs. De Ministers van Financiën zullen in hun hoedanigheid als gouverneurs van de Bank unaniem besluiten over deze voorstellen.

Volgens het Verdrag van de werking van de EU draagt de EIB bij aan de evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt. De EIB financiert projecten die bijdragen aan het gemeenschappelijk belang van verschillende lidstaten. De EIB verstrekt leningen in zowel de publieke als de private sector voor projecten die bijdragen aan een concurrerende, innovatieve, sociale en groene markteconomie en die vanwege hun aard en omvang niet of niet volledig op de reguliere markt gefinancierd kunnen worden.

Het kabinet is van mening dat de activiteiten van de EIB additioneel moeten zijn aan de markt. Nederland ziet als aandeelhouder van de EIB daarom toe op de doelmatige aanwending van kapitaal. Nederland heeft zich tijdens de onderhandelingen over de kapitaalverhoging hard gemaakt voor hervormingen van de governance van de EIB. Het is belangrijk om samen met andere gelijkgezinde lidstaten toe te zien op de voortvarende implementatie daarvan.

Implicaties van een stijgende rente

Document: Presidency Issues Note on Financial Stability Implications of Increasing Interest Rates.Document wordt nog voor het Algemeen Overleg naar de Kamer verstuurd.

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Ecofin zal van gedachten wisselen over de eventuele gevolgen van een stijgende rente. Een hogere rente kan het voor bedrijven, overheden en huishoudens duurder maken om activiteiten te financieren of om schulden te herfinancieren. Wanneer er een toename is in het aantal partijen dat moeite heeft om te voldoen aan verplichtingen kan dat gevolgen hebben voor de financiële stabiliteit.

Tot voor kort was er met name oog voor de gevolgen van de aanhoudende lage rente voor financiële instellingen.2 Diverse structurele factoren dragen bij aan de momenteel historisch lage rentestand, zoals vergrijzing en lagere potentiële groei. De rente wordt verder verlaagd door het ruime monetaire beleid van de ECB. De ECB zegt zelf rekening te houden met de effecten van haar beleid.3 Een lage rente kan: (1) leiden tot een jacht op rendement en daarmee onevenwichtige kredietgroei; (2) verplichtingen voor verzekeraars en pensioenfondsen verhogen; (3) op termijn de rentemarge en daarmee winstgevendheid van banken raken en (4) zorgen dat slecht presterende bedrijven hun leningen langer kunnen doorrollen en zo geen ruimte maken voor goed presterende bedrijven. Dit kan een negatief effect hebben op de productiviteitsgroei. De lage rente lijkt vooralsnog niet de hoofdoorzaak van de relatief lage winstgevendheid van banken in meerdere EU-lidstaten. Hierbij spelen factoren zoals operationele efficiëntie en afschrijvingen op probleemleningen een veel grotere rol.4

Een stijging van de rente zal de vermogenspositie van verzekeraars en pensioenfondsen naar verwachting verbeteren. Voor banken kan druk ontstaan om tegen een hogere rente in te lenen. Indien banken geld voor lange tijd hebben uitgeleend tegen een lagere rente, kan dit hun marge raken. Daarom is het zaak dat banken over stabiele financiering beschikken en hun overblijvend renterisico adequaat afdekken. Het recent door de Raad overeengekomen bankenpakket bevat dan ook een eis voor de mate waarin banken hun veelal langlopende verplichtingen op een stabiele manier financieren.5 Volgens DNB loopt de gevoeligheid voor rentestijgingen voor het Nederlandse bedrijfsleven uiteen en hangt dit samen met de manier van financieren van een bedrijf. Over huishoudens stelt DNB dat deze recent minder gevoelig zijn geworden voor een rentestijging omdat zij meer aflossen, en vaker voor een langere rentevaste periode kiezen.6

Nederland zal in deze discussie het belang benadrukken van het opbouwen van buffers en het afbouwen van schulden. Waar het afbouwen van schulden partijen minder gevoelig maakt voor schommelingen in de rente, zorgt de opbouw van buffers ervoor dat eventuele schommelingen makkelijker kunnen worden opgevangen.

Het economisch potentieel en risico’s van crypto-activa

Document: Presidency Issues Note on the Economic Potential and Risk of Crypto-Assets.Document wordt nog voor het Algemeen Overleg naar de Kamer verstuurd.

