Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201821501-07 nr. 1516

21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken

Nr. 1516 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 mei 2018

Hierbij zend ik u het verslag van de Eurogroep en Ecofinraad van 24 en 25 mei 2018 te Brussel.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Verslag Eurogroep en Ecofinraad van 24 en 25 mei 2018 in Brussel

Eurogroep

Griekenland

In navolging van de missie van de instituties (Europese Commissie, IMF en ECB) naar Athene in het kader van de vierde voorgangsmissie van het ESM-programma voor Griekenland, is op 20 mei door de instituties een Staff Level Agreement (SLA) bereikt met de Griekse autoriteiten. Tijdens de Eurogroep is de SLA gepresenteerd en toegelicht. In de SLA zijn de laatste 88 prior actions (hervormingen) gedefinieerd, die door Griekenland moeten worden doorgevoerd om het ESM programma af te ronden. Deze hervormingen betreffen onder andere privatiseringen, aanstellingen van overheidsfunctionarissen en verschillende belastingmaatregelen. De instellingen en de Griekse autoriteiten hebben de intentie uitgesproken om de vierde voortgangsmissie af te ronden voor de Eurogroep in juni.

Indien de Eurogroep van juni een akkoord bereikt over de afronding van de vierde voortgangsmissie, zou tijdens de Eurogroep van juni ook mogelijk besloten kunnen worden over de inzet van de schuldmaatregelen voor de middellange termijn zoals vastgesteld door de Eurogroep op 15 juni 2017.1 Onderdeel van deze maatregelen is een koppeling van EFSF-leningen aan de groeirealisaties in de Griekse economie. Deze schuldmaatregelen kunnen alleen plaatsvinden aan het einde van het ESM-programma, op voorwaarde dat het ESM-programma succesvol is afgerond en dat schuldmaatregelen daadwerkelijk noodzakelijk zijn. In de aanloop naar de Eurogroep van juni zullen de instellingen een schuldhoudbaarheidsanalyse uitvoeren. Deze schuldhoudbaarheidsanalyse zal als basis dienen voor de bespreking over inzet van schuldverlichtende maatregelen voor de middellange termijn.

Naast schuldmaatregelen voor de middellange termijn, is er ook gesproken over mogelijke maatregelen voor de lange termijn. De Eurogroep van 15 juni 2017 heeft vastgesteld dat op de lange termijn maatregelen zoals verdere herprofilering van EFSF-leningen en maximering en uitstel van rentebetalingen kunnen worden ingezet in geval van onverwachte negatieve economische ontwikkelingen in Griekenland. Het IMF is tot op heden nog steeds in principle betrokken bij het programma. Het IMF programma is niet geactiveerd en zodoende verstrekt het IMF geen financiering aan Griekenland. Het IMF heeft aangegeven het programma pas te kunnen activeren zodra meer zekerheid bestaat over de implementatie van schuldmaatregelen. Het IMF is wel nauw betrokken bij de missies naar Griekenland en het monitoren van de voortgang van implementatie van hervormingen.

Lenteraming 2018 – Europese Commissie

De Europese Commissie heeft een presentatie gegeven over de Lenteraming die 3 mei 2018 is gepubliceerd.2 De Commissie is positief over de huidige economische ontwikkelingen. In 2017 groeide de economie van de eurozone met 2,4%, het hoogste groeicijfer in jaren. Ook voor 2018 en 2019 wordt een economische groei van 2% of hoger verwacht voor zowel de eurozone als de Europese Unie. De verwachte economische groei in het eurogebied 2018 ligt hiermee boven die van Japan en het VK en net onder de VS. Het geaggregeerde begrotingstekort van de eurozone zal volgens de Commissie de komende jaren gestaag afnemen, van 0,9% van het bbp in 2017 tot respectievelijk 0,7% en 0,6% in 2018 en 2019. Ook het geaggregeerde schuldniveau van de eurozone daalt gestaag, van 88,8% van het bbp in 2017 tot respectievelijk 86,5% en 84,1% in 2018 en 2019. Tegelijkertijd constateert de Commissie dat risico’s voor de eurozone zijn toegenomen, onder andere als gevolg van beleid in VS en de daaruit voortvloeiende risico’s op oververhitting van de Amerikaanse economie. Gegeven de hoge private en publieke schulden in de eurozone zou dit implicaties kunnen hebben voor schuldhoudbaarheid en economische groei van de eurozone. Ook benoemd de Commissie de aankomende Brexit als een blijvend risico voor economische ontwikkelingen in de eurozone.

