Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201521501-02 nr. 1481

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1481 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 april 2015

Voor het kabinet staat voorop dat het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) ten goede moet komen aan de Nederlandse consument, de Nederlandse werknemer en de Nederlandse (MKB-)ondernemer. Het kabinet spant zich daarom in voor een goed en fair akkoord, dat zorgt voor meer handel, meer banen en betere en goedkopere producten. En een akkoord dat mondiaal de toon zet op het gebied van bijvoorbeeld sociale rechten, milieunormen en dierenwelzijn, waar uiteindelijk ook de burgers van landen buiten de EU en de VS van kunnen profiteren.

Het kabinet heeft de in uw Kamer levende zorgen over TTIP ter harte genomen. Aantasting van onze sociale- en milieustandaarden, alsmede van onze hoge standaard van voedselveiligheid is voor het kabinet niet acceptabel. Daar wordt dan ook niet over onderhandeld. Nederland heeft ten aanzien hiervan een rode lijn getrokken. Daarnaast eist het kabinet de garantie dat nationale overheden volledige beleidsvrijheid behouden en dat toegang tot het rechtssysteem gewaarborgd blijft, ook voor individuen en bedrijven die minder draagkrachtig zijn. Het mag niet zo zijn dat buitenlandse investeerders hogere bescherming krijgen dan consumenten, lokale overheden of nationale bedrijven.

Tijdens het debat over de Staat van de Europese Unie op 2 april jl. zijn negen moties ingediend die op enigerlei wijze raken aan TTIP. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft daarbij toegezegd dat het kabinet nog schriftelijk zal reageren op de motie Maij c.s. inzake de ratificatie van TTIP (Kamerstuk 34 166, nr. 4). Uw Kamer verzocht om een nadere duiding van de relatie tussen arbitrage en het reguliere nationale rechtssysteem met het oog op investeringsbescherming. In het verlengde daarvan vroeg het lid Klaver om in deze reactie ook in te gaan op de bilaterale investeringsbeschermings-overeenkomsten (IBO’s) van Nederland.

De basisgedachte achter investeringsbescherming is dat bedrijven bescherming kunnen vragen wanneer hun investering schade lijdt door toedoen van onrechtmatig overheidsoptreden. Naast de reguliere juridische rechtsgang in een land, bieden Europese handels- en investeringsverdragen en IBO’s ook de mogelijkheid van arbitrage.

Om misbruik van arbitrage en strijdigheid met de reguliere rechtsgang te voorkomen heb ik met een aantal EU- collega’s voorstellen gedaan om tot een verbeterde vorm van geschillenbeslechting voor investeringsbescherming te komen, te weten:

  • 1. Beperken van toegang tot arbitrage;

  • 2. Waarborgen beleidsvrijheid zonder risico van arbitrageclaims;

  • 3. Beperken en verduidelijken investeringsbescherming;

  • 4. Moderniseren arbitrage (o.a. selectie arbiters, beroepsmechanisme, permanent instituut).

Zie ook mijn brief hierover aan uw Kamer (Geannoteerde Agenda RBZ, Kamerstuk 21 501-02, nr. 1465, 6 maart 2015). Deze voorstellen vinden steeds meer weerklank, zoals ook blijkt uit de toespraak van Commissaris Malmström op 18 maart jl. voor het Europees parlement.

Daarnaast is van belang op te merken dat investeringsverdragen basisregels bieden voor de behandeling van buitenlandse investeerders. Deze basisregels zien bijvoorbeeld op eerlijke en billijke behandeling, op het overmaken van kapitaal en op onteigening. Deze regels zijn ingebed in ons nationale rechtssysteem.

Al met al ben ik van mening dat de voorgestelde verbeteringen van geschillenbeslechting in combinatie met het vastleggen van basisregels conform ons rechtssysteem ertoe zullen leiden dat bedrijven hun keuze voor één van beide routes meer baseren op factoren als snelheid, juridisch specialisme, of kwaliteit van de rechtspraak, dan op basis van financieel gewin. Om deze reden heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de motie Maij c.s. gekwalificeerd als ondersteuning van beleid, en heeft de Minister-President op 24 maart jl. eveneens de motie Segers c.s. dat geschillenbeslechting in TTIP geen afbreuk mag doen aan ons nationale rechtssysteem (Kamerstuk 21 501-20, nr. 964) als ondersteuning van beleid geduid.

Arbitrage is ook opgenomen in het merendeel van de totaal 92 investerings-beschermingsovereenkomsten die Nederland heeft afgesloten. Zoals ik ook heb aangegeven in de Volkskrant op 1 april jl., wil Nederland ook deze overeenkomsten moderniseren conform bovenstaande verbeteringen.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen