Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201521501-02 nr. 1412

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1412 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 26 september 2014

De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 12 september 2014 over de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken van 29 september 2014 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1411).

De vragen en opmerkingen zijn op 22 september 2014 aan de Minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd. Bij brief van 24 september 2014 zijn ze door hem beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Knops

Adjunct-griffier van de commissie, Röling

Preambule

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van de agenda van de Raad Algemene Zaken van 29 september 2014. De leden van de VVD-fractie hebben naar aanleiding van de geannoteerde agenda nog enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van het verslag van de informele Raad Algemene Zaken van 28 en 29 augustus 2014 en de geannoteerde agenda Raad Algemene Zaken d.d. 29 september 2014. Zij danken de Minister hiervoor. Naar aanleiding hiervan hebben zij nog enkele vragen en opmerkingen.

De fractie van de SP heeft kennis genomen van de geannoteerde agenda voor de RAZ van 29 september, evenals het verslag van de informele RAZ van 28 en 29 augustus. De leden hebben hierover een aantal opmerkingen en vragen.

De leden van de CDA-fractie danken de Minister voor de toezending van de geannoteerde agenda en hebben kennis genomen van de agenda. Zij hebben enkele vragen en opmerkingen.

De PVV neemt kennis van de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken en heeft enkele vragen.

Economische situatie in de EU

De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan toezeggen, in navolging van de voorzitter van de Eurogroep, dat er geen verder uitstel zal komen voor landen die de normen van het Stabiliteits- en Groeipact niet dreigen te halen.

1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet is van mening dat lidstaten de regels van het Stabiliteits- en Groeipact moeten respecteren. Zoals ook onderstreept in de Strategische Agenda van de Europese Raad van 26–27 juni jl. staan die regels, en bieden zij voldoende flexibiliteit. Dit is door alle Eurolidstaten herhaaldelijk bevestigd, onder meer tijdens de afgelopen Eurogroep. Solide overheidsfinanciën zijn nodig voor de stabiliteit in de eurozone. Voor de geloofwaardigheid van het SGP is het daarom van groot belang dat de regels worden nageleefd, ook wanneer deze bijten.

Het kabinet is tevens van mening dat lidstaten structurele hervormingen moeten doorvoeren om de groei en het concurrentievermogen in Europa te bevorderen. Dit draagt op de lange termijn ook bij aan betere overheidsfinanciën. Voorbeelden hiervan zijn het aanpakken van beschermde beroepen en het verlagen van de belastingdruk op arbeid.

Buitenlands-politieke aangelegenheden

Hongarije

De leden van de SP-fractie maken zich ernstig zorgen over de toestand van de democratie in Hongarije. Onlangs deed de Hongaarse politie huiszoekingen bij een milieuorganisatie en een organisatie die de ontwikkelingen van de democratische rechten in Hongarije ondersteunt. Deze organisaties ontvangen financiële steun van Noorwegen uit fondsen die onderdeel zijn van een samenwerkingsverband tussen Noorwegen en de EU. Ondertussen blijkt dat de EU-fondsen door de regering verdeeld worden onder organisaties die trouw zijn aan de Hongaarse regering. De SP is van mening dat deze situatie niet langer door kan gaan – de democratie in Hongarije staat ernstig onder druk. Deelt het kabinet het standpunt van de SP dat de situatie in Hongarije noopt tot een brede EU-discussie over de voorwaarden die gesteld worden aan de besteding van de EU-fondsen? Wat zou de inzet van het kabinet zijn bij een dergelijke discussie?

2. Antwoord van het kabinet

De rechtsstatelijke ontwikkelingen binnen de EU, zoals in Hongarije, hebben de continue aandacht van het kabinet. Sinds enkele jaren zet het kabinet, zoals neergelegd in de gecombineerde kabinetsreactie rechtsstatelijkheid (Kamerstuk 33 877 nr. 19, 24 april 2014), zich in voor de totstandkoming van een EU-mechanisme waarmee EU-lidstaten ook na toetreding gemonitord kunnen worden op naleving van rechtsstatelijke waarden, zowel in ad hoc gevallen als op periodieke wijze. In dit verband heeft het kabinet dan ook de Commissiemededeling «Kader voor de rechtsstaat» (COM (2014)158) verwelkomd. Deze voorziet in een dialoog-mechanisme voor ad hoc gevallen voorafgaand aan de art. 7 VEU procedure.