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Ecofin zal van gedachten wisselen over de inzet ten aanzien van crypto-assets en (proportionele) regelgevingsmogelijkheden. Dit onderwerp staat op de agenda omdat er veel ontwikkelingen zijn rond crypto-assets zijn. Hoewel nu de koersen gedaald zijn de urgentie van regulering minder groot lijkt, behoeft dit onderwerp nadere aandacht.

Veel lidstaten zijn zoekend en houden de ontwikkelingen op de markt scherp in de gaten. Deels hebben lidstaten nationale maatregelen getroffen. Anderzijds lijkt er consensus dat internationale maatregelen het meest effectief zijn, gezien het digitale en daarmee grensoverschrijdende karakter.

Om de risico’s te adresseren en innovatie niet onnodig te remmen zet Nederland in op een passend regelgevend kader in internationaal verband. Een advies hierover wordt momenteel in een gezamenlijke AFM/DNB-werkgroep voorbereid. Het advies aan de Minister van Financiën wordt in oktober verwacht. Aan de hand van het advies van AFM en DNB zal ook de verdere Europese inzet bepaald worden. Een update aan de Tweede Kamer is toegezegd in de 2e helft van 2018.

Eerlijke belastingheffing van de digitale economie

Document: Nog niet beschikbaar

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Informele Ecofin zal van gedachten wisselen over belastingheffing in de digitale economie. De precieze insteek die het Oostenrijkse voorzitterschap voor deze discussie zal kiezen is nog niet bekend, maar waarschijnlijk wil het voorzitterschap de posities van de lidstaten op politiek niveau in kaart brengen alvorens op Raadswerkgroepniveau verder te werken aan de beide richtlijnvoorstellen van de Commissie voor belastingheffing in de digitale economie. De verwachting is dat Oostenrijk gedurende zijn voorzitterschap meer aandacht zal besteden aan de interim--maatregel die door de Commissie is voorgesteld, de digitaledienstenbelasting7, en minder tijd zal besteden aan de langetermijnoplossing, het richtlijnvoorstel voor de aanmerkelijke digitale aanwezigheid8. Overeenkomstig de informatieafspraken die de Staatssecretaris van Financiën met de Tweede Kamer in het kader van het behandelvoorbehoud bij de richtlijnvoorstellen voor belastingheffing in de digitale economie heeft gemaakt,9 wordt hieronder ingegaan op de voortgang van de onderhandelingen in Raadsverband, de in de informatieafspraken genoemde onderwerpen en de Nederlandse inzet op dit dossier.

Na een algemene discussie over de voorstellen van de Commissie zijn gedurende het Bulgaarse voorzitterschap beide richtlijnvoorstellen artikelsgewijs in de Raadswerkgroep besproken. Daarnaast is de aanbeveling van de Commissie voor belastingverdragen10 besproken. De Commissie heeft verhelderd dat de digitaledienstenbelasting een indirecte belasting betreft. Omdat de gekozen rechtsgrondslag van de richtlijn (artikel 113 VWEU) geen basis biedt voor harmonisatie van directe belastingen, wordt volgens de Commissie de mogelijkheid voor lidstaten om toe te staan dat de door belastingplichtige betaalde digitaledienstenbelasting als kosten in aftrek kan worden gebracht van de vennootschapsbelastinggrondslag slechts genoemd in de overwegingen bij de richtlijn (overweging 27) en niet in de richtlijn zelf voorgeschreven. Dit brengt het gevaar met zich dat sommige lidstaten wel en anderen niet een dergelijke aftrek van kosten zullen toestaan, waardoor een gelijk speelveld wordt ondermijnd. De langetermijnoplossing is wel een harmonisatie op het gebied van directe belastingen op basis van artikel 115 VWEU. Het is de bedoeling dat de richtlijn voor de aanmerkelijke digitale aanwezigheid leidt tot een aanpassing van de vennootschapsbelasting in de EU-lidstaten voor wat betreft de vaststelling van de aanwezigheid van een vaste inrichting in een lidstaat en de toerekening van winsten aan deze vaste inrichting. Dit onderwerp wordt momenteel ook besproken in de Task Force on the Digital Economy van de OESO. Verschillende oplossingen worden in deze Task Force uitgewerkt die uiteindelijk moeten leiden tot een rapport op basis van consensus in 2020 en een tussentijdse update in 2019. De Task Force on the Digital Economy houdt zich overigens niet bezig met een interim--maatregel en concentreert zich op een (mondiale) langetermijnoplossing.