Thematische discussie – beleidsonderzoeken

De Eurogroep heeft een thematische discussie gehouden over Spending Reviews (in Nederland Interdepartementale Beleidsonderzoeken, IBO). Met enige regelmaat wordt door de Eurogroep gesproken over dit onderwerp. Beleidsonderzoek is een belangrijk instrument dat bijdraagt aan de kwaliteit van de overheidsfinanciën.

Tijdens deze thematische discussie is gesproken over het eigenaarschap van beleidsonderzoeken. In Nederland wordt dit op basis van gelijkwaardigheid ingevuld door het Ministerie van Financiën en het beleidsmatig meest betrokken departement. Tijdens de discussie zijn ervaringen van verschillende landen met beleidsonderzoeken gedeeld. Nederland heeft een lange traditie in beleidsonderzoeken. In veel Europese landen staat het uitvoeren hiervan nog in de kinderschoenen. Nederland ziet daarom meerwaarde in de uitwisseling van ervaringen en heeft dat ook aangegeven. De Europese Commissie heeft aangegeven dat, in navolging van een eerdere uitvraag in 2017, er een survey over beleidsonderzoeken zal worden uitgezet.

Eurogroep in inclusieve samenstelling

Verdieping EMU

De Eurogroep heeft gesproken over de verdieping van de Economische en Monetaire Unie (EMU), ter voorbereiding van de Eurotop van juni. De discussie gaf opvolging aan de Eurotop van 23 maart over de EMU en richtte zich op vooral op de toekomst van het ESM en de Bankenunie. Regeringsleiders zullen tijdens de Eurotop van 28-29 juni verder spreken over de toekomst van het ESM en de Bankenunie.

Ten aanzien van het ESM richtte de discussie zich op de instrumenten van het ESM, het raamwerk voor schuldhoudbaarheid, en een gezamenlijke backstop voor het Single Resolution Fund (SRF) bij het ESM. Verschillende lidstaten gaven aan het ESM als de logische optie als backstop voor het SRF te beschouwen. Andere lidstaten merkten op dat een hervorming van het ESM in één keer moet plaatsvinden. Nederland heeft benadrukt dat het ESM zich moet richten op haar kernprioriteit, namelijk het waarborgen van de financiële stabiliteit in het Eurogebied. Daarbij bepleitte Nederland dat de effectiviteit van steunprogramma’s van het ESM kan worden vergroot door het verder uitbouwen van een ordelijk raamwerk voor de herstructurering van een onhoudbare overheidsschuld.

Ten aanzien de Bankenunie richtte de discussie zich op de prioriteiten voor de komende tijd. Volgens de voorzitter van de Eurogroep was het bankenpakket dat op de Ecofin agenda stond een belangrijk element. Voortgang hierop is ook nodig voor besluitvorming rondom het inrichten van de backstop voor het SRF, aldus de voorzitter. Ook is gesproken over verdere stappen op het gebied van risicoreductie. Afgesproken is dat de instellingen in juni een rapport voorbereiden waarin wordt ingegaan op de voortgang ten aanzien van risicoreductie. Nederland benadrukte hier ook het belang van een betere weging van de risico’s op staatsobligaties, het doen van gezondheidstoetsen en aanpakken van niet-presterende leningen.

Ecofinraad

Aanname van A-items (hamerpunten)

In de Ecofinraad zijn de op dat moment voorliggende reeds afgestemde en goedgekeurde voorstellen officieel bekrachtigd. Een daarvan was een wijziging van de EU lijst van niet-coöperatieve jurisdicties op het gebied van belastingen (ook wel aangeduid als de «zwarte lijst»). Door de nieuwe wijziging zijn de Bahama’s en Sint Kitts en Nevis verplaatst van de zwarte lijst naar de lijst met jurisdicties die «commitments» hebben afgegeven om wijzigingen door te voeren in hun wettelijke systeem en/of uitvoeringspraktijk (ook wel aangeduid als de «grijze lijst»).3 In totaal staan nu zeven jurisdicties op de zwarte lijst. Dat zijn: (i) de Amerikaanse Maagdeneilanden, (ii) Amerikaans Samoa, (iii) Guam, (iv) Namibië, (v) Palau, (vi) Samoa, (vii) Trinidad en Tobago.