Zoals bekend is het kabinet voorstander van een horizontale discussie over de voorwaarden voor besteding van EU-fondsen en de wijze waarop hierover verantwoording moet worden afgelegd. Nederland legt als onderdeel van de verantwoordingscyclus van de begroting ieder jaar een nationale verklaring af waarin staat hoe EU-fondsen in Nederland zijn besteed. Mede door de vasthoudendheid van Nederland en de opstelling van het Europese parlement bevat het nieuwe Financieel Reglement een vrijwillige Nationale Verklaring (NV). Hierbij geldt de Nederlandse NV als een «best practice».

Veiligheidssituatie in Oekraïne / MH17

Vorige week heeft de Minister-President aangegeven dat de situatie in Oekraïne zo gevaarlijk is, dat de onderzoekers die onderzoek zouden doen naar de vliegramp worden teruggehaald. De leden van de CDA-fractie vragen wat de huidige inzet van het Nederlandse kabinet is in EU-verband wanneer het gaat over het bergen van slachtoffers en verder onderzoek naar de toedracht. Wat kunnen de leden van de CDA-fractie in Europees verband verwachten van andere landen om de crashsite veilig te maken voor deze werkzaamheden?

3. Antwoord van het kabinet

Het kabinet blijft zich in internationaal verband inzetten voor terugkeer van onderzoekers naar de rampplek. Mede op aandringen van het kabinet heeft de Europese Raad op 30 augustus jl. wederom opgeroepen tot onmiddellijke, veilige en ongehinderde toegang tot de rampplek als onderdeel van een staakt-het-vuren. De VN-veiligheidsraad heeft op 19 september jl. het voorlopig onderzoeksrapport van de OVV besproken. Alle leden van de VN-Veiligheidsraad, waaronder Rusland, onderstreepten het belang van ongehinderde toegang tot de rampplek, in lijn met de eerder overeengekomen Veiligheidsraadsresolutie 2166 (2014). Uiteindelijk is het aan de strijdende partijen ter plaatse om hun onderlinge afspraken over een staakt-het-vuren gestand te doen.

IS

De leden van de CDA-fractie vragen welke rol de regering voor de EU weggelegd ziet in de ondersteuning van de anti-IS-coalitie, geleid door de Verenigde Staten.

4. Antwoord van het kabinet

Het kabinet is van mening dat de EU op verschillende terreinen een rol zou kunnen spelen bij de bestrijding van IS(IS) in Irak en Syrië. De EU ondersteunt en benadrukt het belang van een inclusief politiek proces in Irak. Daarnaast wordt, ook in relatie tot derde landen, gewerkt aan het tegengaan van financieringsstromen van IS(IS), waaronder het tegengaan van oliesmokkel. Op middellange termijn zou de EU een rol kunnen spelen op het gebied van capaciteitsopbouw. Voor de periode 2014–2020 wordt 100 miljoen euro ingezet voor de prioriteiten rechtsstaat en mensenrechten, toegang tot onderwijs en duurzame energie voor allen. Daarnaast kan worden onderzocht of de EU zou kunnen bijdragen aan capaciteitsopbouw, bijvoorbeeld middels een GVDB-missie op het gebied van rechtsstaat of (militaire) training.

Aanpak financiering terrorisme

Eén van de onderdelen van de strategie tegen IS van president Obama betreft het aanpakken van de financiering van IS. De brede internationale consensus over het tegengaan van financiering van terroristische organisaties, zoals IS en Al Qaida, is onlangs bekrachtigd in de unaniem aangenomen VN Veiligheidsraadsresolutie 2170 (2014). De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering in dat licht de berichtgeving1 over Qatar als sponsor van islamitisch extremisme beoordeelt, alsmede de beschuldiging van de Duitse Minister Müller van Ontwikkelingssamenwerking richting Qatar.