In de besprekingen over de digitaledienstenbelasting is ook het tarief van de belasting ter sprake gekomen. De Commissie heeft tijdens de besprekingen gewezen op de opmerking in de overwegingen bij het richtlijnvoorstel (overweging 35) dat het voorgestelde tarief «een passend evenwicht biedt tussen enerzijds het genereren van inkomsten door de belasting en anderzijds de differentiële impact van de digitaledienstenbelasting op bedrijven met verschillende winstmarges». De Commissie heeft een tarief van 3% voorgesteld, waarvan lidstaten niet kunnen afwijken. Verschillende lidstaten hebben echter aangegeven zelf het tarief te willen vaststellen. Een enkele andere lidstaat steunt het door de Commissie voorgestelde tarief van 3%. Vooralsnog is niet duidelijk welke kant de discussie opgaat en of in de uiteindelijke richtlijn de mogelijkheid wordt geboden aan lidstaten om zelf een hoger tarief te hanteren dan het in de richtlijn opgenomen tarief.

Ook is de grondslag van de digitaledienstenbelasting besproken. Sommige lidstaten willen deze zo breed mogelijk houden met het oog op toekomstige technologische ontwikkelingen. Andere lidstaten vinden juist dat de grondslag zo eng mogelijk zou moeten worden uitgelegd om «bijvangst» te voorkomen. Zo zijn geluiden opgegaan voor het schrappen van bepaalde opbrengsten uit de grondslag van de digitaledienstenbelasting en voor het specifieker definiëren van het begrip «gerichte advertenties».

Een belastingplichtige voor de digitaledienstenbelasting zal aangifte moeten doen in één lidstaat waar de digitaledienstenbelasting is verschuldigd en hij mag zelf kiezen in welke lidstaat dit is, ongeacht of hij daar op dat moment belastingplichtig is voor bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting. De lidstaat van aangifte is vervolgens verantwoordelijk om de relevante informatie binnen tien dagen te delen met andere lidstaten en bovendien de betaalde digitaledienstenbelasting volgens de verdeelsleutel en op basis van de door de belastingplichtige aangeleverde informatie over te maken aan andere lidstaten. Dit principe wordt de one-stop-shop genoemd en is geïnspireerd op een vergelijkbaar systeem in de btw. De opbrengst van de digitaledienstenbelasting vloeit in de algemene middelen van de lidstaten. De Commissie heeft weliswaar nationale afdracht gerelateerd aan de digitale economie geanalyseerd in relatie tot de eigen middelen van de EU in aanloop naar haar voorstel voor het Meerjarig Financieel Kader, maar heeft dit niet voorgesteld. Het Nederlandse kabinet staat traditioneel terughoudend tegenover nieuwe eigen middelen. Dit geldt ook voor een eigen middel op basis van de digitale economie.

Nederland heeft in de Raadswerkgroep conform het BNC-fiche aangegeven dat er voldoende tijd moet zijn voor een zorgvuldige implementatie van de digitaledienstenbelasting in wetgeving, omdat deze richtlijn een geheel nieuwe belasting voorstelt. Omdat voor zowel implementatie als uitvoering beide twee jaren nodig zijn, zou volgens Nederland, om een zorgvuldige implementatie en uitvoering te waarborgen, de richtlijn niet eerder dan vier jaar na aanname door de Ecofinraad van toepassing moeten worden.

De richtlijnen over belastingheffing in de digitale economie staan los van het richtlijnvoorstel audiovisuele mediadiensten (AVMD-richtlijn). De onderhandelingen over dit richtlijnvoorstel, waarover in tegenstelling tot belastingrichtlijnen met gekwalificeerde meerderheid moet worden besloten, bevinden zich momenteel in de eindfase. De Raad en het Europees Parlement moeten nog akkoord gaan met de tekst. Pas daarna kan met de implementatie van de AVMD-richtlijn worden gestart.