Bankenpakket

Tijdens de Ecofinraad is er een akkoord bereikt over de voorstellen om de risico’s in de Europese bankensector te reduceren. De Europese Commissie heeft deze voorstellen in november 2016 gepresenteerd naar aanleiding van de in 2016 vastgestelde routekaart voor de voltooiing van de Bankenunie. Zodra het Europees Parlement zijn positie heeft bepaald, zal de triloog-onderhandeling over deze voorstellen beginnen.

De afgelopen maanden heeft Nederland intensief over de voorstellen onderhandeld en coalities gesloten met o.a. Duitsland, de Scandinavische en Baltische landen en met de zogenaamde host-lidstaten (landen waarin veel buitenlandse banken actief zijn). Nederland heeft conform eerdere communicaties met uw Kamer tot het laatste moment ingezet op aanscherping van de Commissievoorstellen om risicoreductie te bereiken.4 Mede dankzij deze inzet zijn de voorstellen van de Commissie op tal van onderdelen aangescherpt. Dit is voor Nederland en Europa een belangrijk akkoord, dat wezenlijk bijdraagt aan verdere risicoreductie binnen de Europese bankensector.

Tijdens de afgelopen Ecofinraad is een raadsakkoord bereikt over de volgende onderdelen van het pakket aan voorstellen van de Commissie: een herziening van de richtlijn herstel en afwikkeling voor falende banken (de BRRD), met daarin o.a. buffers voor bail-in (MREL) inclusief stappen ten aanzien van kwaliteit en transparantie, implementatie van de internationale standaard (TLAC) en een akkoord over de herziening van het kapitaalraamwerk (CRR/CRD), met daarin o.a. de implementatie van de minimum leverage ratio eis.5 Hieronder volgt korte toelichting op verschillende onderdelen van het pakket. Over de zogeheten crediteurenhiërarchie, met als doel de rechtszekerheid bij afwikkeling te vergroten, is al een akkoord bereikt onder het Maltese voorzitterschap.6

Buffers voor bail-in

Om ervoor te zorgen dat een beroep op publieke middelen zoveel mogelijk wordt beperkt, vereist de BRRD dat banken beschikken over voldoende bail-inbaar vermogen. Dit heet ook wel de Minimum Requirement for own funds and Eligible Liabilities (MREL). De MREL moet ervoor zorgen dat een bank die wordt afgewikkeld, voldoende kapitaal- en schuldinstrumenten heeft om verliezen op te vangen en, voor zover nodig, te herkapitaliseren. Nederland acht het daarom van belang dat banken over voldoende MREL beschikken om daadwerkelijk verliezen op te kunnen vangen en kapitaal te generen als dat nodig is. Nederland heeft in de onderhandelingen ingezet op een adequate hoogte van MREL, op voldoende kwaliteit van MREL en op een tijdige opbouw ervan door banken.7

Met het nu bereikte akkoord gelden voor de bail-in buffers straks harde, juridisch vastgelegde minima, voor zowel mondiale systeembanken als banken met een balans van meer dan 100 miljard euro.8 Deze minima waren er tot nu toe niet. In het voorliggende raadsakkoord is bovendien het begrip «guidance» omgezet in een harde eis. Verder is vastgelegd dat resolutieautoriteiten, bij de vaststelling van de individuele hoogte van MREL van een bank goed moeten kijken naar de bail-in eisen uit de BRRD. Doordat een van die eisen is dat minimaal 8% van de bankbalans aan bail-in onderhevig moet zijn, is die 8% een belangrijk referentiepunt bij de vaststelling van de MREL voor alle banken. Verder zijn er consequenties ingebouwd indien banken niet voldoen aan de MREL-eis.