Is de regering bereid harde diplomatieke druk door de EU te bepleiten op landen die terreur sponsoren en/of niet optreden tegen individuen die dat met grote sommen geld doen? Is de regering daarbij bereid economische sancties door de EU als drukmiddel te bepleiten?

5. Antwoord van het kabinet

Het kabinet is van mening dat het indammen van financieringsstromen een essentieel onderdeel is van de bestrijding van terrorisme. VN Veiligheidsraadsresolutie 1373 (2001) schept voor alle VN-lidstaten een internationale verplichting om terrorismefinanciering tegen te gaan. Nederland heeft onlangs de tegoeden van drie Nederlanders bevroren omdat zij zich hebben aangesloten bij IS(IS). Naast nationale inzet verkent het kabinet binnen VN en EU-verband mogelijkheden om effectiever op te treden tegen diverse vormen van terrorismefinanciering. Goede samenwerking met de landen in onder andere de Golfregio is hierbij van groot belang. Qatar is één van de ondertekenaars van de Jeddah-verklaring. In deze verklaring bevestigt Qatar dat het partner is in de strijd tegen terrorisme, waaronder IS(IS), en dat het uitvoering zal geven aan VN Veiligheidsraadsresuolutie 2170 (2014).

Klimaat en energie

De leden van de PvdA-fractie zijn ontstemd over het aangegeven uitstel van de regering omtrent het naar de Kamer sturen van de analyse van het PBL en ECN over het Europese klimaat- en energiepakket voor 2030. Zij vragen de regering met klem om deze analyse zo snel mogelijk naar de Kamer te sturen. Zij benadrukken tevens dat de regering zich conform de motie Vos (Kamerstuk 33 585, nr. 10), totdat de uitkomsten van de onderzoeken met de Kamer zijn besproken, in EU-verband niet actief dient te verzetten tegen een bindende doelstelling voor duurzame energie, of zich in te zetten voor een enkelvoudige doelstelling en te handelen in de geest van het Nederlandse energieakkoord, waarin duurzame energie een belangrijke separate bindende doelstelling is.

6. Antwoord van het kabinet

Zoals aangegeven in de brief die Staatssecretaris Mansveld uw Kamer op 16 september jl. heeft gestuurd (Kamerstuk 33 858, nr. 17), was de analyse van PBL en ECN op het moment van verzending van die brief pas zeer recentelijk afgerond. Gezien de wens om tot een zorgvuldige kabinetsreactie op de analyse te komen was het niet mogelijk deze reactie voor Prinsjesdag aan uw Kamer te doen toekomen. U zult de uitkomsten van de analyse vergezeld van een kabinetsreactie zo spoedig mogelijk ontvangen.

De leden van de SP-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat het kabinet geen voorstander is van nationale bindende doelen voor hernieuwbare energie, omdat een EU-breed doel een grote mate van vrijheid biedt aan lidstaten om rekening te houden met voor hen specifieke omstandigheden. De leden van de SP-fractie menen echter dat dat nationale doelstellingen voor hernieuwbare energie het gemakkelijker kunnen maken om op Europees niveau tot overeenstemming te komen over gezamenlijke Europese doelstellingen, en op die manier eveneens een bijdrage kunnen leveren aan de investeringszekerheid van Europese bedrijven. Juist in het kader van de effectiviteit van gezamenlijke doelstellingen is de SP daarom voorstander van nationale bindende doelen. Hoe beziet het kabinet het feit dat klimaat en energie zijn samengevoegd in één commissariaat? Maatschappelijke organisaties hebben hun zorgen geuit over de mogelijkheid dat de klimaatdoelstellingen hierdoor afgezwakt zouden kunnen worden. Deelt het kabinet deze zorg?