In een brief aan de Tweede Kamer van 2 juli jl.11 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, een eerste reactie gegeven op het sectoradvies Zicht op zo veel meer van de Raad voor Cultuur over het Nederlands cultureel audiovisueel aanbod. In die brief is de Tweede Kamer geïnformeerd over een onderzoek dat in opdracht van het Ministerie van OCW zal worden uitgevoerd naar de werking van stimuleringsmaatregelen in de Nederlandse audiovisuele sector en naar de gevolgen hiervan voor de verschillende eindexploitanten. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd door een onafhankelijk adviesbureau, dat in september van start gaat.

De onderhandelingen over de richtlijnvoorstellen over belastingheffing in de digitale economie zullen na de Informele Ecofinraad op Raadswerkgroepniveau worden voortgezet. Mogelijk zal het Oostenrijkse voorzitterschap tijdens de Informele Ecofinraad verduidelijken of het voornemens is nog in 2018 de digitaledienstenbelasting en/of de langetermijnoplossing ter besluitvorming aan de Raad voor te leggen.

MFK: Verdieping EMU

Document: Presidency Issues Note on Deepening EMU: Strengthening Structural Reforms and Macroeconomic Stabilisation.Document wordt nog voor het Algemeen Overleg naar de Kamer verstuurd.

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Commissie zal tijdens de informele Ecofin haar voorstellen in het kader van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2021–2027 presenteren. In het bijzonder zal worden stilgestaan bij de voorstellen voor een Europese Investeringsstabilisatiefunctie en het Hervormingsondersteuningsprogramma. Dit wordt gevolgd door een gedachtewisseling tussen de lidstaten. Er is geen besluitvorming voorzien.

Investeringsstabilisatiefunctie

Het Kabinet heeft de Tweede Kamer op 10 juli jongstleden middels een BNC-fiche12 op de hoogte gebracht van haar opvattingen over het Commissievoorstel over een Europese investeringsstabilisatiefunctie. Het voorstel voorziet erin dat de Europese Commissie een lening verstrekt aan een lidstaat die wordt getroffen door een (grote) asymmetrische economische schok om publieke investeringen op peil te houden. Dit moet voorkomen dat de periode van economische tegenspoed wordt verlengd door wegvallende investeringen. De Commissie sluit hiervoor zelf een lening af op de financiële markt.

In het voorstel wordt vastgelegd dat het totale bedrag aan uitstaande leningen op basis van het instrument niet meer dan 30 miljard euro zal bedragen. De EU-begroting zal garant staan voor deze leningen. Voor deze garantstelling wil de Commissie gebruik maken van de ruimte tussen het betalingenplafond van het MFK en het maximum aan eigen middelen dat de Commissie mag ophalen volgens het Eigenmiddelenbesluit.

Naast het beschikbaar stellen van een lening voorziet het voorstel ook in het wegnemen van de rentelasten van de lening, door middel van het verstrekken van een subsidie die gelijk staat aan de totale rentekosten. Deze subsidie wordt toegekend indien de lidstaat de lening heeft terugbetaald en heeft voldaan aan de voorwaarden die de lening stelt, waaronder het op peil houden van de overheidsinvesteringen op het gemiddelde niveau van de voorgaande vijf jaar. De rentesubsidie wordt betaald uit een op te richten «fonds voor stabilisatiesteun». Dat fonds wordt gevuld met jaarlijkse nationale bijdragen van lidstaten. De verdeelsleutel die daarbij wordt gehanteerd is gebaseerd op het aandeel van nationale centrale banken in seignorage. De overdracht van die nationale bijdragen zal worden vastgelegd in een intergouvernementele overeenkomst, waarvan een ontwerp bij het voorstel is gevoegd.

Zoals ook verwoord in het BNC-fiche is het kabinet geen voorstander van een stabilisatiemechanisme voor de eurozone om de gevolgen van economische schokken op te vangen. Lidstaten kunnen deze schokken opvangen door gebruik te maken van eigen budgettaire buffers en zogenoemde automatische stabilisatoren in nationale begrotingen. Lidstaten die voldoen aan de regels van het SGP en hun overheidsschuld niet uit hand hebben laten lopen, zijn in staat vrijwel alle economische schokken op te vangen. De mogelijkheden voor grensoverschrijdende schokabsorptie kunnen bovendien worden vergroot met het versterken van de bankenunie en de kapitaalmarktunie, aangezien die de beschikbaarheid van grensoverschrijdende financiering vergroten.