Voor de kwaliteit van MREL is voldoende achterstelling van belang. Dat betekent dat een adequaat deel van de schuld waarmee de MREL mag worden gevuld, moet zijn achtergesteld aan andere schuldinstrumenten die soms moeilijker te bail-innen zijn. In het akkoord is afgesproken dat voor grote banken een minimale achterstelling geldt van 8%. Daarmee is de MREL eis, zowel qua hoogte als kwaliteit aanzienlijk aangescherpt, wat in belangrijke mate bijdraagt aan een ordelijk en efficiënte afwikkeling van banken die onverhoopt in problemen komen. Resolutieautoriteiten hebben bovendien enige flexibiliteit om voor risicovollere banken extra achterstelling te eisen wanneer dat nodig is. Verder worden stappen gezet ten aanzien van transparantie van de MREL-eisen en kunnen autoriteiten maatregelen nemen om systeembesmetting te voorkomen. Ten aanzien van het moment waarop banken aan de nieuwe eisen moeten voldoen is ook een flinke stap gezet met dit akkoord. Zo geldt nu een duidelijk tijdspad, omdat banken in principe vóór 2024 hun MREL opgebouwd moeten hebben.

Kapitaal

In het kader van de herziening van het kapitaaleisenraamwerk (CRR/CRD) hechtte Nederland aan stevige afspraken over de implementatie van internationale standaarden zoals de leverage ratio, inclusief een opslag voor systeembanken, de herziene kapitaalstandaard voor het handelsboek (de zogenoemde FRTB) en implementatie van regels die verder bijdragen aan stabielere financiering. Ook is tot op het laatste moment gesproken over een alternatieve methodiek voor de bepaling van de mate van mondiale systeemrelevantie van banken binnen de bankenunie. Deze aanpassing was geen onderdeel van het oorspronkelijke pakket aan voorstellen. Volgens Nederland is het prematuur om de Bankenunie nu al automatisch als één jurisdictie te zien. Nederland heeft zich daarom uitgesproken tegen een aanpassing van die methodiek, die zou kunnen hebben geleid tot lagere eisen dan het internationaal voorgeschreven minimum. Dit is met succes overgenomen in het raadsakkoord.

Leverage ratio

Een minimum leverage ratio eis zorgt ervoor dat banken, ongeacht de precieze risico’s van hun balans, altijd een minimale hoeveelheid kapitaal aanhouden. Deze «pillar 1» eis wordt geïntroduceerd naast de al bestaande, risicogewogen kapitaaleisen.9 Nederland heeft in de onderhandelingen ingezet op een brede implementatie van een opslag op de leverage ratio, namelijk voor alle systeemrelevante banken, niet alleen de mondiaal systeemrelevante.

Met het akkoord wordt een Europees geharmoniseerde minimum leverage ratio eis van 3% voor alle banken geïntroduceerd («pillar 1»). Voor mondiale systeembanken (G-SIIs) zal, conform de recente Bazelse voorstellen, een opslag op de leverage ratio worden geïntroduceerd. De introductie van een harde juridisch vastgelegde leverage ratio eis van 3% voor de hele Europese Unie, met bovendien een opslag voor de allergrootste banken, is nieuw. Momenteel gelden er geen wettelijke leverage ratio eisen voor banken. Dit is dan ook een belangrijke stap in verdere risicoreductie in de Europese bankensector. Zo moeten alle banken, ongeacht de precieze risico’s, altijd een minimale hoeveelheid kapitaal aanhouden.

De Nederlandse inzet heeft er daarnaast toe geleid dat in het akkoord is afgesproken dat de Europese Commissie moet komen met een impactrapport met eventuele wetgeving voor de implementatie van een opslag op de leverage ratio eis ook voor nationaal systeemrelevante banken (O-SIIs). Gezien het krachtenveld, is ook dit een belangrijke stap voorwaarts.

Naar verwachting zullen banken overigens zelf een leverage ratio nastreven die boven de te introduceren («pillar 1») minimumeis ligt. Ook wanneer de leverage ratio van banken een klap krijgt als gevolg van een economische terugval, moeten banken namelijk voldoen aan het absolute minimum in de wet.10 Als banken hier niet aan voldoen zullen zij uiteindelijk in resolutie of faillissement worden geplaatst. Bij het niet voldoen aan de opslag gelden restricties op dividend.