7. Antwoord van het kabinet

Het kabinet onderkent dat klimaat- en energiebeleid sterk onderling verweven zijn, en heeft in het kader van het Klimaat- en Energiepakket 2030 ook veelvuldig aangegeven dat dit beleidspakket in samenhang met energievoorzieningszekerheid besproken diende te worden. Bovendien past het samenvoegen van twee thematisch gerelateerde voormalige Commissariaten in één nieuw Commissariaat bij de inzet van het kabinet op een nieuwe organisatiestructuur voor de Commissie, bijvoorbeeld door de introductie van beleidsclusters aangestuurd door vicevoorzitters. Het kabinet steunt dan ook de keuze van de nieuwe voorzitter van de Commissie om klimaat en energie samen te voegen in één Commissariaat. Vanwege de samenhang tussen deze twee beleidsterreinen en omdat de EU zich in internationaal verband reeds heeft uitgesproken voor een CO2-reductiedoelstelling van 80–95% in 2050, deelt het kabinet de genoemde zorg niet.

Sinds het witboek «Beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020–2030» in januari is gepubliceerd, is er veel veranderd. Ook in Nederland wordt nu nagedacht over de toekomst van onze eigen energievoorziening. Het CDA heeft daarover in de afgelopen weken voorstellen gepresenteerd, zoals het nadenken over kernenergie. De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan aangeven hoe in de Europese Unie wordt aangekeken tegen de afhankelijkheid van Russische energiebronnen. Welke consequenties worden in Europees verband getrokken over onze energievoorziening in de toekomst? Is het kabinet bereid hierover van gedachten te wisselen met andere EU-landen? Wanneer deze afhankelijkheid van Rusland en het Midden-Oosten ter sprake komt, wat zal dan de inbreng zijn van Nederlandse zijde?

8. Antwoord van het kabinet

De recente ontwikkelingen in Oekraïne hebben onderstreept dat de energiezekerheid van de EU niet vanzelfsprekend is. Het kabinet acht het daarom van groot belang dat de EU de volgende zaken hoog op de agenda houdt:

  • Voltooiing van de interne energiemarkt, die zorgt voor één goed functionerende Europese interne markt waarin landen nauw met elkaar samenwerken;

  • Een goede Europese infrastructuur, die ervoor zorgt dat energie ook daadwerkelijk vrij kan stromen en lidstaten elkaar bij kunnen staan als er knelpunten ontstaan;

  • Een ambitieus klimaat- en energiebeleid dat langs de weg van stimulering van duurzame energie en energiebesparing bijdraagt aan de verduurzaming van de energievoorziening en daarmee aan de vermindering van importafhankelijkheid.

Versterking van de infrastructuur door middel van verbetering van interconnectie, reverse-flow en het aanvoeren van gas uit meerdere bronnen (diversificatie) staan al enige tijd op de Europese agenda. Acties die op dat gebied zijn en worden ondernomen komen onder meer uit het Derde Energiepakket, het Infrastructuurpakket en de Verordening leveringszekerheid aardgas. Het nieuwe kader voor klimaat en energie zal worden besproken op de Europese Raad van 23 en 24 oktober a.s.

De Commissie heeft op 28 mei jl. een Mededeling gepubliceerd over de «European Energy Security Strategy» (EESS) waarin maatregelen worden voorgesteld ter vergroting van de energiezekerheid. In dat kader zijn deze zomer nationale stresstesten uitgevoerd. Naar verwachting zal de Commissie binnenkort rapporteren over de uitkomsten hiervan. Tijdens de Europese Raad van oktober zal verder gesproken worden over middellange- en langetermijnmaatregelen om de voorzieningszekerheid van de Europese Unie te vergroten.

In dit verband werkt het Italiaanse voorzitterschap in samenwerking met de lidstaten momenteel aan een Raadsrapport over voorzieningszekerheid. Het kabinet overlegt hierover frequent met andere lidstaten, zowel in EU-verband als bilateraal. De inzet van het kabinet hierbij is in lijn met de kabinetsreactie op de mededeling over de Europese voorzieningszekerheidsstrategie (Kamerstuk 21 501-33, nr. 491), die uw Kamer op 17 juni jl. toe ging en zich richt op de hiervoor genoemde drie actielijnen.