Hervormingsondersteuningsprogramma

Het Kabinet heeft de Tweede Kamer op 10 juli jongstleden middels een BNC-fiche13 op de hoogte gebracht van haar opvattingen over het Commissievoorstel over een Europees hervormingsondersteuningsprogramma. Het voorgestelde programma bevat drie instrumenten: (1) een financiëleondersteuningsinstrument of Reform Delivery Tool, (2) een instrument voor technische assistentie en (3) een convergentiefaciliteit. Elk van de instrumenten kan door lidstaten op vrijwillige basis worden benut. Het totale programma kent een budget van 25 miljard euro voor de gehele periode 2021–2027, met een indicatieve verdeling over de instrumenten: 22 miljard euro voor het financiële ondersteuningsinstrument, 840 miljoen euro voor het instrument voor technische assistentie en 2,16 miljard euro voor de convergentiefaciliteit.

Vanuit het Reform Delivery Tool kunnen lidstaten een financiële bijdrage ontvangen na de implementatie van hervormingen zoals geïdentificeerd in de context van het Europees Semester. Dit kan gaan om de hervormingen zoals aanbevolen in de landenspecifieke aanbevelingen, maar ook hervormingsuitdagingen daarbuiten, zoals bijvoorbeeld geïdentificeerd in het jaarlijkse Landenrapport van de Europese Commissie. Het instrument voor technische assistentie is een voortzetting van het huidige Structural Reform Support Programme (SRSP). Het nieuwe voorstel is in opzet gelijk aan het huidige programma. Op eigen initiatief kunnen lidstaten bij de Commissie een verzoek indienen voor technische assistentie op een breed scala aan beleidsterreinen. Aanvullend aan de Reform Delivery Tool en het instrument voor technische assistentie, kunnen niet-eurolanden die willen toetreden tot de eurozone extra financiële en technische assistentie ontvangen vanuit de nieuwe Convergentiefaciliteit. Deze lidstaten dienen hiervoor aantoonbare stappen te hebben gezet richting het eurozonelidmaatschap. Dit dient onder meer te omvatten een formele brief van de lidstaat aan de Commissie met het voornemen tot toetreding, inclusief een duidelijke planning van concrete maatregelen.

Zoals verwoord in het BNC-fiche staat voor het kabinet voorop dat het primair de eigen verantwoordelijkheid van lidstaten is om de economische structuur en overheidsfinanciën op orde te brengen. Waar lidstaten ook middelen ontvangen uit de Europese begroting, met name de ESI-fondsen, is het kabinet voorstander van een koppeling, zodat lidstaten ook financieel worden geprikkeld om hervormingen te implementeren.

De Reform Delivery Tool is een nieuwe vorm van koppeling van de EU-begroting aan structurele hervormingen, aanvullend aan de reeds bestaande voorwaardelijke en sanctionele koppelingen binnen de ESI-fondsen. Het kabinet is in beginsel positief over de inbedding van het instrument in het reeds bestaande Europees Semester, zodat het instrument de reeds bestaande peer pressure en peer review tussen lidstaten in de Raad versterkt. Het Commissievoorstel roept echter wel vragen op. Zo vraagt het kabinet zich bijvoorbeeld af hoe het stimuleren van hervormingen door middel van deze financiële ondersteuning zich zal verhouden tot het stimuleren van dezelfde hervormingen via conditionaliteiten in de ESI-fondsen.

Het kabinet staat in beginsel positief tegenover het instrument voor technische assistentie als een voortzetting van het huidige SRSP. Het kabinet ziet de grote vrijwillige vraag door lidstaten naar technische assistentie bij implementatie van structurele hervormingen als positief, omdat lidstaten hiermee blijk geven van het belang van de hervormingen en omdat implementatie bijdraagt aan de kwaliteit van het openbaar bestuur en de veerkracht van de economische structuren in lidstaten.