Handelsboek en stabielere financiering

Na publicatie van de voorstellen van de Commissie heeft het Bazels Comité aangekondigd enkele elementen van de herziene kapitaalstandaard voor het handelsboek, de Fundamental Review of the Trading Book (FRTB), nogmaals tegen het licht te houden en de verplichte inwerkingtreding uit te stellen. In het akkoord dat nu voorligt zit FRTB desalniettemin reeds opgenomen als rapportage-eis. De Commissie is er tevens toe opgeroepen om zo snel mogelijk te komen met een voorstel om de FRTB volledig te implementeren zodra er duidelijkheid komt vanuit Bazel. Met de voorstellen wordt daarnaast ook de Bazelse Net Stable Funding Ratio (NSFR) standaard geïntroduceerd. De NSFR stelt geharmoniseerde eisen aan de mate waarin banken hun (veelal langlopende) verplichtingen op een stabiele manier financieren over de horizon van één jaar. Deze standaard vormt daarmee een belangrijke aanvulling op de Europese geharmoniseerde liquiditeitseisen. Nederland hecht aan deze stevige afspraken over de NSFR, die het liquiditeitsraamwerk complementeren. Hiermee wordt gewaarborgd dat banken zich op een stabiele manier financieren.

Beloningsbeleid

Nederland heeft in de Europese discussies blijvend aandacht gevraagd voor een streng beloningsbeleid. De compromistekst van de richtlijn bevat de mogelijkheid om uitgestelde betaling van een variabele beloning en uitbetaling in financiële instrumenten niet toe te passen bij relatief kleine instellingen en lage variabele beloningen. Mede dankzij de Nederlandse inzet kunnen de lidstaten de drempelbedragen daarvoor nationaal lager stellen. Het Nederlandse bonusplafond kan ongewijzigd in stand blijven. Het onderwerp beloningsbeleid lijkt in andere lidstaten aanzienlijk minder te spelen dan in Nederland en zodoende was het behoud van deze lidstaatoptie al lastig.

Uitzonderingen

Nederland is tevreden dat de Nederlandse kredietunies zijn opgenomen in de lijst met uitzonderingen van de CRD. Ook is op verzoek van Duitsland een uitzondering tot stand gekomen voor promotionele banken die geen commerciële activiteiten ontplooien.

Moratorium

In het pakket zit ook een aanpassing van het «moratorium» instrument. Dit instrument kan in sommige gevallen bijdragen aan de stabilisatie van een individuele bank in de problemen, doordat de uitstroom van betalingen gedurende een korte periode ermee wordt bevroren. Zodoende bestaat meer tijd voor de waardering van een bank en de inzet van afwikkelingsinstrumenten. Nederland is positief over de mogelijkheid die dit instrument biedt, mits het met terughoudendheid zou worden ingezet.11 Er bestaat straks de mogelijkheid om onder strenge voorwaarden ook deposito’s onder een moratorium te laten vallen, waarbij een maximum geldt van twee werkdagen.

Concluderend

Met het voorliggende pakket is een belangrijk akkoord bereikt over het reduceren van risico’s in de Europese bankensector. De aandeelhouders en investeerders draaien er als eerste voor op als een bank in de problemen komt en daarvoor moeten banken buffers aanhouden. Daarnaast moeten banken met dit akkoord voor het eerst altijd een minimum aan eigen vermogen aanhouden ongeacht de risico’s. Ook draagt dit pakket bij aan een stabielere financiering van de activiteiten van banken. Met het voorliggende pakket zijn belangrijke stappen gezet, die Nederland ook in de triloogfase van de onderhandelingen wil behouden. Meer maatregelen blijven niettemin nodig. Zo wil Nederland stappen zetten naar een betere weging van de risico’s op staatsobligaties. Ook is een verdere aanpak van niet-presterende leningen van belang. Op deze punten zal het kabinet zich de komende tijd in Europa verder blijven inzetten.12

Administratieve samenwerking btw

Tijdens de Ecofinraad is gesproken over de wijziging van de verordening ter versterking van de administratieve samenwerking op het gebied van de btw. Lidstaten staan over het algemeen net als Nederland positief tegenover de uitgangspunten van dit voorstel om de administratieve samenwerking tussen de belastingdiensten te verbeteren en de rol van Eurofisc te versterken. Het voorstel werd op verzoek van één lidstaat doorgeschoven naar de volgende Ecofinraad omdat deze niet tevreden is met het door vrijwel alle lidstaten, waaronder Nederland, gesteunde compromis. In de ogen van deze lidstaat is het compromis op het punt van (verplichte) gezamenlijke boekenonderzoeken te weinig ambitieus.