Friends of the Presidency

De leden van de VVD-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat zal worden gesproken over de projectgroep Friends of the Presidency inzake het functioneren van de EU. Evenals voor het Nederlandse kabinet, is ook de rol van nationale parlementen wat de VVD-fractie betreft van groot belang voor het functioneren van de EU. In de geannoteerde agenda is te lezen dat de nadruk op deze rol onderdeel vormt van het uitgangspunt van de Nederlandse inbreng in de projectgroep. Wat is dan op dat punt de concrete inzet van het kabinet? En in hoeverre wordt de Nederlandse inzet in de projectgroep gedeeld door (vertegenwoordigers van) andere lidstaten? In hoeverre zal de rol en het werk van de vertegenwoordigers in de projectgroep in de praktijk – afgezien van haar tijdelijke mandaat – anders zijn dan dat van de permanente vertegenwoordigers in COREPER?

9. Antwoord van het kabinet

De Friends of Presidency groep (FoP) zal bezien welke mogelijkheden er binnen de kaders van het Verdrag van Lissabon zijn voor verbetering van het functioneren van de EU en daarover rapporteren aan de Raad Algemene Zaken. In de ogen van het kabinet kunnen nationale parlementen in alle fasen van de beleidscyclus een nuttige rol spelen, zowel in de consultatiefase door het sturen van input aan de Commissie, in de onderhandelingsfase direct via de subsidiariteits- en proportionaliteitstoets en indirect via politiek debat met leden van de nationale regering over de onderhandelingsinzet van de betreffende lidstaat of via afstemming tussen nationale parlementariërs en leden van het Europees parlement, in de implementatiefase bij de omzetting van de regelgeving in nationale regelgeving en in de evaluatiefase door het leveren van input bij evaluaties.

De inzet op versterking van de rol van nationale parlementen wordt door veel lidstaten gedeeld, waarbij verschillende lidstaten wijzen op de eigenstandige rol die nationale parlementen innemen. De bevindingen van de FoP zullen worden geagendeerd voor de Raad Algemene Zaken van december a.s. Het Coreper is zoals bekend het ambtelijke voorportaal voor alle bijeenkomsten van de Raad.

De leden van de PvdA-fractie steunen het werk van de Friends of the Presidency groep over het functioneren van de EU alsmede het mandaat van deze groep. Zij vragen het kabinet voor ieder van de drie elementen van het mandaat van de Friends of the Presidency groep aan te geven wat het kabinet als wenselijke uitkomst ziet. Zij vragen het kabinet ook om een concretere beschrijving van de inzet tijdens de eerste bijeenkomst van de groep op 25 september a.s. Het in de geannoteerde agenda aangegeven uitgangspunt voor de Nederlandse inzet in de groep en de verwijzing in dat kader naar de Staat van de Unie vinden zij te algemeen.

10. Antwoord van het kabinet

De inzet van het kabinet is op alle drie de onderdelen gebaseerd op eerder ingenomen kabinetsposities die met uw Kamer gedeeld, zowel de Staat van de Unie als de Kabinetsreactie op het AIV-advies «Naar een gedragen Europese samenwerking; werken aan vertrouwen (Kamerstuk 33 877, nr. 21). Voorafgaand aan de bespreking van de uitkomsten van de FoP in de Raad Algemene Zaken van december a.s., zullen deze met uw Kamer worden gedeeld.

Verder vragen de leden van de PvdA-fractie met betrekking tot het eerste deel van het mandaat wat de inzet is van het kabinet om te komen tot betere regelgeving. Waar liggen de kansen en op welke wijze wenst het kabinet dat haar inzet verbonden wordt met de eerste prioriteit van de nieuwe strategische agenda om meer werkgelegenheid en groei te genereren?