Ten aanzien van de voorgestelde convergentiefaciliteit voor lidstaten die tot de euro willen toetreden is het kabinet van mening dat toetreding tot de eurozone plaats moet vinden op basis van bestaande procedures, die vergen dat lidstaten op duurzame wijze voldoen aan de convergentiecriteria. Ondersteuning van lidstaten om de benodigde hervormingen door te voeren kan bijdragen aan het bereiken van de convergentiecriteria. Het kabinet merkt echter op dat alle EU-lidstaten, zowel eurolanden als niet-eurolanden, reeds toegang krijgen tot en kunnen profiteren van de eerste twee instrumenten van het programma. Daarmee is dit derde instrument, de convergentiefaciliteit, voor potentiële toetreders tot de eurozone louter een extra budget bovenop de ondersteuningsmogelijkheden die deze groep lidstaten reeds geniet onder de eerste twee instrumenten. Het kabinet plaatst daarom vraagtekens bij de noodzaak van dit additionele instrument binnen het voorgestelde programma.

MFK: InvestEU

Document: Presidency Issues Note InvestEU. Document wordt nog voor het Algemeen Overleg naar de Kamer verstuurd.

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

Het Oostenrijks voorzitterschap heeft het onderwerp InvestEU geagendeerd voor de informele Ecofin. InvestEU is onderdeel van het nieuwe MFK voor 2021–2027. Met InvestEU worden diverse huidige financiële instrumenten voor het bevorderen van investeringen samengevoegd in een centraal garantiemechanisme voor investeringen. Tevens wordt het mogelijk om de uitvoering van InvestEU bij meerdere partijen te beleggen, waar er nu nog sprake is van een exclusief uitvoeringsmandaat door de EIB.

Onder InvestEU worden investeringen bevorderd binnen vier beleidsterreinen: «duurzame infrastructuur», «onderzoek, innovatie en dienstverlening», «toegang tot kapitaal voor MKB» en «sociale investeringen». Naar verwachting zal tijdens de informele Ecofin worden stilgestaan bij de belangrijkste wijzigingen van InvestEU waaronder het samenvoegen van instrumenten, het verbreden van de toegang tot andere partijen naast de EIB en de governancestructuur.

De Nederlandse inzet voor InvestEU is eerder beschreven in een BNC-fiche.14 Voor Nederland is het positief dat de Europese Commissie zich met het voorstel richt op belangrijke thema’s als klimaat en MKB en dat InvestEU gericht is op het stimuleren van private investeringen. Anderzijds is Nederland van mening dat terughoudendheid moet worden betracht ten aanzien van de omvang van het instrument, omdat de Europese begroting geen hefboominstrument is en de Europese Commissie zich niet als investeringsinstelling moet opstellen. Nederland is positief over de samenvoeging van diverse financiële instrumenten omdat hiermee overlap wordt vermeden. Daarbij ziet Nederland wel graag dat er voldoende aandacht is voor de thema’s waar Nederland belang aan hecht, waaronder klimaat, infrastructuur en het MKB. Nederland staat open voor het verbreden van de toegang tot InvestEU naar nationale stimuleringsbanken en -instellingen zoals het voorziene InvestNL in Nederland. Daarbij is het van belang dat de voorwaarden voor toegang tot InvestEU ruimte bieden voor een effectieve en efficiënte samenwerking met nationale stimuleringsbanken en instellingen. Tenslotte hecht Nederland aan een doelmatige vormgeving van de governancestructuur en voldoende aandacht voor risicomanagement.


X Noot
1

Kamerbrief Kapitaalverhoging Europese Investeringsbank, Kamerstuk 21 501-07, nr. 1541.

X Noot
2

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1536.

X Noot
3

Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 1710, Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 2025 en Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1859.

X Noot
4

Kamerstuk 32 545, nr. 61.

X Noot
5

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1516.

X Noot
7

Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten, COM(2018)148.

X Noot
8

Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid, COM(2018)147.

X Noot
9

Kamerstuk 34 941, nr. 6, en Kamerstuk 34 941, nr. 5.

X Noot
10

Aanbeveling met betrekking tot het belasten van significante digitale aanwezigheid, C(2018)1650.

X Noot
11

Kamerstuk 32 820, nr. 249.

X Noot
12

Kamerstuk 22 112, nr. 2632.

X Noot
13

Kamerstuk 22 112, nr. 2633.

X Noot
14

Kamerstuk 22 112, nr. 2665.