Het Bulgaarse Voorzitterschap wil graag een akkoord bereiken over dit voorstel dat door de Commissie op 30 november 2017 is gepubliceerd en meerdere concrete voorstellen behelst. Zo wordt onder andere een uitbreiding voorgesteld van het instrumentarium om samen met andere lidstaten en Europol, het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF) btw-fraude te bestrijden, versterking van Eurofisc en inbedding TNA (transaction network analysis), maatregelen tegen fraude met douaneregelingen en het instellen van gezamenlijke controles van lidstaten op elkaars grondgebied.

Nederland staat positief tegenover de uitgangspunten van dit voorstel om de administratieve samenwerking tussen de belastingdiensten te verbeteren en de rol van Eurofisc te versterken.

De strijd tegen btw-fraude is een belangrijk aandachtsgebied van het kabinet. Hierdoor ontstaat een gelijker speelveld en wordt de interne markt versterkt. Zoals aangegeven in het BNC fiche over dit onderwerp,13 onderschrijft Nederland in het bijzonder de versterking van Eurofisc en de inbedding van TNA. Op EU-niveau wordt in dat verband gewerkt aan de ontwikkeling van de IT-tool TNA, dat door het gebruik van bestaande big data op een effectieve en gerichte wijze btw-carrouselfraude kan bestrijden. Dankzij dit instrument kunnen als aanvulling op onze nationale analyse de fraudenetwerken in Europa nog sneller en completer in kaart worden gebracht, zodat deze in een vroeger stadium en effectiever kunnen worden bestreden.

Btw algemene verleggingsregeling

Tijdens de Ecofinraad is geproken over het voorstel voor een tijdelijke toepassing van een algemene verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel. Nederland steunt het voorstel om lidstaten de mogelijkheid te bieden tijdelijk een algemene verleggingsregeling te hanteren. Het voorstel biedt lidstaten die zeer ernstige btw-carrouselfraude ondervinden en geen andere mogelijkheid hebben dit goed te beteugelen naar verwachting een effectieve maatregel. Nederland is vooralsnog zelf niet van plan in te zetten op deze vorm van fraudebestrijding, maar is geïnteresseerd in de effecten daarvan in lidstaten die de maatregel wel willen inzetten. Nederland heeft sinds 2007 tot nu toe verzoeken gesteund om een pilot van lidstaten voor het invoeren van een algehele verlegging onder de voorwaarden dat de pilot gepaard gaat met vergaren van informatie over verschuiving van de fraude en de vormgeving van voldoende toezicht om afdracht van belastingen te verzekeren.

Dit dossier ligt stil sinds een blokkade in Ecofinraad van juni 2017. Het Bulgaarse voorzitterschap wilde de discussie graag weer openen. De blokkade (in samenhang met de onderhandelingen over het voorstel over e-publications) werd deze Ecofinraad echter niet opgeheven. Enkele lidstaten konden niet akkoord gaan met de pilot over een tijdelijke algemene verleggingsregeling. Deze lidstaten vrezen voor een verschuiving van de btw fraude naar de lidstaten die geen verleggingsregeling toepassen. Verder zou deze pilot een belemmering kunnen zijn voor het invoeren van verdergaande BTW voorstellen zoals het zogenoemde definitieve systeem.

Btw e-publicaties

Tijdens de Ecofinraad is gesproken over het richtlijnvoorstel e-publications. Nederland is voorstander van de gelijke behandeling van digitale en fysieke publicaties en steunt het voorstel. Het is op basis van de btw-richtlijn momenteel niet mogelijk om elektronische diensten tegen het verlaagde btw-tarief te belasten. Met dit voorstel wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde elektronische diensten, zijnde: de levering, ook bij uitlening door bibliotheken, van boeken, kranten en tijdschriften, voor zover niet uitsluitend of hoofdzakelijk reclamemateriaal en voor zover niet uitsluitend of hoofdzakelijk bestaande uit muziek of video. Hiermee wordt een gelijke btw-behandeling van elektronische en fysieke publicaties tegen het verlaagde btw-tarief mogelijk gemaakt.