11. Antwoord van het kabinet

Het kabinet acht het van groot belang dat EU-beleidsdoelen op de meest efficiënte en effectieve wijze gerealiseerd worden en dat daarbij de beginselen subsidiariteit en proportionaliteit effectief worden toegepast. Burgers, werknemers en bedrijfsleven dienen hiervan zoveel mogelijk profijt te hebben, waarbij onnodige regeldruk wordt voorkomen. Dit is essentieel om groei en banen te stimuleren. Zoals uiteengezet in het BNC-fiche «Mededeling Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten» zal het kabinet waar het kansen ziet voor het verminderen van regeldruk en het verbeteren van de kwaliteit van regelgeving, deze kansen in EU-verband actief onder de aandacht brengen. Het kabinet zet in algemene zin in op voortzetting van het REFIT-programma op doortastende wijze als belangrijk middel om uitvoering te geven aan de eerste prioriteit van de Strategische Agenda.

Het kabinet zet in het kader van REFIT concreet in op de versterking van instrumenten die de kwaliteit van wetgeving verbeteren, zoals meer transparantie en versterking van Impact Assessments (IA), beleidsevaluaties en consultaties. In reactie op de uitstaande consultatie over hernieuwde richtlijnen voor Impact Assessments zal het kabinet pleiten voor het opnemen van nalevingskosten en een vaste toets op de effecten van een voorstel op de concurrentiekracht en werkgelegenheid (competitiveness proofing). Ook pleit het kabinet voor onafhankelijke toetsing van Impact Assessments door een onafhankelijke Impact Assessment adviesgroep die zowel de Europese Commissie, de Raad en het Europees parlement adviseert ten aanzien van de kwaliteit van Impact assessments.

Het kabinet vraagt bovendien om speciale focus op het mkb, op de voor Nederland belangrijke sectoren en de sectoren met grootste knelpunten in het REFIT-programma. Ook zou er meer aandacht moeten zijn voor regeldruk en de uitvoerbaarheid van EU-regelgeving voor (mede-)overheden. Tenslotte pleit het kabinet voor een kwantificering van de effecten van het REFIT-programma in het jaarlijkse scorebord en ziet graag meer aandacht voor alternatieven voor regelgeving (bv. voorlichting en sectorinitiatieven).

De leden van de SP-fractie lezen met instemming dat het rapport «Voorop in Europa» zal worden betrokken bij de Nederlandse inbreng in de Friends of the Presidency-groep. Kan de regering aangeven welke aanbevelingen en conclusies uit het rapport zij daarbij naar voren wil brengen? Gegeven het feit dat het kabinet wenst dat er in de wetgevingsprocedure beter rekening wordt gehouden met de positie van de nationale parlementen en de eerbiediging van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel, kan zij aangeven welke verwachtingen zij heeft van de appreciatie van de gele-kaart procedure door de nieuwe Commissie? Wat is de inzet van het kabinet aangaande de gele kaart procedure in het kader van de projectgroep? Ziet het kabinet een rol weggelegd voor de nieuwe EU-commissaris «beter bestuur» in de context van de projectgroep? Zo ja, welke?

12. Antwoord van het kabinet

Het rapport «Voorop in Europa» biedt verschillende aanknopingspunten voor het versterken van de banden tussen nationale parlementen en het Europees parlement en de Commissie. Juist in de relatie tussen de Commissie en nationale parlementen speelt de gele-kaart procedure een belangrijke rol. De nieuwe Commissie is nog niet aangetreden en een appreciatie van de gele-kaart procedure door de nieuwe Commissie is dan ook nog niet aan de orde. Zie verder antwoord 10.

De leden van de PVV-fractie vragen wat volgens dit kabinet precies het doel en de meerwaarde is van de Friends of the Presidency groep.

13. Antwoord van het kabinet

De FoP bereidt de discussie in de Raad Algemene Zaken voor over de uitwerking van de in de Strategische Agenda overeengekomen principes. Het doel en de meerwaarde daarvan zijn het verbeteren van het interne functioneren van de Unie, binnen de kaders van de huidige verdragen. Zie ook antwoord 9 en 10.