Nederland heeft eerder aangedrongen op afronding van dit dossier en heeft teleurstelling geuit toen het in juni 2017 niet lukte om een akkoord te bereiken. Destijds kon geen akkoord worden bereikt omdat het dossier politiek werd gekoppeld aan het dossier inzake de algemene verleggingsregeling. Ook deze keer is in de Ecofinraad geen akkoord bereikt omdat niet alle lidstaten steun konden uitspreken voor het voorstel.

Europees Semester: Diepteonderzoeken en implementatie van aanbevelingen uit 2017

De Ecofinraad heeft conclusies aangenomen over de diepteonderzoeken in het kader van de macro-economische onevenwichtighedenprocedure (MEOP) en de implementatie van landenspecifieke aanbevelingen die op 7 maart zijn gepubliceerd.14 Op basis van de diepteonderzoeken heeft de Commissie besloten om drie lidstaten in de MEOP-categorie «buitensporige onevenwichtigheden» te plaatsen (Cyprus, Italië en Kroatië), en nog eens acht lidstaten in de categorie «onevenwichtigheden (Bulgarije, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Nederland, Portugal, Spanje en Zweden). Voor ongeveer de helft van de landenspecifieke aanbevelingen uit 2017 oordeelt de Commissie dat sprake is van ten minste enige voortgang met implementatie. Over een langere termijn oordeelt de Commissie dat voor tweederde van de aanbevelingen ten minste sprake is van enige voortgang met implementatie.

Ageing Report 2018

Tijdens de Ecofinraad zijn Raadsconclusies aangenomen over het Ageing Report 2018.15 Het Ageing Report is een rapport van de Europese Commissie in samenwerking met de lidstaten en verschijnt elke drie jaar. Het rapport bevat langetermijnprojecties over de impact van vergrijzing op de overheidsfinanciën over in dit geval de periode 2016–2070. De Raad benadrukt in zijn conclusies dat vergrijzing een belangrijke uitdaging is voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, versterkt door het feit dat schuldniveaus in veel lidstaten zijn gestegen sinds de financiële crisis. Ook onderstrepen de Raadsconclusies de belangrijkste bevindingen van het rapport, bijvoorbeeld dat vergrijzing zal leiden tot een lagere economische groei op de lange termijn en dat pensioen- en zorguitgaven tussen 2016 en 2070 zullen stijgen, hoewel er in dit opzicht verschillen zijn tussen lidstaten. De Ecofinraad verwelkomt recente hervormingen in lidstaten, maar roept lidstaten ook op om verdere actie te ondernemen ten aanzien van de landenspecifieke uitdagingen op het gebied van de houdbaarheid van overheidsfinanciën.


X Noot
4

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1471.

X Noot
6

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1474.

X Noot
7

Zie ook Aanhangsel Handelingen II, 2017/18, nr. 131.

X Noot
8

De minimale eis voor GSIBs is 18% risicogewogen en 6,75% volgens de leverage ratio methode. De minimale eis voor banken met een balans van meer dan 100 miljard euro («top tier banks») is 13,5% risicogewogen en 5% volgens de leverage ratio methode. Daarop gelden nog de zogenaamde gecombineerde buffers, alsook de minimale eis van 8% achterstelling van de balans.

X Noot
9

De minimale pillar 1 eisen in het bestaande risicogewogen raamwerk zijn: 4,5% kernkapitaal («CET1»), 6% Tier-1 kapitaal en 8% totaal kapitaal. Daarop krijgt iedere bank nog buffervereisten en specifieke pillar 2 eisen opgelegd.

X Noot
10

Zie ook Aanhangsel van de Handelingen II, 2017–2018, nr. 1981.

X Noot
11

Zie ook Aanhangsel Handelingen II, 2017/18, nr. 554.

X Noot
12

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1509.

X Noot
13

Kamerstuk 22 112, nr. 2458.