Strategische Agenda

Tijdens de Raad Algemene Zaken zal gesproken worden over de uitwerking van de Strategische Agenda. In aanloop naar de Europees Parlementsverkiezingen is door verschillende lidstaten, waaronder de huidige voorzitter Italië, gehint op een mogelijke verdragswijziging na de verkiezingen. De positie van het Nederlandse kabinet op dit punt is helder, volgens de leden van de VVD-fractie. Zijn er op dit moment landen die concreet aandringen op een verdragswijziging? Zijn er landen die voornemens zijn dit punt informeel of formeel te agenderen in de komende tijd? Zo ja, welke landen zijn dit, met welke reden en hoe ziet er Europese krachtenveld op dit thema eruit?

14. Antwoord van het kabinet

Verdragswijziging is nu niet aan de orde. Tijdens de informele RAZ van 28–29 augustus jl. in Milaan bestond er, zoals in het verslag daarvan aangegeven, consensus over het beperken van de discussie naar aanleiding van de Strategische Agenda tot opties voor hervormingen die binnen het kader van het Verdrag van Lissabon gerealiseerd kunnen worden.

De leden van de PvdA-fractie danken het kabinet voor haar inspanningen om het meerjarenprogramma van de Commissie een adequate weerspiegeling te laten zijn van de Strategische Agenda. Zij vragen het kabinet welke eventuele obstakels het ziet om de prioriteitstelling, zoals vastgelegd in de Strategische Agenda en geconcludeerd tijdens de ER, te behouden en het politieke speelveld op dit vlak toe te lichten.

15. Antwoord van het kabinet

De Strategische Agenda is door de Europese Raad aangenomen en wordt als zodanig door alle lidstaten onderschreven. Het komt nu aan op het maken van gedegen afspraken met de andere instellingen. Commissievoorzitter Juncker heeft in zijn politieke beleidslijnen zijn visie vastgelegd. Deze sluit grotendeels goed aan op de agenda van de Europese Raad. Na het aantreden van de Commissie, zal deze een verder uitgewerkt meerjarenprogramma opstellen. De inzet van het Europees parlement zal de komende periode eveneens worden bepaald. Daarvoor zullen onder meer de hoorzittingen met de beoogde Commissarissen richtinggevend zijn. Nederland zal nadrukkelijk blijven inzetten op behoud van de scherpe focus voor de Unie waartoe in de Strategische Agenda wordt opgeroepen.

De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet tevens op welke wijze en middels welk proces de Strategische Agenda de komende tijd, vanaf de installatie van de nieuwe Commissie, vorm zal krijgen en op welke wijzen nationale parlementen hierbij zullen worden betrokken.

16. Antwoord van het kabinet

De Strategische Agenda is tijdens de Europese Raad op 26 en 27 juni jl. aangenomen. De verkozen voorzitter van de Europese Commissie heeft de Strategische Agenda mede als uitgangspunt genomen voor zijn politieke beleidslijnen. Na installatie zal de nieuwe Commissie haar meerjarenprogramma opstellen. Zodra deze in Raadsverband worden behandeld, worden de nationale parlementen daarbij betrokken.

De leden van de PvdA-fractie zijn ook benieuwd naar de inzet van het kabinet om de problematiek omtrent migratie stevig te verankeren in het meerjarenprogramma van de nieuwe Commissie. Zij vinden de keuze voor de Griekse kandidaat-Commissaris voor migratie een interessante en één die kansen biedt voor een effectievere Europese inzet op dit terrein om te komen tot een rechtvaardige en duurzame oplossing voor de migratiestromen die nu zo veel slachtoffers eisen tijdens de vaak wanhopige tocht naar Europa.

17. Antwoord van het kabinet

Nederland heeft ingestemd met de Strategische Agenda die is aangenomen door de Europese Raad van 26–27 juni jl., en waarin wordt verwezen naar het belang van een geïntegreerde aanpak van de migratieproblematiek. Het kabinet ijvert er zoals bekend in EU-verband voor dat deze Strategische Agenda zowel in het werkprogramma als in de interne organisatie van de nieuwe Europese Commissie zoveel mogelijk wordt overgenomen. Ook in de Raadsconclusies over de toekomstige ontwikkeling van het meerjarenbeleid op het terrein van Justitie en Binnenlandse Zaken (post-Stockholm) die 27 juni jl. door de Europese Raad zijn aangenomen, wordt de gezamenlijke inzet met betrekking tot het migratiebeleid bevestigd.

De leden van de SP-fractie lezen dat het kabinet er belang aan hecht dat de Strategische Agenda adequaat wordt weerspiegeld in het meerjarenprogramma van de nieuwe Commissie. Kan de regering aangeven in hoeverre dit het geval is afgaande op de uitspraken die Juncker tot nu toe gedaan heeft over de koers die de Commissie de komende jaren zal varen?

18. Antwoord van het kabinet

De nieuwe Commissie heeft haar meerjarenprogramma nog niet vastgesteld; daarmee zal de Commissie starten na installatie. Zie ook antwoord 15 en 16.

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd naar het oordeel van het kabinet inzake de structuur van de nieuwe Commissie. Er wordt gesproken van een «koekje van eigen deeg»-strategie, waarbij de lidstaten een portefeuille toebedeeld hebben gekregen op een terrein waar de lidstaat een probleem mee heeft. Deelt het kabinet deze analyse? In hoeverre kan het kabinet zich in een dergelijke benoemingsprocedure vinden?

19. Antwoord van het kabinet

Het oordeel van het kabinet over de nieuwe Commissie is opgenomen in de brief van de Minister-President van 11 september 2014 (Kamerstuk 21 501-20, nr. 911). Het kabinet deelt de gesuggereerde analyse inzake een «koekje-van-eigen-deeg»-strategie niet.

Vast staat dat de vicecommissarissen de overige commissarissen zullen aansturen in clusters. De twee vicecommissarissen die zich zullen gaan bezighouden met het financieel en economisch beleid in de EU staan bekend om bezuinigingsbeleid uit het verleden. In hoeverre laat deze keuze zich volgens het kabinet rijmen met het eerste punt van de Strategische Agenda, namelijk banen, groei en concurrentievermogen?

20. Antwoord van het kabinet

Het kabinet ziet geen tegenstelling tussen het bezuinigingsbeleid van een lidstaat in het verleden en de agenda van Commissarissen uit deze lidstaten in de Commissie indien zij de Strategische Agenda ten aanzien van banen, groei en concurrentievermogen uitvoeren.

Er is kritiek geuit op meerdere benoemingen binnen de Commissie, maar de benoeming van voormalig financieel lobbyist Jonathan Hill tot commissaris voor financiële stabiliteit, financiële dienstverlening en kapitaalmarkten, doet veel stof opwaaien. Sommige leden van het Europees parlement hebben zijn benoeming als «provocerend» en «onaanvaardbaar» ervaren, en Corporate Europe Observatory pleit ervoor dat de Britse regering de kandidatuur van Hill annuleert om belangenverstrengeling te voorkomen. Hoe oordeelt het kabinet over de benoeming van Hill?

21. Antwoord van het kabinet

Van een benoeming is op dit moment nog geen sprake. Conform art. 17 lid 7 zal de Europese Raad de nieuwe Commissie benoemen na goedkeuring door het Europees parlement. Het is aan het Europees parlement een oordeel te vellen over het nieuwe college.

De leden van de PVV-fractie vragen hoe dit kabinet ervoor gaat zorgen dat, onder de recent aangetreden Europese Commissie, Nederland nationale bevoegdheden terughaalt uit Brussel.

22. Antwoord van het kabinet

De doelstelling van het kabinet is het beter laten functioneren van de Europese Unie binnen de kaders van de bestaande verdragen. Het «terughalen van nationale bevoegdheden uit Brussel» zou een Verdragswijziging impliceren. Daarvan is het kabinet zoals bekend geen voorstander.